De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot

Part 17

Chapter 173,612 wordsPublic domain

De verruiling der koopmansgoederen geschiedde met zoo grooten haast, dat wij binnen weinige dagen weer konden onder zeil gaan; dog onze reize wierdt eenigzins opgehouden door een opgekomen geschil tusschen ons bootsvolk, en eenige burgers van _Mezendoria_, zoo als wij stonden om 't anker te ligten. De oorzaak des geschils was deeze; zeker Koekoek hadt een _Martiniaansch_ matroos, zoo als die bij geval door de Stad ging wandelen, eenige scheldwoorden toegeworpen, en hem uitgemaakt voor een _Peripom_, zoo veel bij ons te zeggen als tooneelspeeler: want aangezien de Aapen in dit gewest gemeenlijk de Jan Pottages en Comedianten zijn, hadt de Koekoek den matroos voor eenen tooneelspeeler aangezien. Dog dees dien smaad niet kunnende opkroppen, onthaalde den schimper op eene dragt stokslagen, en hem wakker toedekkende, ontheupte hij hem bijna. De Koekoek terstond roepende: Burgers staat bij, riep de omstanders tot getuigen, en bragt ze 's anderendaags voort om verhoort te worden. De getuigen verhoort zijnde, bragt hij de zaak voor 't geregt der Stad. Hierom wierdt de matroos zig nog op de taal, nog op 't regt van _Mezendoria_ verstaande, genoodzaakt eenen Exter of Advocaat te huuren, om zijne zaak te verdedigen. Dus wierdt die zaak in den Raad bepleit, en binnen den tijd van een uur kwam 'er een vonnis op van deezen inhoud: _Dat de Koekoek, als aanrander, de straffe zoude dragen waar van hij de oorzaak was, en de kosten betalen van het Proces_, welke egter, gelijk doorgaans geschiedt, door het salaris van den Advocaat geheel en al wierden ingezwolgen. De Raadsheeren, die over dit geding zaten, waren Paarden, van welke 'er twee Burgermeesters, en de vier andere Raaden wierden genoemt. Wijders waren 'er even zoo veele veulens tegenwoordig; dog die hadden slegts overwegende, en geen besluitende stemmen, en wierden bij diergelijke verrigtingen toegelaten, als Aankomelingen en Candidaten in de Regten. Ik verstond dat 'er ook zulke kweekscholen in andere Vergaderingen waren, waar uit zij gewoon zijn de bekwaamde Aankomelingen te nemen, om de opengevallen plaatsen weder te vervullen.

Onzen koophandel naar wensch gedreven en ons Schip met kostelijke waaren geladen hebbende, begonnen wij op ons vertrek te denken. Na dat wij diep in zee gesteken waren, begon het zoo stil te worden, dat wij geenen voortgang meer maakten, waarom de een met een elger, en de ander met hoeken begon te visschen. Eerlang begon 't wat op te koelen;

_............. Des draalden wij niet lang_ _Maar rukten 't zeiltje bij, en raakten aan den gang:_

Na dat wij langen tijd, voor den wind en met genoegzame koelte, de zeebaaren geklieft hadden, zagen wij nieuwe Sirenen,

_...... Die, in de zoute plassen,_ _Zig staag begietende met water,'t ligchaam wasschen:_ _En 't scheen de Zee-meermin, nu duik'lend naar den grond_ _Dan bovenkomende, geen klein genoegen vondt;_

Bij poozen gaven ze een vervaarlijk geluid van zig, waar door het bootsvolk niet weinig verschrikt wierdt, als door ondervindinge geleert hebbende, dat die treurige musiek een voorspook is van onweer en schipbreuk. Hierom wierden terstond de groote zeilen ingenoomen, en een iegelijk op zijnen post gestelt. Naauwlijks was dit verrigt, wanneer de lugt met zwarte wolken wierdt overtrokken, en de zeegolven door de vervaarlijke rukwinden aangezet, zig tot aan den hemel verheften, zoo dat de Stuurman, die bijna veertig jaaren de Onderaardsche zeeën beploegt hadt, heiliglijk betuigde, zig nooit in grooter onweer bevonden te hebben. Al wat tusschen deks gelegen hadt, dreef nu bereids in 't water, dat wij, zoo door de instortende golven, als door de vervaarlijke slagregens met donder en blixem vermengt, in 't Schip gekregen hadden, invoegen het scheen dat alle de hoofdstoffen te gelijk onzen ondergang hadden zworen,

_'t Schip gierde vast door holle zee._ _De nagt kwam schielijk aangetogen_ _En rukte ons den dag uit d'oogen,_ _Het wierdt een weer dat ieder schrikken dêe._ _De blixem schoot door zwarte wolken heenen_ _En flikkerde in de lugt: het kraaken_ _Des donders scheen elks hart te raaken:_ _Eerlang was alle hoop tot ons behoud verdweenen:_ _Wij wierden in den koers verbijstert,_ _En vreeslijk door de zee geteisterd._

Eerlang brak onze groote mast aan stukken, en de overige gingen den zelfden gang. Toen stondt iedereen de dood voor oogen. Dees riep om zijne vrouw en kinderen, een ander om zijne vrienden en bloedverwanten, en het gantsche Schip weergalmde van een naar gehuil. De Stuurman trachtte wel, schoon hij zelf wanhoopte, hen met woorden ter neêr te zetten, hen vermanende te bedaaren, en op te houden van klagten, die niets deden dan den moed benemen. Dog terwijl hij daar mede bezig was, sloeg hem de wind in zee, en toen men hem trachtte te redden, wierdt hij door eenen rukwind onder eene golf gesmeten, en hij verdronk. Drie andere ondergingen dat zelfde lot, waar van 'er de Opperkoopman een was, en de twee andere waren bootsgezellen. Ik alleen verdroeg dat algemeen ongeval met lijdzaamheid, vermits ik, verdriet in mijn leven hebbende, geenen lust hadt om weder te _Martinia_ te komen, alwaar ik beide mijne vrijheid en agtinge verloren had, en vervolgens onder 't getal der genen was, welke voor

_Gebrek, nog opgeheven zwaart,_ _Nog kerker, zijn in 't minst vervaart._

Alleenlijk was ik bewogen over onzen Schipper, om de gunst die hij mij, geduurende onze geheele reis, bewezen hadt; en ik trachtte, met de beste woorden die ik bedenken kon, zijne verslagehheid op te beuren; dog ik stelde mijne welsprekenheid te vergeefsch in 't werk, vermits hij niet ophieldt van zugten, en van even als een wijf te balken, tot dat hij door eene opkomende zwaare golf in zee gesmeten wierdt. 't Onweder gestadig toenemende, wierdt het Schip voor verloren gehouden. Mast en roer, riemen en touwen waren bereids weg, en het vaartuig wierdt als een holle romp door de golven herwaards en derwaards geslingerd. Drie dagen agter een, stonden wij deezen storm uit, in doodsvreeze en flaauw van honger. De lugt wierdt nu en dan wel eens wat helderder; dog de storm bleef gestadig aanhouden. Eindelijk schepten de nog overgebleven matroozen eenigen moed, toen zig van Verre eenig land, dat berg- en klipagtig was, opdeedt; en vermits de wind naar 't lager was, kreegen wij hoop eerlang aan land te zullen komen. Zonder schiphreuk kon dat niet wel geschieden, om dat het strand niet vlak was; dog daar was kans, dat zoo niet alle, egter de meeste, door behulp der drijvende luiken eenigen tijd hun leven zouden bergen. Dog terwijl wij ons met deze hoop vleiden, stiet het Schip op eene blinde klip met zulken geweld te barsten, dat het bijna in honderd stukken van een viel. In deeze verbaasdheid greep ik een luik, niet eens denkende op mijne makkers, vermits ik alleen bedugt was voor mijn eigen behoud: ook weet ik tot nog toe niet wat hun mag overkomen zijn. 't Is waarschijnlijk dat zij alle ellendiglijk zijn om hals geraakt, vermits ik niet vernomen hebbe, dat iemant daar aan land is gekomen. De vloed, en baaren, voerden mij, met eene groote snelheid naar het strand, 't geen mijn geluk was, want zoo ik wat langer in dien staat gebleven had, zoude ik, afgemat van honger en gebrek, zonder twijfel het leven daar bij hebben ingeschoten. Na dat ik in eenen inham was geworpen, begon de zee te bedaren en haar geruisen te verzagten, zoo dat men ze slegts flaauwlijk konde hooren. Die gantsche gewest is bergagtig; hierom maken de kromten der bergen, de menigvuldige heuvelen, de gespleten kruinen der rotzen, en de bolle bogten der valleijen, de lugt zeer ongelijk, waar door 't gebeurt dat op veele plaatsen de woorden worden wedergekaatst. Wanneer ik nu zag dat ik bijna het strand bereikt had, gaf ik eenen grooten schreeuw, hopende dat de gene die nabij 't strand woonden, op dat geroep zouden komen toeschieten en mij helpen. Op mijn eerste geroep hoorde ik geen tegengeroep; maar toen ik daarmede voortging, hoorde ik een geluid van 't strand komen, en zag dat det inwoonders des Lands uit het digtste van het bosch te voorschijn kwamen, en in eene soort van boot vielen, om na mij toe te komen. De boot was gemaakt van teenen van Haag-appelboomen en Eike-wisschen, waar uit genoeg was af te neemen, dat dit geenszins het allerbeschaafdste volk was. Dog op het zien der roeijers wierdt mijn hart met blijdschap vervult, vermits dezelve ten opzigte hunner ligchaams-gedaante niets van de menschen verschilden; en zij waren ook de eenigste menschen, welke 't mij hadt mogen gebeuren in mijne gantsche Onderaardsche reize te zien. Zij gelijken zeer wel naar de bewoonders onzes Aardkloots die onder de linie zijn; want zij hebben zwarte baarden en gekroest hair, en de gene die blond en lang ongekrult hair hebben, worden onder de wanschepsels gerekent. Eindelijk kwamen zij aan het stuk van 't schip waar op ik dreef, en namen mij, die hun ootmoedig de handen toestak, in de boot. En toen,

_Verkleumt van koud' en zonder kragt,_ _Wierd ik van hen op 't strant gebragt,_

Alwaar ik een weinigje met spijs en drank, schoon raauw en gering, verkwikt zijnde, (want ik had geduurende den tijd van drie dagen honger en dorst geleden,) eerlang tot mij zelven kwam.

TWAALFDE HOOFDSTUK

_Komst op den Kust van Quama._

Midlerwijl liep 'er zeer veel volks bijeen, dat met mij wilde spreeken; dog hunne taal niet verstaande, wist ik hun niets te antwoorden. Nadien ik dagt dat de woorden _Dank Dank_, welke zij dikwils herhaalden, Hoogduitsche waren, antwoordde ik hen in die spraak: een weinig daar na sprak ik Deensch, en terstond daar op Latijn; dog zij toonden genoegzaam door 't schudden hunner hoofden, dat zij 't een zoo min als 't ander verstonden. Ik trachtte eindelijk mijne gedagten in de Onderaardsche taalen, te weeten in de _Nazarische_ en in de _Martiniaansche_, uit te drukken; dog alles was te vergeefsch. Hier uit giste ik dat dit een wild en woest volk was, en dat geen gemeenschap altoos hieldt, of eenigen handel dreef met de overige Onderaardlingen, en vervolgens dat ik in dit gewest weder kinds zoude moeten worden, en leeren spreeken.

Na dat wij lang gepraat hadden, dog egter zoo, dat de een den anderen niet verstondt, wierd ik naar een hutje gebragt, dat van teenen gevlogten was: daar vondt men nog stoel, nog bank, nog tafel; want zij aten op den grond zittende, en vermits zij geen bedden hadden, bragten zij slegts ondereen op wat stroo leggende den nagt door, 't geen mij des te meer verwonderde, aangezien in dat gewest zeer veele bosschen worden gevonden, die wel met hout voorzien zijn. Hun eenige voedsel was melk, kaas, haver-brood en vleesch, 't geen zij lieten bevriezen, vermits zij zig niets met allen op de kokerij verstonden. Kortom, zij waren bijna even als de eerste stervelingen,

_Die, ruw en onbeschaaft, niet wisten van te ploegen,_ _Of van den dommen Os in het gareel te voegen_ _Om d'aard' te klieven, en in den gebroken grond_ _Te kweeken 't vette graan tot spijze voor den mond:_ _Die plomp en ongewoon om schatten te vergaêren_ _Nog onbedrevener in die te houden waren;_ _Maar die te vreeden met de vrugten van 't geboomt',_ _Of 't geen de jagt hen gaf, steeds leefden onbeschroomt._

Om deeze redenen leefde ik hier eenen geruimen tijd een honden-leven, totdat ik zoo verre in de taal vorderde dat ik met de inwoonders spreeken, en hen in hunne onweetenheid konde te hulp komen. En waarlijk mijne allergeringste lessen wierden voor Godspraken gehouden. Hierom kwamen zij alle uit de omgelegen Dorpen, door 't gerugt mijns naams gaande gemaakt, met geheele troupen naar mij, als tot een uitstekend Leeraar, die hen van den hemel was toegezonden, toevloeijen; en ik hoorde dat 'er eene nieuwe tijdrekening, beginnende van mijne aankomst af, bij eenige van hen stand zoude grijpen. Die alles was mij des te aangenaamer, vermits ik in _Nazar_ en _Murtinia_, bij gene om mijn al te vlug vernuft en schielijkheid, bij deeze om mijne domheid, iedereen ten spot had verstrekt. Toen ondervond ik ook dat het spreekwoord waaragtig was, te weten: dat onder de blinden één-oog koning is; want ik was hier in een land gekomen, daar ik met een weinigje verstands, en met het gene bijna niet genoemt mogt worden, mij vermaart maken, en op den hoogsten trap des geluks konde klimmen. Ook had ik een ruim veld om te toonen wat ik doen konde, vermits dit gewest alles wat de mensch tot gebruik noodig heeft, rijkelijk opbragt: want de aarde brengt 'er zeer veele dingen van zelfs voort, en vergelt den zaaijer met veelvuldigen woeker; verstrekkende zooveel lekkernijen als noodig onderhoud. De inwoonders deezes lands waren wel niet onleerzaam, of in 't geheel van vernuft berooft; dog vermits zij nergens in onderwezen waren, zaten zij in eene diepe onkunde. Toen ik hen verhaalde mijn Geslagt, Vaderland, Schipbreuk en andere zaken, welke, mij op de reis bejegent waren, wilde niemant daar geloof aan slaan. Zij geloofden liever dat ik een inwoonder der Zon was, en dat ik uit dat gesternte was nedergedaalt; waarom zij mij ook gemeenlijk _Pikil-Su_, dat is afgezant der Zonne, noemden. Hen was niet onbekent dat 'er een God was; dog met de betooging van zulk een aangelegen leerstuk hielden zij zig niet zeer op, meenende genoeg te zijn, dat hunne voor-ouders dat zoo gelooft hadden. In dit leerstuk alleen bestaat hunne gantsche Godgeleerdheid. Wat aangaat het zedelijke, daar in kenden zij niet meer dan dat eene gebod:

_Wat gij niet wilt dat u geschied'_ _Doe dat ook aan een ander niet._

Zij hadden geene wetten: de wil des Keizers alleen was hunne wet, en om deeze reden wierden 'er geen misdaden, dan die tegen den Staat begaan waren, gestraft. Zoo iemant eenige andere euveldaden bedreven hadt, wierdt zijn bijwezen van allen geschuwt, en die versmading viel den overtreders zoo smertelijk en ondraaglijk, dat 'er niet weinige, of van hartzeer stierven, of uit verdriet in hun leven, de handen aan zig zelven sloegen. In alle tijdrekening waren zij gantsch onbedreven; rekenende alleen hunne jaren van de Zon-eclips welke voorvalt door de tusschenkomst van de Planeet _Nazar_, invoegen dat wanneer men 'er vraagde hoe oud iemant was, men ten antwoord kreeg, dat hij zoo veele eclipsen beleeft hadt. Hunne Natuurkunde was geheel mager en ongerijmt; want zij geloofden dat de Zon eene gouden plaat, en de Planeet _Nazar_ eene kaars was. Toen ik hen naar de oorzaak vraagde, waarom de Planeet _Nazar_ op gezette tijden af- en toenam, gaven zij mij ten antwoord, dat zulks hen onbekent was. Hun grootste rijkdom en vermogen bestondt in varkens, welke zij in de bosschen jagende, uit merken en kenteekenen onderkenden en eens ieders vermogen wierdt geschat naar het getal van zwijnen dat hij bezat. De onvrugtbare boomen, en die geen eikels droegen, waren zij gewoon te geesselen, vermits zij dwaaslijk oordeelden dat die onvrugtbaarheid voortkwam uit derzelver nijdigheid en kwaadaartigheid.

Dusdanig stondt het met dat erbarmenswaardige volk, 't welk ik in 't begin wanhoopte door een goed bestier en heilzaame leeren tot beschaafde menschen te zullen brengen; dog mij te binnen brengende:

_Wie is zoo woest die niet gebragt wordt tot bedaren?_ _Heerscht niet de Reden zelfs ook onder de Barbaren?_ _'t Verstandig onderwijs drijft alle woestheid uit:_ _Ten zij men voor de tugt baldadig d' ooren sluit;_

Stelde ik al mijn verstand in 't werk, om dat barbaarsche volk 'te beschaven, en daar door wierd ik onder hen als voor een Godlijk man gehouden: ja zij hadden zulk een groot gevoelen van mijne wijsheid, dat zij geloofden dat mij niets onmogelijk was.

_Hierom was nooit bij nagt een lam de kudde ontstolen;_ _Geen schaap was afgedwaalt en slegts een dag verholen;_ _Geen geit door ziekte hadt ooit het leven afgelegt;_ _De langverwagtte oogst den landman hoop ontzegt;_ _Geen os was voor den ploeg ontijdig dood gevallen,_ _Of ik kreeg straks de weet: zij kwamen met hun allen,_ _Zelfs in den hollen nagt, geloopen naar mijn hut,_ _en klaagden 't ongeval. Een' algemeenen stut_ _En steun verstrekte ik hen in hunnen nood...._

Ik zag eens eenen zekeren boer voor mijne deur op zijn aangezigt leggen, smeltende in tranen, en zijne handen wringende dat de leden kraakten, mijne hulp verzoeken. Toen ik hem naar de oorzaak daar van vraagde, barstte hij uit in klagten over de halstarrige onvrugtbaarheid zijner boomen; op het nederigste verzoekende, dat ik door mijn gezag wilde te wege brengen, dat zij als naar ouder gewoonte eikelen mogten dragen. Ik hoorde dat dit gantsche landschap onder 't gebied eenes Konings stondt, wiens verblijf ter dier tijd agt dagen reizens af was van het Dorp, aldaar ik mij toen ophield: ik zeg ter dier tijd, vermits de Hoofdstad verplaatsbaar was, en, in plaats van in vaste, huizen, in tenten bestaat, welke te gelijk met het Koninglijke huisgezin en deszelfs onderhoorigen, uit het eene gewest in 't andere pleegen overgevoert te worden. De Koning, die toen op den throon zat, was een bedaagt Vorst en wierdt _Casba_ genaamt, 't geen zeggen wil, de Groote Keizer. Dit gewest verdiende wel te regt, ten aanzien der wijduitgestrekte landstreken waar uit het bestaat, een Koningrijk genoemt te worden; dog om de onkunde der ingezetenen, welke hunne eigene kragten niet kenden, wierdt het van: weinig belang geschat; waarom het ook, bloot gestelt voor de aanvallen en beschimpingen zijner nabuuren, dikwils, genoodzaakt was schattinge te betalen aan onmagtige Natiën.

Het gerugt van mijnen naam en bekwaamheden wierdt weldra door alle gewesten verspreit; en de ingezetenen deeden van dien tijd af aan niets, ten zij men mij eerst als eene Godsprake hadt raadgevraagt: ja zoo menigmaalen als eene ondernomene zaak kwalijk uitviel, dagten zij dat zulks bij mijne kwaadwilligheid of onverschilligheid toekwam. Hierom waren 'er, die mijnen toorn met offerhanden trachtten te verzoenen. Alle de dwaasheden van dit domme volk zal ik niet verhalen; en het zal genoeg zijn daar van 't een of 't ander staaltje te melden, waar uit men van de overige ligtelijk zal kunnen oordeelen. Eene zwangere vrouw beeldde zig in, dat ik te wege konde brengen dat de vrugt die zij in haar ligchaam droeg, een knegtje gebooren wierdt: andere baden, dat ik hunne Ouders, die door ouderdom tot de voortteelinge onbekwaam waren geworden, jeugd en jaren wilde bijzetten: een derde verzogt mij, dat ik hem door de lugt naar de Zon wilde voeren, om uit deszelfs schoot zoo veel goud op haalen als hij noodig hadt, en 't zelve verkregen hebbende, daar mede wederom te rug te keeren. Door deeze en veele diergelijke verzoeken menigmaal baloorig gemaakt, haalde ik hunne gekheid dikwils met strenge woorden door; nadien ik dagt, dan dit al te groot vertrouwen van mijne magt en bekwaamheden, eindelijk op eene Godsdienstige eerbewijzing mogt uitkomen.

_De maar' komt eindelijk den ouden Vorst ter ooren,_ _Dat zeker vreemd'ling, nooit aldaar gezien te voren,_ _Was in zijn' heerschappij gekomen: uit wiens dragt_ _Genoegzaam bleek, dat hij uit een uitheemsch geslagt_ _En aan een ander oord geboren was;..._

Dat hij gezegt hadt een afgezant der Zonne te wezen; en dat hij door zeer wijze en bijna Godlijke lessen aan eenige _Quamiten_ (dus wierden de bewoonders van dit gewest naar deszelfs naam _Quama_ geheeten,) te geven, zig betoont hadt, meer dan een mensch te wezen. Om deeze reden zondt de Vorst terstond afgezanten, met bevel om mij te verzoeken naar het Hof te willen komen. Dat gezantschap bestondt uit dertig persoonen, alle gekleed met tijgerhuiden, welke dragt in deeze gewesten voor de aanzienlijkste werdt gehouden, nademaal niemant zig in dat gewaad, mag kleeden, ten zij hij zig manhaftig hebbe gekweten in den oorlog tegen de _Tanachiten,_ (een soort van Tijgers, die menschelijk verstand hebben, en de grootste vijanden der _Quamiten_ zijn). Midlerwijl had ik in 't gehugt, alwaar ik toen mijn verblijf hield, een huis van steen, twee verdiepingen hoog, naar de wijze der gebouwen in Europa, doen optimmeren. Dat huis wierdt als een verbaazend gevaarte, en 't geen menschen-kragten te boven ging, door de afgezanten bezigtigt, en daarom traden zij met eenen Godsdienstigen eerbied daarbinnen; als in een heiligdom, om mij 's Keizers last bekent te maken. 't Ontwerp van hunnen last was bijna in deeze bewoordinge vervat: "Nademaal de Groote, Keizer _Casba_, hun zeer genadige Heer, van geslagt en voorouders afkomstig was van _Spinko_, zoon der Zonne, die de eerste was die te _Quama_ geregeert hadt; was hem niets aangenaamer geweest, dan deeze bezendinge te mogen doen: vooral, nadien dezelve diende tot zeer groot nut van 't Rijk, en dat 'er hoope was, dat onder zulk een uitnemend Leeraar, de gantsche heerschappij eerlang eene andere gedaante zoude krijgen; weshalven hij hoopte, dat de afgezant des te liever ten Hove zoude willen komen, vermits hij aldaar meer en grooter gelegenheid zoude vinden, om zijne bekwaamheden in 't werk te stellen". Deeze aanspraak geëindigt zijnde, bedankte ik de afgezanten ten hoogsten, en vertrok met hen naar 't Hof, Zij hadden, veertien dagen op deeze reize onder weg geweest dog op ons vertrek leiden wij die in vier dagen af, 't geen door mijn toedoen wierdt te weeg gebragt; want nademaal ik bespeurt had, dat dit Land zeer veele Paarden voortbragt, en dat dezelve den inwoonderen eer tot last dan ten nutte verstrekten, vermits dezelve als wild door de bosschen liepen; wees ik hen de nuttigheid aan, welke zij uit het gebruik van die moedige dieren konden trekken, en leerde hen de konst van die te temmen. Eerlang waren 'er ettelijke Paarden mak gemaakt; en op de aankomst der afgezanten, had ik 'er bereids zoo veele in gereedheid die afgeregt waren, als wij op de terug-reize noodig hadden. De afgezanten de Paarden ziende, stonden 'er over verbaast, en durfden geduurende eenen geruimen tijd, dezelve niet beklimmen; dog toen zij zagen, dat ik en andere die zonder vrees of gevaar, met toomen, bestierden, en die met teugels bereden, schepten zij, na eene geringe proef genomen, te hebben, moed, en schikten zig naar 't geen ten rijtuig stondt te vertrekken. En dit was de oorzaak, waarom de derwaards-reis driemaal korter viel dan de herwaards-reis geweest was. Toen wij niet verre van de plaats waren, alwaar wij geloofden dat het Hof zijn verblijf hielde, vernamen wij dat de Hoofstad naar een ander gewest was overgebragt. Hierom moesten wij terug rijden en onze reize naar elders nemen.