De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 16
Wij bleeven niet lang in dit gewest, waarom ik ook den staat van dat land, nog den aart en zeden der inwoonders niet kan beschrijven. Daar was toen ter tijd eene geweldige beweging onder de gemoederen, om dat 'er onlangs een oorlog was ontstaan tusschen db _Picardanen_ en de Kramsvogels hunne nabuuren: vooral vermits 'er daags na onze aankomst, een gerugt liep, dat de _Picardanen_, in eenen grooten lugtstrijd, door de Kramsvogels waren geslagen; waarom ook de Veld-overste des legers, da rijp overleg van raade, gevonnist wierdt, dat hij eene vleugel-klieving zoude ondergaan, welke straf aldaar voor zeer zwaar wordt gehouden, en weinig van de halsstraffe verschilt. Na dat wij onze waaren verruilt hadden, staken wij in zee. Niet ver van strand, zagen wij het water als met veêren overdekt, en uit de pennen, welke wij in zee zagen dobberen, gisten wij dat dat de plaats was, alwaar de slag tusschen de Exters en Kramsvogels was voorgevallen.
Na eene voorspoedige reize van drie dagen, kwamen wij aan 't Musiek-land. Ons anker uitgeworpen hebbende, stapten wij aan den wal; gaande onze tolk vooruit met een Musiekinstrument, 't geen wij doorgaans een _Bas_ noemen. Dit scheen mij zeer belachelijk, vermits ik niet raden konde tot wat einde hij zig met dit pak beladen hadde. Nadien wij 't overal woest vonden, en nergens een voetstap van menschen te vinden was, gaf de Schipper bevel, onze aankomst door Musiek-geluid aan de inwoonders bekent te maken; en dadelijk kwamen, op 't geschal des trompets, omtrent dertig Musiek-instrumenten of bassen met éénen voet, toeloopen. Dit scheen mij waarlijk tooverij te zijn, vermits ik niets verbaazender op mijne reis gezien had. Deeze _Basfioolen_, welke ik vernam de inwoonders deezes gewests te zijn, waren van dusdanig een maaksel: Van boven was de hals langwerpig, met een klein hoofd, het ligchaam zelf naauw en gedrongen, met een glad-gemaakt deksel bedekt; invoegen dat 'er tusschen het deksel en 't ligchaam eene tusschenwijdte was overgelaten. Boven den navel des buiks hadt de Natuur eene kam of gestoelte met vier snaaren gestelt. 't Geheele gestel stondt slegts op éénen voet, zoo dat zij alle op één been loopende, even als of zij dansten, met eene zeer levendige snelheid het veld overliepen. Kort om, men zou gedagt hebben dat het waaragtige Musiek-instrumenten waren, om de gelijkheid der gedaante, zoo zij niet twee handen en twee armen hadden gehad. Met de eene hand hielden zij eenen strijkstok, en met de andere streeken zij over de snaaren, onze tolk, de inwoonders verzoekende met hen een mondgesprek te mogen houden,
_Vat met zijn linkerhand terstond de holle bas,_ _Terwijl zijn regterhand den strijkstok al zoo ras._ _Aangreep; en in dien stand maakt hij 't Musiektuig vaardig_ _Om 't oor te streelen, naar de komt, zoo juist als aardig._
Hij kreeg terstond antwoord door het geluid der snaaren, zoo, dat zij, beurt om beurt eenen geruimen tijd speelende, hunne meeningen uitdrukten. In 't begin speelden zij niet dan eene _Adagio_ en dat met eene genoegzame welluidenheid; dog straks daar op speelden zij met verscheiden toonen dat men baloorig wierdt. Eindelijk wierdt het Musiek besloten met eene zoet luidende en aangenaame _Presto;_ en wanneer de onze dezelve hoorden, sprongen zij op van vreugde, zeggende dat men het thans al eens was over den prijs der waaren. Straks bleek het dat de eerste _Grave_ niet anders beteekende dan het begin des gespreks, en enkel bestondt in onderlinge groetingen; dog dat, zoo lang als de ongelijkluidende Musiek duurde, 'er geschil was over den prijs; en dat eindelijk de zoetluidende _Presto_ de gelukkige overeenkomst in den handel te kennen gaf: want weinig tijds daar na wierdt het schip ontladen. Onder de waaren die derwaards worden overgevoert, was de harst van zeer veel aangelegenheid, waar mede de inwoonders van 't Musiek-land de strijkstokken of bogen, werktuigen tot het geluid, bestrijken; alwaarom ook, wanneer zij van eene misdaad overtuigt worden, hun tot straffe bij vonnis des Regters de strijkstok wordt afgenomen; en eene geduurige berooving van den strijkstok wordt bij hen voor halsstraffe opgenomen. Wanneer ik eens hoorde, dat 'er in zekere regtbank, die niet ver van ons vandaan was, eene regtszaake stondt uitgesproken te worden, liep ik derwaards om de wijze van een regts-geding in 't Musiek-land te hooren. De Advocaten, in plaats van te spreeken, begonnen de strijkstokken te roeren, trekkende geluid uit de snaaren die over haaren buik waren gespannen. Zoo lang 't geding duurde, wierden 'er niet anders dan ongelijkluidende klanken gehoort, invoegen dat in hunne afgeregte en gebaarmakende handen alle welsprekenheid gelegen was. Dog dat pleidooi geëindigt zijnde, stondt de Regter op, vatte eenen strijkstok, en speelde eene _Adagio_ geen het zelve is met een vonnis uit te spreken: want terstond kwamen zij toeloopen, die de sententie ter uitvoer moesten brengen, om den verwezenen den strijkstok af te nemen. De kinderen vertoonen hier een soort van instrumenten, bij ons _stok-fioolen_ genoemt. Hun worden geen strijk-stokken gegeven, bevorens zij drie jaren oud geworden zijn. Wanneer zij in hun vierdejaar treden, worden zij naar de schoolen gezonden, om van hunne meesters te leeren door 't op- en neerstrijken de klanken uit de snaaren te haalen, 't geen even het zelve is dat wij noemen in de letteren onderwezen te worden; en zij blijven onder 't onderwijs hunner meesters, tot dat zij naar den eisch speelen, en, zonder kratzen, den strijkstok naar boven stooten en naar beneden kunnen haalen. Wij wierden dikwils niet weinig van deeze jongens, die ons overal speelende vervolgden, geplaagt. Onze tolk, zig op de Musiek verstaande, zeide dat die speelende jongens bij ons kwamen bedelen om harst. Zoo lang zij bedelden, maakten zij een deftig geluid, of eene _Adagio;_ dog wanneer zij wat gekregen hadden, gaven zij een vlug en scherp geluid, of dat van eene _Presto_: want daar door wordt eene dankzegging uitgeduid. Dog wanneer zij niets komen op te doen, verdwijnt ook welhaast die geheele Zangberg.
Onze zaken wel en naar wensch verrigt zijnde, verlieten wij, omtrent het einde der maand _Cufan_, het Musiek-land, en na eenige dagen zeilens, zagen wij een ander strand, uit welks stank wij gissinge maakten dat het _Bijglossia_ was. De inwoonders deezes lands zijn den menschen niet ongelijk; hier in egter verschillende, dat zij, geenen mond hebbende, door hun agterste spreeken. De eerste die op ons Schip kwam, was een rijk koopman. Hij groette ons naar de wijze des lands door zijn agterkwartier, en begon terstond met ons te handelen over den prijs der goederen. Dog tot mijn groot ongeluk lag onze barbier toen krank; waarom ik genoodzaakt wierd mij van eenen _Bijglossischen_ baardscheerder te laten scheeren: want vermits deeze snotveegers doorgaans nog grooter babbelaars zijn dan die van Europa, vervulde hij, terwijl hij mij den baard scheerde, de herberg met eenen ijsselijken stank, zodanig dat wij na zijn vertrek genoodzaakt waren wierook te branden. Ik was nu aan de wonderbaarlijke zaken, en die tegen de natuur aanliepen, al zoo gewoon geworden, dat mij niets meer vreemd voorkwam. Vermits ons nu het verkeer met die van _Bijglossia_ zeer onaangenaam en moeilijk viel, ligtten wij, onze reize verhaastende, een weinig voor den gezetten tijd onze ankers, voornamenlijk vermits wij van eenen rijken _Bijglossiaan_ te gast waren verzogt: want op zijn verzoek haalden wij alle de schouders op, en niemant wilde zijn woord geven, ten ware onder besprek van een gestadig stilzwijgen zoo lang de maaltijd duurde. Toen wij uit de haven voeren, wenschten ons alle de _Bijglossiaanen_ op het strand staande, eene gelukkige reize; en vermits wij met den landwind die van 't strand af kwam waaijen, vertrokken, verzogten wij hun door wenken en teekenen, dat zij tog hunne heilwenschen wilden spaaren: want al te veel beleefdheid is ongemakkelijk. De waaren, welke de _Martinianen_ derwaarts brengen, bestaan in roozen-water, balzem, en verscheide andere soorten van welriekende specerijen.
Hier van daan zetteden wij onzen koers naar 't Ysland, zoo gruuwzaam en afschuuwelijk voor 't gezigt, dat ik, mijns bedunkens, nooit land gezien heb, dat ongelukkiger en meer beklagenswaardig is, aangezien aldaar niet dan bergen, altoos met sneeuw bedekt, zig aan 't gezigt opdoen. Tusschen de toppen der gebergten, alwaar de Zon nooit haare straalen schiet, vindt men hier en daar inwoonders alle van ijs gevormt. Want al 't geen tusschen de kruinen der rotsen gevonden wordt, wordt door de verslindende koude en een altoos duurenden vorst te ondergehouden. Hierom is ook aldaar eene eeuwige duisternisse, en, zoo 'er al eenig licht is, zoo wordt het veroorzaakt door de grijze rijp. Dog de beneden liggende dalen worden als door vlammen verbrand, en door heete dampen geroostert. Hier van daan is 't, dat de inwoonders niet in de valleijen durven afgaan, ten zij met betrokken lugt of in donker weer, en dat, zoo dra zij slegts het allerminste zonne-straaltje gewaar worden, zij, of naar 't gebergte te rug keeren, of in aller haast zig in de spelonken begeven. Dikwils gebeurt het, dat zij van 't gebergte komende, of onderweg versmelten, of eenig ander ongeluk ontmoeten; waarom ook de overtreders der wetten bij duister weer in een dal afgebragt zijnde, aldaar aan eenen paal worden vastgemaakt en blootgestelt voor de hitte der Zonne. Dit land brengt allerhande slag van bergstoffen voort, uitgezondert alleen goud. Deeze bergstoffen worden, nog nieuw zijnde, van de vreemde kooplieden uit dat land gevoert; want de inwoonders tegen de hitte niet bestand zijnde, zijn niet in staat om die te smeden. Men wil dat de handel op 't Ysland de voordeeligste is van allen die op de _Mezendorische_ landen gedreven wordt.
Alle deeze Landen, waar van ik eene schetse heb opgegeven, staan onder de gehoorzaamheid van den Keizer van het gewest _Mezendoria_, eigenlijk zoo genoemt; waarom ook de overige, door de Meevarende lieden, gemeenlijk worden genoemt de _Mezendorische_ eilanden, schoon zij door bijzondere namen onderling onderscheiden worden, gelijk in deeze reisbeschrijvinge is aangetoont. Dat niet minder groot dan wonderlijk Gebied, is ook het einde en het middenpunt deezer reize. Na eene vaart van agt dagen, kwamen wij aan de Keizerlijke hoofdstad, alwaar wij alles dat de Digters ooit gezongen hebben, van de samenlevinge der dieren, boomen en planten, bevonden waaragtig te wezen. Want _Mezendoria_ is als het algemeene Vaderland aller dieren, boomen en planten die met reden begaaft zijn. Elk dier en ieder boom kan aldaar het burgerregt verkrijgen, zoo zij zig maar aan de regeering en wetten onderwerpen. Men zou zeggen, dat een mengzel van schepselen van zoo onderscheiden gedaanten en van zulk eene verschillende en tegenstrijdige natuur, verwarringen en opschuddingen zoude veroorzaken. Dog die tegenstrijdigheid zelve brengt aldaar een zeer gewenscht gewrogt teweeg: en zulks wel door de zeer verstandige wetten en inzettingen, welken deezen ondereen gemengde onderdanen, naar hunnen aart en geneigtheid, zulke bezigheden en bedieningen, als waartoe een iegelijk bekwaam is, opleggen. Zoo worden bij voorbeeld uit het geslagt der Leeuwen, om hunner aangebooren grootmoedigheids wille, de Regeerders verkoozen. De Olifanten zijn aldaar, om hun schrander oordeel, Leden van den Grooten Raad. Tot alle bedieningen op 't Hof betrekkelijk, neemt men Cameleons, vermits die veranderlijk zijn en onbehendig. De Krijgsmagt te Lande bestaat in Beeren, Tijgers, en diergelijke strijdbare dieren; dog tot de Zeemagt worden gebruikt Ossen en Stieren; want aangezien het zeevolk slegt en regt is; dog weinig gemaniert; maar koppig en onbuigzaam, leidende een leven dat met de ruuwe hoofdstoffe waar op zij leeven, overeenkomt; wordt hun de zeedienst opgedragen. Daar is ook een kweekschool van Hokkelingen, of aankomende Zeesoldaten (_Zee-Cadets,_) waar uit de Kapiteinen en Bevelhebbers ter Zee verkooren worden. De Boomen worden, om hunne aangeboren gematigheid, tot Regters verkooren. De Ganzen zijn Advocaten der Hooge Geregtshoven, en de Exters bepleiten de zaken in de lagere Regtbanken. De Vossen zijn 'er Gevolmagtigden, Gezanten, Consuls, Bewindsmannen, en Geheimschrijvers der bezendingen. De Raven zijn 'er doorgaans Executeurs in de boedels, en Bestierders der nalatenschappen, die nog niet aanvaard zijn. De Bokken zijn 'er Wijsgeeren, maar inzonderheid Taalgeleerden, en zulks zoo ten aanzien der hoorens, waar mede zij hunne tegenpartijders, zelfs om de allergeringste zaken, gewoon zijn aan te doen en op 't lijf te loopen; als ten opzigte der eerwaardige baarden, waar mede zij onder alle schepselen uitsteken. De Paarden zijn 'er Burgermeesters en Raadsheeren in de Steeden. De Eigenaars of Grondheeren en Bouwers der Landerijen, zijn Slangen, Mollen, Ratten en Muizen. Vogels zijn 't, die aldaar het ampt van Postlopers en Boden bedienen. De Ezels om hun balkend geluid zijn 'er Diaconen. De Nagtegalen nemen het ampt van Voorzangers en Organisten waar. De Hanen zijn 't, die de Stadswagt waarnemen en op schildwagt staan. De Honden zijn Poortiers. De Wolven zijn Ontvangers der Gemeene Middelen, en Commisen van den Tol; en de Haviken hunne Bedienden.
Door deeze voortreffelijke inzettingen is 't, dat 'er zeer veel zorgs gedragen is voor de bedieningen van 't Land, en alles zeer stipt en in eene welgeschikte orde wordt uitgevoert. Vervolgens moet dit Gebied tot een voorbeeld verstrekken, waar naar zig alle Wetgevers in 't grondvesten hunner Burgerstaaten, wel mogen rigten. Want wat aangaat dat 'er op andere plaatsen zulke slegte en tot de bedieningen onbekwame personen gevonden worden, dat koomt niet zoo zeer uit de plompheid, als wel uit de kwaade en verkeerde verkiezinge der vernuften voort: wanneer die naar behooren en zorgvuldiglijk gedaan wordt, en wanneer 'er verstandige en wakkere mannen, niet om deeze of gene verdiensten, maar om hunne bekwaamheid, tot een zeker bepaald ampt, met het zelve worden begiftigt; zullen ook de Staatsbedieningen doorgaans bij uitnemenheid wel waargenomen worden, en de bloei des Gemeenenbests eeuwigduurend zijn. Hoe heilzaam deeze instellinge zij, blijkt uit het voorbeeld deezes Rijks. Men vindt in de Jaarboeken van _Mezendoria_ dat, voor drie-honderd jaaren, door den Keizer _Lalak_ deeze wet wierdt afgeschaft, en dat de staats-bedieningen zonder onderscheid aan allen en een iegelijk wierden gegeven, zoo hij anders maar iets voortreffelijks gedaan, of in deeze of gene zaken eenig talent van bekwaamheid hadt. Dog door zoodanig eene bedeelinge van eer-ampten, ontstonden 'er zoo veele en zoo zwaare beroerten, dat het scheen met den Staat naar 't einde te loopen. Bij voorbeeld: een Wolf, zig in 't bestieren der Geldmiddelen wel gekweten hebbende, beweerde, dat hem daar door grooter eer-ampt moest worden gegeven, en wierdt Raadsheer; en een boom die vermaard was een uitnemend goed oordeel te bezitten, wierdt om die reden 't bewind over 's Lands penningen toegestaan. Dog door die geheel verkeerde en averegtsche bevordering, wierden 'er te gelijk twee wakkere mannen voor den Staat onnut gemaakt. Ook stondt een Bok of Philosooph, die van de Taalgeleerden, om zijne onverzettelijkheid in het koppig staande houden zijner stellingen, tot in den hemel geprezen wierdt, opgeblazen zijnde door die loftuitingen, naar een treffelijk ampt; eisschende en verkrijgende de eerste bediening die 'er aan 't Hof open viel. Dog een Cameleon, die zeer wel wist te leeven en zig naar den tijd te schikken, wierdt om die zelve reden tot Hoogleeraar op de Academie, naar welk ampt hij gewins halven stondt, aangestelt. Hier door gebeurde 't, dat gene niet minder kwaad Hoveling wierdt, dan hij een wakker Philosooph was geweest, dog dees van een goed Philosooph in een zeer slegt en belachelijk Hoveling hervormt wierdt; want die onverzettelijkheid in 't voorstaan zijner gevoelens, die hem als Philosooph niet kwalijk hadt gedaan, maakte hem tot eenen gantsch wanschapen Hoveling; vermits ligtvaardigheid en wispelturigheid hoofddeugden aan 't Hof zijn, en een Hoveling, zig niet voegende aan de zijde van de waarheid, maar van de veiligheid, naar dat de inzigten van 't Hof zijn, veelerlei gedaanten aanneemt. Dog 't geen eene ondeugd in de Hoven is, wordt in de Schoolen voor eene deugd gerekent, alwaar de drift om zijn stuk hardnekkig te beweeren, een kenteeken is van een gaauw en wakker man. Kort om, alle onderdanen met malkanderen, en zelfs de gene die door zekere gemoedsgaven boven andere hadden uitgeblonken, wierden door die verandering der wet, onnut en van geenen dienst altoos; en de Staat begon naar zijnen ondergang te hellen; waarom, vermits alles in 't riet liep, zeker verstandig Olifant of Raadsheer, _Baccari_ geheeten, den Keizer zonder eenige bewimpeling een gezigt van dat verval gaf. De Keizer, overtuigt van de waarheid, nam vóór dat kwaad te sluiten, en de hervorming geschiedde op deeze wijze: alle wierden zij niet te gelijk van hunne bedieningen afgezet; want dus doende zou 't geneesmiddel erger zijn geweest dan 't kwaad zelf; maar bij 't openvallen der ampten, wierdt een iegelijk, van het ampt, waar toe hij niet bekwaam was, afstand doende, een ander, dat hem beter geleek, opgedragen. Om dezen dienst aan 't Vaderland bewezen, en waarvan men terstond zulke heerlijke vrugten plukte, wierdt, ter eere van _Baccari_, een Standbeeld opgerigt, 't geen nog heden ten dage op de markt te _Mezendoria_ gezien wordt; en zedert dien tijd werden de oude wetten heiliglijk onderhouden.
Onze tolk betuigde dat hem deeze geschiedenis verhaalt was door eenen Gans, waar mede hij zeer gemeenzaam verkeerde, en die gehouden wierdt voor een van de verstandigste Advocaten van de gantsche Stad. In dit gewest ziet men veele ongehoorde, ja zelfs verbaazende, verschijnselen, die de oogen der vreemdelingen en reizigers tot zig trekken. Het enkele gezigt van dieren van allerlei geslagt, als van Beeren, Wolven, Ganzen, Exters, enz. door alle wijken en oorden der Stad warende en praatende, verwekt bij de gene die diergelijke vertooningen niet gewoon zijn, te gelijk verwonderinge en vermaak. De eerste die binnen boord van ons Schip kwam, was een magere Wolf, of Commis van den Tol, omstuwt met vier Valken of Bedienden welke die van Europa _Opnemers_ noemen. Deeze namen uit de koopmans goederen 't geen ben aanstondt, en gaven daar door genoegzaam te kennen, dat zij in de bediening, waar voor zij scheep kwamen, wel ervaren waren, en 't werk op hunnen duim hadden. De Schipper nam mij, volgens zijne gewoonlijke goedheid, zoo dikwils hij aan land ging, met zig. De eerste die ons ontmoette, na dat wij aan land gekomen waren, was een Haan, die, na dat hij volgens gewoonte, de oorzaak onzer reize en waar wij van daan kwamen, hadt afgevraagt, onze komst aan den Opper-tollenaar te kennen gaf. Van dezen wierden wij zeer beleefd ontvangen en tot het avondmaal genoodigt. Dog zijne huisvrouw, welke wij vernamen dat onder de Wolfinnen voor eene schoone vrouw wierdt gehouden, was 'er niet tegenwoordig; en de reden daar van, zoo als wij uit andere verstonden, was de jaloersheid van haaren man, die niet raadzaam oordeelde eene vrouwe van zoo schoone gedaante aan vreemdelingen te vertoonen, vooral aan Zeevarend volkje, die, door lange onthoudinge gretig en verhongert aan land komende, op vrouwen en jonge dogters plegen te loeren. Daar waren egter verscheide andere vrouwen te gast genodigt, die aldaar verschenen; en onder dezelve was de gemalin van zeker Bevelhebber ter Zee _(Commandeur_), die eene witte Koe was, gestippelt met zwarte vlekken. Naast aan deeze zat eene zwarte Kat, te wetende vrouw van den Koninglijken Jagerneester, welke onlangs uit eene Provincie in de Stad gekomen was. Die onder de gasten 't naast aan mij zat, was eene gevlakte Zog, de huisvrouw van den Opzigter der Rioolen (_Renovations-Inspecteur_); want tot diergelijke bedieningen worden gemeenlijk persoonen uit het geslagt der Varkens verkooren. Deeze was wel morssig, en at met ongewasschen handen, 't geen onder dat geslagt wel meer gebeurt; dog zij scheen mij ook te gelijk zeer gedienstig te zijn, want zij diende mij geduurig voor, uit den gemeenen schotel. Iedereen was verwondert over die ongewoone beleefdheid, voornamenlijk wijl de Zeugen juist de gemanierdste niet vallen. Dog ik had wel gewilt dat zij zoo hoflijk niet was geweest, vermits het mij zeer tegen de borst was, spijs uit de handen eener Zog te ontvangen. Hier staat te letten, dat de bewoonders van het _Mezendorische Rijk,_ schoon zij, voor zoo veel aangaat de ligchaams-gestalte, den beesten gelijk zijn, egter handen den hebben, en teenen, die aan de voorste voeten voor uit steken, waarin zij alleen van onze viervoetige dieren verschillen; en vermits derzelver ligchaamen met hair of veêren bedekt zijn, hebben zij geen kleederen noodig. De Rijken worden alleenlijk van de Armen onderscheiden door zekere versierselen, als, bij voorbeeld, door halsbanden die van goud gemaakt, of met kostelijke gesteenten ingelegt zijn, of ook wel door hoofdsiersels rondom de hoornen geslingert. Het hoofd van de vrouw des Bevelhebbers ter Zee, was met zoo veele versiersels opgepronkt dat men 'er bijna geen hoornen aan konde zien. Zij verontschuldigde haars mans afwezigheid, zeggende dat bij om een Proces, waar in hij onlangs was ingewikkelt, t'huis moest blijven, en met twee Exters of Advocaten, die 's anderen daags zijne zaak stonden te bepleiten, moest besoigneeren.
Na de maaltijd sprak de gevlakte Zog, huisvrouw van den Opzigter der Rioolen, in 't geheim met onzen tolk, betuigende zeer op mij verlieft te zijn. Hij, haar vertroostende in haar lijden, en 't hulpmiddel tegen haare kwaale belovende, begon mij daar over aan boord te komen, en toen hij zag, dat 'er met woorden niets te doen viel, raadde hij mij te vlugten, als wel bewust zijnde, dat Mevrouw hemel en aarde zoude bewegen, om tot haar oogmerk te komen. Zedert dien tijd hield ik mij scheep: vooral, vermits ik verstond, dat een oude liefde van Mevrouw, te weten een Student in de Philosophie, door minijver gedreven, op mijn leven loerde. Dog de verschanssing van 't Schip zelve kon mij naauwlijks beveiligen tegen de verliefde aanvallen van Mevrouw; want nu trachtte zij eens door boden, dan door minnebrieven, dan wederom door verliefde gedigtjes, mijn ongevoelig hart te vermurwen; en, zoo niet door onze opgevolgde schipbreuk die brieven verlooren geraakt waren, ik zoude hier een staaltje der Varkens-poëzy kunnen opleveren. Dog ik ben alles vergeten, en in mijn geheugen heb ik 'er niets meer van behouden, dan alleen deeze versjes, waar in zij haar af beeldsel aldus opgeeft;
.............._Ei! reeken 't mij geen schande,_ _Mijn glad-gemesten pens rondom te zien bezet_ _Met harde borstels, die mij puilen uit het vet._ _Of zou het loof een boom: dan langer niet versieren?_ _De trotsche maan', die 't paard hangt om den hals te zwieren,_ _Het leelijk staan? O neen! 't Lam past de bonten vagt;_ _De veêren 't Pluimgediert': en, zeg mij, wie veragt_ _Den man niet, aan wiens kin de baard niet is gewasschen?_ _Waarom zou dan mijn lijf geen ruige borstels passen?_