De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 15
Dus van eenen gemeenen lastdrager in eenen Edelman gevormt, leefde ik eenigen tijd in groot aanzien en geluk. En toen de _Martinianen_ zagen dat ik bij den Vice-President in een goed blaadje stond, zogten zij allen mijne vriendschap en gunste. De vleijerij mijner opwagters ging zoo verre, dat zij mij als om strijd lofdigten aanboden, en mij hoedanigheden toeschreven die mij onbekent waren. Eenige, hoe zeer zij wel wisten dat ik uit een onbekent Land geboortig was, maakten geen zwarigheid eenen langen reeks mijner Voorouderen op te tellen, en mijn Geslagt-register bijna van de scheppinge der waereld af te leiden. Dog zoodanige optellingen waren mij, niet zeer aangenaam, vermits ik er weinig eer in stelde uit het Aapen-geslagt afkomstig te zijn. Wijders nadien de _Martinianen_ gewoon zijn ter eere van de staarten der Grooten, lofredenen te doen, bijna op dezelve wijze als onze Poëeten de schoonheid der jonge dogters gewoon zijn te prijzen; maakten ook eenige Digters de fraaiheid van mijn staart, hoezeer ik 'er geenen had, met lof-digten vermaart. Kortom, hunne vleijerij ging zoo verre, dat zeker man, die nog al van 't geringste soort niet was, dog welken ik egter om zijns Geslagts wille niet zal noemen, zig niet schaamde mij aan te bieden dat ik zijne huisvrouwe konde bezigen en genieten, of zij de mijne was, bedingende voor die mildheid, voor hem een goed woord bij den Vice-President te doen. Die slaafsche toegevenheid, waar mede die geheele Natie vervuld is, is de oorzaak dat de _Martiniaansche_ Geschiedenissen naauwlijks waardig zijn gelezen te worden, ten aanzien van de stoffe, die niet anders behelst dan een laf en ongezouten mengelmoes van loftuitingen, hoe zeer ook de stijl doorgaans fraai en zuiver is. Om deeze reden vindt men daar te lande beter Poëeten dan Historie-schrijvers: en het is zeker dat men nergens hoogdravender Poëeten vindt, 't geen aan de levendige verbeeldinge _der Martinianen_ moet toegeschreven worden.
Ik was in dat Land eenen langen tijd genoegzaam welvarende, alhoewel de hitte, welke men daar, vermits 'er de Zon nooit ondergaat, gestadig heeft, mij zeer moeilijk viel. Ik was wel eens door eenen buikloop, waarbij eene schielijke koorts kwam, bedlegerig; dog dat was van korten duur; en ik kan betuigen, dat de Medicijn-meester dien ik toen gebruikte om zijne snapagtigheid, welke aan deze Natie zoo eigen is, mij lastiger viel dan de koorts zelve. Vermits ik in dien staat eenen Medicijn-meester noodig had, boodt zeker Leeraar in de Geneeskunde mij zijnen dienst aan. Ik kon mij op 't gezigt van denzelven bijna niet van lachen onthouden, vermits hij dezelve man was, die mij nog onlangs den baard geschooren hadt. Toen ik hem vraagde, hoe hij zoo schielijk in een Medicinæ Doctor hadt kunnen hervormd worden, antwoordde hij mij, dat hij met beide die wetenschappen zijn voordeel deedt. Ik dat gehoort hebbende, en in twijfel staande, of ik mijne gezondheid wel wilde toevertrouwen aan zulk eenen Weet-al, en zeggende, dat ik liever eenen Medicijn-meester had, die alleen zijn werk van de Geneeskunde maakte; zwoer hij heiliglijk dat 'er zodanig een Geneesheer in de geheele Stad niet wierdt gevonden. Hierom wierd ik genoodzaakt hem mijne genezinge toe te vertrouwen. De haast dien de Medicijn-meester maakte, vermeerderde zeer mijne verwonderinge: want mij een drankje om in te nemen voorgeschreven hebbende, vertrok hij te gelijk zeer schielijk, zeggende niet langer bij mij te kunnen blijven, vermits hij door andere zaken, waarmede hij ter zelver tijd bezig was, wierdt afgeroepen. Toen ik hem vraagde, wat het oog voor zaken waren die zulken schielijken haast vereischten, gaf hij ten antwoord, dat het uur aanstaande was, waar op hij zijne gewoone bedieninge in een lager Regtbank in de Stad moest waarnemen, terwijl hij teffens Beamt-schrijver of Klerk was. Ik zag dat die gaauwheid van geest doorgaans in dit Land in zwang ging, alwaar niemant zwarigheid maakte, om veele tegenstrijdige bedieningen te gelijk op zig te neemen. Die groote laat-dunkenheid wordt in hen geboren door die wonderlijke vlugheid van geest, waar mede zij de zaken zoo schielijk afdoen. Dog door verscheide misslagen en wanordes die hier gepleegt worden, heb ik geleerd, dat deeze vlugge vernuften den Staat meer tot sieraad dan tot nut verstrekken.
Na dat ik twee volle jaaren, zoo als lastdrager, als in den staat van Edelman, in dit Gewest had doorgebragt, kwam mij een gantsch onverwagt geval te voor, 't welk mij bijna het leven hadt gekost. In 't Paleis van zijne Excellentie had ik tot nog toe zeer veel gunst genooten, en de Gemalin van den Vice-President hadt mij wonderlijk wel mogen zetten, zodanig dat ik onder haare Vrienden de eerste scheen te wezen. Dikwils zelfs hadt zij met mij onder vier oogen gesproken, en schoon zij met mijne tegenwoordigheid wonderlijk veel scheen op te hebben, hadt ze mij egter altijd toegesproken met eerbaarheid, zoo dat ik haare goede diensten niet dan in de beste vouw konde schikken, en geenszins bevroeden dat de wortel deezer toegenegenheid eene geile drift was; vooral in eene Vrouw van aanzien, welke onder de Aapen niet min om haar voornaam geslagt aanzienlijk was. Dog in vervolg van tijd begon ik uit haare dubbelzinnige taal eenig vermoeden op te vatten. En dit werdt vermeerdert door
_Haar verw', haar magerheid, gelaat, betraande oogen_ _En zugten, zonder reên uit haare borst getoogen._
Eindelijk wierden mijne oogen verlicht, toen toen eene jonge dogter mij eenen brief van den volgenden inhoud bragt.
_Allerliefste Kikidorian!_
"Mijne hooge geboorte, en de schaamte onze Kunne aangeboren, hebben de vonken der liefde, die langen tijd in mijn hart verborgen geweest zijn, tot nog toe belet in eene ligte vlam uit te barsten. Dog thans daar door overwonnen zijnde, kan ik het geweld der liefde niet langer wederstaan."
_.....Hebt tog meêdoogen met mij, arme krolsche kat!_ _Die 't u niet vragen zou, ten waar' ze 'er spel mee hadt._
_Ptarnufa._
Ik kan 't niet zeggen welk eene onstuimigheid die onverwagte liefde-betuiging in mij verwekte. Dog vermits ik beter oordeelde aan de wraak deezer razende Vrouw bloot gestelt te zijn, dan, door mij te vermengen mengen met een schepsel van een ongelijk geslagt, de natuur te verkragten, antwoordde ik bijna in deezer voegen:
"_Allergenadigstee Vrouwe!_
"De gestadige gunst met welke mij de zeer voortreffelijke Vice-President heeft bejegent, de groote weldaden waar mede hij mij onverdient heeft opgehoopt, de zedelijke onmogelijkheid van uw verzoek, en zeer veele andere zaken, welke ik daar zal laten, vereischen, dat ik mij liever zal onderwerpen aan de gramschap en verontwaardiging van Mevrouw, dan dat ik mijne toestemminge zoude geven aan eene zaak die mij den onwaardigsten en schelmagtigsten aller tweevoetige dieren zoude maken. Men vergt mij 't geen mij harder dan de dood zoude vallen; en men eischt van mij eenen dienst, dien ik, zonder de doorlugtigste Familie te brandmerken, nooit bewijzen kan: want het is een dienst die zelfs nadeelig is voorde gene die ze gebiedt. Des betuig ik heiliglijk, u, Mevrouw, in dit verzoek niet te kunnen te wille zijn, hoe zeer ik in alle andere zaken eene blinde gehoorzaamheid beloove."
_Kikidorian_
Aan het einde des Briefs voegde ik deeze Vermaninge:
_.......... Beschouwt, Mevrouw! beschouwt_ _De leelijkheid des stuks dat ge ondernemen zoudt._ _Dog wijl die misdaad nog door u niet is bedreven,_ _Zoo laat de billijkheid u staag voor oogen zweven._ _Al wie ooit eerbaarheid en trouw hadt in den zin._ _Stondt pal, en kwestbaar, voor den pijl der wufte Min._
Dit antwoord, bezegeld met mijnen ring gaf ik diezelve jonge dogter over om aan haare Mevrouw te behandigen. De zaak viel juist uit gelijk ik ze begrepen had, te weten, dat de liefde oversloeg tot den allerbittersten haat:
_........ de smert sluit haar den mond,_ _En niet een eenig woord welt op uit 's harten grond,_ _Dat haar schijnt scherp genoeg, om naar den eisch te melden_ _Den bitt'ren haat, dien zij mij toedroeg. Traanen stelden_ _Nooit 't woedend wijf ter neêr. De felle wraak alleen_ _Die zij te nemen denkt, stelt haar een poos te vreên:_ _Zij troost zig met de straf die zij mij zal doen lijden,_ _'t Zij regt of onregt: dit alleen kan haar verblijden._
Zij stelde egter eenigen tijd haare wraak uit, tot dat zij den minnebrief, welken zij mij geschreven hadt, weder in handen hadt gekregen. Dog zoo dra hadt zij dien in haare magt niet, of zij bestelde valsche Getuigen, die onder eede zouden verklaren, dat ik, terwijl de Vice-President van huis was, zijn bed had willen bevlekken. Dees leugen was met zoo veel snedigheid en waarschijnlijkheid belegt, dat de Vice-President, niet twijfelende aan de waarheid der zake, beval, mij in hegtenisse te zetten. In dat gewrigt van zaken bestondt mijn eenig behoud in de misdaad te bekennen, en mijnen Heer om genade te smeeken, waar mede ik hoopte, of zijnen toorn te stillen, of de straffe te zullen matigen: want in 't regt te treden met een Huis, dat zoo veel magts hadt, vooral in zulk een Land, alwaar nooit op de regtvaardigheid der Zaak, maar alleen op de hoedanigheid der Persoonen wordt agt geslagen, scheen mij loutere dwaasheid te zijn. Hierom, alle verdediging varen latende, nam ik mijnen toevlugt tot traanen en ootmoedige gebeden; niet af biddende de straffe, maar alleen smeekende om verzagtinge.
Dus door 't belijden ener misdaad, welke ik nooit begaan had, van de halsftraffe verlost zijnde, wierd ik verwezen tot eene eeuwige gevangenisse. De Brieven van Adeldom wierden mij terstond ontnomen en door den Scherpregter aan stukken gescheurt, en ik zelf naar een Zee-rasphuis, de Galei namenlijk gesleept, om aldaar tot het slaven-werk ingewijd te worden. Het was een Landsschip 't geen zeilreê lag naar de _Mezendores_, of vreemde Landen, 't geen op eenen gezetten tijd, namenlijk in de maand _Radir_, gewoon was de reize aan te nemen. Uit die Landen worden goederen overgebragt, die in _Martinia_ niet vallen, invoegen de _Mezendorische_ Landen aan die van _Martinia_ voor _Indiën_ verstrekken. De Maatschappij des _Mezendorischen_ handels bestaat uit Kooplieden, zoo Adelijke als Burgerlijke, onder welke de goederen van het t'huiskomende Schip, naar gelang of naar 't getal hunner _Actiën_ of aandeel, worden verdeelt. De Schepen gebruiken riemen en zeilen, en een tweegespan misdadigen wordt aan elke riem gezet. Tot zodanig werk was ik op deeze reize verwezen. Hoe ik te moede was in dat jok te ondergaan, is gemakkelijk te gissen, vooral wijl ik door geen misdaad altoos verdient had, onder schelmen en met geesselslagen, aan eenen slaafschen arbeid gezet te worden.
Onder de _Martinianen_ waren over dit geval, naar mate dat de gemoederen verscheiden waren, ook verscheide gevoelens. Eenige geloofden wel dat ik straf verdient had; dog die om 't gewigt der misdaad te beschuldigen was, vondt ook verdediging uit ontferming over 't gevelde vonnis. Andere meenden, men hadt eenigen aanschouw op mijne verdiensten moeten nemen, en oordeelden dat de straffe uit dien hoofde had behooren verzagt te worden. Dog de allereerlijkste Aapen geloofden onder elkanderen dat ik valschelijk beschuldigt was; maar niemant durfde openbaar mijne zaak voorspreken, uit vreeze voor de magtige beschuldigers. Ik besloot derhalven het ongeval geduldig te dragen, en in mijne verslagenheid gaf mij de aanstaande reis de grootste troost, wijl ik, een groot liefhebber van nieuwigheden zijnde, hoopte op deeze reize wonderlijke en verbaazende dingen te zullen zien, schoon ik egter aan alle, welke mij van het Bootsvölk verhaalt werden; geen geloof sloeg, nog in mijne gedagten kon krijgen dat 'er zoo veele en zoo groote zeldzaamheden in de Natuur gevonden wierden. Op ons Schip waren verscheiden tolken, welken van de _Mezendorische_ Maatschappij op deeze togten wierden gebruikt: want door middel van hunnen dienst wierden de handelingen van koop en verkoop verrigt.
[1] van krom regt te maken.
ELFDE HOOFDSTUK.
_Togt naar vreemde Landen._
Alvoorens tot het beschrijven van deezen togt toe te treden, wil ik de grijnige en straffe Vitters gewaarschuwt hebben, dat zij niet al te zeer den neus optrekken van een verhaal van zaken, welke schijnen tegen de natuur te strijden, en bijgevolg alle geloof te boven te gaan.
_Ik heb niet vóór mijn boek met grollen op te schikken;_ _Veel min dit treflijk werk met leugens te verdikken._ _Neen: dat 's mijn toeleg niet; maar wel de zaak in 't licht_ _Te stellen, en 't verhaal te geven zijn gewigt._
't Zijn ongelooflijke dingen die ik verhaal; dog egter waaragtige, en waar van ik zelf ooggetuige ben geweest. Plompers en Ongeleerden, die nooit buiten hun moeders keuken geweest zijn, achten alles voor fabelen, 't geen hun in hunne pap niet te eten gegeven is; dog de Geleerden, en vooral de Natuurkundigen die door ondervindinge geleerd hebben, hoe vrugtbaar de Natuur is in 't voortbrengen van allerlei schepselen, vellen een veel billijker oordeel van de verhaalde zaken, hoe vreemd die ook mogen schijnen.
_Wie is verwondert in de staag besneeuwde Alpen,_ _Daar nimmer stroom, ten zij met ijs vermengd komt zwalpen,_ _Den Berg-bewooner met zijn dik-gezwollen krop_ _Te zien? En wie gaf ooit voor 't agtste wonder op_ _Dat 't Vrouwvolk aan den Nijl de borsten dikker zwellen_ _Dan 't kind is, dat ze zuigt? Of zal men gaan vertellen,_ _Als iets dat zeldzaam is; dat men nooit Duitscher vondt_ _Wiens oog niet hemelsblaauw in zijnen hoofde stondt:_ _Wiens hair niet blond is, en wiens langgekrulde lokken,_ _Van geur'gen balzem-reuk geheel als zijn doortrokken?_ _Daar steekt niets zeldzaams in: de bezige Natuur_ _Heeft hen aldus gevormt, bezielt met hemels-vuur._ _Men ziet in Thracie bijna geheele wolken_ _Van Kraanen snorren, en straks storten op de Volken_ _Van dat Gewest, Pygmeen geheeten; die verbaast Hunn' ouden vijand nooit ontvlugten; maar wel haast_ _In 't harnas loopen, en, gewapent tot de tanden,_ _Met t' zaamgevoegde magt den dapperen Kraan aanranden_ _Met ongelijken kans: want de getergde Kraan_ _Grijpt met zijn kromme klaauw de zwakke Dwergen aan,_ _En voert ze door de lugt. Zoo dit bij ons gebeurde,_ _Wie lachte niet dat hem bijna de reuzel scheurde!_ _Maar daar, vermits die slag al meer dan eens geschiedt,_ _En dikwils dat gevegt gebeurt, zoo lacht men niet_ _Om een gewone zaak; schoon niemand, in die bende,_ _Een krijgsman immer, meer dan twaalf duim lang, kende._
Men heeft eertijds in Scytië menschen gevonden die een oog midden in 't voorhoofd hadden, en _Arimaspi_ geheeten wierden. Andere in dat zelve gewest, gingen altoos agterwaards uit. In Albanië zijn menschen geweest die in hunne kindsheid grijs waren. De _Sauromaten_ waren gewoon altoos op den derden dag te eeten, en in dien tusschentijd zig van alle spijs te onthouden. Men zegt dat 'er in Africa zekere Geslagten van menschen zijn, die iemant met hunne stem en woorden betooveren. In Illyrië zijn 'er geweest, die de gene welke zij in hunne gramschap lang aankeeken, met hun gezigt doodden, en die zelve hadden twéé oog-appels in elk oog. In de Indiaansche gebergten heeft men menschen gevonden met hondenkoppen, en blaffende; en teffens andere die de oogen in de schouders hadden. Op de uiterste grenzen van Indiën heeft men 'er ontdekt, welker ligchaamen geheel met hair waren bewassen, en die even als de vogelen veêren kregen, geen spijs altoos nuttigende, maar alleen van den reuk der bloemen, door den neus opgehaald, levende. Wie zou deeze en diergelijke dingen ooit geloofd hebben, ten ware _Plinius_, een zeer deftig Schrijver, niet heilig betuigde, dat hij van alle die dingen niet alleen gehoord of gelezen, maar ook dat hij ze gezien hadt? Eindelijk wie zou ooit gelooft hebben, dat de Aardkloot hol, en in deszelfs binnenste een Zon en Planeeten waren, ten zij die verborgenheid door mijne ondervindinge niet ontdekt was? Wie zou gelooft hebben, dat 'er een Land gevonden wierdt, door wandelende en met reden begaafde boomen bewoont, zoo niet die zelve ondervinding elkeen belette daar aan te twijfelen? Ik zal evenwel niemant om zijne ongeloovigheid eene dagvaarding t'huis zenden; want ik moet bekennen dat ik zelf, eer ik deeze reis ondernomen had, daar aan twijfelde; meenende dat het verdigtte fabelen en enkele grollen waren, 't geen ons van het varende volkje verhaald wordt.
Met het ingaan der maand _Radir_
_Na 't anker was geligt, de zeilen van de ree_ _Gevallen, zagen w' ons eerlange, in volle zee._
Eenige dagen lang, was de wind ons gunstig, zoo, dat wij roeijers niets te doen hadden, wijl, alle zeilen rond staande, wij geen riemen te boord behoefden te leggen. Dog op den vierden dag was het aldus gesteld:
_De wind gaat leggen, 't zeil hangt labberend' voor den mast;_ _De wakkere Bootsgezel, die op zijn pligt staag past,_ _Legt fluks den riem te boord, rukt 't vaartuig door de baaren,_ _Die hol en schuimende niet wisten van bedaaren._
Wanneer hu de Schipper zag dat mij die arbeid zeer zwaar viel vliet hij mij toe somtijds wat te rusten, en ontsloeg mij eindelijk geheel en al van dien last. Waarom hij zig zoo rekkelijk tegen mij aanstelde, 't zij dat hij mij geloofde onschuldig te wezen, of wel dat hij, om de uitrekende uitvinding der _Paruiken_, mij oordeelde beter lot waardig te zijn, kan ik niet wel zeggen. Hij zelf hadt drie _Paruiken_ mede genomen, welke hij mij liet kammen en in de krul zetten, invoegen ik van een Galeiboef schielijk in eenen Paruik-opmaker hervormd was. Door die beleeftheid des Schippers tegen mij, kwam 't ook toe, dat, zoo menigmaal wij eene haven aandeeden, ik meestentijds onder de gene was die naar land gingen, waar door ik gelegenheid kreeg, om mijne nieuwsgierigheid volkomenlijk te voldoen.
Terwijl wij hier en daar kruisten, kwam 'er eene wijle tijds ons niets vreemds te voren. Dog toen wij zoo diep in zee gesteken waren, dat wij nog land nog zand meer zagen,
_Kwam in een oogenblik, uit deezen grijzen kolk,_ _Opbarsten, rontom 't Schip, een woest en onguur volk._
Het waren Sirenen, die, zoo dra de wind ging leggen, en de zee bedaart was, tot aan ons Schip kwamen zwemmen, eisschende eene aalmoes.
_Van boven leek 't gestel een' maagd van frissche leden_ _Tot aan den navel toe; maar verder naar beneden_ _Een Zeevisch, onbeschoft van lengte en dikte..._
Haare taal kwam zeer na hij die van _Martinia_; zoo, dat eenige matroozen, zonder tolk te gebruiken, met dezelve konden spreken. Wanneer ik aan eene derzelven op haar verzoek een stuk vleesch gegeven hadt, keek zij mij met aandagt aan, uitroepende:
_Hou moed! gij zult in 't kort, door heldendaên vermaard,_ _Regeeren wijd en zijd......_
Dog op die voorspelling begon ik als over eene ijdele vleijerij te grimlachen, schoon 't scheeps-volk heiliglijk betuigde dat de Sirenen in haare voorzeggingen zelden misten. Na eene reize van agt dagen, zagen wij eindelijk 't Land, dat bij de varende luiden _Picardania_ geheeten wordt. Terwijl wij de haven inliepen, vloog 'er een Exter, welken zij den _Commis-Generaal_ van den Tol, en een deftig man zeiden te wezen, rondom, ons Schip. Naauwlijks kon ik mij van lachen onthouden, wanneer ik hoorde dat een Exter een ampt van dat gewigt bekleedde, en wanneer ik zag dat een bedienaar der Geldmiddelen
_Met snelle schagten zig durft over Zee begeven,_ _En, moedig op zijn' vlugt, komt door de lugt aanstreven._
Uit de gestalte van den _Commis-Generaal,_ oordeelde ik, dat de vliegen zijne lijfstaffieren en dienaars van den Tol zouden zijn. Nadat hij driemaalen rondom ons Schip gevlogen, en zig daar na weder naar land begeven hadt, keerde hij terstond met drie kleinere Exters wederom, en ging zitten op de voorsteven van 't Schip. Ik meende bijna mijne reuzel te scheuren, wanneer ik zag dat een onzer Tolken eerbiediglijk deeze Exters naderde, en een lang praatje met hen hieldt. De oorzaak hunner komste was om de koopmans-waaren te doorsnuffelen; want volgens 't gebruik waren zij gehouden te onderzoeken of 'er ook eenige verboden waaren, vooral zeker kruid, _Slak_ geheeten, onder de pakgoederen verborgen waren. Om naar dit kruid te zoeken, zijn zij gewoon alle hoeken en gaten van 't Schip te doorsnuffelen, en pakken en zakken te doen uitschudden, vermits de invoer daarvan zeer streng door de Magistraat verboden is; want voor dit kruid zijn de Inwoonders gewoon zeer fraaije en noodzakelijke waaren te verruilen, waar door het komt dat de _Picardaansche_ kruiden, die egter van 't zelfde gebruik zijn, zeer in prijs afslaan; zoo, dat de _Picardanen_ in dit stuk onze Europeanen niet ongelijk zijn, die alleenlijk daarom de dingen, willen hebben, om dat ze uit verre landen komen, en onder eene andere lugtstreek gegroeit zijn. Na dat de _Commis-Generaal_ langen tijd met onze tolken gepraat hadt, ging hij met zijne bijhebbende Exters naar om laag, en weder boven komende, zag hij ons zeer barsch aan, te kennen gevende dat ons de handel met de _Picardanen_ stondt verboden te worden, vermits wij tegen de Tractaaten handelden; brengende verboden waaren aan. Dog de Schipper, zulke zaken meermaals bij de hand gehad hebbende, en wetende waar mede de Tol-bedienden ter neêrgezet worden, vereerde den grommer eenige ponden van het kruid _Slak_, waar door zijne gramschap gestilt, en ons vrijheid vergund wierdt om 't Schip te ontladen.
Dit aldus verrigt zijnde, kwam 'er eene zeer groote menigte Exters aangevlogen. Deeze alle waren Kooplieden. Dog de Schipper aan land willende gaan, beval mij met eenige anderen hem te volgen, zoo, dat wij vier in getal waren die van boord afgingen, te weten de Schipper, ik, en twee Aapen, van welke de een de Opperkoopman was, en de ander een tolk. Wij wierden van den _Commis-Generaal_ van den Tol te gast genoodigt; dog daar wierdt geen tafel gedekt, vermits de _Picardanen_ geen stoelen kunnen gebruiken; alwaarom ook het tafel-laken op den vloer wierdt uitgespreit. Daar wierdt rijkelijk en kostelijk opgedischt, dog in zeer kleine schotelen: en wijl de keuken op de allerbovenste verdiepinge van het huis was, kwam 'er met elk geregt een vierspan van Exters, als door eene gemeene hang-goot, nederdalen. De maaltijd geëindigt zijnde, bragt ons de Opper-tollenaar naar zijne Bibliotheek. Daar was eene groote menigte van boeken, dog altemaal kleine, zoo dat de allergrootste exemplaaren, en zelfs de _Folianten_ 't naauwlijks in grootte tegen onze Almanachen konden ophaalen. Ik kon mij bijna niet van lachen onthouden, toen ik zag dat de Opzigter deezer Boekerij naar de bovenste der kasten vloog, om de boeken in _Octavo_ en _Duodecimo_ van daar te haalen. Voor het overige waren de huizen der _Picardanen,_ belangende het gebouw en den opschik, weinig van de onze verschillende, dog de slaapsteden onder 't dak hangende, waren als vogelnesten. Men zal mogelijk vragen, hoe 't mogelijk zij, dat Exters, die onder 't geringe slag der vogels zijn, zulke groote gebouwen kunnen maken? Dog 't bleek uit een huis, waar van toen juist de fondamenten wierden gelegt, dat de zaak mogelijk was; want ettelijke duizenden van werklieden te gelijk, zetteden dat werk voort, invoegen dat de menigte en de ligtheid in 't vliegen, 't gebrek van kragten eenigzins te hulp kwamen. En om deze redenen worden de huizen der _Picardanen_ bijna zoo vaardig opgebouwt als de onze. De Vrouw des Oppertollenaars kwam niet voor den dag, vermits zij in de kraam lag; want de kraamvrouwen gaan aldaar niet uit zoo lang de jongen niet vliegen kunnen; dog haar man zeide dat ze eerlang zoude uitgaan, overmits de kuikens alle dag stonden veêren te krijgen.