De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot

Part 14

Chapter 143,460 wordsPublic domain

Naauwlijks was ik wakker geworden, wanneer een zekere Meerkat in mijne kamer tradt, zeggende mijn amptgenoot te zijn, en bij zig hebbende eenige touwen niet eenen loozen staart, welken hij vast maakte aan mijne billen, ten einde ik zoude schijnen te zijn van dezelve figure als de overige Aapen. Dit gedaan zijnde, beval hij dat ik mij zoude gereed houden, nadien de Vice-President binnen een uur tijds naar een school, alwaar hij door schriftelijk bevel uit den Raad met de andere Raadsheeren verzogt was, moest overgebragt worden. Daar was eene Doctorale Promotie te doen, tegen veertien uuren voor den middag. Hier staat te letten, dat, schoon, om het gestadige licht, de dag van den nagt niet kan worden onderscheiden, de dagen egter omschreven zijn in zekere uuren, half uuren, en quartier-uuren; en zulks door 't gebruik der Horologien, en Zandloopers, invoegen dat de dag met den nagt in twee-en-twintig _Martiniaansche_ uuren worden begrepen. Waarom het ook, bijaldien alle de Stads-horologien te gelijk stil stonden, den Stedelingen onmogelijk zoude zijn de uuren wederom te regt te brengen, alvorens zij door de Horologien der nabuurige plaatsen het stil staan der hunne hadden verholpen: want daar zijn geen Zonnewijzers, nog zij kunnen 'er wezen, om dat 'er nooit schaduwen zijn, vermits de Zon aldaar juist boven het hoofd staat, en haare straalen lijnregt nederwaards schiet. Hier vandaan, is het, dat als men eenen put graaft, dezelve geheel en al beschenen wordt. En aangaande het jaar, dat wordt aldaar geregelt en geschikt naar den loop der Planeet _Nazar_, die eens zoo ras als het Onderaardsche Firmament haaren loop om de Zon aflegt.

Ten veertien uuren eenen vergulden draagstoel op de schouderen nemende, droegen wij zijne Excellentie naar het school. Komende in de gehoorplaats, zagen wij aldaar naar rang zitten de Leeraars en Meesters, welke alle voor eenen voorbijgaanden Raadsheer opreezen en hem den staart toekeerden. Dit is een teeken van eerbiedigheid; en daarom versieren zij zoo zorgvuldiglijk hunne staarten. Dog mij kwamen die averegtsche groetingen gekkelijk en belachelijk voor. Want iemant den rug toe te keeren, is bij ons een teeken, of van verkoeling of van veragting; dog ieder Land heeft zijnen eigenen smaak. De gemelde Leeraars en Meesters zaten aan weêrszijden der gehoorplaats; en aan 't einde, van de gehoorplaats was een gestoelte gestelt, 't welk bekleed wierdt door den genen die Doctor stondt te worden. Eer de Promotie aanging wierdt 'er over een twistschrift gehandeld, waar van dit de tytel was. _Inwijings-Natuurkundig vertoog, waar in onderzogt wordt en beslist, het zwaarwigtig vraagstuk: of het geluid, 't welk de vliegen en andere bloedelopze diertjes maken, hen door den mond, of door 't agterste uitgaat_. De Præses hadt op zig genomen het eerste gevoelen te verdedigen, welk met zoodanige ijver van de tegenpartijders bestreeden wierdt, dat men vreesde dat dat krakkeel op een bloedig krabbelvuistje zoude uitkomen. En waarlijk men zoude handgemeen zijn geworden, ten ware de Raad, oprijzende, de hevigheid niet hadt doen bedaaren. Zoo lang het dispuut duurde, wierdt 'er op de fluit gespeelt. Want daar was een fluitspeeler aan welken 't bestier des strijds was opgedragen, die dan eens met streelende, dan met hevige toonen, de verflaauwende zintwist opbeuren, of wanneer dezelve tot oploopenheid en woede oversloeg, zoude bedwingen. Dog door deeze en andere middelen wierdt 'er dikwils niet veel uitgerecht: want het is moeilijk maat te houden wanneer 'er over zwaarwigtige zaken gehandelt wordt; 't geen wij in onze waereld dikwils hebben ondervonden, alwaar met geen mindere gemoeds-bewegingen, het zintwisten over een geschil dat veelerlei is en veele omwegen heeft, dikwils onstuimig wordt. Dog dit krakkeel, dat bloedvergieten en doodslag scheen te dreigen, wierdt schielijk geëindigt door onderlinge loftuitingen en dankzeggingen; niet anders dan op onze Academiën, alwaar, volgens eene doorgaans aangenomene gewoonte, de Præses overwinnaar uit het gestoelte komt.

Het disputeeren geëindigt zijnde, ging de Promotie zelve op deze wijze voort: hij die gepromoveert stondt te worden, wierdt te midden in de gehoorplaats gestelt, alwaar drie Pedellen of dienaars der Academie met eenen statigen tred naar hem toegaan, en hem een geheel mud koud water over 't hoofd gieten: straks daar op berooken zij hem met wierook, en bieden hem eenen spuwdrank aan te drinken. Dit met de uiterste eerbied en buiging haarer hoofden verrigt hebbende, kondigen zij af, dat hij tot Leeraar verkoren is. Ik stond verbaasd over zulke wonderbaarlijke en nooit gehoorde plegtigheden, en vraagde aan zekeren geleerden Aap, die bij mij stondt, wat dat alles te beduiden hadt. Dees, medelijden hebbende met mijne onwetendheid, zeide, dat door 't water, den wierook, en den braak-drank te kennen gegeven wierdt, dat de vlekken der oude gebreken moesten uitgewischt, en nieuwe zeden, onderscheiden van die van 't gemeen, aangenomen worden. Dit verstaan hebbende, beschuldigde ik mijne domheid, en vol van verwondering zijnde, vraagde ik niet verder, om niet door te gaan voor eenen die nooit onder fatsoenlijke Lieden verkeert hadt.

Eindelijk wierdt alles vervult door het geraas van trommels, fluiten en trompetten, en die nieuwe Leeraar, uit de gehoorplaats gaande, gelauwriert, en met eenen riem omgord, wierdt door de gantsche vergadering der Geleerden tot in zijn huis toe verzeld. Dog vermits hij maar van een burgerlijk geslagt was, wierdt hij in geen stoel gedragen; maar slegts op een wagentje met de hand voortgetrokken, eenige getabberde loopers, vooruitloopende. De plegtigheid, zoo als doorgaans pleeg te geschieden, wierdt besloten met een pragtig gastmaal, en een brave roes der gasten: want daar wierdt zoo rijkelijk wijn geschonken, dat de meeste vol en zoet naar huis wierden gebragt, en, niet zonder behulp van geneesmiddelen, eerst na eenige dagen weder tot hun zelven kwamen, invoegen dat in die geheele verrigtinge, van 't begin af tot het einde toe, niets te vinden was, dat niet met de uiterste plegtigheid toeging; en ik moet bekennen dat ik in onze waereld nooit eene Promotie gezien heb; die meer was naar den trant van de Academie, nog geen Candidaat, die met meer regt Doctor gemaakt is.

In de Geregtshoven worden de zaken met eene wonderlijke vaardigheid afgedaan, zoo, dat ik mij niet genoeg kan verwonderen over de vlugheid en de gemaklijke bevattinge die dat volk zoo bijzonder eigen is: want éér de Advocaten hunne pleidoyen geeindigt hebben, staan de Regters menigmaal op om hunne stemmen, die niet minder vaardig als fraai zijn te geven. Ik heb mij menigmalen in deeze Geregts-hoven laten vinden, om de wijze van Procedeeren bij de _Martinianen_ te hooren. De Vonnissen kwamen mij in 't begin zeer zakelijk voor, en scheenen gegrond op het natuurlijk regt; maar toen ik die wat grondiger onderzogt vond ik die onregtvaardig, gekkelijk en vol van tegenstrijdigheden, zoo dat ik het beter oordeelde te wezen, de zaken aan 't lotgeval te betrouwen, dan een geding te onderwerpen aan het Vonnis der _Martiniaansche_ Regters. Van de wetten deezer Natie kan ik niets zeggen om de groote wisselvalligheid welke dezelve onderworpen zijn: want wetten en regten worden hier alle jaren even als kleederen verandert. Om deeze redenen worden 'er veele om misdaden gestraft, die geen misdaden waren toen ze bedreven wierden: Veele verliezen ook daarom alleenlijk hun Proces, om dat hunne Actie, welke volgens de wetten geoorlooft was, naderhand door eene nieuwe wet ongeoorloofd wordt. Ten dien opzigte beroepen zij zig ook alle van lager Regtbanken tot de hooge, hopende--dat, hangende het geding, de eerste wet zal worden afgeschaft. Dit gebrek wordt geboren uit het al te vaardig ontwerp der wetten. Voeg hier bij dat deeze Natie, al te zeer hakende naar nieuwigheden, afkeerig is van de allerbeste wetten en gewoonten, alleen omdat ze oud zijn. Geen mindere ligtvaardigheid bespeurde ik ook in den opschik des ligchaams en in de kleederen. De Advocaten zijn hier in groote agtinge om hunne spitsvinnigheid in 't zintwisten, en daar zijn 'er onder dezelve, die, gelijk men zegt, doornaait als eens bedelaars huik, geen zaak aannemen te verdedigen, ten zij dezelve twijfelagtig en onregtvaardig zij: en zulks om aan te toonen hoe zeer zij geslepen zijn in 't hairklooven, en hoe konstig zij van zwart wit konnen maken. Om deezer geslepenheids wille begunstigen de Regters meenigmaal eenen voorstander van eene onregtvaardige zaak, nadien 't hen genoeg is dat de zaak bepleit, en volgens de Practijk behandelt zij. Hierom zijn zij gewoon te zeggen: "Wij zien zeer wel de onbillijkheid der zake; dog aangezien, dezelve met zoo veel behendigheid, en volgens de Practijk beweert is, kunnen wij niet nalaten, om de snedigheid des Advocaats, een weinig van 't regt af te zien." De regten worden hier van de Leeraars, voor verscheide prijzen, naar de natuur der zaken, geleert: bij voorbeeld die hunne leerlingen onderrigten om eene kwade en onbillijke zaak voor te staan, of, gelijk de Grieken zeggen, τὸν ἤτζω λόγον κρείτω ποιεῖν,[1] eisschen twintig stercolaten; dog die eene billijke zaak leeren beweeren, vorderen slegts tien stercolaten. 't Geen tot het Regt vereischt wordt, is zoo veel en zoo groot, dat in dien onmetelijken hoop van wetten, de eene op de andere gestapelt, geen einde te zien is: want gelijk de _Martinianen_ van een zeer spitsvinnig en fijn vernuft zijn, en daar bij eene zeer gaauwe bevattinge hebben, walgen zij van alles wat klaar en eenvoudig is, niets aanzien willende dan 't geen doortrapt, kwastig en verdraait is.

Eveneens is 't met den Godsdienst gelegen, welke geenszins in betrachtinge, maar slegts alleen in ijdele bespiegelingen bestaat. Zoo zijn 'er tweehonderd en dertig verscheide gevoelens over de gedaante welke God moet worden toegeschreven, en driehonderd zes en negentig over de natuur en hoedanigheid der Ziele. De Tempelen of heilige gehoorplaatsen alwaar de Godskennis geleert wordt, worden door de _Martinianen_ niet bezogt, om aldaar te leeren wat hun te betrachten staat, of waar naar zij zig in leven en sterven te rigten hebben; maar slegts om te hooren, hoe geleerd en met welk eene fijnheid van verstand de heilige Redenaars zig uitdrukken, welke ook hoe zij duisterder spreeken, hoe zij te meer toejuichinge krijgen, invoegen de _Martinianen_ ongaarne iets hooren, dan 't geen zij niet verstaan. Men let 'er meer op de woorden dan op de zaken, vermits de Redenaaren zig meer toeleggen op de uitgezogte spreekwijzen en welgeschikten zin, dan op het gewigt der bewijzen of beschaaftheid des oordeels, en de toehoorders niet dan op vleijende redenen en welluidende woorden agt geven. Hierom durfde ik van den Christelijken Godsdienst, die eenvoudig en niet opgetooid, maar op de waarheid gegrond is, geen woord reppen.

Nergens worden de Uitvinders van nieuwigheden meer dan in deeze Republijk geagt: hoe moeilijker en ongerijmder de uitvinding is, hoe meer dezelve aangenaam is. Toen ik aan zekeren Meerkat eens uitgelegt had de natuur van onzen Aardbol, en hem aangetoond had, dat deszelfs oppervlakte bewoond was, stelde hij terstond voor om de korst der aarde te doorgraven en eenen weg te banen naar de Bovenaardlingen. Die uitvinding wierdt terstond van allen toegejuicht en daar wierdt eene _maatschappij, of genootschap van den bovenaardschen handel_ aangestelt, waar naar de inwoonders terstond met geheele troepen liepen, en de biljetten nagezien hebbende, _Actiën_, gelijk de Kooplieden zeggen, gingen koopen. Dog toen door deeze bewegingen het gantsche Landschap te onderste boven geraakte, en Verscheide Familien door deeze _Actiën_ tot den bedelzak vervielen, begrepen zij eindelijk de dwaasheid deezer uitvindinge, en lieten 't werk steeken. Egter is den Uitvinder om deeze dwaasheid, die den Staat, zoo duur hadt gestaan, niets kwaads overkomen: ja hij wierdt zelfs, om de voortreffelijkheid van 't werk van iedereen geprezen, zoo dat de _Martinianen_ plegen te zeggen: dat schoon zijne pogingen hem niet gelukt waren, hij egter als een andere Phaëton

_............... den Zonnewagen mende,_ _En, schoon hij stortte, stout voorbij den stoutsten rende,_

Den aart deezes volks naauwkeurig onderzogt hebbende, trachtte ik door dezelve middelen mij eenige agtinge bij de _Martinianen_ te verkrijgen, en door eenige uitvindinge mijnen staat wat te verbeteren. Derhalven na dat ik den staat deezer Republijk ondertast hadt, vond ik 'er zeer veele gebreken in. Ik zag dat alles vervult was met konstenaars, en dat dit Land gebrek hadt aan handwerkslieden. Hierom stelde ik eene wet voor van verscheiden handwerkslieden ten nutte des Gemeenenbests aan te stellen. Dog alle uitvindingen van dit slag verwekten niet dan gelach en veragtinge bij dat verwaand volk, dat alleen met poppegoed in zijnen schik is. Derhalven, begon ik met deeze woorden tegen mijne eige domheid uit te varen: _Gij zijt een domkop en een weetniet, waardig dat gij in 't veragte genootschap der stoeldragers, oud en grijs word_. Ik verloor egter den moed niet geheel en al; en toen ik zag dat ik met heilzamen raad te geven niets vorderde, besloot ik te onderstaan of ik met eene dwaze en ijdele uitvinding die moeilijkheid niet konde te boven komen. Ik openbaarde mijn voornemen aan een doorslepen Aap, die mijn paard dat van zelf liep, nog met deeze spooren aanwakkerde:

_Wilt gij dat u 't geluk zal dragen,_ _Zoo moet g'er galg en rad op wagen._

En wanneer hij mij aantoonde, dat 'er hier veele geweest waren, die alleenlijk door wisjewasjes en kinderspel, zig roemwaardig gemaakt hadden; en vooral door eenige nieuwe fatsoenen van kleederen; dat ik wel zoude doen met de gekken uitzinnig te zijn. Derhalve alle zeilen bijzettende, liet ik alle gekke uitvindingen in Europa door mijne gedagten gaan, en eene keuze daar uit gedaan hebbende, besloot ik de optooizelen des hoofds, welke wij _Parruiken_ noemen, hier aan te prijzen. Ik zag dat 'er in dit Gewest eene groote menigte Geiten was, van welker hair eenigermaten _Paruiken_ konden toegestelt worden. En nademaal mijn Voogd zaliger, dit handwerk lang hadt bij de hand gehad, was ik in die konst niet geheel en al onbedreven. Hebbende dan eenig geiten-hair gekregen, stelde ik daar van eene _Paruik_ toe, die mij zeer wel paste; en dus opgeschikt zijnde, vertoonde ik mij aan den Vice-President. Hij verbaast staande over dit nieuw en ongewoon verschijnzel, vraagde wat het was, en dezelve van mijn hoofd afligtende, zettede die op het zijne, loopende metter haast naar den spiegel, om zig zelven in dat optooizel te zien; en hij kreeg met dat nieuwe hoofddekzel zulk een welbehagen in zig zelven, dat hij van vreugde luidkeels uitriep: _Ik ben bijna den Goden gelijk_! Terstond deedt hij zijne huisvrouwe haalen, om dezelve zijne vreugde deelagtig te maken. Zij, niet minder dan hij van vreugde opspringende, vloog haaren man om den hals, betuigende niets geestigers, en dat haar meer beviel, ooit gezien te hebben, waar aan ook het gantsche Huisgezin zijn zegel hing. De Vice-President zig daar op naar mij keerende zeide: O _Kakidoran! zoo deeze uwe uitvinding den Raad zoo wel als ons aanstaat, kunt gij u zelven de hoogste bedieningen in onze Republijk belooven._ Ik, zijne Excellentie zeer ootmoedig bedankende, droeg hem een verzoek-schrift op, om het zelve den Raad aan te bieden. In dit verzoekschrift mat ik de voortreffelijkheid mijner uitvindinge zeer breed uit, met deeze' woorden:

_Zeer Voortreffelijke, Edelmoedigste, Doorlugtigste, Roemrugtigste en Allerschranderste Raaden._

"De natuurlijke zugt, waar door ik genoopt word om het algemeen welzijn te bevorderen, heeft mij aangezet om uit te vinden en toe te stellen dit nieuwe en nooit voorheen bekende hoofddeksel, 't geen ik hier op 't nederigste aanbiede, en ten onderzoek aan de allerschranderste Regtbank onderwerpe; niet twijfelende, of het zelve zal gunstiglijk worden aangenomen, vooral nademaal die uitvinding tot roem en sieraad der Natie strekt en te weeg brengt, dat het, de geheele waereld door, bekend zal worden, dat gelijk de _Martinianen_ in dapperheid en gemoedsgaven onder alle volkeren uitblinken; dezelve ook alzoo in opschik en zwier van kleederen, die het ligchaam een soort van eerbied en majesteit bijzetten, onderscheiden zijn. Ik betuige heiliglijk dat ik hierin mijn eigen belang geenszins beooge, en derhalven niet den allerminsten loon voor mijnen arbeid eischte: zullende mij genoeg zijn, dat ik naar mijne geringe kragten 't algemeen nut en de glorie der Natie hebbe mogen bevorderen. Bijaldien egter de Doorlugtigste Raad, deeze mijne moeite eenige vereering oordeelt waardig te zijn, zal ik die gunst met een dankbaar hart aannemen, op dat daar door aan de geheele waereld deszelfs mildheid openbaar zij, en andere om diergelijke of grooter zaken uit te voeren, aangezet mogen worden. En het is ten dien opzigte alleen, dat ik de milddadigheid van den Raad en 't Volk van _Martinia_ niet zal afstaan; mij voor 't overige bevelende aan de goedgunstigheid uwer Voortreffelijkheden."

_Des zeer Doorlugtigen Raads_

Ootmoedigste Dienaar

_Kakidoran,_

In _Martinia_ den 7den der maand Astral.

De Vice-President stak mijn Smeekschrift te gelijk met het hoofddekzel in zijnen zak, om dat aan den Raad te behandigen. 't Is mij ter ooren gekomen dat op dien zelven dag alle Geregts-zaken stil stonden, zoo zeer was een iegelijk ingenomen om deeze uitvindinge te onderzoeken. Toen nu de stemmen opgenomen wierden, wierdt het proefstuk geprezen, de werkmeester geroemt, de gift aangenomen, en besloten hem te beloonen. In den geheelen Raad waren alleenlijk drie Raadsheeren, die dit gevoelen tegenspraken; dog zij wierden ten dien opzigte niet weinig over den hekel gehaalt, en voor onwetende, en lieden die niet wisten te leven, ja die onwaardig waren een Raadsheers-ampt te bekleden, te boek gestelt.

Na dat de Raad een besluit genomen hadt, wierd ik op 't Raadhuis ontboden, alwaar een oude Aap, oprijzende, na dat hij uit den naam van den gantschen Staat mij bedankt en teffens bekent gemaakt had, dat mijne moeite naar verdiensten beloont zoude worden; vraagde, hoe langen tijd ik wel noodig had om een diergelijk hoofddeksel toe te stellen. Ik gaf ten antwoord, dat het mij loons genoeg was, dat mijn werkstuk de goedkeuring van zulke treffelijke Heeren, en de toejuichinge des geheelen Raads hadt mogen verdienen: ik beloofde eene andere _Paruik_ binnen twee dagen te zullen opmaken, met toezegginge, dat, bijaldien de andere Aapen, die geoeffende handwerkslieden waren, en welke ik de konst zoude leeren, mij wierden toegevoegt, ik binnen den tijd van eene maand zoo veele _Paruiken_ zoude afmaaken, dat 'er genoeg zouden zijn om de geheele Stad te voorzien. Dog de Vice-President, door dit antwoord ontzet, barstte in deeze woorden uit: Dat zij verre _Kakidoran_, dat dit optooizel voor iedereen in de gantsche Stad zoude zijn, en, bij allen man gebruikt wordende, in veragtinge komen; daar het noodig is dat de Adel daar door van den gemeenen man worde onderscheiden. Het gevoelen deezes voortreffelijken mans wierdt van allen toegestemt, en de Schatmeesters van Staat aangezegt, dat zij hadden toe te zien, dat het Besluit des Raads niet overtreden wierde, nog, door eenen algemeenen dragt der _Paruiken_, de Adel eenigen nadeel mogte lijden; of dat zulk een uitstekend sieraad, door 't gebruik van 't Jan Hagel, in waardye verminderde. Dog dat Placcaat bragt niet anders te weeg, dan 't gene alle de voorige wetten op den pragt, met het maken van onderscheid tusschen de Burgerij, hadden uitgewerkt; want daar door verwekte het in 't Gemeen des te meer lust om de wet te overtreden. En overmits dees opschik elkeen wonderlijk wel aanstondt, kogten de gegoedste uit de Burgerij, met geld of door aanprijzing hunner goede Vrienden, den tytel en brieven van Adeldom van den Raad, invoegen de helft der Stad binnen korten tijd veradelt wierdt. Eindelijk, nademaal 'er ook uit de Provinciën smeekschriften wierden ingebragt, vondt de Raad goed het Placcaat te vernietigen, en 't gebruik der _Paruiken_ aan iedereen toe te staan, zoo dat ik met het meeste genoegen der waereld de geheele Natie (met verlof gezegt) _geparuikt_ zag, eer ik uit _Martinia_ ging: En om de waarheid te zeggen, het was een koddig schouwspel deeze _geparuikte_ Aapen te zien: Ja zoo zeer behaagde de uitvinding de geheele Natie, dat zij eene nieuwe Tijdrekeninge in de waereld bragt, en de _geparuikte_ Eeuw daar door in de Jaarboeken der _Martinianen_ is bekend geworden. Dog om weder tot mij zelven te komen. Opgehoopt met loftuitingen en met eenen purperen mantel omhangen, wierd ik met den draagstoel des Vice-Presidents naar huis gebragt, zoo, dat die drager die nog onlangs mijn amptgenoot was geweest, mij thans den dienst van een paard bewees: ook spijsde ik zedert dien tijd aan des Vice-Presidents eigen tafel. Na die blijde dageraat van mijn geluk, begon ik mijn ondernomen werk voort te zetten, en maakte door hulp van mijn bijgevoegde werkvolk, in 't kort zoo veele _Paruiken_, als 'er voor den gantschen Raad noodig waren: en na dat ik eene geheele maand met dat werk had doorgebragt, wierden mij de Brieven van Adeldom ter hand gestelt, welker inhoud was als volgt:

"Om de Voortreffelijke, en voor den Staat heilzame, uitvinding, waar door _Kakidoran,_ van geboorte uit Europa, de gantsche _Martiniaansche_ Natie aan zig verpligt heeft, hebben wij besloten, denzelven met den Adeldom te begiftigen; invoegen dat hij en zijne Nakomelingen, van nu af aan voor goede Edellieden zullen worden gehouden, en alle voorregten, regten en vrijheden, den _Martiniaanschen_ Adel toekomende, genieten: willende wijders, dat de Uitvinder met eenen anderen naam vereert, en, in plaats van _Kakidoran, Kikidorian_ worde genoemt. Voorts, nademaal zijn gemelde staat hem noodzaakt met eenigen luister te leeven, leggen wij hem toe eene jaarwedde van 200. Pataren, tot steunsel zijner nieuwe waardigheid. Gegeven in de Raadkamer te _Martinia_, op den 4den der maand _Merian_, onder 't groot Zegel van den Raad."