De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 13
Kort daar na verstond ik dat de Vorst besloten hadt mij van alle straffe te ontheffen, had ik slegts eenvoudiglijk zijne gunst, en kwijtschelding der misdaad verzogt, hoe zeer ook _Rabagna_, die het ampt van Thesaurier bekleedde, hemel en aarde bewoog, dat ik niet op vrije voeten mogte worden gestelt. Maar, om de waarheid te zeggen, ik nam dat vonnis niet kwalijk. Want de bediening die ik bekleedde, was mij bitterer dan de dood, en het smertte mij langer met deeze boomen, die gezwollen waren van al te grooten hoogmoed, om te gaan. Ook hoopte ik op beter lot in 't Firmament, alwaar ik verdaan had, dat alle vreemdelingen, zonder onderscheid, gunstiglijk wierden ontvangen.
[1] Publicus Civitatis Physicus.
[2] Logicos.
[3] Polybistoros.
TIENDE HOOFDSTUK.
_Reize naar 't Firmament_
Tot hier toe heb ik geen woord gesproken van die verbazende verbanning naar 't Firmament; waarom ik hier, als zijnde de bekwaamste plaatze, een afbeeldzel van die reize zal geven. Zeker slag van vogels, van eene ongewoone grootte, zijn gewoon alle jaar zig hier te vertoonen: zij worden _Cupac_ of Postvogels genoemt, die op gezette tijden komen en wederom vertrekken. Met het naspeuren der oorzaaken van deeze gezette komst en vertrek, hebben do Onderaardsche Natuurkundigen lang hun hoofd gebroken. Eenige zijn van gedagten, dat die vogels, derwaards gelokt door eenige bloedelooze diertjes, of door zekere groote vliegen, waar van 'er op deezen tijd des jaars eene groote menigte te zien is, en waar naar dezelve zeer begeerig zijn, op deeze Planeet nederdalen; en ik heb niets tegen dat gevoelen. Zij meenen dat de zaak hierom te klaarder is; nademaal die vliegen verdwijnende, ook die vogels weder terstond te rug vliegen naar 't Firmament. Dat dit door zeker ingeven der Natuur kan geschieden, blijkt uit het voorbeeld van andere vogels, welke op gezette tijden in zekere Landen, buiten twijfel om dezelve redenen, zig vertoonen. Andere willen, dat deeze vogels van de inwoonders des Firmaments zodanig onderwezen en geoeffent zijn, dat zij van dezelve konnen worden uitgelaten even als Valken, of Jagt-vogels, om een roof van elders over te brengen. Deeze stelling is gegrond op die groote zorg en snedigheid, welke zij vertoonen, na dat zij die reis afgelegt hebben, wanneer zij hunnen buit, of de gene welke zij overgebragt hebben, ter nederzetten. Ook doen deeze vogels uit andere omstandigheden blijken, of dat zij voorbedagtelijk daar op geleert, of met reden begaafd zijn; want wanneer de tijd dat zij vertrekken, aanstaande is, worden zij zoo mak en tam, dat zij zig netten of strikken laten aandoen, waar onder zij eenige dagen lang stil en gerust blijven leggen; en in dien tusschen-tijd van de inwoonders als met de hand gevoed worden met bloedelooze diertjes, waar van men 'er ten dien einde eene groote menigte verzamelt heeft: En met dat aas moet men ze daar houden, tot dat al het noodwendige voor de op reis gaande ballingen vervaardigt is. De toestel van dat vertrek pleeg aldus gemaakt te worden: Een klein hutje of kistje wordt aan de strikken, waar aan de vogels leggen, met touwen vastgemaakt. In ieder hutje kan niet meer dan een boom of mensch te gelijk zijn. Wanneer nu de tijd van hun vertrek aanstaande, en het aas der bloedelooze diertjes, waar mede de vogels gespijst worden, op is, vliegen de vogels op, en neemen de terugreis aan, door de lugt. Zodanig was deeze wonderlijke overvoering, welke ik met de andere gevangenen naar de nieuwe Waereld moest ondergaan. Toen ter tijd stonden met mij reisvaardig twee Burgers van welke om andere misdaden in ballingschap waren verwezen. Een van die was een Overnatuurkundige, die de Wet hadt overtreden, door te disputeeren over het Wezen Gods, en over de Natuur der Geesten. Die stoutheid hadt hij met de aderlating moeten boeten, en wanneer hij kort daarna bevonden werd in zijn voornemen voort te varen, werd hij tot ballingschap naar 't Firmament verwezen. De ander was een Geestdrijver, die twijfelingen omtrent den Godsdienst en 't regt van heerschappij in den Burgerstaat maakende, de gronden van beide scheen te ondermijnen. Dees wilde aan de Wetten van den Staat niet gehoorzamen, voorwendende dat alle Burgerlijke onderwerping tegen zijn gemoed streedt. Zijne Vrienden ondernamen om hem met de bondigste bewijzen deeze kregelheid uit den kop te krijgen, doende hem zien, aan hoe veele bespottingen die gemoeds-voorschriften en ingebeelde inblazingen onderhevig waren; zeggende menigmalen, dat de ijver, conscientie, of inblazinge met zwaarmoedigheid of bedorven ligchaams-vogten vermengd wierden; en toonden wijders aan, hoe dwaas het is zig te beroepen op het aanporren der conscientie, en hoe onbillijk het is te beweeren, dat de bewegingen zijns gemoeds het rigtsnoer zouden zijn van eens anders geloof, die zig van dezelve bewijsrede bedienen, en de eene conscientie tegen de andere kan zetten. Eindelijk vertoonden zij hem, dat niemant die deeze beginselen halstarriglijk vasthieldt, bezwagtelende zijne koppigheid mee den dekmantel der conscientie, in den Burgerstaat geduld konde worden; aangezien de pligt van een goed ingezeten vereischt, dat hij de Wetten van den Staat blindelings gehoorzame; en dat een Geestdrijver zodanige onderdanigheid nog wil nog kan bewijzen, nademaal in 't burgerlijke het voorschrift zijner conscientie zijn eenige rigtsnoer is. Dog, aangezien beweegredenen of bewijzen op de Geestdrijvers weinig vat hebben, wierdt hij als hardnekkig en onverbeterlijk gebannen, en naar het Firmament verwezen. Wij waren dan ter dezer tijd met ons drieën, die deeze reize stonden te doen, namenlijk een Uitvinder van Nieuwigheden, een Over-natuurkundige, en een Geestdrijver.
Omtrent het einde der Berkenboommaand, wierden wij elk uit het Gevangenhuis naar eene bijzondere plaats gebragt. Wat mijne makkers naderhand overgekomen is, is mij onbekend: want voor mij zelf alleen zorgende, moeide ik mij nergens anders mede. Ter bestemder plaats gebragt zijnde, wierd ik terstond in 't kistje of hutje gesteken, en met spijze, zoo veel voor eenige dagen genoeg was, voorzien. Niet lang daar na, wanneer de vogels gewaar wierden dat men hen geen aas meer aanbragt, even als of zij voelden dat het tijd van vertrekken was, verlieten zij dien Aardbol, klievende de lugt met eene ongelooflijke snelheid. Men gelooft gemeenlijk onder de Onderaardlingen, dat de afstand van de Planeet _Nazar_ omtrent honderd mijlen van 't Firmament is. Dog in hoe veel tijds ik die reize afgelegt hebbe, kan ik niet wel zeggen; maar wel dat mij dunkt met deeze hemelsche schipvaart vier-en-twintig uuren onder weg geweest te zijn. Na een langwijlig stilzwijgen kwam mij eindelijk een verward geroep ter ooren, waar uit ik gissinge maakte niet ver van land af te zijn. Toen bleek het mij, dat deeze vogels wel degelijk met voordagt hier op geleert en geoeffent waren, want zij zetteden zoo konstiglijk en zoo zorgvuldiglijk het hutje op den grond neer, dat 'er niets aan beschadigt wierdt; Terstond wierd ik omringt door een groot getal van Aapen, op welker gezigt ik met geen geringe vrees bevangen wierd, nademaal ik dp de Planeet _Nazar_ van die dieren magtig gekwelt was geweest. Mijn opgevatte schrik vermeerderde, wanneer ik deeze Aapen met malkanderen hoorde praten, en wanneer ik zag dat zij kleederen van verscheide kleuren aan hadden, en met geregelde stappen voortgingen. Toen giste ik dat zij de bewoonders deezes Lands waren. Dog vermits mij in dat mengelmoes van zeldzaamheden, waar aan ik al zedert eenen geruimen tijd was gewoon geworden, niets nieuw of ongewoon meer kon schijnen, schepte ik weder moed, vooral toen ik zag, dat die Aapen mee eene wonderlijke gemaniertheid nader kwamen, en mij, hunnen nieuwen gast, op eene beleefde wijze, uit het hutje haalden: want naauwlijks wordt in onze geheele Waereld een Ambassadeur met meer statie ingehaalt. Elk op, zijnen rang naar mij toe komende, sprak mij aldus aan: _Pul Asfer_. Na dat zij deeze welkomst dikwils herhaalt hadden, en ik eindelijk die woorden hen had nagezegt, begonnen zij uittermate te lachen, en gaven met koddige gebaarden te kennen, dat zij veel vermaak schepten in die woorden te hooren nazeggen. Aanstonds bemerkte ik dat deeze inwoonders ligtveerdig, liefhebbers van nieuwigheden, en groote snappers waren. Als zij, spraken zou men gezworen hebben dat de trommel geroert wierdt, met zulk eene labberheid en vlugheid bragten zij de woorden als in eenen adem uit. Om kort te zijn, zij waren in opschik, manieren, spraak, en ligchaams-gedaante geheel en al verscheiden van de _Potuanen_. Op 't eerste gezigt van, mijne gestalte, scheenen zij gantsch verbaasd, en de voornaamste reden daar van was, dat ik geen staart had: want gelijk 'er onder alle schepzelen geen beesten zijn, die meer de figuur van een mensch verbeelden dan de Aapen, zoo zouden zij mij, had ik anders eenen staart gehad, voor een dier van hun geslagt gegroet hebben: vooral, vermits zij alle de gene die tot nog toe uit de Planeet _Nazar_ herwaards overgevoert waren, zig zeer ongelijk hadden bevonden. Ter zelver tijd toen ik in dat Land kwam, was de Zee overal onstuimig, om de nabijheid der Planeet _Nazar_: want even gelijk bij ons de vloed der Zee overeenkomt met den loop der Maan, zoo vloeit en ebt ook de Zee van dit Firmament te gelijk met dezelve, als zijnde in denzelven zwaai-kring met de Planeet _Nazar._
Terstond wierd ik haar een groot huis gebragt, dat met pylaren, vensters, marmer, kostelijken huisraad en tapitzeryen zeer fraai opgepronkt was. Aan de deur stonden wagters, waar uit ik besloot dat dit geen huis was van eenen gemeenen Aap. Hij zelf, verlangende om met mij te spreken, huurde eenige meesters, die mij in de taal zouden onderwijzen. Omtrent drie maanden wierden met dit onderwijs doorgebragt, welke verstreken zijnde, ik, vermits ik redelijk prompt spreken kon, geloofde, dat ik om de vlugheid mijns geests, en snedige memorie, de verwondering van alle verdient had. Dog mijne meesters hielden mij voor eenen domkop en plomp-aard, zoo, dat zij telkens van hunnen discipel dreigden af te zien. Hierom, gelijk ik op de Planeet _Nazar_ om de vlugheid mijns verstands, al spottende _Scabba_ of den gaauwert was genoemt geweest, zoo gaven mij deeze Aapen, om mijne domheid, den naam van _Kakidoran_, dat is gezegt plomp-aard of traag-aard. Want deeze alleen worden daar geagt, die eene zaak vaardig begrijpen, bezwagtzelen in den zin, verdraaijingen in de woorden, en streeken in 't spreeken gebruiken. Terwijl ik in de Aapen-taal onderwezen wierd, bragt mijn huiswaard mij dikwils door de Stad, welke ik zag dat in allerlei soort van weelde en pragt verdronken lag: want door het groot getal van wagens, koetzen, lakeijen en de menigte des volks, dat van alle kanten toevloeide, en ginds en herwaards liep, gedrongen en gefloten wordende; wierden wij genoodzaakt met geweld opening te maken, en ons den weg te baanen. Dog dat kwam in geen vergelijking bij de pragt in de hoofdstad, alwaar men als in zijn middelpunt bijeen gebragt zag al wat de menschelijke verwaandheid bedenken kan. Toen ik de taal verstond, geleidde mij mijn huiswaard naar de hoofdstad, als hoopende door deeze nieuwe en ongewoone gifte, ligtelijk de gunst van een zeker Raadsheer te zullen verkrijgen: want men heeft hier eene Volks-regeering, invoegen dat het hoogste gezag in de Republyk bij den Grooten Raad berust, en dat alle de Raadsheeren van 't geslagt der Patricen zijn: want die uit het volk zijn, kunnen niet hoopen verder dan tot een hopman, of tot een bevelhebber in de Provinciën of mindere steden aangestelt te worden. Somtijds worden zij nog wel tot Burgemeesters aangestelt; dog deeze bevordering pleeg niet te geschieden, dan na voorgaande verdiensten. En uit dien hoofde was mijn huiswaard Burgemeester geweest; want die had zulken snedigen vernuft, dat hij binnen den tijd van eene maand, agt-en-twintig nieuwe Wetten of Placcaaten (_Projecten_) hadt uitgevonden. En schoon deeze nieuwigheden, welke hij uitgevonden hadt, zodanig waren, dat zij met het algemeene welzijn niet hadden konnen bestaan; waren 't egter proefstukken van een vrugtbaar verstand, waar door hij zig agtinge hadt verkregen; want in de geheele Onderaardsche waereld zijn de uitvinders van nieuwigheden nergens zoo gezien, als in deeze Republyk. De hoofdstad deezer Republyk wordt genaamt _Martinia_, waarvan ook het gantsche Landschap den naam gekregen heeft. De Stad is zeer wel gelegen en zeer vermaart door treffelijke gebouwen, kennisse in de Zeevaart, en 't uitrusten van Oorlogschepen. Ik geloof niet dat dezelve in grootte en in 't getal haarer inwoonderen voor _Parijs_ behoeft te wijken zijnde de straaten aldaar zodanig opgepropt met volk, dat wij met vuisten en stokken ons eenen weg moesten maken, om ter plaatse te geraken, daar de Vice-President van den Grooten Raad woonde: want dit was de man aan welken mijn huiswaard mij tot eene vereering dagt te geven.
Wanneer wij digt bij des Vice-Presidents huis waren gekomen, tradt mijn huiswaard in eene herberg, om aldaar zijne kleederen wat in orde te schikken, vermits hij wel en zindelijk gekleed bij den Vice-President voor den dag wil de komen. Terstond kwamen met geheele troepen eenige huurlingen toeschieten, gemeenlijk _Maskatti_ of opschikkers geheeten, welke iedereen gewoon is te gebruiken, alvorens hij het Paleis van een Raadsheer ingaat. Deeze borstelen de kleederen, doen 'er de vlakken uit, en herstellen met een wonderbaarlijke zorg en handigheid al wat 'er aan ontbreekt, zelfs tot de allerminste vouwtjes toe. Een deezer _Maskatti_ des Burgemeesters degen genomen hebbende, maakte dien schoon en polijstte hem. Een ander bondt hem eenen bos linten van allerlei kleuren op den staart: want niets is 'er daar deeze Aapen zoo zeer mede vermaakt zijn dan met den opschik haarer staarten. Daar waren Raadsheeren en vooral Raadsheers vrouwen, welker staarten op Heilige dagen naauwlijks met de onkosten van duizend daalders, onzer munte, naar behooren konden opgeschikt worden. De derde deezer _Maskatti_ of opschikkers kwam met een instrument van de Landmeetkunde, waar mede hij de kleederen mat, om te zien of alles naar behooren en evenredig geschikt was. Een vierde kwam gelopen met een flesje blanketzel, waar mede hij hem 't aangezicht; opsierde. Een vijfde sloeg naauwkeurig agt op de voeten, nemende met eene uitstekende gaauwigheid het vuilnis van tusschen de teenen en nagelen weg. Een zesde bragt riekend water, aan, waar mede hij de handen en voeten des Burgemeesters besproeide. Kortom, dees, boodt eenen scheerdoek aan om te scheeren, die eene kam om te krullen, een ander eenen spiegel voor 't gezigt, en dit alles wierdt met geen minder zorg en vlijt verrigt, dan de Landmeeters bij ons de Landkaarten gewoon zijn, na te zien en te verbeteren. Dit deedt mij in mij zelven zeggen: "Wat tijd en kosten zal de opschik der vrouwen niet vereischen, daar 'er met het versieren, oppoetzen, blanketten, en kammen van 't man-volk, zoo veel werks gemaakt wordt!" En zeker de _Martiniaansche_ Vrouwen gaan alle paalen te buiten, en weeten zodanig de gebreken aan haare ligchamen door bedrog te bedekken, dat zij door al te groote nettigheid vuil zijn. Want wanneer zig het zweet met de welriekende zalven komt te vermengen, rieken zij terstond daar naar, even als wanneer een kok allerhande sop onder een giet. Waar zij naar rieken weet men niet: die alleen weet men, dat men ondervindt dat ze zeer kwalijk rieken.
Mijn huiswaard dan aldus geschooren, geschildert, gehult, en glad gemaakt, stapte naar het Paleis van den Vice-President, alleen verzelt van drie knegts. Zoo dra hij in 't voorhuis kwam, trok hij zijne schoenen uit, om den marmeren vloer niet beslijkt of bestoven te maken. Hier moest hij bijna een geheel uur lang blijven staan, eer men den Vice-President van zijne komste konde verwittigen: ook wierdt hij niet binnen gelaten, dan na dat 'er eenige kleinigheden, waarmede men in dit Land gewoon is de gunst der deurwagters te koopen, waren voorafgegaan. De Vice-President, zittende op een verheven verguld gestoelte, hadt mij met mijnen huiswaard niet zoo dra zien binnen komen, of hij barstte uit in overmatig lachen, en deedt mij terstond veele gekke en ijdele vragen,
_Zoodanig dat mij 't zweet afguste langs de beenen_ _Waar van een gantsche plas lei op de marmer-steenen._
En op ieder antwoord
_Berst hij, al bevende, gestaag in lachen uit,_ _Dat de omgekrulde neus hem tegen 't voorhoofd stuit._
Ik dagt dat zig aan te stellen als een tooneelspeeler, hier order de deugden gerekent wierdt, vermits de Republyk eenen man, die zulk een potzenmaker was, tot Vice-President, dat is eenen die de tweede plaats in den Raad bekleedt, hadt aangestelt; en ik zei mijne gedagten daar over terstond aan mijner huiswaard. Dog die betuigde mij, dat het een man was ten uitersten aanzienlijk door de gaven zijns Geests. Want hoe groot zijne schranderheid was, bleek uit het groot getal van allerlei zaken, welke hij, zelfs in zijne aankomende jeugd, hadt uitgevoert; aangezien hij van zulken snedigen begrip was, dat hij, al was 't onder een glaasje, zaken van 't uiterste gewigt konde verrigten: ja zelfs onder 't avond- of middagmaal, tusschen elk geregt, eene Ordonnantie of een Placcaat konde schrijven. Hier op vraagde ik van hoe langen duur die Placcaaten plegen te zijn, die zoo ter loops beslagen waren? Waarop mij geantwoord wierdt, dat ze gemeenlijk zoo lang duurden, totdat het den Raad behaagde dezelve te niete te doen, of af te schaffen.
Na dat de Vice-President een half uur lang met mij gepraat, en met dezelve snapagtigheid, als onze Europische baardscheerders, veele woorden den hals gebroken hadt; keerde hij zig naar mijnen huiswaard, tegen hem zeggende, dat hij mij onder zijne dienaars aannam, schoon hij bespeurde uit de traagheid van mijnen geest, dat ik
_In een verdikte lugt, of in het Varkens-land_ _Geboren, nooit zou zijn een man van goed verstand,_
en dat ik vervolgens tot eene bedieninge van aangelegenheid naauwlijks bekwaam was. _Ik heb ook_, zei mijn huiswaard, _bespeurt, dat 'er eene aangebooren vadzigheid in hem is; dog wanneer men hem tijd geeft, om de zaak wat langer te overwegen, oordeelt hij 'er niet kwalijk over_. Hier op antwoordde de Vice-President. "Hier heeft men prompte en vaardige dienaars van noden, vermits de veelheid der zaken geen draalen kan lijden." Dit gezegt hebbende, begon hij ernstig op de sterkte mijns lichaams te letten, en geboodt mij een zwaar gewigt van den grond op te heffen; dit zonder moeite gedaan hebbende, zeide hij: "De Natuur, welke hij in zielsbegaaftheden tot eene Stiefmoeder gehad heeft, heeft dat gebrek eenigzins door de sterkte zijns ligchaams vergoedt." Toen wierdt mij bevolen een weinig aan eenen kant en naar eene andere plaats te gaan, alwaar ik van de dienaars en slaven met eene wonderlijke beleeftheid ontvangen, maar ook te gelijk door haare overgroote snapagtigheid en potzen ellendiglijk geplaagt wierd. Zij vraagden mij zoo menigvuldige vraagen aangaande onzen Aardkloot, dat ik niet meer wist wat ik zoude de zeggen, zodanig dat ik eindelijk genoodzaakt zijnde leugenen onder waarheid te mengen, egter nog hunne nieuwsgierigheid niet konde voldoen. Mijn huiswaard eindelijk bij mij komende, gaf mij te kennen, dat ik onder de hovelingen van zijne Excellentie eene plaats had gekregen. Uit het voorgaande praatje van den Vice-President had ik eenigzints konnen afnemen, dat de bediening die mij toegeschikt wierdt, niet veel bijzonders stondt te wezen. Ik giste dat het die van Poortier of Hofmeester zoude wezen, waar mede men mij stondt te begiftigen; dog vragende aan mijnen huiswaard wat het voor eene bedieninge was, gaf hij ten antwoord: _Zijne Excellentie heeft u allergenadigst aangestelt tot eersten drager (Porteur) om zijnen draagstoel, met eene jaarlijksche wedde van vijf-en-twintig Stercolaten_. (Iedere _Martiniaansche_ Stercolaat wordt gerekent op twee daalders onzer munte.) Daarenboven heeft hij belooft dat gij dien dienst aan niemant zult moeten doen, dan aan hem zelv' en aan zijne edele Gemalinne. Door dit antwoord als door een bliksem getroffen, gaf ik, zonder doekjes daar om te winden, te kennen, hoe onwaardig zulks was voor een vrijgebooren man, en die van goeden huize was. Dog terwijl ik sprak, vielen mij de hovelingen in de reden, komende bij troepen toeloopen, en met haare snapperijen mij, die bereids half dood was, voorts vermoorden: want de _Martinianen_ zijn altemaal ligt volkje, ijdele snappers en lastige babbelaars, die op geen zaken van gewigt altoos gevat zijn, en alleen veele woorden den hals breeken. Eindelijk wierd ik naar mijne slaapplaats gebragt, alwaar het avondmaal gereed stondt, en na dat ik matelijk gegeten had, wierdt mij mijne slaapsteê aangewezen om te rusten.
Ik ging terstond naar bed; dog in die gemoedsgisting kon ik niet in slaap geraken. De hoogmoed, waar mede ik van deeze Aapen ontvangen was, hadt mij bijna razend gemaakt; en waarlijk ik had Jobs lijdzaamheid van noden om zulk eenen doorslaanden smaad op te kroppen. Ik beschreide mijn noodlot, 't welk ik bespeurde wreeder in dit Land te zijn, dan 't in de Planeet _Nazar_ was geweest, en begon aldus in mij zelf te spreken: Wat zou 't zijn zoo de groote _Kadokus_ van het Vorstendom _Potu_, die volmaakte man, en wiens waardij tegen geen goud is op te wegen, eens in deze Gewesten was overgevoert? Waarlijk men zou 'er weinig werks maken van eenen man, die eene geheele maand noodig heeft om een Placcaat op te stellen! Wat zoude _Palmka_ in dit Land beschooren staan, alwaar de Raadsheeren over 't avondmaal zittende, Placcaaten opstellen en die te gelijk schrijven? Na ernstige overweginge bespeurde ik dat ik uit het Land der wijzen was overgebragt in de verblijfplaats der tooneelspeelers. Eindelijk afgemat zijnde door deeze zorgen, bekroop mij de slaap. Ik zou, met geen zekerheid, zeggen kunnen hoe lang ik sliep; nademaal 'er in dat Land geen onderscheid is tusschen dag en nagt: want men heeft 'er geen duisternis dan die op eenen gezetten tijd voorvalt, wanneer het, door tusschenkomste van de Planeet _Nazar_, Eclipsis is in de Onderaardsche Zon. Dog die Eclipsis is zeer aanmerkelijk, nademaal de Planeet _Nazar_, die niet ver van 't Firmament dobbert, met haare schaduwe de Zon geheel verduistert. Men heeft 'er ook om de gestadige nabijheid van dat gesternte, 't geheele jaar door, eenerlei weer. Hier om verdrijven de inwoonders, door verscheide uitvindingen, als door de lommer der bosschen, koele wandelwegen en onderaardsche kelders, de ongemakken der hitte.