De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 12
Twee dagen reizens van dit Landschap, legt de Republijk _Siklok_, welke in twee verbonden ligchamen van Staat, dog onder verschillende en zelfs tegenstrijdende wetten levende, verdeelt wordt. Het eerste wordt genaamt _Miho_, zijnde gestigt door zekeren _Mihac_ eertijds een vermaard Wetgever, dog die onder de Onderaardlingen voor eenen anderen Lycurgus gehouden wordt. Dees, zullende den Staat met goede wetten, vooral met die tegen 't maken van onnoodige kosten, onderschragen, heeft allen pragt en overdaad strengelijk beteugelt. Hierom zoude men dien Staat, om de ingetogenheid en spaarzaamheid aldaar, met regt het nieuwe _Sparte_ mogen noemen. Dog ik verwonderde mij zeer, dat in eenen zeer-welgestelden Staat, en die trots was op zijne voortreffelijke wetten, zoo veele bedelaars wierden gevonden; want alwaar men zijne oogen sloeg, zag men eenen boom, vragende om eene aalmoesse, zoo dat men geen moeilijker weg voor eenen reiziger bedenken kan Den Staat deezer Republijk wat nader overwogen hebbende, ondervond ik, dat deeze ongelegenheden voortkwamen zelfs uit de spaarzaamheid der ingezetenen: want alle overdaad verboden zijnde, en de rijken zelve hunne natuur te kort doende, leidt het slegt volkje een lui, ledig en arm leven, wijl zij niets bij de hand hebben, om iets mede te winnen. Dit leerde mij dat de vasthoudendheid en spaarzaamheid in het burgerlijke leven het zelve uitwerken, 't geen de stilstand des bloeds in 't menschelijke ligchaam te weeg brengt.
In 't ander ligchaam van Staat, _Liho_ geheeten, wordt ruim en rijkelijk geleeft, en geen kosten ontzien. Hier van daan komt het, dat de Konsten en Wetenschappen daar allerwege bloeijende, zij tot den arbeid, waar door zij niet alleen de armoede verdrijven, maar zelfs de Burgerij rijk wordt, worden aangespoort. En zoo 'er al iemant gevonden mogt worden, die door armoede gedrukt wordt, mag hij zijn gebrek aan zijne eigen luiheid toeschrijven; aangezien 'er gelegenheid genoeg is om winst te doen. Dus bezielt de verkwisting der Grooten als den geheelen Staat, niet anders, dan gelijk de omloop des bloeds alle de leden des ligchaams versterkt, en frisch en gezond maakt. Aan die Landschap is het Gewest _Lama_ gelegen, de zoo zeer vermaarde zetel der Geneesheeren. Daar wordt de Geneeskunde met zoo veel vlijt geoeffent, dat niemant een regtschapen Geneesheer geagt wordt, ten zij hij op de vermaarde Hoogeschoole te _Lama_ gelegen heeft. Daarom is de Stad zodanig vervult met Geneesheeren, dat men veel gemakkelijker eenen Geneesheer, dan een mensch kan vinden. De Apothekers-winkels, en de gene die Anatomische instrumenten verkoopen, beslaan 'er ook geheele straaten. Terwijl ik eens, niet veel te verrigten hebbende, eens wandelinge door de Stad ging doen, kwam mij een vrouw-boomtje tegen, dat mij de lijsten der overledenen van dat jaar te koop aanboodt. Ik zag niet zonder verbaasdheid, dat in het voorleden jaar honderd-en-vijftig boomen geboren waren; dog dat 'er wel zeshonderd waren gestorven. Om de waarheid te zeggen, ik kon 'er niet wel begrip van maken, dat 'er in de verblijfplaats van Apollo, jaarlijks, zulk eene slagtinge onder de Burgers voorviel: vervolgens vraagde ik eenen Boekverkooper, of 'er ook de eene of de andere ongewoone plaag of pest, het voorleden jaar de Stad aangegrepen en ontvolkt mogt hebben? Dog hij gaf mij ten antwoord, dat 'er twee jaren te voren nog vrij wat meer waren gestorven, en dat dit eene gewoonlijke proportie was tusschen de gene die sterven en geboren wierden: ja dat het getal der eersten doorgaans driemaal grooter was; nademaal de inwoonders van die Stad onderhevig waren aan geduurige ziekten, en die hun den dood verhaastten, zodanig, dat, ten ware 'er niet jaarlijks toevloed uit de aangrenzende gewesten kwam, de Stad eerlang ontvolkt zoude wezen. Dit deedt mij mijne reize verhaasten; het niet geraden agtende hier lang mij zelven op te houden: vooral, wijl de naam van Geneesheer, en het zien der Anatomische instrumenten, na 't gene mij in 't land der Philosophen was overgekomen, mij nog niet uit het geheugen was. Derhalven, uit dit Land vertrekkende, liet ik geen gras onder mijne voeten wassen, tot dat ik aan een gehugt, vier duizend treden daar van daan leggende, gekomen was, alwaar de inwoonders zonder Geneesheeren, en te gelijk zonder ziekten leeven.
Na eene reize van twee dagen, kwam ik in 't vrije Land. Daar is een iegelijk zijn eigen meester, en de inwoonders bestaan uit afzonderlijke huisgezinnen, die nog onder wetten, nog onder eenig gebied staan, behoudende egter een soort van Burgerstaat. Over zaken, 't Gemeenebest aangaande, hebben de oudsten toeverzigt, die altoos voor de vreede en eendragt zijn, gestadig aanradende dat voornaamste gebod der Natuur, te weten: dat gij niet wilt, dat u geschiede, doe dat aan een ander niet. Aan den ingang van alle Steden en Dorpen, stondt het uitgehouwen Beeld der Vrijheid; banden en boeijen met voeten tredende, met dit opschrift: GULDEN VRIJHEID. In de eerste Stad, daar ik binnen tradt, zag ik alles genoegzaam in stilte en rust; dog de burgers waren onderscheiden aan zekere gordels, welke kenteekenen en leuzen waren van de partijschappen, waar in de Stad toen ter tijd verdeelt was. De toegangen der voornaamste huizen waren bezet met gewapende Wagten, vermits de stilstand van wapenen geeindigt zijnde, 's anderendaags de oorlog wederom stondt te beginnen. Hierom koos ik, bevreest zijnde, het haazenpad, niet geloovende dat ik vrij was, alvorens ik mij zelven buiten 't gezigt van het vrije Land geborgen had.
Naast aan dit Land is 't Landschap _Jochtana_ gelegen, op welks beschrijving ik met schrik bevangen wierd, nademaal ik aldaar alles meer overhoop, onveilig en verwart oordeelde te zijn, dan in 't vrije Land; aangezien dit Gewest zoo veel als de vergadering en stinkkolk aller Godsdiensten was, en alle de leerstukken, die over deeze geheele Planeet verspreid waren, hier, als in hun middelpunt zijnde, openlijk geleert wierden. Mij derhalven te binnen brengende, hoe veele opschuddingen de verscheidenheid van Godsdiensten, in de meeste Staaten van Europa plegen te veroorzaken, durfde ik naauwlijks binnen de Hoofdstad van _Jochtana_ treeden, alwaar even zoo veele Tempelen van verscheide en tegenstrijdige gezindheden wierden gevonden, als oorden, wijken en straaten. Dog mijne vrees verdween wel haast, zoo dra ik zag, dat aldaar de grootste eendragt, en die door geen twist gestoort wierdt, op den throon zat. Men kon aldaar niet het minste onderscheid in den Burgerstaat bespeuren: alle waren zij eensgezint, alle vreedzaam en gerust, en iedereen aan zijn werk. Want vermits het onder halsstraffe verboden was, iemants Godsdienst te stooren, of dat de een den anderen, om de verscheidenheid der leerstukken, eenige moeilijkheid zoude aandoen; waren alle verschillen, zonder vijandelijkheden, alle zintwistingen, zonder krakkeel, en daar kon geen haat stand grijpen, daar geen vervolginge plaats hadt. Alleenlijk was 'er eene gestadige, schoon zedige, ijverzugt onder de verschillende; nademaal elke gezindheid haaren Godsdienst, door een heilig leven en gedrag, eenen luister poogde bij te zetten. Derhalven hadt de zorg der Overigheid te weeg gebragt, dat het verschil in de leere hier geen meerder beroerte verwekte, dan de verscheide kramen der kooplieden, of de winkels der handwerkslieden op de markten plegen te doen, alwaar alleen de deugdzaamheid der waaren, of de gemaakte dingen, de koopers tot zig trekken, zonder dat 'er bedrog, geweld, of afgunst bij komt, waar door het geschiedt, dat alle zaad van tweedragt, dat anders zoude kunnen opschieten, gesmoort wordt, en alleen eene eerlijke en voor 't Gemeenebest heilzame ijverzugt wordt aangekweekt. Hier uit blijkt het, dat de opschuddingen, die elders plegen in zwang te gaan, niet door verscheidenheid van Godsdienst, maar alleenlijk uit vervolgingen voortkomen. Zeker geleerd _Jochtaner_ heeft mij breeder de levenswijze deezes volks, den aart van deszelfs regeeringe, en de redenen van hunnen gerusten staat, in 't breede uitgelegt, en ik, zeer naarstig toeluisterende naar zijn verhaal, bewaarde dat in mijn geheugen. Ik sprak hem met mijne tegenwerpingen wel eenen geruimen tijd tegen, dog eindelijk wierd ik genoodzaakt het hem gewonnen te geven, wijl hij zijne stellingen met klaare proeven bewees; waarom ik ook, gelooven moetende, 't geen ik met mijne oogen zag, en niet kunnende halstarrig ontkennen, 't geen met 'er daad bewezen wierdt; erkende, dat vrijheid in 't stuk des geloofs, de eenige en waaragtige bronader van die rust en eendragt was. Maar mijnen tegenstreever aan eene andere zijde aanklampende, zeide ik, dat het der Wetgeveren pligt was, om in 't stigten van Gemeenebesten, meer agt te slaan op het toekomende, dan op het tegenwoordige, heil der menschen, en zoo zeer niet te zien naar het gene hen in die leven gelukkig maakt, als op het welbehagen des Scheppers; waar op hij mij in deezer voegen antwoordde: "Gij bedriegt u, Vreemdeling! zeide hij, zoo gij gelooft dat God, die de Fontein der waarheid is, met eenen geblanketten Godsdienst, of met huichelaarij gedient is. Wanneer onder andere Volkeren iedereen door hoog gezag genoodzaakt wordt, volgens een zeker bepaald rigtsnoer te gelooven, zien wij dat 'er eene deur geopent wordt voor de onwetenheid, of voor de geveinsdheid; nademaal niemant de waare gevoelens van zijn hart wil of durft te kennen geeven; maar de meeste anders met den mond belijden, en anders in hun hart gelooven. Daar komt het vandaan, dat 'er zig zoo weinige in de Godgeleerdheid oeffenen, en zoo weinig werks gemaakt wordt van de waarheid te ontdekken: ja daar door komt het, dat 'er aan andere Weetenschappen meer tijd besteed wordt, vermits zelfs de Geestelijken, vreezende met den schandelijken naam van Ketter gebrandmerkt te worden, zig onthouden van stichtlijke overwegingen, en tot andere letter-oeffeningen, in welke zij met minder gevaar zig oeffenen kunnen, en welke de vrijheid niet zoo zeer in boeijen klinken, overgaan. De gene die van eenige leere, welke de teugels der Regeering in handen heeft, afwijken, worden doorgaans veroordeelt. Dog God is verre van huichelaars en veinzers; en eene dwalende opregtigheid is hem aangenamer, dan de geveinsde belijdenisse des waren geloofs." Naauwlijks had ik dit geleert, of ik hield den mond toe, niet bestaan durvende te zintwisten met een volk dat daar in zoo zeer bedreven was.
Ik had bijna eenen tijd van twee maanden met deeze reize doorgebragt, wanneer ik eindelijk te _Tumbac_ kwam, zijnde een Gewest grenzende aan het Prinsdom _Potu_, en 't welk ik als mijn Vaderland aanzag, toen ik zag dat ik die moeilijke reize nu bijna afgelegt had. De inwoonders deezes Landschaps zijn voor 't meerdergedeelte wilde Olijf-boomen, en eene Natie, zoo Godsdienstig als streng. In de eerste herberg daar ik binnen trad, was ik genoodzaakt bijna twee uuren te blijven staan, zonder mij te kunnen ontnugteren, wagtende op het ontbijt, waarom ik dikmaals te vergeefsch verzogt had. De ontijdige Godsdienstigheid van mijnen huiswaard, was de oorzaak van dat vertoef, vermits hij geen hand aan 't werk begeerde te slaan, eer hij zijn morgengebed voleindigt hadt. Na dat hij zig dan van zijnen gewoonlijken Godvrugts-pligt hadt gekweten,
_Zoo komt hij eindlijk, bleek van boosheid binnen treden,_ _En biedt mij brood aan, daar ik lang om had gebeden,_ _Niet zonder knorren: daar benevens discht hij op,_ _Aan mij ellendigen, een stinkend koolen-sop._
Dog dit ontbijt stondt mij duur, en ik kan betuigen, dat ik nooit schijnheiliger en teffens onbermhartiger waard ontmoet heb; waarom ik bij mij zelven zeide, dat het beter was, wat minder te bidden, en wat meer Godvrugtige werken te betrachten. Ik ontveinsde egter mijn hartzeer, wetende dat het gevaarlijk is den fijnen te tergen. Zoo veele burgers als 'er in deeze Stad waren, zoo veele strenge Catoos, tugtmeesters der zeden, waren 'er ook. Zij gaan alle door de Stad, met hangenden hoofde, en neergebogen takken, hebbende het geduurig geladen op de ijdelheid der waereld, en veroordeelende zelfs geoorloofde vermaken; want zij berispen alles ten strengsten, zelfs tot gebaarden en lachen toe, en trachten door geduurige berispingen, en de lieden blaauwbloemtjes op den mouw te spellen, den naam van heiligen te verkrijgen. En wanneer ik, vermoeit en afgemat zijnde, door zoo veele ongemakken, door 't een of 't ander spel, daar niets in stak, mijne geesten wat zogt op te scherpen; wierd ik daar om over den hekel gehaalt, zodanig, dat elk huis mij een strengen Biegt-stoel scheen te zijn, waar voor men genoodzaakt wierdt belijdenis zijner zonden te doen. Maar ik scheide 'er af met mij verder uit te laten over 't karakter dezes volks; en zal alleen één voorbeeld bijbrengen, 't geen den inborst der _Tumbackers_ naar 't leven uitdrukt, en waar uit men 't overige gemakkelijk zal kunnen afnemen. Zeker wilde Olijf-boom, die eertijds, toen wij beide in _Potu_ waren, mij een zeer goed vriend was, zag mij bij geval voorbij eene herberge gaan, en verzogt mij daar binnen te treden. En nademaal hij gehoort hadt, dat ik somtijds wel eens uit de borst konde vrolijk zijn, begon hij mijn leven en bedrijf zoo dapper over den hekel te haalen, dat mij de hairen te berge reezen, en alle de leden begonnen te schudden. Dog terwijl onze Cato in diervoegen afgaf, dronken wij 'er al een steevig glaasje onder, tot dat wij eindelijk beide vol en zoet op den grond vielen, en, door de gene die daar op aan kwamen, half dood naar huis gebragt wierden. Na dat de dronk uitgeslapen, en ik wakker geworden zijnde, weder tot mij zelf gekomen was, liet ik mijne gedagten ernstiglijk gaan over deezen Godsdienst, wanneer het mij klaar bleek, dat de ijver deezer Natie eer uit zwarte gal en bedorven sappen, dan uit beweeging van Godvrugtigheid voortvloeide. Egter zeide ik aan niemant mijne gedagten, maar pakte mij kort naderhand stillekens weg.
Na eene tusschenpoozing van twee maanden, kwam ik eindelijk t'huis, zeer vermoeit; want mijne beenen, door 't gestadig te voet reizen verzwakt, konden naauwlijks mijn ligchaam ophouden. Tredende binnen de Stad _Potu,_ den tienden der Eikemaand, bood ik mijn dagregister terstond den Vorst op het nederigst aan; en zijne Doorlugtigheid beval hetzelve terstond te doen drukken, (want men moet weten, dat de Druk-konst, waarvan die van Europa en de Indianen zeggen de uitvinders te zijn, hier veel eer bekend geweest is). Mijne reis-beschrijving was zodanig in den smaak der _Potuaners_, dat zij zig niet verzadigen konden in dezelve te leezen. Daar liepen door alle oorden en wijken der Stad, hoorntjes, met deeze dagregisters, roepende: REISBESCHRIJVINC VAN DEN HOFPOSTLOOPER SCABBA, RONDOM DE GEHEELE WAERELD. Ik, moedig op dien uitslag, begon naar grooter zaken te staan, belovende mij zelf 't een of 't ander ampt van aangelegenheid. Maar toen ik zag, dat ik in mijne hoop bedrogen was, deed ik een nieuw verzoek aan den Vorst, waar in ik, mijne verrigtingen zeer hoog verheffende, de schuldige vergelding voor mijne verdiensten afsmeekte. De Vorst, gelijk hij opregt en goeddoende was, wierdt bewogen door mijne smeekingen, en zeide mij op eene gunstige wijze, dat hij zorg voor mij zoude dragen: hij hieldt ook zijn woord wel; dog die geheele gunstbewijzing kwam uit op eene vermeerdering mijner jaarwedde. Ik had, om de waarheid te zeggen, eene gantsch andere belooninge voor mijne verrigtingen verwagt. Waarom ik met die gunst geen genoegen konde neemen. Dog vermits ik den Vorst met geduurige verzoeken het hoofd niet kon breken, gaf ik aan den Groot-cancelier het verdriet, dat mij op 't harte lag, te kennen. Die verstandige man nam mijne klagten op met zijne gewoonlijke beleeftheid, belovende mij te zullen behulpzaam zijn, vermanende mij egter te gelijk, dat ik zoude afstaan van zulken ongerijmden eisch, en mij bevelende mijne eigene kragten te kennen, en op de geringheid van mijn oordeel agt te slaan. "De Natuur, zeide hij, is u eene stiefmoeder geweest, en gij hebt geen begaaftheden, waar door u de weg tot Staatsbedieningen van belang geopent moge worden. Gij moet niet naloopen 't geen gij nooit bekomen kunt, of, den aart van andere willende navolgen, uwen eigenen vergeten. Wijders zeide hij, indien gij, 't geen gij dwaaslijk eischt, al eens mogt bekomen, zoo zoude 'er de Vorst om gelastert, en de Wetten door verkragt worden. Zijt dan te vreden met uw Lot, en werpt de hoop van u, daar uwe Natuur tegen strijdt." Hij erkende wel mijne verdiensten en prees mijne verrigtingen, die ik in de laatste reize gedaan had; dog hij zeide, dat ze niet zodanig waren, dat ze mij den weg konden baanen tot bedieningen van Staat; want zoo om iedere verrigtinge, om elke verdienste, men zoude moeten worden bevordert tot de hoogde eerampten, zoo zoude een ieder werkman, een Schilder of Beeldhouwer om zijne snedigheid in een stuk Schilderij te maken, of Beeld uit te houwen, eens Raadsheers bedieninge, als eenen prijs en belooninge hem toekomende, vorderen kunnen; dat de verdiensten wel konden beloont worden, dog dat welgepaste belooningen moesten gegeven worden aan de gene die ze verdient hadden, op dat het Gemeenebest geen schade leede, of aan bespottinge wierde bloot gestelt. Door deeze vermaningen overtuigt zijnde, hield ik mij wederom eenigen tijd stil. Dog vermits het mij al te hard en bitter voorkwam, in zulk gering beroep oud en grijs te worden, hernam ik dat wanhopig voornemen, waarvan ik al had afgezien: namentlijk ik lei mij toe om eenige verbetering in den burgerstaat te maken, op dat ik, door eene nieuwe uitvindinge, dienst aan 't Gemeen, en mij zelf voordeel zoude toebrengen.
Even voor mijne laatste reize, had ik mijne gedagten naauwkeurig laten gaan over den Staat deezes Vorstendoms, om te zien of ik eenige gebreken, die daar wel 't meest in zwang gingen, konde ontdekken, en teffens de hulpmiddelen daar tegen uitvinden. Uit den Staat der Provincie _Cocleku_, was ik ontwaar geworden, dat een Staat naar zijnen ondergang helde, wanneer aldaar vrouwen tot Staatsbedieningen wierden toegelaten: aangezien dezelve, uit den aart heerschzugtig zijnde, haare magt en gezag onbepaalt trachten te maken, en nooit rusten, alvorens zij een volstrekte en onbepaalde magt verkregen hebben. Hierom besloot ik voor te stellen, dat 'er eene Wet gemaakt mogte worden, om de wijven uit te sluiten van alle bedieningen van Staat, hopende dat ik 'er niet weinige zoude krijgen, die mij zouden toevallen, vermits ik de zaak klaar aantoonen, en in hoe grooten gevaar het man-volk konde worden ingewikkelt, ten ware de magt van het vrouw-volk bij tijds ontzenuwt wierde, mij niet zwaar zoude vallen iedereen voor oogen te stellen. En bijaldien eene geheele afschaffing deezer gewoonte aan eenige, wat te hachelijk mogte voorkomen, stond ik te beweeren, dat de magt der wijven ten minsten beteugelt, en meer bepaalt moest worden. Het aanraden deezer Wet hadt driederlei oogmerken, 1. Ik zoude 'er door schijnen te willen genezen een gebrek, waar aan 't Gemeenebest onderhevig was. 2. Door eene edelmoedige en verstandige uitvindinge een proefstuk van mijn oordeel en vernuft gevende, stond ik mijnen staat wat te verbeteren. 3. Ik zoude mij wreken over 't ongelijk, dat mij van de vrouwen was aangedaan, en den smaad, mij menigmaalen door dezelve aangewreven, uitwisschen; want ik wil gaarne bekennen, dat eige voordeel of wraaklust de voornaamste beweegredenen van deeze raadgevinge waren. Ik wist egter mijn voornemen fijntjes te ontveinzen, op dat ik, onder den dekmantel van 't algemeen nut, niet moge schijnen alleen mijn eigen voordeel te bevorderen, en andere uitvinders op het spoor te volgen, wier raadgevingen dikwils breed opgeven van het algemeen nut, schoon het, wanneer dezelve met een naauwkeurig oog beschouwd worden, terstond blijkt, dat eige voordeel de voornaamste beweegreden is, die hen daar toe aanzet.
Die raadgevingen dan, zoo fraai als ik kon opgestelt, en met de doordringende redenen bekragtigt hebbende, bood ik op het nederigste den Vorst aan. Hij, mij altijd eene bijzondere gunste hebbende toegedragen, stondt verbaast over zulk een stout en roekeloos voornemen, voorspellende daar uit mijnen ondergang en verderf; waarom hij mij door bidden en smeeken van die poogingen trachtte te doen afzien, voegende, op eene Vorstelijke wijze, dreigementen bij zijne gebeden. Dog ik, steunende niet minder op de nuttigheid mijner uitvindinge, dan op de gunst van het geheele man-geslagt, welk ik vertrouwde de hand te zullen houden aan eene zaak die hen alle aanging; bleef onwankelbaar bij mijn voornemen: invoegen mijne hardnekkigheid door geen vermaningen kon bewogen worden. Om deeze reden dan wierd ik, volgens gebruik, met den strop om den hals naar de markt gebragt, om aldaar het besluit van den Raad af te wagten. De Raad vergadert en de stemmen opgenomen zijnde, wierdt het vonnis aan den Vorst gezonden, om dat te bekragtigen, en, van denzelven te rug gezonden zijnde, door den uitroeper, met de volgende woorden afgekondigt.
"Na rijpe overweginge oordeelen wij dat de wet door D. Scabba, voormaamsten Postlooper van 't Hof, voorgestelt, ten einde om de Vrouwen van alle Staatsbedieningen uit te sluiten, niet door den beugel kan, ten zij met het uiterste nadeel des Gemeenenbests, nademaal de helft der Natie, uit de vrouwelijke Sexe bestaande, deeze inbreuk zeer hoog zoude opnemen, en ten dien opzigte den Staat lastig vallen en vijandig zoude worden. Wijders meenen wij, dat het de onbillijkheid zelve is, de braave Vrouwenboomen van de eerampten, welke zij zig waardig maken, geheel en al uit te sluiten: vooral, vermits het zeker is, dat dezelve door de Natuur, die niets roekeloos doet, niet tevergeefsch met zoo veele uitnemende gemoeds-gaven versiert zijn. Ook gelooven wij dat de welvaart van den Staat vereischt, dat men in 't bevorderen tot eerampten meer agt slaâ op de verstanden zelve, dan op den naam. En aangezien het Land meenigmaalen gebrek heeft aan kloekmoedige boomen, vinden wij dat het dwaasheid zoude zijn, door een eenig Placcaat of Raadsbesluit, de gantsche helft des Gemeenenbests, enkel en alleen om 't lot der geboorte, tot de bedieningen onbekwaam en onwaardig te verklaren. Al waaromme wij, de zaak ernstig en rijpelijk overwogen hebbende, den voornoemden Scabba, om zijne dwaaze en roekelooze raadgevingen, oordeelen strafbaar te zijn, naar ouder gewoonte."
Boven mate trof dit geval den Vorst; dog mits hij nooit gewoon was een Raadsbesluit te niet te doen, onderteekende hij het vonnis met eigen hand; bekragtigde het met zijn gewoon zegel, en gaf bevel dat af te kondigen; alleenlijk daarbij voegende deeze bepaling: dat aangezien ik een vreemdeling was, gebooren in eene nieuwe en onbekende Waereld, alwaar een vlug verstand onder de zielsbegaaftheden gerekent wordt, ik uit dien hoofde de halsstraffe konde ontgaan. Dog op dat door kwijtscheldinge van straffe, de wetten niet kragteloos mogten worden gemaakt, zoude men mij in 't gevangenhuis bewaren, tot het ingaan der Berkenboommaand, en als dan, te gelijk met alle andere overtreders der wetten, naar 't Firmament verzenden.
Het vonnis afgekondigt zijnde, wierd ik in hegtenisse gebragt. Eenige mijner goede vrienden raadden mij toen aan, dat ik tegen dit vonnis zoude protesteeren, nademaal 'er onder mijne Regters zoo veele getrouwde Vrouwen en jonge Dogters waren geweest, die in haare eigene zaak Regters geweest waren. Dog anderen kwam het veiliger vóór, dat ik schuld bekende, en dat ik de daad, als begaan uit eene dwaasheid die aangeboren en met mijn Geslagt gemeen was, verontschuldigde. Dog dien raad wees ik standvastig van de hand: en zulks ten aanzien van de Opper-aardlingen, welker agtinge door zodanige bekentenisse geen geringe vlek zoude worden aangewreven.