De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 11
Dit Gewest al mede doorreisd hebbende, stak ik eene zee--engte, welkers kleur zwart was, met eene boot over, en kwam in het Land van _Askarak_. Hier deeden zig nieuwe wanschepzels aan mijn gezigt op: want gelijk het land _Cabak_ schepzelen zonder hoofd uitlevert, zoo komen ook eenige inwoonders deezes Gewests met zeven hoofden voor den dag. Deeze zijn bij uitnemenheid in allerlei wetenschappen ervaren, en wierden eertijds door de andere burgers, om zulke groote natuurgaven bijna met Goddelijke eere geëert, dermate dat uit hunne bende alleen de Veld-Oversten, de Burgemeesters, de Raadsheeren en de Regters gekoren wierden. Dog vermits dezelve, zoo veele hoofden zij hadden, ook van zoo veele verscheide inborsten waren, namen zij wel wakker en kloekmoedig verscheide bedieningen te gelijk waar, en lieten, zoo lang zij de teugels der regeering in handen hadden, niets onbezogt; maar om dat zij zoo veele zaaken te, gelijk bij de hand hadden, en om die zoo verschillende, en in een eenigen ingezeten zoo strijdige, denkbeelden, begonnen zijn alles overhoop te werpen; en daar kwam, bij vervolg van tijd, zoo groote verwarringe van zaaken, dat 'er eene geheele eeuwe noodig was, om de beroerten, welke die, alles kundig zijnde, Magistraat verwekt hadt, ten eenemaal te stillen. Daarom wierdt 'er bij eene wet vastgestelt, dat de zevenkoppige ten eeuwige dage van alle gewigtige en van alle Staatszaken zig hadden te onthouden; en dat het Gemeenebest in 't vervolg van eenvoudiger lieden, dat is van zulke die niet meer dan een eenig hoofd hadden, zoude geregeert worden. Hierom is 't, dat de gene die eertijds voor zulke bekwame mannen, en zelfs den Goden bijna gelijk, gerekent wierden, tegenwoordig bijna in denzelven staat zijn, als de hoofdelooze in 't Landschap _Cabak_. Want gelijk deeze, in 't geheel geen hoofd hebbende, niets konnen uitregten; zoo doen ook gene, om hunne veelhoofdigheid, alles verkeert; en om deeze redenen worden onze zevenhoofdige, uit alle Staats-ampten gezet zijnde, oud en grijs, zonder ergens toe in bedenken te komen. Zij dienen egter eenigermate tot een sieraad van 't Gemeenebest, aangezien zij, even als tooneelspelers, allerwege omgevoert worden om haare konsten te toonen, en te doen zien hoe mild de Natuur geweest is in hen toe te stellen; dog zoo dezelve zoo kwistig niet was geweest, en hen alleen een eenig hoofd gegeven hadt, zoude men die veel goedertierener konnen noemen. Uit het geheele geslagt der zevenhoofdige waren 'er toen ter tijd niet meer dan drie in bedieningen; dog zij waren ook daar toe niet toegelaaten dan na 't afhouwen van zes hoofden, waar door het gebeurt, dat 'er maar een hoofd overblijvende, de verwarde denkbeelden, waar aan zij onderhevig waren, verdwijnen, en zij wederom tot redelijk verstand gebragt worden, even gelijk de boomsnoeijers dikwils eenige takken afkappen, waardoor de nog overblijvende sterker en gezonder worden. Egter staan zeer weinige onder de zevenhoofdige deeze proef uit, zoo om de geweldige pijn, als om 't doodsgevaar. Dit deedt mij zien, dat al wat te veel is niet dan schade aanbrengt; en dat het regte verstand in de eenvoudigheid der harssenen en de welgeschiktheid van den geest gelegen is.
Uit dit Landschap gaat men door woeste plaatsen naar 't Vorstendom _Bostanki_, welks ingezetenen, zoo veel betreft de uiterlijke ligchaams-gestalte, weinig verschillen van de _Potuaners_; dog inwendig hebben zij dat bijzondere, dat hen 't hart geplaatst is in de regterdije, zulks zij wel te regt kunnen gezegt worden hun hart in hunne dijen te dragen. Hier van daan worden zij onder de ingezetenen dezes Aardbols voor de vreesagtige en tot den oorlog minst bekwaamde gehouden. Toen ik, gemelijk zijnde om de moeielijke reis, in eene herberg, nabij de poort der Stadt, trad, voer ik niet weinig uit tegen den langzaamen en het futzelboek zoekenden waard. Dog hij op zijne knien vallende, verzogt mij met tranen, erbarming met hem te willen hebben, biedende mij aan, zijne regterdije te betasten, waar uit ik het kloppen van zijn hart gewaar zoude konnen worden. Hierom, mijne gramschap in lachen verandert zijnde, wischte ik de traanen des smeekenden waards af; gebiedende hem goedsmoeds, te zijn. Hij, opstaande, kuschte mij de hand, en ging 't avondmaal gereedmaken. Dog niet lang daar na weergalmde de keuken van zugtingen en van een verschrikkelijk gehuil. Ik daarop toelopende zag onzen vreesagtigen waard woedende met vuist- en geesselslagen tegen zijn Wijf en Dienstmaagden. Zoo haast zag hij mij niet, of hij begaf zig terstond op den loop en koos het hazenpad. Hierom mij keerende naar de schreiende Vrouw en Dienstmaagden vraagde ik, door welke schade of misdaad zij eenen man, die zoo zagtzinnig was, zoodanig tot toorn verwekt hadden? Dog zij de oogen naar de aarde slaande, stonden langen tijd zonder spreeken, niet durvende hunne smert te kennen geven; maar toen ik voortging met haar te vragen, en bij mijn verzoek ook bedreigingen voegde, begon de Vrouw aldus te spreeken: "U schijnt niet genoeg bekend te zijn, Vreemdeling, de aart en inborst der stervelingen. De inwoonders deezes Vorstendoms, die geenen gewapenden vijand onder de oogen durven zien, en die op het minste gerugt buiten 's huis van angst plegen te beeven, speelen den dwingeland in de keukens, en woeden als wreedaards tegen hunne weerlooze huisgezinnen: vermits zij met de gewapende geenen oorlog voeren, moeten 't weerlooze zijn daar zij 't tegen hebben. Daarom is deeze Staat bloot gestelt voor de plunderingen en bespottingen van de nabuurige volkeren. Maar in een Landschap aan 't onze grenzende, en waar aan wij cijnsbaar zijn, is 't manvolk van eenen gantsch anderen aart: die worden nooit handgemeen dan met, den gewapenden vijand: buiten zijn zij baazen; maar t'huis hebben zij niets te zeggen". Ik stond verwondert over 't verstand van die Vrouw, welke ik oordeelde een beter lot waardig te zijn. En na dat ik de reden en inborst der menschen een weinig nader beschouwd had, vond ik, dat die vrouw de waarheid gesproken hadt, nademaal 't uit zeer veele voorbeelden blijkt, dat het Hercules niet alleen is, die voor de tabbert zijner huisvrouw heeft moeten zwigten; maar dat het gemeenlijk het lot der braafste mannen is dat zij hunne halsen gewilliglijk moeten onderwerpen aan 't jok hunner wijven, daar integendeel de allervreesagtigste, en die met de ingezetenen van _Bostanki_ het hart in de dije geplaatst hebben, helden in de keukens zijn. Dit volk leeft in gestadige afhankelijkheid en onder de bescherming van een nabuurig volk, waar aan zij cijnsbaar zijn.
Uit dit Land vertrekkende, stapte ik in eene andere boot, die mij overbragt in 't Land _Mikolac_; en terwijl ik in de boot zat, wierdt mij mijn mantel ontfutzelt. Na lang twistens met den Veerman, die den diefstal hardnekkig loogchende, nam ik mijnen toevlugt tot den Regter van de plaats, te kennen gevende, dat de Veerman ten minsten gehouden was tot de enkele wedergeving des gestolen goeds, uit hoofde van misdaad door wetduiding, zoo 't mij al mogt geweigert worden hem over bewaargeving of diefstal te dagvaarden. Dog hij bleef 't niet alleen hardnekkig ontkennen, maar deedt mij nog daar en boven een Proces van _injurie_ aan. In eene zoo twijffelagtige zaak eischte de Raad getuigen; dog, wijl ik die niet konde voortbrengen, stelde ik mijnen tegendinger voor, zig onder eede daar van te zuiveren. Op dat woord van eed begon de Regter te grimlachen, zeggende: "Gij moet weeten, Vreemdeling, dat wij hier door geenen Godsdienst altoos verbonden zijn: wij hebben geen andere Goden dan de Vaderlandsche Wetten. Derhalven moeten zodanige bewijzen volgens de Wetten gedaan worden; 't zij door eene rekeninge der uitgeschoten kosten, wissels-aanneeming, overlegging van een handschrift, onderteekend extract uit een schuldboek, of tusschenkomst van getuigen. Al wie van zoodanige bewijzen niet voorzien is, moet niet alleen zijn proces verliezen, maar daar en boven verwezen worden in de boete over valsche betigting. Bewijst de zaak door getuigen, en men zal u het goed, in bewaring gegeven, ter hand doen stellen". Aldus door gebrek van getuigen mijn proces verliezende, beklaagde ik niet zoo zeer mijn eigen dan wel deezes Gemeenenbests ongeluk: aangezien hier uit bleek, hoe zwak en onvermogende zoodanig een Burgerstaat is, wanneer dezelve alleenlijk gegrondvest is op menschelijke Wetten; en van hoe korten duur zodanige Staatsgebouwen zijn, ten zij dezelve met den Godsdienst betrast zijn. Hier hield ik mij drie dagen op, leevende, geduurende al dien tijd, in gestadige vrees: want hoe heilzame Wetten ook een Staat moge hebben, en hoe zwaar ook de misdaden aldaar gestraft mogen worden; kan men egter geen zekerheid altoos wagten onder een volk dat zonder God leeft, en ontslagen is van alle banden van Godsdienst: vermits 'er geen schelmstuk zoo groot is, 't geen zij niet zullen uitvoeren, kan 't anders bedekt blijven.
Vertrekkende dan uit dit Land der Ongodisten kwam ik, een steil gebergte overgetrokken zijnde, in de Stad _Bracmat_, gelegen in eene vlakte aan den voet van eenen berg. De inwoonders aldaar zijn Jeneverboomen. De eerste dien ik ontmoette, viel met zijn geheele ligchaam boven op mij, en smeet mij tegen den grond; en toen ik naar de redenen van die welkomst vraagde, verontschuldigde hij zig geheel fijntjes. Dog straks daar aan kwam een ander en lag mij eenen paal, dien hij in zijne regterhand hadt, zoodanig over de lendenen, dat hij mij bijna ontheupt hadt. Dees verzogt mede dat ik zijne onvoorzigtigheid tog niet kwalijk wilde duiden, en badt om vergiffenis met eenen langen sleep van woorden. Ik beeldde mij in, dat het volk aldaar scheel zag, en vermijdde zorgvuldiglijk de voorbijgangers te ontmoeten. Dog dat gebrek spruit uit het al te scherpe gezigt van sommige, waardoor het geschiedt, dat zij de afgelegen voorwerpen, die andere niet eens zien, zeer klaar onderkennen, en dat zij integendeel zaken die digt bij, en hen als voor den neus staan, door hun al te scherp gezigt geheel niet zien kunnen. Deeze worden door de bank _Makatti_ geheeten, zig meerendeels toeleggende op de hoogdravende Studiën, en op de Sterrekunde: want in aardsche zaken hebben zij, om hunne al te scherpziende oogen, bijna geen gezigt altoos; aangezien zij alle kleinigheden met de uiterste naauwkeurigheid waarneemende, in 't zakelijke blind zijn. Egter zijn zij den Staat van nut in het onderzoeken der Bergwerken; want de oppervlakte der aarde niet zien kunnende, dringen zij met hun gezigt door tot het geene onder derzelver korst verborgen is. Dit leerde mij dat 'er lieden gevonden worden, die door hun al te scherp gezigt blind zijnde, meer zouden zien, zoo zij min scherp zagen.
Na eenen steilen berg, en die zeer moeilijk te beklimmen was, overgetrokken te hebben, kwam ik in het Landschap _Mutak_, welkers hoofdstad zig als een Wilgen-bosch vertoont, vermits 'er de inwoonders Wilgen-boomen zijn. Op de markt komende, zag ik aldaar een sterk jongeling, zittende op eenen Patrocliaanschen-stoel, en smeekende den Raad om ontferminge. Vragende wat 'er te doen was wierdt mij gezegt, dat hij een booswigt was welken men heden voor de vijfde maal geneesmiddelen stondt in te geven. Verwondert zijnde over dit antwoord, stapte ik wat te rug, om mijnen huiswaard uitlegging van dit raadzel te vragen; welke aldus begon: "Geesselen, brandmerken, hangen en diergelijke straffen, zeide hij, waar door onze nabuuren de misdaden beteugelen, zijn bij ons te eenemaal onbekend; mits wij meer toeleggen op 't verbeteren der booswigten, dan op 't straffen der misdaden. De misdadige welken gij daar zoo even hebt zien zitten op den Stads stoel, is een Schrijver van gekke boeken, die om zijnen schrijflust, welken de Raad nog door wetten, nog door vermaningen in hem heeft kunnen beteugelen; thans de openbaare straffe of het inneemen van genees middelen daar tegen heeft moeten ondergaan; en de Stadsonderzoekers, die alle Geneesheeren zijn, gaan voort met hem door gestadige purgatiën af te matten, tot dat, de wortel der schrijflust in hem verdorven zijnde, hij, ophoudt met boeken uit te geven". Naauwlijks had hij dit gezegt, of ik wierd in den Stads-apotheek gebragt, alwaar ik met de uiterste verbaasdheid de doozen netjes geschikt en met deeze opschriften beplakt zag: POEDER TEGEN DE GIERIGHEID. PILLEN TEGEN DE WELLUST. TINCTUUR of INFUSIE, dienende om de EERZUGT te temperen. SCHILLETJES tegen de GEILHEID, enz. Ik kan 't niet uitdrukken wat draaijingen in mijn hoofd verwekt wierden door deeze kneepen. Dog ik viel bijna in verrukking van zinnen, wanneer, ik geheele bondels van geschriften zag met deeze tytels: GESPREK VAN MEESTER PISAG, 'T WELK 'S MORGENS GELEZEN WORDENDE, ZES AFGANGEN OF BUIKZUIVERINGEN VERWEKT. BEDENKINGEN VAN DEN GENEESHEER JUKES, WELKE BY DE GEENE DIE NIET SLAPEN KUNNEN, OVERDAGT MOETEN WORDEN. Hier uit bespeurde ik, dat dit een zeer vreemd slag van volk was, en, om de kragt deezer geneesmiddelen wat naauwer te onderzoeken, sloeg ik het eerste boek open. Dog 't was zoo gekkelijk geschreven, dat ik onder 't leezen van 't eerste hoofdstuk al begon te geeuwen, en toen ik voortvoer met leezen, mijne ingewanden begonnen te rommelen, en ik terstond buikpijn gevoelde. Waarop ik, frisch en gezond zijnde, en geen purgatie noodig hebbende, het boek neerlei en mij weg pakte. Dog dit deedt mij zien, dat niets in de waereld te eenemaal onnut is, en dat men zelfs van de allergekste boeken eenig gebruik kan maaken. Wijders bespeurde ik, dat, hoe vreemd dit volk ook wezen mogt, het egter niet te eenemmal zot was. Mijn huiswaard betuigde, dat hij, eenen langen tijd niet hebbende kunnen slapen, alleenlijk door 't lezen van Doctor _Jukes_ boek gezond was geworden; en dat 'er zoo veel in dat boek stak, dat het de waakzaamheid zelve deedt ronken. Deeze en diergelijke dingen hoorende, wierd ik wonderlijk van mijne gedagten geslingert. Dog om niet te eenemaal van mijne oude Wijsgeerte af te geraken, verliet ik schielijk dit Land; 't geen mij zeker zeer wel te pas kwam: want nieuwe zeldzaamheden onder andere Volkeren, en de verschijnzelen die mij allerwegen ontmoetten, lieten mij niet toe langer bij deeze gedagten te blijven. Maar toen ik mijne reize door deeze Planeet voltrokken had, en de _Mutaciaanschere_ Philosophie wat naauwkeuriger onderzogt; oordeelde ik, dat de Geneeskunst deezes volks niet geheel en al te verwerpen was: want ik dikwils in ons Europa ondervonden heb, dat 'er boeken zijn, die de Leezers doen braken, of slapen. Dog wat aangaat de zielsgebreken, kan ik aan de grondbeginzelen van die van _Mutak_ geenszins mijn zegel hangen, hoe zeer ik bekennen moet, dat 'er eenige ligchaams-zwakheden zijn, welke wij met de zielsgebreken verwarren, gelijk zeker Digter van onze waereld, met dit volgende vers voorzigtiglijk waarschuuwt.
_Gij hebt, ô Sextus! lang nu met mij, ziek gelegen_ _In 't zelve Gasthuis. 't Heugt mij dat wij beide kregen_ _De scherpe vogten, die ons pijn'gen lijf en ziel;_ _En waar van, voor als nog, aan ons geen helpen viel._ _Dog wijl mijn' kwaal bestaat, (ik moet het u eens klagen,)_ _In eene ziekte die mij is om 't hart geslagen,_ _En daar halstarrig blijft; word ik van elk gelaakt_ _Voor knorpot, grommer en kwaadaarden uitgemaakt;_ _Daar gij beklaagd, beschreid wordt van uw goede vrinden,_ _Om dat kwanswijs de kwaal zig in uw voet laat vinden_. _Als gij niet danssen wilt, hoe zeer daar toe verzogt,_ _Ontschuldigt m'u van zelfs: ach! vergt hem dat niet, 't mogt_ _Hem schaad'lijk zijn, en pijn verwekken, is het zeggen._ _De man wil graag; maar kan bijna geen voet verleggen,_ _Laat staan verzetten. Is 't nog onlangs niet geschied,_ _Dat hij een' Passepied zou danssen? maar hij liet_ _Dat werk haast steeken: zoo zit 't Pootje hem in de beenen!_ _Maar mij rampzalige, (wat of zij daar mee meenen?)_ _Schoon dat ik kerm van pijn, beklaagt bijna geen mensch:_ _Mijn ziekte is niet geagt; en, ging het naar hunn' wensch,_ _'k Zou op een gastmaal nog een deuntje moeten neuren,_ _Al moest mijn krank gestel dat met den dood betreuren._ _'t Is: zing eens; wil ik niet, straks gaat het schelden aan._ _Ik ben een buffel, die met niemant om kan gaan._ _En zulks, ô Sextus! daar een halven dag te springen_ _U nooit zoo moeilijk viel, als mij een uur te zingen._
Dat Land verlatende, en een stilstaand water, welks kleur ros was, overgevaren zijnde, kwam ik in 't Landschap _Mikrok_. Dog toen ik stond om de stad, die denzelven naam voert, binnen te treden, vond ik de poort voor mijnen neus gesloten. Dierhalve moest ik eene wijle wagten, tot dat ze, wel gegrendelt en gesloten zijnde, van den slaperigen Poortier geopend wierdt. 't Was alles binnen de stad in eene diepe rust, behalven alleen dat 't geronk der slapenden mij de ooren doof maakte; invoegen ik als in de waare verblijfplaats des slaaps, zodanig als dezelve door de Poëten versierd wordt, scheen overgebragt te zijn. Dit deedt mij stillekens zeggen: Ach! mogt het eenige Burgermeesters, Raadsheeren en andere eerlijke burgers in mijn Vaderland gebeurd zijn, dat ze hier geboren waren, die, vermits zij zeer vredelievende menschen zijn, in deeze gelukkige stad, in rust en vrede hun leven zouden doorbrengen. Uit de uithangborden en opschriften aan de huizen, bleek het egter, dat aldaar konsten en handwerken, mitsgaders Regtsplegingen in zwang gingen. Door deeze opschriften ontdekte ik eene herberge, alwaar' ik egter geenen ingang kon vinden, nademaal de deuren gesloten en gegrendelt waren: want schoon het al over den middag was, zoo was 't egter nagt bij de inwoonders. Eindelijk, na dat ik door gestadig kloppen niet weinig op de deur gebonst had, wierd ik binnen gelaten. De dag wordt hier in drie-en-twintig uuren verdeeld, waarvan 'er eerst negentien voor den slaap geschikt zijn, en de overige met waken doorgebragt worden. Hierom denkende, dat hier zoo wel de Lands- als bijzondere zaken wonderlijk verzuimt wierden, deed ik mij van 't geen voor de hand was, ras wat te eeten geven, vermits ik dugtte dat de nagt onzen kok in 't gereed maken der spijs mogte overvallen. Dog wijl alles hier bij verkorting geschiedt, en al wat overtollig is nagelaten wordt, is een _Mikrokiaansch_ dagje lang genoeg, om te doen dat gedaan dient te worden. Na 't middagmaal, 't geen mij rasser dan ik verwagt had, wierdt opgedischt, wierd ik van mijnen huiswaard door de stad gebragt. Wij kwamen in eenen Tempel, alwaar eene leerrede wierdt gedaan, die wel kort was te rekenen naar den tijd; dog lang genoeg als men op 't zakelijke zag. Want de Leeraar kwam terstond tot de zaak, zonder omwegen te gebruiken, zonder ééne zaak tweemaal te zeggen, of zonder daar iets bij te hangen, dat 'er niet te passe kwam, zoo dat, wanneer ik deeze Onderaardsche leerrede zoude willen vergelijken met de langdradige sermoenen van Meester _Petri_, die mij zoo dikwijls hebben doen walgen, dezelve mij wel tweemaal zoo zakelijk voorkwam. Met dezelve beknoptheid worden de Regts-zaken behandelt. De Advocaten zeggen veele zaken met weinig woorden, en brengen terstond hunne getuigen voor, om gehoord te worden. Mij heugt aldaar gezien te hebben een Verbondstractaat, korts te voren met een nabuurig volk gesloten, bestaande in deeze woorden, _Daar zal eens eeuwige vriendschap zijn tusschen het volk van Mikrok en die van Spenlik. De Vloed Klimak met het gebergte Zaber zullen de grensscheidingen der beide Rijken zijn. Was geteekent,_, enz. enz. Dus was aldaar in drie regels vervat, 't geen bij ons geheele boeken vereischt. Hier uit blijkt, dat men met minder omslag, en in veel korter tijd, eene zaak kan afdoen, als men 't overtollige van de hand wijst, even gelijk den reizigers de wegen veel korter zouden vallen, zoo zij regt uit regt aan gaan konden. De inwoonders deezer Stad zijn alle Cypressenboomen, door verheven voorhoofden van de andere boomen onderscheiden. Dog die verhevenheid der voorhoofden zwelt en slinkt naar mate van haaren bepaalden aanwas of afgang. En wanneer de voorhoofden beginnen te zwelen, geeft de toevloeijende zinking, vermits de vogten van 't gezwel des voorhoofds tot op de oogen vallen, te kennen, dat de nagt aanstaande is.
Omtrent eenen dag reizens van dit Land, is gelegen het Gewest _Makrok_ anders gezegt der wakers: want mitsdien 'er de inwoonders nooit slapen, brengen zij hunnen leeftijd dóór in een gestadig waken. Zoo als ik de Stad inkwam, sprak ik eenen jongeling, die grooten haast maakte, aan; verzoekende hem zeer vriendelijk, dat hij van de goedheid wilde wezen, van mij eene goede herberg aan te wijzen; dog hij, zeggende veele bezigheden te hebben, vervolgde met dezelfde drift zijnen weg: En zoo groot was de haast, dien ieder een daar maakte, dat zij door de wijken en straaten der Stad niet scheenen te wandelen, maar te loopen, of, om beter te zeggen, te vliegen; even als of zij vreesden te laat te zullen komen. Hierom dagt ik dat 'er brand in de Stad of dat de Burgerij door 't een of 't ander onverwagt toeval verschrikt was, en dwaalde lang alleen, tot dat ik aan eene herberg kwam, welke ik gewaar wierd aan het uithangbord dat boven de deur hing. Hier zag ik deeze uitgaan, gene naar boven klimmen, andere, door al te grooten haast te maken, struikelen; invoegen ik bijna een kwartier-uurs in 't voorhuis moest blijven staan, eer ik binnen gelaten wierd. Terstond wierden mij oneindige en onnutte vragen voorgestelt. Dees vraagde mij waar ik van daan was, waar mijne reize naar toe lag, en hoe lang ik in die Stad stond te verblijven; gene of ik alleen, of aan de gemeene tafel wilde eeten; of ik in de roode, groene, witte of zwarte kamer mijn verblijf houden, en of ik een vertrek op de bovenste of onderste verdieping hebben wilde, en honderden van diergelijke grollen. Mijn huiswaard, die te gelijk Clerq van eene zekere laage Regtbank was, eerst zijnde gaan eeten, kwam straks daar na weerom, en verhaalde mij met eenen langen sleep van woorden, een Proces, dat tien jaren geduurt, en thans al voor de veertiende Regtbank hing: zeggende, dat hij hoopte, dat het zelve binnen twee jaren tijds zoude worden uitgesproken, vermits 'er nog maar twee hooger Regtbanken waren, waar na 'er geen hooger beroep meer plaats hadt. Niet weinig maakte mij zijn zeggen verwondert, en daar uit bleek het, dat dit volk zeer naarstig bezig is, in niets met allen uit teregten. Terwijl mijn huiswaard afwezig was, ontdekte ik, 't huis overal eens doorsnuffelende, een soort van eene Bibliotheek, die redelijk groot en wel voorzien was, ten aanzien van 't getal der boeken; dog geheel schraal, zoo men naar derzelver waarde te werk ging. Onder die zelve boeken, die alle net gebonden waren, vond ik deeze volgende.
1. Beschrijving der Hoofdkerk, in 24 deden. 2. Belegering des Kasteels Pehunc, in 36 deelen. 3. Van het gebruik des Kruids Slac, in 13 deelen. 4. Lijkredenen over 't afsterven des Raadsheers Jackfi, in 12 deelen.
Mijn huiswaard wederom gekomen zijnde, deedt mij een verhaal van de gelegenheid der Stad, waar uit ik kon afnemen, dat 'er meer zaken verrigt worden, door de slapende _Mikrokianen_, dan door de altijd wakende _Makrokianen_; aangezien de eerstgemelde tot in het pit en kern der zaken indringen, daar de laatste zig alleenlijk de schors en bast in de hand laten stoppen. De inwoonders deezes Landschaps zijn mede Cypressen-boomen, en in 't uiterlijk gelaat, uitgenomen de verhevenheid der voorhoofden, weinig van de _Mikrokianen_ verschillende. Zij hebben egter geen bloed nog sappen, gelijk als de andere bezielde boomen deezes Aardbols. Dog in plaats van bloed vloeit door hunne aderen een soort van verdikter vogt, dat den aart van kwikzilver heeft. Zelfs meenen eenige, dat het regt en onvervalscht kwikzilver is, nademaal het in de Weêrglazen het zelve gewrogt veroorzaakt.