De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 10
_Dit niet tegenstaande zijt gij onder de handen van fatsoenlijke lieden, die niets ter kwaader trouw, zullen ondernemen maar enkel en alleen, uit liefde om de Ontleedkunde op te helderen, besloten hebben dat stuk werks aan u te onderstaan_. Hierop antwoordde ik, dat ik liever had van moordenaars vrijgelaten, dan van fatsoenlijke lieden aan stukken te worden gesneden, en ter stond voor haar op mijne knieën vallende, niet zonder overvloedige traanen te storten, bad ik haar vóór mij ten besten te willen spreeken. Haar antwoord was: _weinig zal u mijn ten besten spreeken helpen tegen 't besluit der Faculteit, 't geen onwederroepelijk pleeg te zijn; dog ik zal door een ander middel trachten u den dood te ontrukken_. Dit zeggende nam zij mij bij de hand, en leidende mij, die beefde als een juffers hondtje, door eene agter-deur, vergezelschapte zij mij tot aan de poort der Stad. Daar trachtte ik van mijne behoudster afscheid zullende nemen, met de welspreekendste taal die ik ooit geleerd had, mijn dankbaar hart, zoo als 't behoorde, te betuigen; dog zij viel mij al in den beginne in mijne woorden, betuigende dat zij niet zoude weggaan, alvorens zij mij in alle veiligheid zag, en voer voort mij op zijde te blijven, hoe zeer ik mij daar tegen stelde. Terwijl wij t'zamen voortgingen hadden wij verscheide discoursen over den staat van dat gewest, en ik luisterde met opene ooren toe. Dog eindelijk viel zij op te verhaal, dat mij weinig aangenaam was, vermits ik daar uit afnam, dat zij voor haaren bewezen dienst iets verzogt, 't geen mij zedelijker wijze onmogelijk was haar toe te staan. Want zij vertoonde mij op eene zielroerende wijze, hoe ongelukkig het lot der aanzienlijke vrouwen in dat gewest was, nademaal deeze Philosophische Schoolmeesters, verzopen leggende in de studien, geheel en al de huwelijks pligten verzuimden. "Ik kan, _zeide_ zij, onder eede betuigen, dat wij 'er om koud waren, zoo niet dees en gene eerlijke en mededogende vreemdeling onze ellenden verzagtte, en aan de kwalen, waar aan wij jammerlijk gaan kwijnen, somtijds de hand tot genezinge sloeg". Ik hield mij als gek, en al niet te konnen verstaan waar zij met die stigtelijke praatjes heen wilde: ja ik begon braaf aan te stappen; dog mijne koelheid deedt haaren brand des te meer ontvlammen. Waarom?
_Na zij mij langen tijd haar lijden had vertelt:_ _Is 't smeeken te vergeefs? zoo dient 'er dan geweld._ _Dus boezemdz' uit, en komt, met ongebonden vlegten_ _En opgestroopten arm, mijn' tronie straks bevegten._
Daar benevens verweet zij mij mijne ondankbaarheid. Dog vermits ik egter niet naliet mijnen weg te vervorderen, vatte zij de slip van mijnen rok, en trachtte mij, die 'er tegen worstelde, staande te houden. Ik toen 't geweld te baat nemende, maakte Mevrouw uit de handen te komen, en wijl ik gaauwer ter been was, was ik in 't kort uit haar gezigt. Hoedanig zij toen in razernij op mij ontsteken wierd, kon ik uit de woorden _kaki spolaki,_ dat is, _gij ondankbaare hond_, welke zij mij gestadig naschreeuwde, gemakkelijk afnemen. Maar haare scheldwoorden met eene Spartaansche edelmoedigheid opkroppende, was ik blijde, dat ik uit dit land der Wijzen, waar aan ik niet zonder schrik kan denken, genoegzaam heels huids ontkomen was.
Het naast-aangrenzende gewest is de Provincie _Nakir_, hebbende eene Stad of overgroot Dorp dat eveneens genoemt wordt, en waar van ik niet veel zeggen kan, vermits ik met zoo grooten haast als mij mogelijk was, alle Landschappen, grenzende aan dat der Philosophen, voorbij liep, haastende mij naar zulke volkeren die weinig werks maakten van de Philosophie en vooral van de ontleedkunde. Want zoodanig zat 'er mij de schrik van in de leden, dat ik al wie mij maar op den weg ommoette, vraagde, of hij een Philosooph was; ook waarden mij die lijken en Anatomische instrumenten nog langen tijd in de gedagten. De inwoonders van het Dorp _Nakir_ scheenen mij zeer gespraakzaam: want alle die mij tegen kwamen, boden mij hunnen dienst, hoezeer ongevraagd, aan, met eene breede betuiginge van haare eerlijkheid. Om de waarheid te zeggen, ik vond die betuigingen gantsch belachelijk, wijl ik hen geen teeken altoos van kwaad vermoeden had laten blijken, of iemants opregtheid ooit of ooit in twijfel had getrokken. Dog toen ik aan eenige had te kennen gegeven dat ik niet konde begrijpen, waar toe zij alle die zelve betuigingen, met bijgevoegden eede, zoo dikwils herhaalden; ontmoette ik, zoo als ik het Dorp uitgetreden was; eenen reiziger, langzaam voortgaande en zugtende onder den last van zijn pak. Zoo haast als hij mij zag, stondt hij stil, vragende, waar ik van daan kwam; maar toen ik hem zeide, dat ik onlangs het dorp _Nakir_ was doorgegaan, wenschte hij mij geluk dat ik 'er zonder kleerscheuren uitgekomen was, vermits de inwoonders, bekent door hunne dieve-streken, de reizigers niet dan naakt en bloot pleegen te laten vertrekken. Ik gaf daar op ten antwoord, dat, zoo hunne daden met hunne woorden overeenkwamen, zij zeer opregte lieden moesten zijn, vermits ieder een, hoe zeer ongevraagd, op zijne eerlijkheid, met duure eeden, pochte. Waar op hij lachende, mij zeide; _wagt u, dat gij u niet te veel vertrouwt op de gene die zoo breed afgeven van hunne eige eerlijkheid; maar vooral op zulke, die den Duivel tot getuigen daar van nemen_. Deeze vermaning heb ik lang in mijn hart bewaart, en op de proef ondervonden dat die Onderaardling mij wel te regt gewaarschuwt hadt: waarom ik ook, wanneer een schuldenaar mij op zijne eer zweert, de onder handelinge afbreeke en 't geleende wedereische.
Aan de landpalen van dit gewest gekomen, zag ik een water, ros van kleur, aan welks oever eene roeischuit die te huur was, gereed lag om af te konnen varen, en waar mede men voor een prijsje naar het _Land der Reden_ kon oversteken. Over de vragt afgesproken hebbende, stapte ik in de schuit, en nam met het meeste genoegen der waereld de reis aan: want de Onderaardsche schepen worden door verborgen werktuigen zonder eenig toedoen des bootsvolks voortgedreven, en klieven het water met eene ongelooflijke snelheid. Aan land gezet zijnde, zag ik naar eenen kruijer, en ging onder deszelfs geleide naar de Stad _der Reden_. Onder weg zijnde, wierd ik door mijnen reisbroeder van de gelegenheid derzelve, en van den aart der inwoonders genoegzaam onderrigt: ik vernam dat alle de burgers, niemant uitgezonderd, Reden-konstenaars[2] waren, en dat deeze Stad de waare zitplaats der _Reden_ was, en daar van den naam ontleent hadt. Binnen de Stad getreden, ondervond ik waaragtig te wezen, 't geen hij mij daar van gezegt hadt: aangezien ieder burger, om de spitsvinnigheid van zijn verstand, om zijne deftigheid en gemaakte staatigheid, mij een Raadsheer scheen te zijn: waarom ik, mijne handen hemelwaards heffende, uitriep: ô drie-ja vierwerf gelukkig land, daar niet dan Catoos geboren worden. Maar toen ik de gelegenheid der Stad wat naauwkeuriger bezigtigde, wierd ik gewaar, dat veele dingen aldaar slordig behandelt wierden, en dat het Gemeenebest, door gebrek aan gekken, als ging kwijnen. Want nademaal de ingezetenen alles in de schaal der Reden opwegen, en door geene schoone beloften, glimpende redenen, of aanlokzelen zig omzetten laten; zijn de beweegredenen, waar door de gemoederen der onderdanen tot die doorlugtige, en, voor het Gemeenebest heilzame, poogingen, met gemak, en zonder kosten van 't Gemeen aangespoort worden, aldaar verre te zoeken.
De onheilen in den Staat; voortvloeiende uit dat naauwkeurig onderzoek, wierden mij, op eene hartbrekende wijze, door eenen bedienden der Finantien, aangetoont met deeze woorden: _hier verschilt de eene boom niets van den anderen, dan alleen in naam en in gestalte des lichaams. Men vindt hier geen naijver onder de Burgerij, vermits 'er geen kans is, om eenig kenteeken van onderscheid te krijgen, en niemant schijnt wijs te zijn, vermits zij 't alle zijn. 't Is waar, de gekheid is eene ondeugd; maar egter niet te wenschen, dat ze 'er in 't geheel niet gevonden worde. Dat is genoeg voor eenen Staat, dat 'er zoo veele verstandige als Staats-ampten in zijn. Dat 'er dan Regenten zijn; maar laaten 'er ook teffens zijn die geregeert worden. 't Geen de Regeerders van andere Staaten door enkele beuzelingen en speelpoppen weten te krijgen, konnen de onze niet meester worden dan door waaragtige belooningen, die doorgaans de schatkist ledig maaken. Want voor den dienst aan 't Vaderland bewezen, eisschen de Verstandige het pit; daar de gekken zig met den dop laten paaien. Zoo brengt, bij voorbeeld, het uitdeelen der eerampten en tytels, waar aan de gekken als aan zoo veel verlokkend aas hangen blijven, en tot het ondernemen der zwaarste zaken aangezet worden; weinig te weeg bij eene Burgerij die zig laat voorstaan, dat de waare agting en de regte eer niet dan alleen door deugd en innerlijke waardij verkregen kan worden; en die zig derhalven door glimpende beloften nooit bij den neus laten leiden. Wijders wordt bij u het Krijgsvolk aangezet om alle gevaren voor 't Vaderland te ondergaan, op hoop dat, na hunnen dood, hunne namen in de Jaarboeken zullen leeven; maar bij ons rekenen zij dat voor gehoorstreelingen, wijl hen de spreekwijze_, te weten: inderdaad te sterven, dog in de geschiedenissen te leeven, _'t eenemaal onbekend is; 't enkel ijdelheid agtende voor de gene die 't niet meer hooren kunnen, dat hun lof opgehaalt wordt. Ik ga voorbij zeer veele andere onheilen, welke uit een al te naauw onderzoek van zaken voortkomen, en welke genoegzaam aantoonen, dal het in eenen welgestelden Staat noodig is, dat ten minsten de helft der ingezetenen met den kop gekwelt zij: want daar door wordt in den Burgerstaat het zelve te weeg gebragt, 't geen het zuur in de maag doet, waar van wij, ziek zijnde, te weinig of te veel hebben._
Terwijl hij dit zeide hoorde ik hem niet zonder de uiterste verwondering aan; maar toen hij mij uit naam van den Raad het Burgerschap aanboodt, en mij aldaar neer te zetten een- en andermaal verzogt, wierd ik beschaamt, vermoedende dat dat verzoek voortkwam uit eene opgevatte meeninge van mijne gekheid, en dat hij mij voor 't zuur nam, 't geen een Staat, kwijnende door al te veel wijshoofden, zoo noodig heeft: en ik wierd in dat vermoeden versterkt, toen ik verstond dat de Raad besloten hadt een groot getal Burgers naar de Volkplantingen te zenden, en, om het zelve wederom vol te maken, even zoo veele gekken van de nabuurige Volkeren te ontleenen. Hierom vertrok ik gestoort uit die redeneerende Stad. Dog lang maalde mij in het hoofd die Onderaardsche zetregel, onzen Staatkundigen voor als nog onbekent, te weten: dat het in eenen welgestelden Staat noodig is, dat ten minsten de helft der ingezetenen met den kop gekwelt zij. Ik verwonderde mij, dat zulk eene heilzaame lesse aan de Philosophen van onzen Aardbol zoo lang onbekent was gebleven. Maar mogelijk is ze aan eenige bekent geweest; dog die dezelve onder de Staatkundige lessen niet hebben willen brengen, nadien de gekken bij ons het meeste brood eeten, en 'er ('t zij zonder iemant te beledigen gezegt) geen Dorp of Stad is, die aan dat heilzaame zuur gebrek heeft.
Na dat ik een weinig uitgerust had, begaf ik mij wederom op reis, doorloopende verscheide Gewesten, welke ik met stilzwijgen voorbijgaa, nademaal mij aldaar niets vreemds, of 't geen men ook elders niet vindt, ontmoette. Toen dagt ik dat 'er voortaan op de Planeet _Nazar_ niets wonderlijks meer zoude te vinden zijn; dog toen ik in 't land, _Cabak_ geheeten, mijne voeten zettede, ontdekte ik nieuwe wanschepzels, en wel zoodanige die alle geloof schijnen te boven te gaan. Onder de inwoonders deezes Landschaps zijn 'er eenige die hoofdeloos, en ook zonder hoofd geboren zijn. Zij spreeken door eenen mond; die midden op hunne borst staat: om welke reden, en uit hoofde van welk natuurlijk gebrek, zij zig ook onthouden van alle moeielijke bedieningen en daar harssenen toe vereischt worden; want zwaare zaaken konnen niet wel betrouwt worden als aan zulke daar een hoofd op staat. De bedieningen waartoe zij gebruikt worden, zijn meerendeels Ampten aan 't Hof. Hierom worden de Kamerlingen, Hofmeesters, Bewaarders der Vrouwentimmers, en de Deurwaarders meestentijds genomen uit de bende der hoofdeloozen. Daar uit worden ook gekooren de Pedellen, Kosters, en met een woord alle zulke, welker bedieningen eenigermate zonder harssenen verrigt konnen worden. Ook worden 'er wel eenige van hen, door eene bijzondere gunst der Magistraat, en om de verdiensten hunner Voorouders, in de Regeeringe genomen, 't geen zonder gevaar van het Gemenebest al kan geschieden, nademaal de ondervinding leert, dat de gantsche klem en het gezag van den Raad alleenlijk berust in weinige Raadsheeren, en dat de rest maar bijloopers zijn, en alleen nuttig om 't geen door de andere besloten is, te ondertekenen. Zoo waren in de Vroedschap der Stad, ter deezer tijd, twee hoofdelooze Leden; dog welke daarom niet te min hunne bezoldinge trokken. Want schoon ze om hun natuurlijk gebrek harssenloos zijn, zoo kunnen ze egter _ja_ zeggen, en te gelijk met de andere hunne stemmen geven; hier in gelukkiger zijnde dan hunne Amptgenoten, dat niemant die zijn proces verliest, zulks de hoofdeloozen wijt, maar alle zijne gal op de anderen komt uit te braaken. Hier uit bleek het ook, dat het menigmaal 't veiligst is zonder hoofd geboren te worden. Deeze Stad behoeft in pragt en nuttigheid voor weinige andere van dien Aardbol te wijken. Zij heeft een Hof, eene Universiteit, en pragtige Tempels.
In beide de andere Provinciën, waarin ik naderhand kwam, te weten in _Cambara_ en in _Spelek_, zijn alle de inwoonders Lindeboomen. Dog zij verschillen daar in, dat de eerstgenoemde niet boven de vier jaaren levens hebben, daar de laatste zeer oud worden: want zij bereiken gemeenlijk boven de vierhonderd jaaren. Hier van daan komt het, dat gij aldaar veele Groot-vaêrs, Oud-groot-vaêrs, Over--oud--groot-vaêrs en Bet-over-oud-groot-vaêrs ziet; dat gij 'er oude vertellingjes en verhaalen van den ouden tijd hoort; en dat gij daar komende, meenen zoudt, dat gij al voor eenige eeuwen gebooren waart. Zoo zeer ik nu 't lot der eersten beklaagde, zoo zeer agtte ik deeze gelukkig. Dog na dat ik de gelegenheid dier beide volkeren wat nader beschouwt had, zag ik, dat ik in mijn oordeel bedrogen was. Dusdanig was de Haat van de Provincie _Cambara_. Ieder inwoonder komt binnen weinige maanden na zijne geboorte tot den volkomen wasdom, zoo zijns lichaams als zijns verstands; invoegen het eerste jaar tot deszelfs vorming genoeg zoude zijn, en hem de andere niet, dan om zig ter dood te bereiden, schijnen vergunt te wezen. En vermits het aldus met de zaaken gelegen was, vertoonde dat Landschap als 't ware een soort van een waaragtig Platonisch Gemeenebest, waarin alle deugden tot volkomen rijpheid gebragt zijn. Want gelijk zij, uit hoofde van de kortheid des levens, als geduurig reisvaardig staande, dit leven niet anders aanmerken, dan als de deur, waar door zij schielijk tot het andere leven overgaan; zoo zweeft hen ook de beeldtenis van den staat des toekomenden levens meer voor oogen, dan die van het tegenwoordige; waarom 'er ook een ieder voor een waaragtig Wijsgeer kon gehouden worden, die, zig niet bekommerende met aardsche zaaken, alleenlijk trachtte naar den schat die duurzaam en onverganklijk is, bestaande in deugd, Godvrugt, en eenen goeden naam. Kortom, dit scheen het Land der Engelen, of de verblijfplaats der Heiligen, en de waare school, waar in deugd en Godvrugt 't allerbest geleerd wierden. Hier uit blijkt, hoe onbillijk de klagten der gene zijn, die klagen over de kortheid des levens; en uit dien hoofde met God als in geding komen. Want ons leven kan kort genoemt worden, om dat wij 't meerder gedeelte daar van in ledigheid en wellust doorbrengen: en het zelve zoude langduurig genoeg wezen, zoo anders de tijd beter besteed wierdt.
Maar in dat andere Gewest, alwaar de leeftijd boven vier eeuwen haalen kon, zag ik alle gebreken, die onder 't menschelijk geslagt bekent zijn, op den throon zitten. Alleenlijk hielden zij het tegenwoordige, als ware het zelve eeuwig en onvergankelijk, voor oogen. Waarom ook
_De Schaamte, Waarheid, Trouw en Eerbaarheid verstooven._ _Verraad, Geweld, Bedrog en Gierigheid staan boven._
Voorts brengt die langduurigheid des levens nog een ander doodlijk gewrogt voort. Want de gene die door 't verlies hunner goederen schade geleden hadden, of in hunne leden verminkt, of ook wel die in ongeneeslijke ziekten vervallen waren, pleegen, met eene bevende stemme, den levensloop voor lang en van te traagen voortgang te beschuldigen, en eindelijk de handen aan zig zelf te leggen, vermits zij, om de langduurigheid des levens, geen uitkomst van smerte zagen: want de kortheid des levens is voor de ellendige en moedelooze de allerkragtigste troost. Beide die Gewesten gaven mij stoffe tot verwonderinge; en ik vertrok daar niet uit, dan overstelpt met Philosophische bespiegelingen.
Ik vervolgde mijne reize langs steilten en woeste plaatsen waar langs men naar het Gewest der onnozelheid gaat, dat gemeenlijk _Spalank_ geheten wordt. Dit Landschap wierdt aldus genaamt van de eenvoudigheid en vreedzamen inborst der Ingezetenen. Alle waren zij breedbladige Eiken, en wierden voor de gelukkigste aller Stervelingen gehouden: want zij waren aan geen driften, of hartstogten onderhevig, en vervolgens bevrijd van alle gebreken.
_............Elk gezint_ _Ter deugd, uit zijnen aart regtvaardigheid bemint:_ _Ook zonder dwang van wet. Men wist van vrees, nog straffen:_ _Men hadt met halsgeregt of boeijen niet te schaffen._ _Het volk ontzag versaagt des Regters opzigt niet;_ _Maar leefde veilig, vrij van vierschaaren verdriet._ _Men hoorde geen trompet nog krommen hoorn steeken:_ _Men voerde helm nog zwaard: het volk, in alle streeken_ _Zat vreedzaam, zonder krijg......_
In dit Land gekomen, bevond ik dat alles waar was, wat mij bij gerugte daar van ter ooren gekomen was, te weten: dat de deugden door de geneigtheden der menschen, en niet door de wetten aangekweekt worden. Hier zag ik Nijd, Begeerlijkheid, Gramschap, Haat, Hoogmoed, Eerzugt, Tweedragt, en verder alle ondeugden, onder de menschen bekend, verbannen. Dog te gelijk met de ondeugden ontbraken 'er veele andere dingen, welke geagt worden Stervelingen grootelijks te versieren en de redelijke schepzelen van het onvernuftig vee te onderscheiden. Behalven de Godgeleerdheid, Natuurkunde en Sterrekunde, waren ook alle Konsten en Weetenschappen onbekent. De Regtsgeleerdheid, Staatkunde, Geschiedenissen. Zedekunde, Wiskunde, en veele andere Wetenschappen waren hen zelfs niet met den naam bekent. En nademaal de Nijd en Eerzugt onder hen niet gevonden werden, was 'er ook geen naijver die tot alle groote en voortreffelijke zaaken een spoor pleeg te zijn. Hier waren geen Paleizen nog pragtige Gebouwen, geen Raadkamers, geen Markten nog Rijkdommen: en vermits 'er geen Magistraten waren, waren 'er ook geen Processen: ja zelfs was 'er de heb-lust niet. Om niet veele woorden te gebruiken, daar waren geen ondeugden, en te gelijk waren 'er geen sieraaden, geen konsten, geen luister, en oneindige andere zaaken, die, onder den naam van deugden voorkomende, de Burgerlijke samenlevinge aangenaam, en de menschen beschaaft en geslepen maken: invoegen ik veel meer in eene warande van breedbladige Eikenboomen, dan in een Burgerstaat scheen te zijn. Hierom stond ik lang in twijfel, wat ik van dat volk maken zoude, en of deeze Natuurstaat den mensen wel wenschelijk was. Eindelijk nogtans overwegende dat het beter was een onbeschaafd dan ondeugend leven te leiden, en dat, met de onbedreevenheid in sommige wetenschappen, ook te gelijk niet gevonden wierden stroperijen, diefstallen, doodslagen, en andere euveldaden, die dikwijls ziel en lichaam beide verderven; agtte ik dezen staat gelukkig. Terwijl ik op mijn gemak en zonder zorg dit Gewest doorwandelde, stootte ik met den enkel van mijn linkerbeen, tegen eenen steen, waar door ik 'er eene zwaare wonde en groote zwelling aan kreeg. Zeker huisman dit ziende, kwam terstont toegelopen, en lag 'er een zeker kruid, dat hij met de hand geplukt hadt, op, waar door de pijn schielijk verzagtte, en de zwelling begon te slinken. Daar uit kon ik afnemen dat dit volk ervaren was in de Geneeskunde; ook bedroog mij mijne gissing niet; want overmits de Letter-oeffeningen der _Spalankers_ zoo naauw bepaalt zijn, zijn zij niet te vreden met den bast, zoo als wel onze geleerden in allerlei soort van wetenschappen[3] zijn; maar zij doorzoeken alles ten naauwsten. Toen ik mijnen Geneesheer, over zijne hulp aan mij bewezen, bedankte, zeggende, dat God het aan hem zoude vergelden; antwoordde hij mij zoo zakelijk, zoo geleerd, en zoo Godvrugtig, schoon met eenvoudige en boersche bewoording, dat ik mij verbeeldde eenen Goddelijken man of eenen Engel in de gedaante van eenen boom te zien. Hier uit bleek, hoe zeer wij ten onregte gestoort worden op de gene die belijdenis van onverschilligheid doen, welke wij, terwijl zij niets verlangen, nergens smerte over hebben, nergens over gestoort of verblijd zijn; maar alle pligten, voortkomende uit de hartstogten, besnoeit en afgelegt hebben,--gelooven oud en grijs te worden met een vadzig, uitgeleeft, en als ontzenuwt lichaam. Dog nog veel meer bleek het hoe zeer zij dwalen, die den stervelingen als eene noodzakelijkheid van ondeugden aantijgen, die de gramschap de wetsteen der dapperheid, den naijver het spoor der naarstigheid, en het wantrouwen de voedster der voorzigtigheid stellen te zijn; aangezien uit kwade eijeren niet dan kwade kuikens voortkomen, en de meeste deugden, waarop de menschen trots zijn, en die wij met lofgezangen verbreiden, eer schandvlekken dan sieraaden zijn, wanneer wij dezelve met wijsgeerige oogen beschouwen.
Uit dit Land vertrekkende, nam ik mijne reize door de Provincie _Kiliac_, alwaar de inwoonders geboren worden met zekere teekenen op het voorhoofd gedrukt, te kennen gevende 't getal der jaaren welke zij te leeven hebben. Deeze agtte ik almede gelukkig: aangezien 'er niemant in 't bedrijf der zonde onverhoeds door den dood overvallen wordt. Maar aangezien ieder een de vastgestelde sterfdag bekent was, stelden zij de bekeering uit tot op den laatsten tijd huns levens. Alwaarom ook, wanneer men onder hen een vroom en eerlijk man zag, dezelve zodanig een was, welken de tekenen te kennen gaven, dat het tijd was om den aftogt te blaazen. Ik zag 'er eenige allerwege met hangende hoofden door de Stad gaan; welke alle nabij den dood waren, tellende de dagen en oogenblikken op hunne vingers, en 't aannaderend' laatste uurtje met verschrikkinge te gemoet ziende. Dit deedt mij zien, dat de Schepper ook wijslijk daar in voorzien hadt: en ik oordeelde 't voor de schepzelen best te wezen, dat hen de uure des doods onbekent was.