Part 7
Nu vielen mij eene groote verantwoordelijkheid en ongemeen veel bezigheid ten laste; mijne vreesachtigheid maakte mij de taak veel zwaarder dan zij was; ik kon schier niet slapen van ongerustheid en bekommernis, en beging daarom juist nu en dan wel eens eenen misgreep in de uitvoering der ontvangen bevelen.
Mijn kapitein bleef nog immer bij zijn inzicht om, zooals hij zeide, een _soldaat_ van mij te maken. Bijna elk uur van den dag moest ik nu met hem in aanraking komen; hij bejegende mij telkens met ontmoedigende hardheid, strafte mij onbarmhartiglijk en vervulde mijn neergeknakt gemoed met hopeloosheid en met schrik.
Langzamerhand werd mijne inbeelding krank; mijn verstand geraakte in de war; de kapitein met zijne bliksemende oogen kreeg voor mij de vormen van een geheimzinnig wezen, van eenen boozen geest. Zijne stem deed mij sidderen; des nachts droomde ik van vervaarlijke dingen, van uitteren en van sterven, en telkens stond de vreeselijke beeltenis des kapiteins bij mijne doodsponde te lachen, als verblijdde hem het laatste oogenblik zijner uitgeputte prooi.... Ook mijn lichaam vermagerde spoedig; de wangen werden mij geel en doorschijnend, en alhoewel ik mij zelden over mijn lot beklaagde, gevoelde ik iets in mij, dat mij een vroegen dood voorspelde.
Dat mijn kapitein een boosaardig man was, mag men niet gelooven; maar wat doet het er toe? De inbeelding, wanneer zij met ziekelijke ontsteltenis is getroffen, schept spoken en ondergaat hunnen invloed, alsof zij werkelijk bestonden.--Met mij was het zoo gesteld.
Ik was tot zooverre geraakt, dat ik elk mensch voor eenen vijand en voor een zielloos en kwaadaardig wezen aanschouwde, en ik haatte in mijn binnenste de wereld en het leven, wier onschuldig slachtoffer ik mij waande te zijn.
Mijne gezellen vluchtte ik; des avonds, wanneer mij geene haastige bezigheden tot den arbeid dwongen, zat ik eenzaam in mijne kamer, met het hoofd op de handen, te mijmeren en te droomen van mijn vorig leven; alsdan somtijds tot eene ziekelijke begeestering der smart opgevoerd, sprak ik tot God, Hem zeggende, dat ik mij verduldig boog onder het gewicht van Zijnen arm, en lijdzaam het lot te gemoet zag, dat Zijn wil mij had beschikt.
Terwijl mijne kameraden zich buiten de kazerne vermaakten en den avond in vreugde doorbrachten, hield ik mij dus bezig met mijn eigen hart te verknagen en mij de gemoedskracht te ontnemen, die er noodig was om niet onder het verdriet te bezwijken....
Ik leed aan de schrikkelijke en meest altijd doodelijke kwaal, die men _landziekte_ of _heimwee_ noemt...
Het heimwee is eene zonderlinge en geheimzinnige ziekte der hersens. Zij vindt hare meeste slachtoffers onder de jonge soldaten; eenige ook onder de scholieren, die verre van het ouderlijk huis met dwang in eene kostschool worden opgevoed; of onder jonge kloosterlingen, of onder jonge gevangenen: in éen woord, onder zulke menschen, die te vroeg van de geboorteplek zijn weggerukt en nog iets van de teergevoeligheid hunner kindsheid hebben behouden.
Wanneer een soldaat de landziekte krijgen zal, bekomt zijn gelaat eene bleeke kleur van eenen eigendommelijken toon; zijne oogen worden weifelend en bewegen langzaam; het hoofd nijgt hem op de borst. Hij schijnt altijd in diepe mijmering verzonken; en, spreekt men hem hard toe, hij schiet met verrassing uit zijnen droom, als iemand die ontwaakt. Niets kan hem vermaken; zijn lach, indien hij nog bekwaam is om te veinzen, is bitter en droef als eene klacht. Hij vlucht zijne vrienden en is liefst alleen; wanneer zijne gezellen de kazerne verlaten, om uit wandelen te gaan, blijft hij in de kamer; als zij te huis zijn, verbergt hij zich in den eenen of anderen hoek der kazerne om ongezien met het hoofd op de borst in vrijheid te kunnen droomen.
Altijd mijmert hij van dezelfde dingen; zijne oogen zien het vaderlijke huis en de bergen, waar zijne wiege stond. Hij spreekt tot zijne afwezige moeder; hij noemt de namen der vrienden zijner kindsheid; hij ziet en hoort alles, wat hem te huis dierbaar was. In dezen engen kring beweegt zich zijne ziel; en, of hij onder de wapens zij of niet, wat hij doe of verrichte, er is geene plaats voor andere gedachten meer in zijn hoofd.
Door deze _eendenkerij_ vervallen zijne hersens welhaast in eene durende verlamming, die voor gevolg heeft, dat het lichaam de noodige zenuwsappen niet meer toegezonden worden.
Allengs begint de maag van den heimzieken soldaat voedsel te weigeren; hij vermagert spoedig, laat zijne leden krachteloos hangen en beweegt zich met eene opmerkelijke traagheid. Onderwijl geschiedt er in zijn binnenste iets vervaarlijks: zijne longen verdrogen, verengen en baren in de verholenheid zijner borst die ronde verhardingen, welke een doodvonnis zijn.... Hij begint te kuchen en te hoesten.... Men schrijft hem een briefje om naar het hospitaal te gaan; zijne kameraden zien hem met treurigen oogslag achterna, terwijl hij de kazerne uitsukkelt.... Zij weten wel, dat hij niet wederkeeren zal...!
Er zijn zoovele jonge soldaten, welke dien weg ingaan! En het zijn de begaafdste zielen, de gevoeligste harten; want een ruw jongeling of een kerel met stoffelijke neigingen krijgt het heimwee niet.
Vele regimentsdokters pogen, wanneer zij de teekens dezer ziekte in eenen loteling bespeuren, hem een verlof te bezorgen, om voor eenige dagen naar het ouderlijk huis terug te keeren. Mochten zij allen dus handelen! Er is geen ander geneesmiddel: al het overige dient slechts om den noodlottigen loop der kwaal te verhaasten. Maar men moet het aanwenden, zoohaast de gemakkelijk herkenbare teekenen der kwaal zich openbaren; want heeft het heimwee eens de kiemen des doods in de longen neergelegd, dan is het voor alle menschelijke hulp te laat.
Die ijselijke ziekte ondermijnde mijn leven;--ik hoestte echter nog niet....
Tot overmaat van ongeluk _deserteerde_ omtrent dien tijd de korporaal, dien men mij als hulp had toegevoegd. Hij had de schriften der broodlevering vervalscht en zeven paar nieuwe beddelakens verkocht of medegenomen. Deze laatste voorwerpen en eene groote hoeveelheid brood moest ik te goed doen; men zou de waarde er van, die eene voor mij aanzienlijke som beliep, op mijne soldij afhouden. Daarbij, men beschuldigde mij van lafheid.
Dien dag onderstond ik vanwege mijnen kapitein eene wreede berisping, die mij verpletterde en de laatste vonk van levenslust in mij verdoofde.
In den loop van den avond, terwijl ik in eenzaamheid zat te treuren, werden mijne leden allengskens ijskoud; alles beefde met groot geweld aan mijn lichaam. Geneigd om immer den zwartsten kant der zaken te zien, meende ik, dat mijn stervensuur ging naderen; doch, alzoo ik mij nu op mijn bed had neergelegd, begonnen mijne hersens te gloeien en mijne huid te blaken, alsof mijn leger een brandstapel ware geworden. Zoo duurde het den halven nacht, totdat ik eindelijk in eenen lastigen slaap wegzonk. Eene zenuwkoorts had mij aangedaan, en nu keerde deze kwaal elken dag op ongeregelde uren met hernieuwde kracht terug.
Evenals aan iederen ontmoedigden soldaat, boezemde het hospitaal mij eenen hevigen schrik in: ik had de overtuiging, dat, indien ik eens onder de poort van het ziekenhuis moest doorgaan, zij zich nimmer weder voor mij zou openen, dan alleen tot het wegvoeren van mijn lijk. Daarom, ik verborg mijne kwaal en smeekte de weinigen, die er van wisten, dat zij toch niets er over zouden zeggen.
Den dag na den eersten aanval had ik eenen brief vol verzuchtingen en vol tranen voor mijnen vader geschreven; zelfs had ik er eenen zin in gesteld, die beteekende, dat hij zich haasten moest, wilde hij de zekerheid hebben mij nog in leven te zien; doch de gedachte, dat ik mijnen vader te veel schrik en verdriet zou aandoen, deed mij eenen anderen brief schrijven, waarin ik mij bepaalde bij droeve klachten en bij het gebed om een bezoek van hem te ontvangen.
Hij antwoordde mij, dat hij binnen vijf of zes dagen te Bergen zou komen; maar hij schreef ook onder anderen:
"Gij zegt dat uw kapitein u behandelt als eenen slaaf? Wat beteekent dit? Wat doet gij dan om zoo te worden bejegend? Ik geloof, dat er veel van uwe schuld in dit alles is: uw karakter is niet wat het zou moeten zijn. De _philosophische_ gedachten, die u door het hoofd rollen, zijn de oorzaak van uw misnoegen en van uwen onwil. Dit is het wat u onaangenaam maakt bij uwe oversten en kameraden, die uwe bewegingen van ontevredenheid wel bemerken, bovenal wanneer gij iets te doen hebt, dat u niet aanstaat. Geloof mij, verander van gedachten; zoo niet, zult gij ongelukkig zijn, zoowel in den burgerstand als onder dienst. Het leven is geen droom, al zeggen het de _philosofen_; het is een werkelijke strijd; het lot is de vijand, en men overwint hem met hem onversaagd in de oogen te zien."[6]
Mijn goede vader kende mijn hart; hij wist, wat er te veel en wat er te weinig in was, en nu ook wees hij mij de wonde mijns gemoeds met klaarheid aan. In den toestand, waarin ik mij bevond, kon ik hem echter niet begrijpen; zijne wijze vermaningen vielen als olie in het vuur mijner verterende smart, en ik waande mij door iedereen op de wereld verlaten, ook door mijnen vader!
Des anderen daags greep de koorts mij in den morgen aan; en het was reeds tien uren, wanneer ik, van de eerste koude huiverende, nog half gekleed op mijn bed lag.
Op dit oogenblik trad de kapitein in de kamer; ik sprong verschrikt ten gronde en bedwong de siddering des koorts een kort oogenblik; doch de kwaal was mij meester en deed mij onmiddellijk met meer geweld beven. Mijne bleeke wangen en blauwachtige lippen verrieden ook genoeg mijnen toestand.
Mij doordringend bezien hebbende, zeide de kapitein:
"Gij hebt de koorts? Stel u op het ziekenrapport: gij moet naar het hospitaal."
Hij zag, hoe dit woord mij met angst en vervaardheid sloeg.
"Wat beteekent dit?" vroeg hij.
"Ach, kapitein," smeekte ik, met de handen biddend te zaam gevouwen, "doe mij niet naar het hospitaal gaan; ik ben zeker, dat ik er zal sterven!"
"Zinnelooze droomer!" morde hij, "ik geloof inderdaad, dat gij de waarheid zegt! Kom aan, schep moed, volg mij, _ik_ zal u genezen!"
En, alzoo ik nu met trage bewegingen mijne kleederen aantrok, begon hij van ongeduld te bulderen, mij mijne _lamheid_ te verwijten en mij zoodanig met ruwe woorden te overladen, terwijl hij zijn inzicht om zelf mij te genezen herhaalde, dat ik schier van schrik bezweek, in de gedachte, dat hij iets ijselijks met mij voorhad.
Ik volgde hem evenwel, daar hij de kazerne verliet, om met mij naar zijne woning te gaan. Zoo diep rampzalig in mijn gemoed was ik, dat ik onderweg met glinsterende oogen eenen bedelaar aanschouwde, en in mij zelven met een gevoel van heeten nijd uitriep:
"Hoe gelukkig! Hij is vrij!"
Ware het mij vergund geworden, mijne soldatenkleederen en mijn fourierschap tegen de gescheurde plunje en tegen de ellende van dien bedelaar te verwisselen, hoe hadde ik God gedankt om die weldaad! Hoe hadde ik door eenen blijden zegekreet mijne verlossing begroet!
Terwijl wij de hooge straat naar de markt opklommen, ontmoette ons de kolonel des regiments, M. Le Hardy.
Van verre reeds bezag hij mij met opmerkzaam medelijden, en, genaderd zijnde, vroeg hij den kapitein:
"Wat heeft toch uw arme fourier? Hij schijnt wel ernstig ziek? Gij moest hem wat rust gunnen."
Uit mijne oogen lichtte eene vonk der dankbaarheid den medelijdenden overste tegen. De kapitein vervorderde echter zijnen weg, terwijl hij groetend antwoordde:
"Eene lichte ontsteltenis, kolonel; het is zijn hoofd, dat niet deugt. Ik ga hem genezen...."
Eindelijk kwamen wij in zijne woning en op de kamer, waar hij zich gewoonlijk hield. Hij kondigde mij aan, dat hij mij een geneesmiddel zou doen nemen, dat mij onfeilbaar en voor altijd genezen zou; zijne oogen, die op mij gevestigd waren, schenen mij met een geheimzinnig vuur te flikkeren; zijne woorden waren dubbelzinnig en voor mij schrikverwekkend.
Ik durf het bijna niet bekennen; maar mijne zieke inbeelding zeide mij, dat de kapitein mij vergif ging aanbieden! Ik sidderde; en, op mijne beenen waggelend, steunde ik mij met de hand aan den rug van eenen stoel.
De kapitein had intusschen eene kas geopend. Hij haalde er eene flesch uit, en schonk een donkergroen vocht in een glas.
Groen was voor mijnen geest de eigen kleur van vergif. Onzeglijk werd mijn schrik; als met versteendheid geslagen, zag ik het glas mij tot de lippen naderen!
In het eerst weigerde ik van het gevreesde vocht te drinken; doch ik kon het tegen den kapitein niet lang uithouden, en welhaast, mij in mijn lot gelatende als iemand, die den marteldood aanvaardt, ledigde ik de helft van het glas in een enkele koortsige teug. De groene drank was bitter als gal, en liep daarbij brandend door mijn ingewand.
Mij hebbende doen nederzitten, begon de kapitein op vriendelijken toon eene lange rede over de hoedanigheden van een goed soldaat; hij beloofde als een vader voor mijne verhooging te zullen zorgen, indien ik slechts man wilde worden en, zooals hij zeide mijn kindervel wilde uitschudden. Hij noemde mijne droomachtige gevoeligheid eene ellendige _sensiblerie_, die zelfs in een meisje van zestien jaar belachelijk zou schijnen.
Hoe gegrond zijne redenen ook mochten zijn, ik aanschouwde ze, in de dweepzucht des lijdens, als louter valschheid en spot; ik hoorde ze aan met een versteend en gesloten hart.
Onderwijl had de kapitein mij het glas doen ledigen en het ten tweeden male gevuld. Wanneer insgelijks deze tweede hoeveelheid vochts door mij gedronken was, begonnen mijne denkbeelden op eene vreemde wijze in de war te geraken; en als de kapitein mij dwong tot antwoorden, had ik moeite om te spreken.
Dan stond hij van zijnen zetel op en zeide:
"Het is genoeg; ga nu naar de kazerne, kruip in uw bed en blijf rusten, zoolang gij wilt. Ik zal bevelen geven, dat niemand u store; laat u noch aan dienst, noch aan schrijfwerk gelegen; ik geef u vier dagen verlof en volle vrijheid.... Welnu, sta op, zeg ik; vertrek!"
Ik verliet de kamer. Wat ik had, wist ik niet, maar ik moest mij met beide handen aan de leuning van de trap steunen om niet te vallen.
Toen ik op de straat getreden was en na een twintigtal stappen den indruk der lucht onderging, greep ik mij aan het ijzer van een venster vast: de huizen begonnen in woeste vaart rond mij te draaien; ik zag dansende lichten voor mijne oogen, en ik verloor in de bliksemsnelle wentelkolk, waarin ik scheen weg te zinken, mijn bewustzijn geheel en gansch.... Ik was dronken: voor de eerste maal mijns levens!
Bij geluk ging op dit oogenblik een sergeant van ons bataljon in de straat voorbij: hij hief mij van den grond op en leidde mij naar de kazerne, waar men mij in mijn bed legde.... Dat ik dien ganschen dag veel zieker was dan te voren, behoeft niet te worden gezegd.
Mijn kapitein had bevel gezonden, dat ik mijne kamer onder geen hoegenaamd voorwendsel mocht verlaten.
Slechts den derden dag zag ik hem voor de eerste maal weder; hij vond mij, terwijl ik met ongemeenen eetlust een groot stuk vleesch nuttigde.
"Zoo, zoo!" riep hij, "het schijnt, dat het geneesmiddel goed gewerkt heeft!--En de koorts, is zij teruggekeerd?"
Het speet mij, te moeten bekennen, dat ik waarlijk van de koorts was genezen; want inderdaad, ik had de minste huivering niet meer gevoeld, sedert ik van het groene vocht had gedronken.
De goede uitslag zijner poging scheen den kapitein zeer te verblijden. Hij moedigde mij opnieuw aan tot het verdrijven mijner zinnelooze gedachten, zooals hij ze wel eenigszins met reden noemde; en dan eindelijk mij een stuk van vijf franken in de hand duwende, verliet hij mij, zeggende:
"Gij hebt geen geld? Dáár, wandel nu en zoek eenig vermaak. Wat de beddelakens betreft, die men u ontstolen heeft, denk er niet te veel aan: ik zal die zaak wel regelen."
Met tegenzin begaf ik mij, volgens zijn bevel, ter wandeling buiten de stad; ik dwaalde er uren lang in eenzaamheid, droomend van mijne ijselijke slavernij, van den vurigen haat, dien ik meende, dat de kapitein mij toedroeg, van der menschen onrechtvaardigheid en van allerlei andere dingen, die mijne krankzinnige dweepzucht konden voeden.
Bij het terugkeeren naar de stad ontmoette ik eenen kreupelen man, die mij eene aalmoes vroeg. Ik gaf hem het stuk van vijf franken, mij door den kapitein geschonken. De bedelaar aanschouwde mij met verbaasden blik, als wilde hij mij vragen, of ik wel bij mijne zinnen was. Een soldaat, die vijf franken wegschenkt, moest in zijne oogen zot of iets dergelijks zijn! Wel een vierendeel uurs bleef de verbaasde man mij achterna zien; wat mij betreft, ik was tevreden, dat het geld van hem, dien ik de oorzaak van mijn ongeluk waande, uit mijnen zak verdwenen was, zonder dat mijn geweten mij kon verwijten, iets er van te hebben gebruikt.
Des anderen daags kwam mijn vader te Bergen. Toen mijne oogen hem zagen, vloog ik hem weenend aan den hals en bezwijmde schier van aandoening. Mijne bleeke wangen boezemden hem een diep medelijden in: liefderijk en troostend waren zijne woorden in het eerst, doch na eene wijl begon hij eene hevige berisping tegen mijn gedrag uit te spreken, bovenal toen ik den kapitein van wreedheid en van haat tegen mij beschuldigde.
Mijn vader, om te weten, wat er in mijne brieven gegrond kon zijn, was tot den kapitein gegaan, vooraleer naar de kazerne te komen; hij was door hem gulhartig en vriendelijk onthaald geworden, had ten zijne huizen het middagmaal genomen, had met hem gesproken over Napoleon en de oorlogen van het keizerrijk; in één woord, men had hem bejegend als eenen broeder. De kapitein had hem ook uitgelegd, dat al mijn lijden slechts in mijne inbeelding bestond, hoe hij zich vele moeite gaf om mij van mijne droomkwaal te genezen; hij had hem gerustgesteld over mijnen toestand en hem beloofd, voor mij als voor zijn eigen kind te zullen zorgen.
Het spreekt van zelf, dat mijn vader in zulke gemoedsstemming mijne klachten niet kon goedkeuren. Hij laakte mijne dwaze denkbeelden met bitterheid; ja, hij werd gram en spijtig als hij zag, dat mijne overtuiging door geene woorden of bewijzen te veranderen was, en ik met eene onplooibare stijfhoofdigheid allen troost, die mij ongelijk gaf, wegwierp als eene onrechtvaardigheid.
Na anderhalve dag verblijf te Bergen, keerde mijn vader mistroostig naar Antwerpen terug. Ik gevoelde mij ongelukkiger dan te voren. Niemand, niemand kon mij begrijpen, zelfs niet mijn vader!
VII
In den loop der maand Mei 1832 borst eensklaps de choleraziekte in Bergen los; het was hare eerste verschijning in België. Deze schrikkelijke kwaal, die voor zoovele huisgezinnen eene bron van smart en ongeluk moest zijn, werd mijne redding.
Om de soldaten zooveel mogelijk van de ziekte te bevrijden, verspreidde men ons regiment op de dorpen der provincie Henegouwen; deze bewegingen en het vrijere leven bij de boeren gaven mijnen geest wat rust en mijn lichaam den tijd om zijne krachten een weinig te herstellen. Mijne bleekheid verdween; en, alhoewel ik nog zeer mager bleef, scheen toch het gevaar des doods van mij afgekeerd. Mijn sergeant-majoor was uit het depôt teruggekeerd; daardoor werd ik verlost van zorgen en hoofdbrekerij, welke in den toestand mijns geestes veel hadden bijgebracht om mijne zinnen te verwarren.
Wij vertrokken welhaast naar de provincie Limburg, om het Hollandsch garnizoen der stad Maastricht te bewaken; op de dorpen rondom deze vesting bleven wij eenigen tijd bij de boeren geherbergd.
In zekere gemeente, niet verre van Meersen, geraakte ik over zaken van dienst in twist met eenen sergeant onzer compagnie, die een zeer ruwe en ongemeen sterke kerel was. In zijne gramschap sloeg hij mij geweldig in het aangezicht, en misschien zou hij mij nog verder mishandeld hebben, zoo niet de sergeant-majoor mijne verdediging genomen hadde. Men sprak wel van een noodig tweegevecht, om mijne gekrenkte eer te herstellen; doch mijn moed was te verre weg om aan zulk iets te durven denken.
De kapitein vernam het gebeurde en deed mij naar zijne herberg komen. Op zijn bevel verhaalde ik hem wat er was geschied; maar ik sprak waarschijnlijk op een toon van uiterste zwakheid, want mijne woorden deden hem opbruisen van spijt en gramschap. Toen eindelijk mijne opgehouden tranen losbraken, nam hij mij bij den schouder en stiet mij ten huize uit, zeggende, dat hij mij van mijne kinderachtige lafheid zou genezen, even gelijk hij mij van de koorts genezen had.
Een half uur daarna kwam de sergeant-majoor mij melden, dat ik voor vier dagen in de politiekamer moest gezet worden, en dat ik hem onmiddellijk te volgen had om mijne straf te onderstaan.
De politiekamer was een vertrek in een steenen huis des dorps; ik ging er zonder groote ontroering naar toe, want ik wist, dat vier dagen gevangenis voor mij vier dagen van eenzaamheid en van rust waren.
Hoe verschrikte ik echter niet, toen ik, nadat de deur achter mij was gesloten, een aangezicht, van blijde wraakzucht en van haat verkrampt, uit eenen duisteren hoek des vertreks mij zag tegengrijnzen.... Het was de sergeant, die mij een uur te voren had geslagen!
Verpletterd en sidderend, bleef ik met gebogen hoofd staan, zonder mij te verroeren.
"Ah, ah, domme lafaard," brulde de sergeant, "nu heb ik u in mijne klauwen! Gij hebt voor den kapitein eenen hoop valschheden over mij gezegd; maar nu zult gij het duur gaan betalen!"
Bij deze woorden begon hij mij zonder ophouden te schudden, te slaan en te stampen. Van angst en vervaardheid schier bewusteloos, liet ik mij zonder klacht of tegenspraak over en weder stooten als iemand, die allen moed opgeeft en zich gedwee aan een onvermijdelijk lot overlevert. Slechts toen mijn vijand zich vermoeid gevoelde, gunde hij mij eene verpoozing, terwijl hij zich nederzette en, met de vuist dreigend, mij toeriep:
"Ellendige bloodaard! Dat laat zich hoonen en mishandelen als een kind, waar ziel noch hart insteekt! Gij gelooft dat het gedaan is? dat ik u gerust zal laten? Neen, neen, geen oogenblik rust zult gij hebben: meteenen zal ik u de kapot eens voor goed uitkloppen: elk half uur zult gij knoflook eten, dat u hooren en zien vergaan!"
Met het aangezicht naar den muur gekeerd, stond ik in eenen hoek der donkere kamer; tranen vloeiden uit mijne oogen, en ik sidderde in de gedachte, dat de sergeant mij een ongeluk zou doen.
Niet lang bleef ik aan mijne wanhopige gepeinzen overgeleverd; onvoorziens rukte de hand mijns vijands mij geweldig uit den hoek en smeet mij met eenen krachtigen zwaai tot aan den anderen kant der kamer. Opnieuw begon hij mij te slaan en te stooten, totdat hij weder, om te rusten, zich van mij vewijderde.
Zoo duurde het den ganschen dag.
Alhoewel ik deze bemerking slechts later maakte, was het echter klaarblijkend, dat de sergeant mij niet ernstig wilde bezeeren; want met al zijn slaan en schudden voelde ik toch geene blijvende pijn aan mijne leden.
Op dit oogenblik echter deed mijn verschrikt gemoed mij gelooven, dat hij zich wel vast voorgenomen had, mij dood te martelen; en het was met ijzing, dat ik den avond zag dalen, in de overtuiging, dat mijn vijand mij des nachts zou kunnen doodslaan. Ik had reeds meer dan eens op wanhopigen toon om hulp geschreeuwd; doch de schildwacht voor de deur, noch de lieden uit den huize schenen er aandacht op te geven.
Het was reeds duister in de politiekamer, toen de sergeant opnieuw tegen mij inviel en, onder het schokken en schudden, mij voor de eerste maal zulke gevoelige pijn veroorzaakte, dat een schreeuw der smart mij ontvloog. De overtuiging dat mijn laatste uur gekomen was, voerde mij tot eene zinnelooze vertwijfeling, en bracht eenen ganschen omkeer in mijn gemoed. In blinde razernij ontstoken, begon ik mij met verrassend geweld te verdedigen: ik stompte met vuisten, ik krabde, ik beet, ik scheurde als een zwak dier, welks krachten door de vrees des doods zijn verdubbeld.