Part 6
Eensklaps klonk over de vlakte, waar wij ons bevonden, een akelige waarschuwingskreet: "de ruiterij! _la cavalerie! la cavalerie!_" En inderdaad, wij zagen eene wolk vijandelijke dragonders den berg afzakken, om ons te komen bevechten.
Men zegt gewoonlijk onder de soldaten, dat een voetganger voor eenen ruiter niet hoeft te vreezen. Voor oude en geoefende soldaten moge dit eene waarheid zijn; voor ons, die als vrijwilligers onzen tijd bij de boeren hadden gesleten, was het er echter geheel anders mede gesteld. Het gezicht van die groote mannen, op groote paarden gezeten en met bliksemende zwaarden in de hand, boezemde ons zoo niet vrees dan toch angst in. Wij stonden bij paren, verre van elkander, en konden onze officiers niet zien. Zoo verlaten of afgezonderd moesten wij den aanval afwachten der ruiterij, die in groote menigte den berg afdaalde!
Eens in de vlakte geraakt zijnde, verdeelden de dragonders zich insgelijks in eene lange reeks; en, als hadde elk eenen scherpschutter tot slachtoffer uitgekozen, reden zij bij paren met slingerende zwaarden op ons los.
Ik begreep, dat mijn laatste uur gekomen was; ik voelde mij verbleeken, mijn ingewand sidderde; en van dan af hield ik mijnen blik met zooveel vastheid op de twee vijanden gericht, die ons schenen uitgekozen te hebben, dat mijn makker van mijne zijde verdween, zonder dat ik het bemerkte.
Minder dan een boogschot waren de dragonders van mij verwijderd, toen ik mijn geweer op hen afschoot zonder er een' te raken; ik meende nog te laden, doch ik liet de kardoes uit mijne hand vallen; want ik had nauwelijks den tijd om de bajonet tot verdediging te vellen.
Een der twee dragonders sprong ter zijde door de haver, waarschijnlijk om mijnen kameraad aan te vallen. Mij dacht, ik hoorde zijnen laatsten doodskreet mij in de ooren galmen!
Ik hield de bajonet vooruit, welbesloten om, indien het mogelijk ware, mij hardnekkiglijk te verdedigen. De overtuiging, dat ik sterven ging, ontrukte mij eenen zucht der treurnis, eenen afscheidsgroet aan het leven.
Het zwaard des dragonders bliksemde mij in de oogen; hij riep, dat ik mij overgeven zou; doch ik bleef met den verslindenden blik van den doodsangst sprakeloos de plaats zoeken, waar ik hem of zijn paard zou kunnen wonden.
Het moet zijn, dat het paard verschrikt of onbedwingbaar was; misschien dat de dragonder zelf mijn wapen ontweek, om mij van ter zijde onder bereik van zijn zwaard te krijgen; want, ofschoon dit alles ongeloofelijk snel geschiedde, zwenkte mijn vijand twee- of driemaal rondom mij, tot zooverre dat het mij gelukte, zijn paard eene wonde aan den schouder toe te brengen.
Wat er verder tusschen hem en mij gebeurde, weet ik niet. Terwijl ik het hoofd afkeerde om zijn slingerend zwaard te ontwijken, voelde ik, dat een felle slag mij trof, en ik in eene diepte tuimelde, die voor mijne geschokte inbeelding grondeloos scheen te zijn. Ik daalde en daalde, alsof ik in de eeuwigheid wegzonk....
Met geweer en ransel was ik achterover in den hollen weg gestort en bleef daar, door den val bedwelmd, een oogenblik roerloos op den rug liggen; evenwel, het bewustzijn keerde onmiddellijk in mij terug. Ik opende de oogen en zag verbaasd in het ronde; mijn blik ging ten hemel, en ik dankte God, dat Hij mij zoo wonderbaar van eenen zekeren dood had gered.
Boven mij hoorde ik nog twee pistoolschoten lossen. Ik meende de plaats te ontloopen; doch mijn linkervoet, wanneer ik hem opheffen wilde, ontrukte mij eenen schreeuw der pijn. Desniettegenstaande sukkelde ik door den hollen weg voort in de richting der stad.
Toen ik den steenweg bereikte en op de plaats kwam, waar wij allereerst stormenderhand den IJzerberg hadden beklommen, was de veldslag verloren en het grootste gedeelte onzes legers in volle vlucht. Nog één of twee regimenten, streden wijkend boven den berg.
De poort der stad Leuven, die op den Mechelschen steenweg uitziet, spuwde als het ware kanonnen, karren en wagens bij honderden; de voerlieden er van sloegen op de paarden met zweepen en sabels..... en alles rolde als een verwarde stroom over de baan naar Mechelen.
Nevens mij stond een sergeant van mijn regiment, met name Lemaigre, die nu kapitein is. Terwijl hij zich de haren van woede en razernij uitrukte, zag hij in de verte eene batterij Belgische artillerie uit Leuven komen aangerend, bestaande uit acht stukken van twaalf pond ijzer. Geen ander overste dan een sergeant scheen over de batterij te bevelen; en dewijl Lemaigre hem persoonlijk kende, hield hij hem staan en bezwoer hem, dat hij toch de batterij tegen de zijde des vijands zou stellen, om zóó onze beslissende nederlaag te vertragen en den aftocht een ogenblik te dekken.
De sergeant des kanonniers,--mijn vriend Lemaigre noemde hem Mathieu,--volgde den raad en brandde al zijne stukken los; eene wolk schroot drong in de rangen des vijands, en er deed zich werkelijk eene aarzeling in zijnen aanval op de laatste dapperen onzes legers bemerken.
Ik verliet deze plaats en sleepte mijnen voet met onbeschrijfelijke pijn achterna, tot op eenigen afstand, waar ik over eene groote afspanning, tegen eenen boom der baan mij nederzette.
Onderwijl was ook het laatste regiment der Belgen bezweken, en nu was het gansche leger in aftocht.
Op dien stond liep van mond tot mond de schreeuw: "_Armistice! armistice!_ Wapenstilstand! Vrede!"
Maar ofschoon de wijkende Belgen dit woord herhaalden, gaven zij er toch geen gehoor aan; misschien omdat nog uit de verte eenige schaarsche kanonschoten over de vlakte donderden.
Dan zag ik plotseling voor de afspanning onzen koning Leopold, te paard gezeten en omringd van eenige stafofficieren; hij scheen met hen te beraadslagen, en reed welhaast met zijn geleide naar Leuven op, in de richting van het vijandelijk leger. Ik had het gelaat des Konings aandachtig beschouwd: eene droeve, doch grootsche kalmte maakte het indrukwekkend, zelfs op dezen smartelijken oogenblik.
De Hollanders vervolgden de Belgen niet; geen geweervuur liet zich nog vernemen: er was inderdaad een wapenstilstand gesloten, waarvan de mogelijkheid en de reden slechts door eenige uitleggingen kunnen worden verstaanbaar gemaakt.
De Conferentie der groote Europeesche Mogendheden, te Londen vergaderd, had de scheiding van Holland en Belgie uitgesproken; en het was om zich tegen deze beslissing te verzetten, dat de Koning van Holland den inval in Belgie had gewaagd. Frankrijk was gelast, desnoods met geweld de uitvoering van den wil der Conferentie te verzekeren. Met dit inzicht was er sedert lang een Fransch leger van 50,000 man op onze Zuidergrenzen vergaderd. Bij het vernemen der tijding van het verlies van het Maasleger hadden de Fransche generaals met reden gemeend, dat de Belgen weinig kans hadden om tegen hunnen overmachtigen vijand te staan; en zij waren met hun leger over de grenzen gerukt, om koning Leopold ter hulp te snellen.
Juist toen de veldslag van Leuven op het hoogste was en de meeste Belgische regimenten met groot verlies den IJzerberg afgedreven werden, boden de eerste Fransche officieren, als zendelingen huns generaals, zich bij den hoofdstaf der Hollanders aan, en deden den Prins Van Oranje en den Prins van Saksen-Weimar begrijpen, dat, indien er nog één kanonsbal geschoten werd, het Fransche leger in naam der Mogendheden, hun eenen nieuwen veldslag zou komen aanbieden, waarin de Hollanders ontwijfelbaar zouden bezwijken. Een Engelsch zaakgelastigde, dien wij dien dag meermaals met onzen Koning gezien hadden, was daar insgelijks tegenwoordig. Er werd een wapenbestand getroffen, waarbij men bepaalde, dat alle vijandelijkheden zouden ophouden, en dat het Hollandsche leger des anderen daags,--wel door de Franschen opgevolgd, doch ongehinderd,--naar de grenzen zou vertrekken. Het geschiedde zoo.
Wanneer alles rondom mij stil geworden was, richtte ik mij op en poogde van boom tot boom voort te gaan. Mijn voet was zeer gezwollen; ik had mijnen schoen in stukken gesneden, om hem te kunnen uitdoen, en ik sukkelde nu onder het lijden van hevige pijnen, langzaam nevens den steenweg voort, van tijd tot tijd mij nederzettende om te rusten.
De avond begon reeds te vallen; en ik lag weder met den rug tegen eenen boom der baan, wanneer een open fourgon voorbijreed, waarin nog eenige gekwetste soldaten zich bevonden. Men vroeg mij, waarom ik daar zoo eenzaam bleef zitten; op mijn antwoord hieven de voerlieden mij in den fourgon.
Toen wij te Mechelen kwamen, vonden wij al de straten overdekt met Belgische soldaten van alle regimenten en wapenen, die in de grootste verwarring op de steenen uitgestrekt lagen en sliepen. Ik bleef in den fourgon tot den morgen, als wanneer ik met behulp van eenen kameraad mij naar de Antwerpsche poort begaf, waar de verstrooide mannen van ons regiment zouden vergaderen. Na de oproeping der namen zouden wij Mechelen verlaten en weder den steenweg naar Leuven optrekken.
Omtrent elf uren des morgens was alles tot het vertrek gereed; eenige gekwetsten, waaronder ik zelf, lagen op karren en zouden volgen.
Bij de poort der stad werden de karren echter teruggehouden, en er werd bevel gegeven om de gekwetsten naar het hospitaal te voeren.
Het hospitaal, waarbinnen men ons bracht, was slechts voorloopig ingericht, en men noemde het eene _infirmerie_.
Wij werden elk in een bed gelegd; er kwamen zusters van liefde, die ons allerlei goed voedsel, wijn, lekkernijen en zelfs geld gaven. Een heelmeester verbond mijnen voet..... en, alhoewel mijne pijn nog uiterst hevig was, viel ik welhaast in eenen diepen slaap, die bijna tot den volgenden morgen duurde.
Mijn voet bleef zeer pijnlijk gloeiend tot den tienden dag; dan kwam er eene spoedige beternis, eene week later kon ik reeds de _infirmerie_ verlaten, om mij naar mijn regiment te begeven, dat zich in en rondom Dendermonde bevond.
VI
De slag van Leuven en de voorvallen, die hem waren voorafgegaan, hadden elkeen de overtuiging gegeven, dat onze nederlaag alleenlijk toe te wijten was aan de slechte inrichting des legers en aan de afwezigheid van het gevoel der onderschikking, zoowel tusschen de officieren als tusschen de soldaten. Het Staatsbestuur, door eenen ervaringrijken koning aangedreven, hield zich onverwijld met de herinrichting des legers bezig; men zou den officiers, die de noodige bekwaamheid niet bezaten, hun ontslag geven, andere, oudgediende oversten in hunne plaats stellen, de tucht strengelijk doen handhaven, en met onverbiddelijke krachtdadigheid de gedachte van persoonlijke onafhankelijkheid versmachten, welke de vrijwilligers in het leger hadden gebracht.
Bij mijnen terugkeer in het regiment had men mij aangewezen, om voorloopig het ambt van sergeant-majoor in eene andere compagnie te gaan waarnemen. Ik deed mijn uiterste best om de gunst mijner nieuwe oversten te verdienen, en arbeidde zes halve nachten om de achtergeblevene schriften der compagnie gansch in orde te brengen. Men sprak grooten lof van mijnen ijver en van mijne bekwaamheid; niemand twijfelde of ik zou tot den graad van sergeant-majoor worden verheven. In dezelfde overtuiging schreef ik met hoogmoed en blijdschap aan mijnen vader aangaande mijne onfeilbare verhooging, en ik ontving daarover zijne liefderijke gelukwenschen.
Eenige dagen later kwam de generaal-inspecteur Olivier te Dendermonde, om de herinrichting van ons regiment te bestieren. Vele officieren,--onze kolonel zelfs,--werden op halve soldij weggezonden of verplaatst; anderen, die wij niet kenden, werden ons tot oversten gegeven; de nauwe uitvoering der tuchtwetten werd verzekerd, en zoo kreeg ons regiment een gansch nieuw voorkomen.
Toen men de benoemingen tot de openstaande plaatsen van onderofficier wilde doen, werd ik door den nieuwen kolonel onderzocht. Ik was slechts negentien jaar oud; en, tot overmaat van ongeluk, deed mijne magerheid en iets kinderlijks in mijn opzicht, mij nog veel jonger schijnen.
Met mijne bekwaamheid had de kolonel wel vrede; maar een sergeant-majoor, zeide hij, moet ontzag kunnen inboezemen, dewijl hij in eene compagnie de ware werkspil is en met de uitvoering der ontvangene bevelen is belast. Nu men voor doel had, de tucht in het leger te doen eerbiedigen, mocht men geene kinderen tot sergeant-majoor aanstellen.
Hij deed mij met goedheid in de stemme begrijpen, dat ik nog te jong en te klein was om zulk gewichtig ambt naar behooren te vervullen; ik had tijd genoeg om te wachten, en men zou zich mijner herinneren, wanneer het nieuwe regiment aan de nieuwe inrichting zou gewend zijn. Ik werd ter zelfder tijd aangewezen, om in eene nieuwe compagnie van het eerste bataljon mijnen vorigen dienst van fourier te hernemen.
Het was met het hoofd onder smart en spijt gebogen, dat ik de woning des kolonels en de stad verliet, om mij naar het dorp te begeven, waar onze compagnie alsdan geherbergd lag.
Onderweg dreven mij allerlei treurige gepeinzen door het hoofd; ik morde met bitterheid tegen mijnen geringen ouderdom en mijne kleine gestalte, en klaagde het den boomen, dat mijn uiterlijk voorkomen mij als een kind met minachting deed behandelen, ofschoon, volgens mijne meening, een krachtig mannenhart, mij in den boezem klopte. Daarbij voegde zich de overweging, dat mijn vader mijne teleurstelling met verdriet zou vernemen en mij misschien van laatdunkendheid zou beschuldigen! Mijne vrienden in het regiment zouden weten, waarom ik tegen de algemeene verwachting niet was verhoogd geworden.... Omdat ik nog te veel aan een kind geleek! Dewijl deze reden mij reeds veel had doen lijden, en waarlijk in het krijgsleven mij een bestendige hinderpaal en eener bron van kleinachting was geweest, was ik ten uiterste gevoelig geworden aan allen twijfel aangaande mijne hoedanigheid van man.
Twee dagen later werd ik bij mijne nieuwe compagnie ingelijfd. Dáár kende mij niemand, en ook niemand scheen geneigd om mijn stil en zoet karakter te ontzien of te sparen.
Nu begint voor mij een tijdstip van ramp en lijden, van ziekte der inbeelding, van droomachtige zelfverknaging, van kwalen, die mij alle lichaamskracht zullen ontrooven en mij tot op den boord van het graf moeten voeren....
De kapitein mijner nieuwe compagnie was een zonderling man, wiens inborst en daden als een ondoorgrondelijk raadsel iedereen verwonderden; hij had vele jaren als stafofficier onder de Turken gediend: ik twijfelde somwijlen, of hij zelf niet een Turk was, die zich voor eenen Franschman deed doorgaan.
Tamelijk lang van gestalte was hij, hoekig en baldadig in al zijne bewegingen, uiterst ruw, kort en streng in al zijne woorden. Zijne kleine, grijze oogen fonkelden in diepe holen, en hun doordringende blik was indrukwekkend voor ieder, als de blik des arends. Meest stampte hij onder het spreken geweldig met de scheede van zijnen sabel op den grond, mengde de krachtigste soldatenwoorden, tusschen zijne rede en had de gewoonte, onverpoosd naar alle kanten in het ronde te spuwen. Somwijlen zou men gewaand hebben, dat hem iets in de hersens faalde en hij zinneloos was.
In zulke oogenblikken was het hem eenerlei wie voor hem stond: officieren of soldaten, ieder moest zwichten en zijne harde verwijten in stilte verkroppen. Geraakte hij in twist met zijne gelijken, hij liet hooren, dat hij gereed was, om met sabel of pistool zijn woord gestand te doen; en dikwijls was een tweegevecht--voor hem altijd gelukkig afloopend--het einde zijner schijnbare ruwheid.
Met sommigen zijner oversten was hij even hard; ook werden door dezen niet zelden pogingen aangewend om hem ernstigere straffen te doen ondergaan, dan men er bij het regiment kon opleggen. Hoe het kwam, weet niemand, maar telkenmaal--zelfs voor het krijgsgerechtshof--kreeg hij gelijk en bleef ongehinderd. Zijne verdedigingen, welke hij zelf schriftelijk opstelde, waren ongemeen krachtig en talentvol: wie hem tot tegenstrever had, kwam er nooit ongedeerd van af.
Vele redenen maakten hem echter bij de meeste soldaten der compagnie bemind en ontzien; eenigen zelfs zouden voor hem zonder aarzelen hun leven in gevaar gebracht hebben, indien hij het hadde verlangd. In den slag van Leuven had hij zich als een onversaagd officier gedragen, en zich meer dan eens met wonderbare vermetelheid ten doel der vijandelijke kogels vooruitgeworpen. In alle gevallen, waar het mogelijk was, verdedigde hij de soldaten tegen de mindere officiers en onderofficiers; soms ook wel tegen de hoogere oversten. Een groot gedeelte zijner soldij schonk hij aan de wakkerste mannen der compagnie tot drinkgeld weg, en toonde zich bij vlagen zoo goedhartig en zoo mild jegens hen, dat men hem roemde als een voorbeeld van belangeloosheid en van edelmoed.
Wat hij niet lijden kon, was de zachtheid van taal en zeden, welke sommige officiers uit het burgerlijk leven hadden behouden. Hij schold zulke manieren uit voor verwijfdheid en zwoer, dat elkeen onder zijn bevel _soldaat_ zou worden in den vollen zin des woords, of er onder zou bezwijken.
Met eene opmerkelijke ruwheid bezat deze onbegrijpelijke man een diep en vlug verstand; hij was zeer geleerd en wist over zaken van krijgsdienst zooveel als een generaal hoeft te weten. Daarenboven pleitten vele zijner daden in hem voor zekere goedheid des harten. Dit mengsel van allerlei hoedanigheden maakte hem tot een soort van raadselachtig wezen, dat den meesten eenen geheimzinnigen schrik of ten minste een gevoel van verwijdering inboezemde.
Deze kapitein zou mijn overste worden! Men begrijpt lichtelijk tot hoeverre mijne inborst, mijne zwakheid en mijne lijdzame achterhoudendheid hem moesten mishagen.
Toen ik, met den ransel op den rug en het geweer op den schouder, voor de eerste maal bij mijne nieuwe compagnie mij vertoonde, stonden de mannen tot eenen oogenschouw der wapenen in gelederen geschaard. De adjudant-majoor van het bataljon leidde mij tot de compagnie en verwijderde zich, terwijl hij kortweg zeide: "Kapitein, ziehier uwen nieuwen fourier!"
Het was een onuitdrukkelijke blik van spijt en minachting, dien de kapitein op mij wierp; hij aanschouwde mij van hoofd tot voeten, keerde rondom mij, spuwde langs alle kanten met gramstorig gemor en riep dan, als in woede, tusschen vele indrukwekkende woorden, die men niet nederschrijft:
"Ah sa, wat hebben ze ginder in het hoofd? Of meenen ze, dat mijne compagnie eene kinderschool is! Men spot met mij! Er zijn andere mannen noodig om de _gaillards_ mijner compagnie te bevelen. Wij zullen het zien: het zal er niet bij blijven!"
En onder het uitspreken dezer woorden liep hij verder de Markt op naar den kant, waar zich de kolonel en de groot-majoor bevonden.
Ik was, van schaamte bevend, in mijn gelid tusschen de onderofficieren gaan staan, en van daar zag ik, hoe de kapitein voor den kolonel geweldig met armen en beenen gebaarde en zijne sabel ten gronde stiet. Mij was het klaarblijkend, dat hij zich tegen mijne benoeming in zijne compagnie verzette en weigerde mij als fourier te aanvaarden.
Hij gelukte echter in zijne pogingen niet, vermits hij, een oogenblik later, vloekend en morrend tot mij kwam geloopen, mij nog eens van hoofd tot voeten beschouwde, en dan op scherpen toon zeide:
"Het is wel, wij zullen zien! Maak dat gij recht in uwe schoenen loopt, en toon, dat gij haar op uwe tanden hebt, of gij zult een zuur leven met mij hebben!"
Den bliksem van zijnen oogslag niet kunnende verdragen, liet ik het hoofd voorovergaan.
"Hoofd recht, en zie mij in de oogen!" riep de kapitein.
Ik weet niet, maar het was mij, alsof iets vreeselijks uit zijnen blik mij in de ziele drong; en opnieuw boog ik het hoofd, van benauwdheid en van schaamte schier bezwijkend.
"Wie heeft om Gods wil zulke soldaten geschapen? Hij beeft als een oud wijf!" morde de kapitein met verachting.
"Te twee uren in mijne herberg!" beval hij. "Wij zullen beproeven of het mogelijk is, iets van u te maken."
Verder bemoeide hij zich niet meer met mij, dan alleenlijk dat hij nog bijwijlen eenen minachtenden blik op mij wierp. Ik was zoozeer onthutst door deze ruwe behandeling, dat ik bijna niet wist wat te antwoorden op de vragen en bevelen, mij door den sergeant-majoor, mijnen onmiddellijken overste, toegestuurd.
Te twee uren begaf ik mij naar de herberg des kapiteins. Mij sidderde het hart, en ik was benauwd, alsof mij iets zeer ongelukkigs moest overkomen.
In zijne kamer toegelaten, vond ik hem bij eene tafel aan het schrijven; hij sprong, op met eene geweldige beweging, beschouwde mij eene wijl, beklaagde zich nog, dat ik hem tot fourier was gegeven, en vroeg mij dan, van waar ik was, en wat ik had geleerd.
Met zoete, nederige stemme vertelde ik hem van mijnen vader en van mijne vorige bestemming tot het onderwijzerschap. Ik beloofde hem mijn uiterste best te zullen doen om hem te believen, en smeekte hem, mij toch niet zoo ruw te behandelen, dewijl mij dit oneindig meer verdriet aandeed dan hij mij wilde veroorzaken.
In het eerst scheen hij met genoegen of met geduld op mijne uitleggingen te luisteren; maar mijn gebed tot zachtere behandeling deed hem in woede ontsteken, of ten minste hij gebaarde, dat het hem tot het uiterste punt der gramschap had vervoerd.
Nu rolden de toornige woorden als een vloed van zijne lippen, en uit zijn oog schoten gensters, die mij deden sidderen; dan weder verkalmde hij en beweerde, dat ik van den groven borstel noodig had om _soldaat_ te worden. Andere malen greep hij mij gulhartig bij de hand en zeide:
"Gij zijt vervaard van mij? Gij beeft? Hoe kreegt gij het toch in uw hoofd, soldaat te worden? Gij trekt gezichten, alsof gij nog op den schoot uws moeders zaat! Kom, schep moed, ik zal eenen man van u maken. Wat ik doe, is voor u goed.... Maar zoo gij kind wilt blijven, dan vindt gij geene verschooning voor mijne oogen: ieder moet zijn' stiel doen, en het is al veel te lang, dat men in het leger _muscadyns_ en oude wijven hunnen vrijen gang laat gaan."
Mijne vreesachtige antwoorden en bovenal de moedelooze toon mijner stem bevielen hem niet. Opnieuw begon hij mij te bedreigen en voor kind en melkbaard te schelden, tot zooverre dat ik, onder eene ware verschriktheid bezwijkend, in tranen losborst.
Dan kende zijne woede geene palen meer; hij vatte mij bulderend bij den schouder, duwde mij de kamer uit en sloot de deure toe.
Met vermorzeld hart, gansch moedeloos en van de toekomst schrikkend, sukkelde ik naar mijne herberg, waar ik den sergeant-majoor mijn wedervaren vertelde.
Deze poogde mij te doen begrijpen, dat de kapitein inderdaad zonderlinge manieren had, maar dat men het niet ernstig opvatten moest, dewijl hij zelf het zoo niet meende; dat hij in den grond een goed hart had, en niemand wetens en willens kwaad zou doen; ja, dat het gebeurde een bewijs was, dat hij veel geneigdheid voor mij gevoelde, en rechtzinnelijk moeite wilde doen om mij _soldaat_ te maken, eene hoedanigheid, die mij klaarblijkend ontbrak.
Hoe het zij, de wijze, op welke men mijne inborst wilde veranderen, krenkte mij den geest en maakte mij wanhopig. Elken dag overlaadde de kapitein mij met harde woorden, en poogde als het ware mijn lijdzaam gemoed tegen zijne ruwe behandeling in opstand te brengen; hij scheurde mijn schrijfwerk onder alle voorwendsels aan stukken, strafte mij om de minste schijnreden, en vernederde mij bloedig in tegenwoordigheid der soldaten, die ik in vele gevallen te gebieden had.
Welhaast verlieten wij Dendermonde, om in het kamp bij Diest te gaan liggen, waarna wij eenigen tijd op de dorpen geherbergd bleven, en eindelijk te Bergen-Henegouw in de groote kazerne geraakten.
In November 1831 vertrokken onze sergeant-majoors naar het _depôt_, om er de schriften der compagniën door wederzijdsche vergelijking in orde te brengen. Zij bleven zes maanden afwezig, en lieten gedurende dien tijd de fouriers met de vervulling van hun ambt belast. Dezen laatsten werd een korporaal toegevoegd, om hen in hunne dubbele hoedanigheid te helpen.