Part 5
Onderweg maakten mijne gezellen een _komplot_ aangaande de boterham; zij werd gedeeld: wij kregen ieder een stuk zoo groot als een vinger.
Op het bivak werden de drie roggebrooden eerst met sabelhouwen in groote brokken gehakt en dan verder met messen gesneden. Van den kapitein tot den laatsten soldaat, elk bekwam er iets van.
Den 10^{den} Augustus, in den namiddag, gingen wij voorbij de wijnheuvels van het dorp Wesemael, op ongeveer anderhalve mijl van Aerschot. Hier vonden wij vele karren met brood en vleesch, die ons tot voorraad waren bestemd.
Men hield het regiment staan, en brandwachten werden op groote afstanden uitgezet, alsof wij ter dezer plaatse op bivak zouden blijven; de weinige jagers te paard, die ons van Turnhout af hadden vergezeld, werden op hoogten en op verre banen gezonden, om alle nadering van gevaar intijds te kunnen vernemen.
Uit elke compagnie riep men eenige stoute mannen te zamen; dezen zouden naar Wesemael gaan en halen wat er noodig is tot het koken van vleeschsoep.
Na een half uur tijds stond voor iedere compagnie eene groote koeketel, op steenen verheven en met water gevuld. Men hakte het vleesch met sabels aan stukken en legde het in de ketels; vele mannen kwamen toegeloopen met koolen van alle kleuren, met selder, met ajuin, met salade: al wat maar groen en eetbaar was, wierp men boven de zwemmende bonken vleesch. De vuren kraakten, de aangehitste vlammen kronkelden rondom de ketels, en al de mannen der compagnie stonden met begeerigen blik en vochtigen mond de veel belovende bobbels na te zien, die in menigte uit den grond van het ziedende water opklommen.
Men zou meenen, dewijl wij brood in overvloed hadden, dat de honger ons nu niet aandreef. Inderdaad, zóó was het; doch het raadselwoord van ons innig verlangen naar de vleeschsoep ligt in _warm eten_. Het was nu reeds eenige dagen geleden, dat wij niets anders dan koud eten genuttigd hadden, en dan nog in ontoereikende hoeveelheid. Nu gingen wij warm vleesch eten! In onze meening,--in de meening onzer verhongerde magen,--was niets zoo lekker en zoo onbegrijpelijk versterkend als _warm eten_.
Reeds toen het water slechts eenigen tijd gezoden had, waren er mannen, die met de punt hunner bajonet, zooals zij op het geweer stak, een koolsblad of eenen struik selder poogden op te visschen. De anderen stelden zich tegen de rooverij: men stiet elkander weg; er werd gevochten en geworsteld tot zooverre, dat de oversten zich verplicht zagen bij elken ketel twee schildwachten te zetten.
Eindelijk toen de soep eenigen tijd gezoden had en de oogen vet zich boven het water begonnen te vertoonen, riep men algemeenlijk, dat het vleesch genoeg gekookt had. Waarschijnlijk zou het nog niet half gaar zijn; maar van den nood eene deugd gemaakt: indien het slechts van de warmte was doordrongen, zou het wel goed smaken.
De oversten toonden zich bereid om den algemeenen wensch te voldoen; nog eenige minuten, en het regiment zou eten.
Wie eene gamelle had, hield ze in de hand gereed; iedereen had zijn knipmes geopend: de lippen verroerden met die eigendommelijke uitdrukking van iemand, die zich aan het smaken van lekkere spijzen verwacht.
Op dit uiterst oogenblik komt een jager te paard in vollen draf aangerend en zegt eenige haastige woorden tot den generaal. Onmiddellijk ontstaat het geroffel der trom, die elkeen te wapen en in zijn gelid roept. Het Hollandsche leger is in onze nabijheid; wij zijn achthonderd, zij waarschijnlijk tienduizend of meer. Daarenboven, wij mogen niet strijden; onze bevelen luiden, dat wij den vijand moeten pogen te ontkomen, om ons te Leuven met het leger onder bevel des Konings te vereenigen.... Er is geen tijd tot beraadslagen: de ketels worden omgeworpen; sommige mannen steken een brok vleesch of een kool op hunne bajonet; doch het ziedend water, dat hun in den hals of op hunne kameraden druipt, doet hun het geredde voedsel wegsmijten; de oversten dwingen de compagniën tot een spoedig vertrek.... en eenige minuten later zijn wij verre van daar, op de baan naar Aerschot, nog immer mijmerend van het warm eten en de lekkere vleeschsoep, die onder ons gezicht over den grond is weggestroomd....
Wij brachten den nacht buiten de stad Aerschot door, op eene hoogte tegen de baan naar Hauwaert, waar wij nog een gedeelte van het 9^{de} linie-regiment aantroffen. Hier kookten wij ons vleesch op het bivak, zonder gestoord te worden, en kregen buskruid.
In den morgen werden wij onvoorziens te wapen getrommeld; onze brandwachten beweerden, dat eene talrijke afdeeling Hollandsche lanciers op den steenweg naar Diest zich vertoonde. Dewijl de hoogte, waarop wij ons bevonden, nevens voormelden weg voortloopt en hem diensvolgens beheerscht, zouden wij de vijandelijke ruiterij pogen te bereiken en ze van boven de heuvelen met voordeel aanvallen. Dit ten minste werd er onder ons verteld, toen wij reeds het bivak hadden verlaten.
Uren lang gingen wij met verhaaste stappen, zonder iets te vernemen. De zon stond te branden aan den diep blauwen hemel; het was onbeschrijfelijk heet; en dewijl wij, zonder eene baan te volgen, dwars door havervelden en aardappelloof onzen marsch rusteloos voortzetten, waren wij eindelijk door hitte en dorst tot zooverre uitgeput, dat sommige mannen zich ten gronde lieten vallen en weigerden op te staan. Wanneer het geviel, dat wij in eenen hollen weg traden, zooals er in die landstreek vele zijn, legden gansche gelederen, ondanks den wil der officieren, zich met den mond tegen de vochtige wanden der baan, waaruit een ijzerachtig water sijperde, en zoo zogen wij uit de aarde eenig vocht op, om onzen verterenden dorst te koelen. Velen onzer zaaiden hunne kleedingstukken langs de baan, bovenal de kapotten, om het gewicht van hunnen ransel te verminderen.
Omtrent den middag, toen wij buiten adem en schier versmacht van dorst, gevoelloos en met hangend hoofd voortstapten, beklommen wij eenen heuvel, waarboven een molen en een huis stonden. Zoohaast hadden wij den top des heuvels niet bereikt, of een bataljon van het 9^{de} regiment, dat ons vergezelde, liep in wanorde uiteen naar een bornput, welke met zijne hooge wip nevens het huis zich vertoonde. Een aantal onzer jagers, dit ziende, stormden insgelijks uit hunne rangen om, ware het mogelijk, eene teug water te bekomen.
Rondom den bornput werd er een waar gevecht geleverd: men sleurde, men stiet, men stompte, men wondde elkander, om omtrent den emmer te geraken. Velen, die geen ander middel zagen om hunnen dorst te lesschen, staken hun brandend hoofd in den emmer en dronken zóó het ijskoude water, totdat men ze er van wegrukte. De dokters en vele oversten baden en smeekten de mannen, dat zij zich toch niet aldus aan eenen zekeren dood zouden blootstellen; zij dreigden en sloegen met hunne degens, het hielp niets: wij waren als razend van dorst.
Onderwijl was er een wolk andere mannen op den grooten wijngaard gevallen, die zijne groene ranken over den gevel van des molenaars huis uitspreidde: druiven, bladeren, twijgen, ja, het hout zelf, tot in den wortel toe, werd verslonden en tot lafenis genuttigd en verknabbeld. Voor vijftig cents kreeg ik twee druivekorrels van eenen soldaat onzer compagnie; ik was gelukkig: de zure smaak bracht mij vocht in den mond....
Na eenigen tijd bemerkten onze oversten wel, dat hunne poging om de mannen van den bornput te houden, vruchteloos zouden blijven. De trommen hieven den marsch aan, en wij vertrokken. Ten halve den heuvel zag ik eenige mannen met paarse wangen en koolzwarte lippen op den rug uitgestrekt liggen: zij waren levenloos, het koude water had hen gedood.
Na een uiterst moeilijken marsch en veel gaan en keeren, zonder een voor ons merkbaar doel, kwamen wij des avonds, toen het reeds donker was, boven eene hoogte bij het dorp Lubbeck, op twee mijlen van Leuven.
Hier sloegen wij ons bivak neder en kookten aardappelen in koeketels, welke wij uit het dorp hadden gehaald.
Onze oversten zeiden ons, dat er des anderen daags een beslissende veldslag zou geleverd worden; zij vuurden onzen moed aan, herinnerden ons de dagen der omwenteling en bezwoeren ons om als ware Belgen voor land en Koning te strijden.
In de vlakte, beneden de heuvelen, was de Hollandsche krijgsmacht gelegerd; zij had haren staf bij het dorp Winghe; doch hare voorposten strekten zich tot in onze nabijheid uit.
Onze uitgezette brandwachten hadden de gewoonte, elkander van verre onverpoosd de volgende woorden toe te roepen: "_Sentinelles, prenez garde à vous!_" waarop de Duitsche of Zwitsersche soldaten, die rondom het bivak der Hollanders waakten, den onzen spottend toeriepen:
"_Was der Hund sch..... fresst du !_"
Het meerendeel van het Belgische leger bevond zich te Leuven, onder bevel van Koning Leopold; ons regiment, met twee bataljons van het 9^{de}, was een der voorwachten. Diensvolgens mochten wij ons overtuigd houden, dat wij bij het krieken van den komenden dag den eersten aanstoot des vijands zouden doorstaan hebben.
Alhoewel deze zekerheid wel van aard was om ons den slaap moeilijk te maken, waren de gekookte aardappelen niet zoohaast genuttigd, of allen legden zich ter aarde, en vielen, onder de vermoeidheid bezwijkend, in eenen zwaren sluimer. Ik luisterde nog eene wijl op den roep der schildwachten, die akelig door de nachtstilte rondom ons bivak herklonk en voortliep; ik dacht aan onzen zonderlingen toestand, droomde van Borgerhout en mijnen vader, en sloot dan insgelijks de verzwaarde oogleden ... om, evenals mijne makkers, ze niet meer te openen dan onder den knal van geweren en kanonnen....
V
Terwijl wij dus in volle vergetelheid sliepen, was er een Hollandsch regiment jagers in stilte ons genaderd. Deze scherpschutters, over den grond kruipend, hadden zich in eene linie uitgespreid, in een breed haverveld, dat zich nevens ons bivak verlengde.
De eerste morgenschemer daagde in het Oosten; wij sliepen nog even bewusteloos en vast..... toen eensklaps eene donderende ontploffing ons tegelijk deed opspringen. Honderden kogels huilden ons rondom de ooren; velen onzer makkers waren getroffen en lagen te spartelen in hun bloed. Er bleef een oogenblik van onbeschrijfelijke verwarring onder ons; dus verrast, opschietend uit den loodzwaren slaap, duizelig en dwaas, grepen wij het eerste geweer het beste en begonnen tot verdediging op de vijandelijke jagers te schieten, wier hoofden wij nu in groote menigte boven de haver zagen uitsteken. Zij gaven ons geenen tijd om onzen toestand te herkennen, en vuurden onophoudend op onze dooreenslingerende schaar.
Mijn vriend en ambtgenoot, de fourier Walgraff, die zich te verre vooruitgegeven had, werd op eens door drie kogels, waarvan een in de zijde, getroffen en viel neder; de drie gebroeders Grad, Jules, Ange en Lucien, liepen tot dicht bij de Hollandsche schutters en haalden, onder eenen hagel kogels, den gevallen fourier uit het bereik des vijands weg, Lucien ontving een geweerschot in den arm[2].
Welhaast gelukte het onzen oversten, ons in gelederen te schikken, en dan boden wij den vijand een hardnekkigen, doch hopeloozen tegenstand.
Een soldaat mijner compagnie, Blancpain genaamd,--een zeer bloode kerel, die beroemd was, omdat hij eenen ganschen emmer aardappelen in eens kon opeten,--kreeg eenen kogel op het kruis zijner draagbanden en sloeg met zooveel geweld achterover, dat hij mij bijna omverre wierp. Men wilde hem wegrukken, ofschoon hij gevoelloos scheen als een lijk; doch hij opende de oogen met zonderlinge verbaasdheid, en vroeg gansch eenvoudig aan mij:
"Fourier, ben ik niet dood?"
Men hief hem van den grond en duwde hem opnieuw in zijn gelid.
Onderwijl werd het geweervuur met groote hevigheid voortgezet, totdat een andere troep jagers onze vijanden kwam versterken.
Dan deden de oversten ons een honderdtal stappen terugwijken en brachten ons bij het dorp Lubbeck in eenen boomgaard, die omringd was met eene dikke beukenhaag, welker stammen over kruis in elkanderen waren vastgegroeid.
Van achter deze beschutting verdedigden wij ons nog eenigen tijd met voordeel, alhoewel een hagel kogels over onze hoofden en tusschen onze gelederen huilde. Velen onzer gezellen werden getroffen; bij het schetterend geknal der geweren mengde zich ook bijwijlen de pijnlijke schreeuw der gekwetsten.
Wij hadden moed genoeg, en het voorbeeld van onzen grootmajoor Maenhout ware alleen toereikend geweest om ons onversaagdheid in te spreken. Deze bataljonsoverste was te paard gezeten en meer dan anderen blootgesteld aan het vijandelijk vuur. Onze officieren wilden hem doen afstijgen; doch hij, met eenen koelen glimlach op de lippen, sloeg zijn paard streelend met de hand op den hals, om het te bedaren, terwijl hij onbewogen zeide:
"Pietje, Pietje, stil, Pietje; het is niets, Pietje!"
Op dit oogenblik verscheen eene Hollandsche batterij veldkanonnen boven den heuvel; zij stelden zich op eenen afstand van ons, borst los met ontzettend gedonder en stuurde eene wolk schroot op ons af. Gelukkig was het schot te hoog gemikt; het regende bladeren en takken van de appelboomen, onder welker kruinen wij stonden.
De plaats was niet meer te behouden; nutteloos zouden wij tot den laatsten man vernietigd worden, indien wij langer in den boomgaard bleven.
Al strijdend weken wij terug tot den hollen weg, die naar Leuven afdaalde; wij werden door het geschut der Hollanders vervolgd en moesten dikwijls onze richting veranderen, om in de plooien des gronds eene borstweer tegen de vijandelijke ballen te zoeken.
Hoezeer wij ook in gevaar verkeerden, drukten wij elkander onze bewondering uit over de snelheid, met welke het Hollandsch veldgeschut zich bewoog; en waarlijk, het scheen over heuvelen en diepten te vliegen.
De kanonskogels schoten meest over onze hoofden weg; wij vervorderden onzen aftocht zonder merkelijk verlies en zonder onzen stap te bespoedigen. Hier gaf onze bataljonsoverste eene bittere vermaning aan eenen officier, die de twee handen met verrassing aan zijne schako geslagen had, omdat een kanonsbal huilend nevens zijn oor was voorbijgegaan.
Omtrent den middag geraakten wij behouden binnen Leuven, waar wij nevens de Tiensche poort, uitgeput van vermoeidheid, ons ten gronde nederzetten.
Terwijl wij in Lubbeck hadden gestreden, waren nog andere onzer voorwachten buiten Leuven aangevallen geweest. Men vertelde ons, dat het 12^{de} regiment der Belgen grootendeels was vernietigd geworden.
Eenige soldaten van de troepen, die in Leuven gebleven waren, kwamen bij ons en verhaalden met groot misbaar, hoe het gansche Maasleger door verraad was bezweken en op de vlucht geslagen, zoodat wij, verkocht zijnde door onze oversten zelven, vruchteloos aan den overmachtigen vijand zouden pogen te weerstaan. Niets is verderfelijker in een leger vóór den vijand, dan de verdenking dat men verraden is; ook werden wij door deze schrikkelijke mare zeer ontmoedigd; en het is slechts later, toen wij onzen dapperen koning Leopold evenals den minsten soldaat het vijandelijk vuur zagen trotsen, dat er ons weder vertrouwen in den boezem zonk.
Tot meerdere verstaanbaarheid der voorvallen dienen hier eenige uitleggingen te worden gegeven.
Bij den inval der Hollanders op onze grenzen was het Belgische leger, zooals gezegd is, in twee groote afdeelingen gescheiden. Generaal Daine voerde het bevel over eene dezer afdeelingen, het Maasleger genaamd, en was omtrent Hasselt aan het hoofd van 15000 man. Hem was bevel gezonden om naar Leuven af te wijken en zich daar met het Scheldeleger te vereenigen, om gezamenlijk den vooruitrukkenden vijand eenen beslissenden veldslag aan te bieden. Misverstand in het begrijpen der bevelen, anderen zeggen stijfhoofdigheid vanwege generaal Daine, gaf aanleiding tot eene noodlottige vertraging in het uitvoeren der ontvangene bevelen. Het Maasleger werd door de Hollanders afgesneden en met overmacht aangetast; het verdedigde zich lang en moedig; doch eindelijk werd het tot eenen verwarden aftocht gedwongen en nam de wijk naar de stad Luik. Dáár bevonden zich nu de overblijfsels van de helft der Belgische krijgsmacht; terwijl het gansche Hollandsche leger, voorwaar wel 60,000 man sterk, zich gereedmaakte om Leuven te omsingelen en ons tot eenen wanhopigen strijd te dwingen.
Ik heb later in een boek gelezen, dat de Belgen te Leuven slechts 7,000 man telden[3]. Dit schijnt mij eene onwaarheid: met de hulptroepen der burgerwacht moest onze macht wel tot de 20,000 man reiken, zoo ten minste was alsdan onze overtuiging, en de bestaande dingen beloochenden ons gevoelen niet.
Terwijl wij op de binnenvesten van Leuven ten gronde lagen en werkelijk sliepen, bewoog zich het Hollandsche leger; zijne eene helft trok in dikke kolommen en onder bereik van ons grof geschut over de heuvelen, die nevens de stad zich verlengen.
Er werd van wederzijde een hevig kanonvuur geopend; en gedurende langen tijd galmde het gedonder van meer dan vijftig stukken onverpoosd door de lucht.
Ons regiment lag niet verre van de batterijen; alles geschiedde op eenige stappen van ons. Mijne gezellen hadden zich in het eerst opgericht; maar ziende, dat slechts de kanonnen tot den strijd werden gebezigd, legden de meesten zich weder met het hoofd op hunnen ransel en sluimerden even vast in, alsof het gebeurende hen niet raakte. Mocht ook al een kanonsbal iemand onder hen tot slachtoffer komen uitkiezen, het waken kon het niet beletten.
Ik, door het tooneel van den kanonnenstrijd getroffen, bleef rechtzitten en hield het oog op de batterijen gevestigd. Dáár zag ik tot mijne groote verwondering eenen priester als kanonnier bij een der stukken staan en het geschut op den vijand mikken; hij droeg de kleederen van zijn ambt en had den tikkenhaan op het hoofd. Allen, die niet sliepen, bewonderden den pastoor, die aan de stukken zwoegde en arbeidde, als hadde hij zijn gansche leven dezen dienst gedaan. Een angstschreeuw ontvloog ons, toen wij in de nabijheid des priesters eenen wagen of _caisson_ met buskruid in de lucht zagen springen. Eene wijl betreurden wij zijnen waarschijnlijken dood; doch niet zoohaast was de dikke rookwolk opgeklaard, of wij zagen hem ongedeerd en even werkzaam bij zijn kanon staan[4].
Onze koning reed te paard nevens de batterijen; zijn gelaat was onbewogen en droeg dien stempel van stille, indrukwekkende kalmte, welke den wijzen vorst nu ook nog bij den eersten blik doet eerbiedigen en beminnen door alwie hem nadert. Zijne tegenwoordigheid bracht moed en vertrouwen in aller harten; de hoop dat wij, door hem aangevoerd, de overwinning nog konden behalen, verlichtte den nevel, dien de verdenking van verraden te zijn over onzen geest geworpen had.
Terwijl elks aandacht op het vuur der batterijen gekeerd bleef, hadden de Hollanders op den IJzerenberg, nevens den steenweg naar Mechelen, stand genomen. Van deze hoogte konden zij de stad Leuven tot puin schieten. Daarenboven had eene hunner afdeelingen den steenweg op Brussel bezet en ons diensvolgens de gemeenschap met de hoofdstad afgesneden.
Eensklaps bracht men onzen oversten zekere bevelen; wij werden in allerhaast in dichte gelederen geschikt en tot eene kolom gevormd. Men zeide in weinige woorden, dat wij met den Koning aan het hoofd den IJzerberg stormenderhand gingen beklimmen, om kost wat kost, den vijand uit dezen dreigenden stand weg te slaan; dat wij als _voorwachtbrigade_ aan het hoofd der kolom zouden vooruitrukken en den aanval beginnen, en wij te toonen hadden, dat de oude vrijwilligers van Niellon het vertrouwen des Konings waardig waren....
Wij ontvingen het nieuws met blijdschap en onder luid gejubel; doch men beval ons het stilzwijgen, om alle verwarring te voorkomen.
Opgevolgd door het gansche leger, trokken wij de Mechelsche poort uit, tot aan den voet van den IJzerberg, waarboven de vijand ons verwachtte.
Hier werd onze luitenant Van Diepenbeek door eenen kogel in het voorhoofd gedood.
De trommen begonnen storm te slaan; de horens en trompetten deden hunne aanjagende tonen galmen; het bevel _au pas de charge!_ klonk ons in de ooren; wij sprongen tegen den berg op en geraakten, na eene wijl van den vurigsten marsch, tamelijk verward op de vlakke hoogte. Onvoorziens vielen wij tegen eene machtige batterij kanonnen, die op ons losdonderde en velen onzer makkers ter neder wierp. Deze schrikkelijke ontploffing bracht eene zekere aarzeling in onze rangen; doch op de stem onzer officieren sprongen wij weder met gevelde bajonet vooruit, met het inzicht om de kanonnen des vijands te overrompelen.
Den sergeant-majoor Honoré, eenen mijner vrienden, werden de twee beenen door eenen kanonsbal afgerukt; onzer dokter, de heer Dardespinne, deed den gewonde op zijn eigen paard zetten om hem uit den slag te voeren. De arme Honoré deed nog het Brabantsch volkslied in de hoogte galmen, terwijl bloed en leven hem uit de gepletterde leden golvend ontstroomden.
Ondertusschen werd de berg door de andere gedeelten van ons leger insgelijks en met evenveel aandrift beklommen; de Hollanders konden dien eersten aanstoot niet wederstaan en weken terug naar het midden huns legers. Zij gaven aldus aan het Belgische leger tijd en plaats om zijne regimenten te ontplooien; en, toen onze stormloop tegen de dikste wolk der vijanden was gestuit geworden, begon er op de gansche linie een heet gevecht, dat zich voor alsdan nog bij geweervuur en kanongebulder op eenigen afstand bepaalde.
Hier stortte een onzer trommelaars, Bilocq genaamd, door eenen kogel in het been getroffen, ten gronde.
Een sergeant van ons bataljon, een Brusselaar met name Jacques, was zoodanig door strijdlust aangejaagd, dat hij bij het terugwijken der Hollanders met eenige grenadiers zijner compagnie door hunne slagorde was geraakt, en onverwachts tegen de ruiters aanviel, die den oppergeneraal des vijands, Prins van Saksen-Weimar, omringden. De Belgische sergeant richtte reeds zijne bajonet tot den prins en meende hem te doorsteken; doch de ruiters vielen in macht op hem aan: hij en zijne gezellen werden neergesabeld. Men wilde den sergeant voorts afmaken en dooden; de prins weerhield zijne mannen, nam den dapperen Jacques onder zijne bescherming en deed hem achteruit van het slagveld dragen.[5]
De veldslag duurde voort; ik, als eenvoudig strijder kon niet weten wat er op eenige stappen van mij geschiedde; ik zag niets vóór mij dan eene onmeetbare wolk rook, die de slagorde des vijands afteekende; ik hoorde niets dan de duizenden geweerschoten, die zich tot een aanhoudend geknal vermengden, de ontzaglijke stem der kanonnen, die den IJzerberg onder onze voeten deden sidderen, het gefluit der kogels, het gehuil der ballen en bijwijlen ook het gekerm mijner broeders, die met afgerukte leden of doorboorde ingewanden nedervielen en eenen pijnlijken doodskreet slaakten of, stervend, nog den nationalen roep aanhieven: "_Leve de Vrijheid! Leve Leopold!_"
Op dit oogenblik kreeg ons regiment bevel om zich langs de zijden des vijands uit te spreiden en hem door een scherpschuttersvuur te verontrusten.
Wij zakten den berg af, tusschen de stad Leuven en het slagveld; dáár werden wij volgens krijgsgebruik over eene lange uitgestrektheid gronds verdeeld, derwijze, dat op elke vijf of zes stappen zich slechts een paar mannen bevonden.
De grond was zeer bewogen en de velden nog met den oogst overdekt, zoodat wij wel de Hollanders, onze vijanden, op de helling van den berg zagen staan, maar echter onze eigene gezellen slechts gedeeltelijk konden zien.
Ik bevond mij met eenen soldaat boven den boord van eenen hollen weg, die wel tien voet diepte had; en, alhoewel wij zeer van den vijand verwijderd waren, schoten wij onverpoosd op zijne rechterzijde.
Onderwijl hoorden wij, hoe op den berg het gedonder der kanonnen aanhoudend boven de strijders galmde en hoe de strijd daar meer en meer in hevigheid toenam.