De omwenteling van 1830

Part 4

Chapter 4 3,853 words Public domain Markdown

Dien avond vertelde ik geene vertelsels, wij waren allen in stilte rondom het vuur gezeten en treurden over het noodlottig afscheid. Bethken jammerde over _haren armen Belg_, die zeker in het woeste en harde soldatenleven weder ziek zou worden, ik betuigde den goeden lieden mijnen dank en deed geweld om bij de herhaalde bewijzen van zoete, zusterlijke genegenheid, mij door Bethken gegeven, niet in tranen los te barsten.

Des anderen daags 's morgens, toen wij in de verte de marschtrommen hoorden, gaf Bethken mij twee boterhammen en twee hardgekookte eieren, welke zij van de meid des pastoors had gekregen: die moest ik, of ik wilde of niet, in mijnen ransel steken. Dan volgde het treurig afscheid; wij drukten elkaar met vochtige oogen de hand, en de goede lieden beloofden, dat zij God voor mij zouden bidden.

Bethken volgde _haren Belg_ van verre, tot in het dorp, waar mijn regiment juist op de groote baan verscheen. Ik voegde mij in den rang der onderofficieren mijner compagnie, die over mijne wederkomst jubelden, terwijl zij met blijdschap riepen: "Ah, daar is ons fourierken!"

In het voorbijtrekken zag ik Bethken nog; ik boog het hoofd, want er sprongen tranen in mijne oogen; en nog dieper werd ik ontroerd, als ik verder mij omkeerende, het droeve Bethken tegen een huis met het voorschoot voor het aangezicht zag staan....

De eieren, welke zij mij had geschonken, nuttigde ik dien dag met kloppend hart; ook eene der beide boterhammen; maar de tweede liet ik tot aandenken in mijnen ransel. Maanden lang werd zij bewaard; ja, zoolang, dat zij gansch in morzelen was gevallen. Langer nog bleef het beeld van het zoete Bethken mij volgen; doch het verzwakte mettertijd, en er bleef mij niets van over dan de dankbare herinnering aan de zorg en de vriendschap, door eenvoudige hutbewoners mij bewezen.

Slechts zestien jaren later heb ik het dorp Baelen voor de tweede maal gezien, en ik heb mij ter plaatse begeven, waar de zieke Belg eens zulke liefderijke verpleging vond. De hut was verdwenen; niemand wist mij met eenige juistheid te zeggen, waarheen de ouders van Bethken of zij zelve waren vertrokken of versukkeld. Men scheen slechts door eene twijfelachtige herinnering nog te weten, dat daar ooit het leemen hutteken van eenen armen werkman had gestaan. Een tweede bezoek te Baelen leverde mij geenen beteren uitslag op.

III

Van het bivak bij Baelen trokken wij naar het kleine stedeken Gheel en zijne omliggende dorpen; dan naar Moll, en eindelijk weder naar Turnhout.

Hier kwam mijn vader mij bezoeken en bleef twee dagen met mij; ik vernam van hem, dat mijn broeder Jan Balthazar, evenals ik, dienst had genomen in het Belgische leger, en dat hij vrijwilliger was in een regiment, dat omtrent Westwezel op de grenzen lag.

Mijn vader moest den eersten dag zijner aankomst reeds met mijne oversten gesproken hebben; want tusschen woorden van vaderlijke genegenheid en van aanmoediging, mengde hij voortdurend vermaningen, om mij te doen begrijpen, dat ik wat meer _mensch_ en wat meer _man_ moest zijn, en, zooals hij zeide, het voorkomen van een wittebroodskind moest pogen af te schudden. Ik begreep hem wel en was hem dankbaar voor zijnen raad; doch ik meende, dat mijne inborst beter was dan het ruw en schijnbaar gevoelloos karakter, dat men van een echt soldaat scheen te eischen. Mijn vader keerde te voet naar huis en zou, van den vroegen morgen tot den avond, niet veel minder dan tien uren wegs afleggen. Ik vergezelde hem twee uren verre, omhelsde hem en keerde dan weder naar Turnhout.

De vrijwilligers, sedert eenige maanden reeds op de grenzen werkeloos gehouden, begonnen te morren, omdat men hen niet tegen den vijand leidde; doch men deed hun verstaan, dat de groote mogendheden van Europa te Londen bezig waren met over het lot van België te beramen; en, dewijl Holland weigeren zou zich aan hunne beslissing te onderwerpen, moest men slechts wat geduld hebben: het spel zou wel voor goed aan den gang geraken.

Ondertusschen zwierven wij, tot de maand Juli 1831, gedurig in de Antwerpsche Kempen rond, overal op de dorpen en gehuchten bij de boeren herbergende.

Nu was het Lente geworden; ik beleefde voor de eerste maal het ontwaken der natuur in het nog oorspronkelijk Kempenland. Jong als de hernieuwde schepping was mijn hart, frisch en zuiver als de heide mijne droomachtige ziel.

Niet mijne latere reizen door de Kempen hebben mij het gevoel van de schoonheid der heide gegeven; alsdan, toen ik eerst de kindsheid ontgroeide, heb ik hare indrukken in mij vergaderd, hare kruiden geteld, hare geruchten afgeluisterd, ben ik in hare geheimen gedrongen en heb ik ze geliefd en bemind, als hadde mijne wiege op hare maagdelijke vlakte gestaan.

De frissche herinnering aan dit gelukkig tijdvak mijns levens heeft mij twintig jaren later nog doen uitroepen:

"Wat moet in de jonkheid onze ziel toch beminnend en machtig zijn, dat zij alles, wat haar omringt, in zich zelve opsluit en met eene onvergankelijke liefdewolk omhult. Menschen, boomen, huizen, woorden, alles,--levend of levenloos,--wordt een gedeelte van ons eigen wezen; aan elk voorwerp hechten wij eene herinnering, zoo schoon en zoo zoet als onze jeugd zelve. Onze ziel loopt over van kracht; zij spat vonken en sprankels van haar leven over al het geschapene; en, terwijl wij onophoudelijk het geluk tegenjuichen, dat ons, kinderen of jongelingen, te wachten staat, juicht en zingt alles in de natuur, eenstemmig met ons."

"Ach, hoe bemin ik de weide, den lindeboom, de pachthoeve, het kerksken en alle andere dingen, die mij zagen, toen de rozen der jeugd en de leliën der zuivere levenspoëzie mij den schedel sierden! Zij hebben genoten wat ik genoot; ik zag ze weelderig groeien en lachend in het zonnelicht glanzen, toen ik vroolijk was en dartelend vooruitstroomde in de onbekende baan der menschelijke bestemming. Zij zijn mijne oude speelgenooten, mijne gezellen; elk van haar roept iets aangenaams, iets verrukkends tot mij; zij spreken de taal mijns harten; al de fijnste snaren mijner ziel trillen weder met jeugdige kracht bij dien roep ... en in stille, godsdienstige aandoeningen dank ik den Heer, dat Hij, zelfs in het bevrozen hart van den afgesloofden mensch, nog de zoete bron der herinnering vlieten laat!"

Het was insgelijks gedurende den eersten tijd van mijn soldatenleven, dat ik de bewoners der Kempen, hunne gewoonten en hunne eenvoudige, doch uiterst schoone inborst leerde kennen en doorgronden. Het Belgisch fourierken, waar hij met een logement-biljet verscheen, deed zich spoedig beminnen door menschen, wier karakter zoozeer met het zijne overeenkwam in zachtheid, in levenslust en in eene onuitlegbare zucht tot mildheid en tot liefde. Hij zat met de lieden bij het vuur rondom den koeketel en vertelde wondere dingen; hij voegde de handen te zamen en bad met hen aan den disch; hij volgde hen ter kerke en knielde nevens hen; hij liep met de jongelieden naar het veld en hielp aan den arbeid; maar bovenal was hij de lieveling der kinderen, die met hoogmoed aan beide zijne handen wandelden en niet zelden tranen stortten, als de Belg, hun goede vriend, naar een ander dorp vertrekken moest.

IV

Nadat de _Chasseurs-Niellon_ acht maanden in volle rust op de dorpen gelegen hadden, werden zij op eenen regelmatigen voet ingericht, onder de benaming van 2^{de} regiment jagers te voet, en kregen nu eerst soldatenkleederen van groen laken met roode boordsels.

Er liepen geruchten, dat de Hollanders bezig waren met het vergaderen eener groote krijgsmacht, en dat zij eenen inval in België wilden wagen. Deze geruchten ontstonden en vergingen menigmaal.

Ondertusschen werden wij, op het einde der maand Juli 1831, al te zamen op eene heide omtrent Turnhout vergaderd. Daar werd, onder het aanheffen van een ontzaglijk gejubel, uitgeroepen, dat vorst Leopold, als eerste koning der Belgen, zijne intrede in Brussel had gedaan en volgens voorvaderlijk gebruik 's lands grondwet had bezworen.

Twaalf dagen later, in den nacht van den 1^{sten} tot den 2^{den} Augustus, terwijl wij gerust in onze logementen te Oud-Turnhout sliepen, werden wij eensklaps door de alarmtrom gewekt en liepen op de gewone vergaderplaats der compagnie te zamen.

Men leide ons door de duisternis en langs afgelegen banen naar eene onmeetbare heide tusschen Ravels, Baerle-Hertog en Weelde. Hier vonden wij het overige van ons regiment, alsook een ander bataljon vrijwilligers, reeds gelegerd.

Men deed ons de wapens en patroontasschen onderzoeken, ten einde met den morgen strijdvaardig te zijn; want de vijand was met groote macht over de grenzen gekomen en bevond zich niet verre van ons. Wij hoorden inderdaad, in de richting van het dorp Weelde, gebriesch van paarden en bijwijlen een zeker onuitlegbaar dof gerucht, dat ons de nabijheid van eene groote menigte menschen aankondigde.

In de duisternis drukten wij elkaar met geestdrift de handen; wij waren blijde, dat het ons eindelijk werd vergund, ons bloed voor het vaderland te vergieten. Niemand onder ons twijfelde aan de overwinning; onze moed was groot, en ons vertrouwen zonder palen.

Op mij deed echter het naderen van eenen grooten veldslag eenen diepen indruk; na in de eerste machtspreuken en wederzijdsche aanhitsingen te hebben deelgenomen, liet ik het hoofd op de borst zinken, en ik dacht aan mijnen vader en aan al wie mij te huis dierbaar waren. Deze zucht, naar de beminde dingen is als het testament der ziel: wie jong is en verre van zijne geboorteplaats in een groot gevaar verkeert, zal altijd gevoelen, hoe zijn geest een droevig en teeder vaarwel toewerpt aan al wat zijn hart betreurt en vreest te zullen verliezen.

Om den lezer eenigszins de voorvallen te doen begrijpen, welke gaan volgen, is het noodig eenige inlichtigen over dezen inval der Hollanders te geven.

Het Belgische leger was in eenen beklaaglijken toestand; te Brussel had men den tijd besteed aan de gewichtige beraadslagingen over onze onvergelijkelijk schoone Grondwet en over de keus eens Konings. Op het papier had men eene eerbiedwekkende krijgsmacht ingericht, doch deze bestond niet werkelijk. Geen voorraaddienst voor oorlogstijd was er ingericht; niets was voorzien: de regimenten vóór den vijand hadden zelfs niet meer buskruid onder hun bereik, dan men op eenen enkelen dag verbruiken kon. Vele generaals en de meeste officieren hadden nooit eenen regelmatigen krijg gevoerd: moed en onversaagdheid was er genoeg; maar ondervinding en beleid ontbrak er gansch.

De Belgische krijgsmacht,--buiten de burgerwachten, die meer hinder dan hulp bijbrachten,--kon beloopen tot de 30,000 man en was in twee groote afdeelingen gescheiden. De eerste, het _Scheldeleger_, lag rondom Antwerpen, onder bevel van generaal De Tieken de Terhove, die zijn hoofdkwartier op het dorp _Schilde_ hield; de tweede, het _Maasleger_, lag rondom Hasselt, onder bevel van generaal Daine.--Tusschen deze beide legers bleef een afstand van dertien uren gaans!

De Hollanders hadden integendeel hun leger tot den inval met eene uiterste doelmatigheid vergaderd en ingericht; hunne krijgsmacht, onder bevel van den Prins van Oranje en den Prins van Saksen-Weimar, telde 40,000 man geregelde troepen en 30,000 man der _schutterij_; daarenboven 4,000 ruiters en 72 stukken geschut.

De eene helft der Hollandsche troepen rukte langs Limburg tegen het Maasleger in; de andere helft zakte naar Turnhout af, om op Antwerpen in te dringen.

Ons regiment jagers te voet, dat met eenige onregelmatige bataljons op de Ravelsche heide lag, vormde de zoogenaamde _brigade d'avant-garde_ of voorwacht. Wij waren al te zamen 800 man en hadden twee veldkanonnen; een twintigtal jagers te paard waren ons toegevoegd om den postdienst te verrichten.

De afdeeling der Hollanders, die te Weelde op den Belgischen bodem had stand gevat, was eene voorwacht van 1,000 man.

Van al deze bijzonderheden wisten wij niets; slechts één ding was ons bewust, namelijk dat de Hollanders dáár waren en dat wij gingen strijden.

Zoohaast de morgenschemer de nachtelijke duisternis had vervangen, werden de twee vleugelcompagniën van elk bataljon als scherpschutters tegen den vijand gezonden; de middelcompagniën, waartoe ik behoorde, bleven langen tijd als _réserve_, werkeloos bijeengeschaard.

Een hevig geweervuur bleef den ganschen dag aanhouden; maar dewijl men uit gebosschen en van achter boomen schoot, hadden wij weinig gekwetsten. Eenige Hollandsche jagers werden krijgsgevangen gemaakt, of, beter gezegd, zij liepen tot ons over. Geen enkele kende Hollandsch of Fransch: allen waren Pruisen of Zwitsers.

Naarmate het geweervuur duurde, begon men het gebrek aan voorraad te gevoelen: op den middag reeds kwamen de jagers te paard de pakken kardoezen uit de patroontasschen der middelcompagniën halen, om ze naar de scherpschutters te dragen.

De gedachte, dat wij eerlang zonder buskruid vóór den vijand zouden staan, verontrustte onze officieren. In mijne tegenwoordigheid deed onze dappere generaal Niellon onzen eenigen, doch ledigen voorraadwagen bijbrengen, en riep eenen sergeant uit onze compagnie, met name Nagels, eenen stoutmoedigen jongeling uit Fontaine-l'Évêque. De generaal schreef met potlood, en den kop van zijnen zadel tot lessenaar nemende, een bevel om buskruid te halen.... naar Antwerpen! De sergeant zou met den _fourgon_ over den steenweg vliegen; en, verongelukten er paarden, hij moest maar andere bij de boeren nemen, al ware het met geweld der wapenen.

Ondertusschen vuurden wij zonder verpoozing op de Hollandsche voorposten; zij deden eveneens op onze uitgezette schutters.

Zóó kwam de nacht zonder ander voorval; in mijne compagnie had elk man nog tien kardoezen, en er moesten dagen verloopen, eer wij er andere zouden bekomen.

Wij konden niet begrijpen, waarom men ons niet had laten vooruitgaan, om den vijand in zijne legerplaats aan te vallen; voorwaar, zoo meenden wij, hij zou bij onze verschijning de wijk genomen hebben, vermits hij, ondanks zijne groote macht, ons niet durfde aangrijpen. Het gebrek aan buskruid had velen verbitterd, en in stilte werd er onder de soldaten reeds gemord van verraad en verkooperij.

Den volgenden morgen, toen de nachtelijke dampen in de hoogte stegen, zagen wij eerst op de verre kimmen eene grijze streep, die scheen te bewegen; zij verlengde zich over de gansene heide.

Allengskens werd het ons duidelijk, dat het een drom ruiters was, waarschijnlijk kurassiers, want van hunnen hals tot achter hunne paarden daalde een wijde mantel, die hun in ons oog de gestalte en de vormen van reuzen gaf. Op de ruiters volgde eene dikke wolk voetgangers, wier duizenden en duizenden geweren met bliksemend gefonkel in de eerste zonnestalen schitterden. Het hield niet af; welhaast scheen in het verschiet de gansche heide, zoo wijd het gezicht reiken kon, met vijandelijke scharen overdekt.

Gedurende den nacht was het gansche leger der Hollanders zijne voorposten genaderd; en, terwijl de kurassiers eenen omweg deden, om de baan naar Antwerpen te gaan bezetten, ontplooide het zijne drommen over de vlakte, als om ons den strijd aan te bieden.

Met verbaasdheid, doch zonder vrees schouwden wij op de onmeetbare reeks vijanden, die langzaam en met uitgespreide vleugelen naar ons kwam afgezakt. De krijgsmacht, die wij zagen, mocht tot de 20,000 man beloopen; zij voerde 40 stukken geschut en had eene talrijke ruiterij;--wij waren 800 man, hadden geene ruiterij en slechts twee veldkanonnen.

Wij stonden met den rug tegen een jong mastboschken; vóór ons, op eenigen afstand, lag een veen of waterplas. Onze twee veldkanonnen waren wel honderd stappen vooruit, achter den hoek van een ander dennenbosch verborgen en met schroot geladen.

Ik vergat den krijg en het gevaar, zoozeer greep het ontzaglijk schouwspel mijne inbeelding aan; de zon was in eene helderblauwe lucht opgerezen, en zij fonkelde zoo tooverend in het glinsterend ijzer der wapenen, dat de reeks der Hollandsche troepen mij voorkwam als een stroom van tintelend vuur.

De losbarsting van een tiental zware kanonnen riep mij op uit mijne vergetelheid: ik beefde en was vervaard ... maar bij de tweede ontploffing was die ontsteltenis of liever die siddering des harten reeds verdwenen: er bleef mij niets over dan de overtuiging des gevaars en eene koortsige zucht om te strijden, als moest de dadigheid van den kamp mij verlossen van een gevoel, dat mij lastig en pijnlijk was.

De kanonskogels der Hollanders vielen meest in het veen en deden het water wonderhoog ten hemel springen; slechts één onzer gezellen werd gedood door eenen kanonsbal, die hem vóór den mond was heengevlogen, doch hem niet anders had geraakt.

Wij morden hevig en wilden vooruit; maar onze officieren smeekten ons, dat wij toch niets zonder bevel des generaals zouden bestaan,--en, dewijl de officiers in ons regiment zoo niet ontzien, echter meestal bemind werden, bleven wij, tandenknarsend van ongeduld, in onze rangen staan.

Nog eenige oogenblikken, en het Hollandsche leger zou tot onder bereik van geweervuur ons genaderd zijn; wij zagen dien gewenschten stond met blijdschap te gemoet.

De vijand hield zijne slagorde staan; hij zond door eene opening een zestiental lanciers te paard op ons af; wij hielden ons gereed om er duchtig onder te schieten. Deze ruiters zouden slechts eene verkenning doen en bespieden, welke macht de Belgen tegen hunne vijanden konden stellen.

Alzoo de lanciers met hunne oranjekleurige vaantjes een eind vooruit kwamen gereden, begaven zij zich, tot hun ongeluk, onder het bereik onzer twee verborgene kanonnen. Eene dubbele losbarsting galmde over de heide: tien of twaalf ruiters en zoovele paarden vielen dood of gewond ter aarde; de overigen vluchtten in allerijl terug naar de slagorde huns legers.

Op dit gezicht van dit eerste voordeel, hoe gering het ook ware, ontstond er een onbeschrijfelijk gejubel onder de Belgen, en allen sprongen vooruit onder het donderend geroep van: "_Leve de Vrijheid! Leve Leopold!_"

Geen twijfel of deze 800 man zouden zich zonder aarzelen tegen den ontelbaren drom des vijands geworpen hebben; en wie weet wat er ware geschied? Een zekere dood was hun, wel is waar, beschoren; doch hoe duur zouden zij in die eerste drift hun leven niet verkocht hebben? Misschien had de indruk van zulk heldhaftig bezwijken zwaar gewogen in de weegschaal der latere gebeurtenissen.... Maar de meesten dezer opgewondene strijders moesten, uithoofde van het veen, eenen omweg doen, en dit gaf den officieren den tijd hen te wederhouden.

Terwijl de oversten met open armen aan het vermetel vooruitloopen tegenstand boden, donderde het geschut der Hollanders met vernieuwde kracht; hunne gansche slagorde zakte vooruit, als om wraak te nemen over het gebeurde, en wij hijgden van blijde ontsteltenis bij de nadering van den slag.

Op dit oogenblik kwam een onzer jagers te paard onzen generaal eene haastige boodschap brengen. De Hollandsche kurassiers hadden de baan naar Antwerpen afgesneden; de Belgen waren langs alle zijden omsingeld!

Hoezeer de vrijwilligers huilden van woede en zich de vuisten ten bloede beten, er was niets aan te doen; wij moesten de heide verlaten, terugwijken naar Turnhout, en verder eenen doorgang naar het binnenland zoeken, om, ware het mogelijk, aan eene zekere nederlaag of gevangenneming te ontsnappen.

In goede orde, en nog gereed tot eenen hevigen tegenstand, trokken wij af naar Turnhout. De stad had het voorkomen van een graf: geen levend wezen was er op de straten te zien; deuren en vensters waren gesloten gelijk in het midden des nachts. Dit vertoog deed eenen ongunstigen indruk op onzen geest, en het was inderdaad niet aanmoedigend, al de inwoners dus gevlucht of verkropen te zien, alsof zij, reeds vroeger dan dien dag, ons onbekwaam hadden geacht om hunne haardsteden te verdedigen.

In Turnhout bleef ons regiment niet stil; wij trokken de Herenthalsche baan in en slingerden door bosschen, voetpaden en veldwegen immer met versnelden marsch voort.

Het was uitermate heet; de oogstzon brandde onverdraaglijk boven onze hoofden; wij hadden eten noch drinken.

Reeds te Casterlee deed de felle dorst het bevel der officieren voor eene wijl miskennen. Er stond in dit dorp, in den hof des pastoors, een groote appelboom, overladen met vruchten, die slechts twee maanden later eetbaar zouden zijn. De boom werd door honderden mannen bestormd, beklommen, gebroken en ontbladerd. Men smeekte, men vocht om eene beet der wrange vruchten.... De zure smaak, meende men, zou het branden van den dorst koelen.

Zoo bleven wij acht dagen tusschen Lier en Leuven in de grootste hitte dwalen, elken dag tien of twaalf uren gaande, zonder voedsel en drank, en letterlijk verzengd door de hitte. Wij aten de schors der mastboomen en droegen voor den dorst eenen geweerkogel in den mond; des nachts lagen wij op den grond en verstijfden van den overvloedigen morgendauw.

Men zeide onder ons, dat wij nog altijd door de Hollanders ingesloten waren, en dat ons gaan en komen voor doel had aan de vervolging des vijands te ontsnappen, om ons omtrent Leuven met het groote Belgische leger te vervoegen.

Wat hiervan zij, wij kwamen dikwijls op banen en in dorpen, waar het Hollandsche leger ons inderdaad was voorafgegaan; want wij vonden onderweg _pompons_ en andere kleine dingen, die onze vijanden al gaande hadden verloren.

Op eenen middag hield men ons staan in de nabijheid van een dorp,--ik meen dat het Boisschot heet,--waar nog het stroo lag, dat den Hollanders tot nachtleger had gediend.

Uitgeput van vermoeidheid en van honger, lieten wij ons op een veld nedervallen om te rusten; wij hadden daags te voren weinig voedsel gevonden, en van dezen dag hadden wij nog niets gegeten.

Mij werd bevolen, dat ik met een tiental mannen van goeden wil naar het dorp zou gaan, om nooddruft voor onze compagnie te zoeken en met dank of met geweld, te nemen wat er te vinden was.

De stoutste en ruwste vrijwilligers boden zich aan. Toen wij in het dorp kwamen, waren de inwoners gevlucht; wij braken de deuren met kolfslagen open, doch ontdekten niets dat eetbaar was.

In het midden van het dorp vonden wij eenen man en eene vrouw, die hun huis niet hadden verlaten. Op onzen eisch om brood of ander voedsel te hebben, antwoordden zij ons klagend, dat de Hollanders daags te voren alles hadden weggenomen. Mijne vrijwilligers, door de wanhoop des hongers gedreven, begonnen den man met het plat van de sabel te slaan en hem met nog ergere behandeling te dreigen.

Na langen tegenstand leidde de verschrikte man ons achter in den hof, en groef daar uit den grond drie zeer groote roggebrooden, die in eenen zak gewikkeld waren. Wij namen de brooden mede en ook den zak.

Na vruchteloos nog vele ontruimde huizen te hebben doorzocht, kwamen wij buiten het dorp in eene leemen hut, waar eene jonge vrouw met een kind van drie of vier jaar zich bevond. Op onze dreigende vragen haalde zij eene roggeboterham uit de wiege van haar kind; en ons die toereikende, zeide zij met tranen in de oogen:

"Ziet, vrienden, dit is al wat mij overblijft: ik had het bewaard voor mijn arm schaapken."

Reeds had een mijner makkers de boterham aanvaard, en meende er een stuk af te bijten; maar de anderen hielden hem met geweld terug en deden hem het geringe stuk brood in den zak werpen.

Door een diep medelijden met de ongelukkige moeder aangedaan, wilde ik haar de boterham doen terug geven. Te vergeefs; het spreekwoord is waar: hongerige magen hebben geene ooren.

Dan vatte ik de hand der vrouw en vroeg haar of zij in een naburig dorp voor geld geen brood zou krijgen.

Op haar bevestigend antwoord staken al mijne makkers de hand in den zak; de meesten gaven elk een stuk van vijf en twintig centen; eenigen gaven iets minder, ik gaf iets meer, en zoo kreeg de arme vrouw omtrent vijf franken.... Tranen ontliepen haar nu nog overvloediger; het was van dankbaarheid: hare stem klonk de weldadige _stroopers_ zegenend achterna.