De nuttige handwerken: handboekje ten dienste der lagere school

Part 1

Chapter 13,610 wordsPublic domain

DE NUTTIGE HANDWERKEN. HANDBOEKJE TEN DIENSTE DER LAGERE SCHOOL

DOOR

A. TEUNISSE en A. M. VAN DER VELDEN.

HET BREIEN, 1e stukje, met 30 houtgravures.

VIERDE VERBETERDE DRUK.

(Bekroond met de Gouden Medaille op de wereldtentoonstelling te Parijs 1900).

AMSTERDAM.--1903.--W. VERSLUYS.

VOORBERICHT BIJ DEN EERSTEN DRUK.

Door het samenstellen van dit werkje hopen wij een groot bezwaar tegen het klassikale onderwijs in de handwerken te hebben opgeheven.

Het is namelijk gebleken, dat het dicteeren van hetgeen de leerlingen noodzakelijk moeten onthouden, veel tijd in beslag neemt, terwijl verder dit schriftelijke werk zelfs bij de beste leerlingen toch tot op zekere hoogte gebrekkig blijft en minder geschikt is, om later nog eens te worden geraadpleegd. Het ontbreken van juiste afbeeldingen vooral blijft in zulk werk eene groote leemte.

We hebben daarom getracht, zoo eenvoudig en beknopt mogelijk, het breien der kous en wat daarmede in verband staat te behandelen. Mondelinge mededeelingen, voorwerken en teekenen op het bord zullen echter niet achterwege kunnen blijven. Integendeel, dit alles zal bij het leeren breien geregeld moeten geschieden. Dit boekje treedt alleen in de plaats van hetgeen de leerlingen anders opschrijven, en is dus bestemd voor de hoogere klassen.

Daarom hebben we gemeend, de beginselen van het breien achterwege te kunnen laten.

Voor gegronde opmerkingen en bedenkingen houden wij ons ten zeerste aanbevolen.

BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

Deze druk is op enkele verbeteringen na, geheel gelijk aan den voorgaanden. Daar het onze bepaalde overtuiging blijft, dat het onderwijs in dit vak op de lagere school zoo eenvoudig mogelijk moet blijven, wenschten wij er geene uitbreiding aan te geven.

BIJ DEN DERDEN DRUK.

Deze druk is nagenoeg geheel gelijk aan den vorigen.

BIJ DEN VIERDEN DRUK.

In dezen druk hebben wij voor het zetten van den hiel nog eene teekening met nadere verklaring gevoegd, waardoor de verdeeling der steken, naar wij meenen, nog duidelijker is op te merken. Het breiend opzetten en het muizentandje hebben wij er uitgenomen, daar het eerste slordig en onsterk is en het tweede niet meer gebreid wordt.

DE SCHRIJFSTERS.

BENOODIGDHEDEN VOOR HET BREIEN.

Verschillende kleedingstukken worden gebreid van katoen, van wol of van sajet. Er zijn verschillende soorten van katoen: gele of ongebleekte katoen, witte of gebleekte katoen en gekleurde katoen.

De wol en de sajet zijn ook in verschillende kleuren en soorten te verkrijgen. De kleedingstukken, die wij breien, zijn niet altijd even grof of fijn; daarom komen de katoen, de wol en de sajet in verschillende dikte voor, welke door nummers wordt aangewezen. Hoe hooger nummer, hoe fijner katoen.

De draad, waarmede men breit, is gedraaid uit 4 of 6 fijnere draden. Daarom spreken we van 4 draadsche of 6 draadsche katoen of wol. De 6 draadsche is steviger in elkander gedraaid dan de 4 draadsche en daardoor sterker in het gebruik.

De katoen, waarmede wij nu leeren breien, is ongebleekte katoen No. 12, vierdraadsch. Willen wij grovere katoen gebruiken, dan hebben wij katoen No. 10 noodig en voor fijnere No. 14 of hooger.

Het gebreide werk moet goed rekbaar zijn; daarom moeten de naalden niet te fijn zijn, want dan worden de steken te stijf.

De naalden, die wij bij katoen No. 12 gebruiken, zijn stalen breinaalden No. 6/0; worden de steken te los, dan hebben we fijnere naalden noodig, bijv. No. 5/0; worden de steken te stijf, dan nemen we 7/0, die groffer zijn.

Bij de nummers der naalden merken we het tegenovergestelde op van de nummers bij de katoen.

Bij de katoen gold de regel: hoe hooger nummer, hoe fijner katoen; bij de naalden daarentegen: hoe hooger nummer, hoe groffer naalden; staat echter die 0 niet achter het cijfer, dan zijn ook bij de naalden de hoogere nummers fijner.

DE KOUS.

Niet alle kousen zijn even wijd en even groot; dit hangt geheel af van hen, voor wie zij bestemd zijn. Wij leeren daarom den vorm van eene kous breien naar een bepaald aantal steken, waaraan wij alle deelen leeren kennen en berekenen, om dit daarna op verschillende grootten te kunnen toepassen.

We beginnen dus met het opzetten van de steken, waarvoor we in dit geval 64 zullen nemen, die we zullen verdeelen over drie breinaalden, en wel

op de eerste naald 25 steken, op de tweede naald 20 steken, en op de derde naald 19 steken.

Waarom we dit aantal steken zóó verdeelen, zal u straks duidelijk worden.

Toen we leerden breien hebben we reeds leeren opzetten. We willen dit hier nog even herhalen.

HET OPZETTEN MET HALVEN KETTINGRAND.

Om 20 steken te kunnen opzetten, moet men den draad eenmaal de lengte van eene breinaald afmeten; voor 64 steken heeft men dus 3 maal de lengte van eene breinaald noodig.

Deze afgemeten draad neemt men tusschen den duim en den wijsvinger van de rechterhand met den afgemeten draad naar voren en den draad van het kluwen naar achteren (zie fig. 1a); dan legt men den wijsvinger van de linkerhand onder den draad van het kluwen, den middelvinger en den ringvinger op den draad en den pink weder onder den draad (zie fig. 1b) en verder den afgemeten draad met eene lus om den duim en weder van binnen langs de hand tusschen den ringvinger en den pink naar achter (zie fig. 2). Men zorgt nu, dat de draad vooraan op den duim en den wijsvinger ligt; vervolgens wordt de duim op het tweede lid van den wijsvinger gelegd, waardoor de lus op den duim en den wijsvinger duidelijk gezien wordt. Nu steekt men de breinaald langs den duim van onder naar boven in de lus (zie fig. 2), dan van voren naar achter in de lus van den wijsvinger (zie fig. 3 van c naar b) en haalt de lus van den vinger door de lus van den duim. De duim wordt nu uit de lus gehaald en weder onder den draad gelegd en daarmede de steek aangetrokken. De volgende steken werkt men evenzoo en zorgt hierbij, dat de steken op de naald niet te stijf worden aangetrokken.

Zijn er 25 steken op de eerste naald, dan houdt men de draden nog hetzelfde, laat de eerste naald hangen en begint met de tweede naald, alsof men met de eerste naald vervolgde; hierbij moet men vooral zorgen, dat de steken van de 2e naald goed aansluiten bij die van de 1e naald, en zet evenzoo de steken met de 3e naald op. Nu leggen we de 3 naalden tot een driehoek (zie fig. 4) en breien dan met de 3e naald 1 steek van de eerste naald af, dan is de ronding gesloten en hebben we op alle drie de naalden een even aantal steken, dat door vier deelbaar is. Dit is gemakkelijk, als we straks den boord met het geribde patroon, d.i. twee recht, twee averechtsch zullen breien. We kiezen dit patroon, omdat het 't meest geschikt is voor den boord eener kous, daar deze dan goed om het been sluit.

Na de opzetsteken moet men dadelijk met het geribde patroon beginnen.

HET BREIEN EENER KOUS.

De kous bestaat uit twee hoofddeelen: het been en den voet. Aan het been onderscheiden wij:

a. den boord; b. het kniedeel; c. de afmindering; d. den enkel.

Aan den voet onderscheiden wij:

e. den grooten hiel; f. den kleinen hiel; g. de afmindering van den voet; h. het rechte gedeelte van den voet; i. den teen.

Vergelijk hiermede fig. 5.

EERSTE DEEL VAN HET BEEN VAN DE KOUS.

a. De boord.

De hoogte van den boord is gelijk aan de helft van de breedte van den boord (zie fig. 6). De breedte van de kous zien we, wanneer we eene afgewerkte kous plat leggen, zooals in fig. 5. Ze is dus gelijk aan de halve wijdte. In fig. 6 zien we, door de gebogen lijn aan de onderzijde, de geheele wijdte van de kous.

De breedte is in fig. 6 geteekend op vier ruitjes en telt dus de helft van 64 steken = 32 steken. Als een steek even hoog was als breed, dan zouden wij zooveel toeren moeten breien, als er steken op de helft van de breedte zijn, in dit geval dus 16. Een steek is echter niet even hoog als breed, maar anderhalf maal zoo breed als hoog; wij hebben dus niet genoeg aan 16 toeren, maar moeten anderhalf maal zooveel breien, dus 16 + 8 = 24 toeren.

TWEEDE DEEL VAN HET BEEN VAN DE KOUS.

b. Het kniedeel.

Het kniedeel (zie fig. 7b) is tweemaal zoo lang als de boord, dus 2 x 24 toeren = 48 toeren. Dit deel wordt bijna geheel recht gebreid; aan de achterzijde alleen breien wij om den anderen toer een averechtschen steek, om den naad van de kous aan te geven, waardoor we gemakkelijk de toeren kunnen tellen. Bij elken averechtschen steek telt men dus twee toeren.

Daar we met elk paar toeren één naadje werken, kunnen we ook zeggen, dat we 24 naadjes moeten breien.

DERDE DEEL VAN HET BEEN VAN DE KOUS.

c. De afmindering.

De kous moet naar den vorm van het been naar onderen toe nauwer worden. Dit zal alleen kunnen gebeuren, wanneer het aantal steken in de opeenvolgende toeren minder wordt. We zullen dus af en toe (in welke toeren zult ge straks zien) van twee steken één maken; dan is één steek weggeminderd. Het gedeelte der kous, waarin we dit geregeld doen, heet de afmindering. Het vierde deel van de wijdte der kous wordt weggeminderd.

Bij kleine kousen wordt de afmindering even lang als het kniedeel (zie fig. 8c).

De minderingen zelve, d.i. het vervangen van twee steken door één steek, plaatsen we voor en achter het naadje, en gaan daarbij aldus te werk: Wij breien, totdat er nog drie steken voor het naadje zijn, werken dan eene overhaling (dat is: één steek afhalen, den volgenden steek recht breien en den afgehaalden steek over den gebreiden steek halen), daarna één steek recht, maken het naadje, breien dan weer één steek recht en dan minderen, dat is: 2 steken recht te zamen breien. Bij deze kous moeten in het geheel 64 steken : 4 = 16 steken worden weggeminderd, en daar in elken toer, waar geminderd wordt, twee steken weggeminderd worden, zullen we hebben 16 : 2 = 8 minderingtoeren. De minderingtoeren worden verdeeld over de lengte van de afmindering = 24 naadjes, maar niet op regelmatige afstanden, daar dan de vorm der kous niet zou zijn in overeenstemming met den vorm van het been.

We maken met het eerste van de 24 naadjes den 1en minderingtoer, dan hebben we nog 23 naadjes over. Wij zullen nu eens eerst deze 23 naadjes gelijk verdeelen op de 7 minderingtoeren, die we nog moeten maken, en deelen daarvoor 23 door 7. We krijgen dan 3 tot quotient (zie fig. 9a) en er blijven nog 2 naadjes over. Deze 2 naadjes voegen wij nu vóór de volgende mindering, zoodat we de tweede mindering met het 5e naadje maken (zie fig. 9b), waarin de kleine streepjes de naadjes tusschen de minderingtoeren, de groote streepjes het naadje, waarbij de minderingen gemaakt worden, aangeven. We nemen nu nog van de laatste twee minderingen één naadje af en voegen er één bij de 3e mindering en één bij de 4e mindering (zie fig. 9b). Wanneer ge deze verdeeling oplettend nagaat, zult ge bemerken, dat we na de afmindering bij het 1e naadje, eenmaal geminderd hebben bij het eerstvolgende vijfde naadje, tweemaal bij het vierde naadje, tweemaal bij het derde naadje en tweemaal bij het tweede naadje (zie fig. 9b).

HET VIERDE DEEL VAN HET BEEN.

d. De enkel.

De hoogte van den enkel bedraagt 3/4 van het aantal toeren van den boord. Bij deze kous dus 3/4 × 24 toeren = 18 toeren of 9 naadjes.

Wanneer het laatste naadje gemaakt is, dan is het eerste hoofddeel van de kous of het been af.

HET EERSTE DEEL VAN DEN VOET.

e. De groote hiel.

De achterzijde van den voet moet langer zijn dan de voorzijde, omdat de vorm van den hiel er in moet komen (zie fig. 11e). Dit verkrijgt men door de helft van de steken, die aan de achterzijde van de kous zijn, eerst afzonderlijk te werken en ze daarna weder in verbinding met de voorzijde te brengen. Men noemt bij het breien daarom dit eerste deel den grooten of rechten hiel.

De wijdte van den enkel is 48 steken. Op de helft daarvan, dus op 24 steken, met nog één middensteek er bij, wordt de hiel begonnen. Er moet dus aan elke zijde van het naadje 1/4 van het aantal steken komen. (Zie fig. 12). Nadat wij het laatste naadje in den enkel gemaakt hebben, zullen de steken op de naalden zitten, zooals fig. 13 doet zien. Op de eerste naald waren 24 steken opgezet; deze zijn verminderd met 8 steken, dus zijn er 16 steken over. Op de laatste naald waren 20 steken opgezet; deze zijn ook verminderd met 8 steken, dus zijn hier 11 rechte steken en het naadje over (zie fig. 13).

De werkdraad zit nu bij het naadje en moet aan het einde van het vierde deel komen om den hiel te beginnen.

We breien dus naast het naadje nog 1/4 = 12 steken recht af, nemen de naald met de 4 overgebleven steken in de rechterhand en halen 8 steken van de daaropvolgende naald averechts af. Nu zitten er aan de rechterzijde van het naadje nog 11 steken; er moet dus nog één steek worden overgestoken van de vorige naald. Dan gaan wij verder aldus te werk: Het werk omkeeren, den eersten steek averechts afhalen en de naald averechts breien; het werk omkeeren, den eersten steek recht afhalen, 1 recht, een naadje maken, 9 recht, het middennaadje, 9 recht, een naadje maken en twee recht (zie fig. 14).

Dit zijnaadje dient, om gemakkelijk de toeren te kunnen tellen, daar het middennaadje in verlenging van den enkel is doorgebreid en men moeilijk hierbij de afscheiding vindt.

De lengte van den hiel is bij eene kinderkous gelijk aan het aantal naadjes van den enkel, dus 9 naadjes.

HET TWEEDE DEEL VAN DEN VOET.

f. De kleine schuine hiel.

Om de ronding aan den hiel te maken, moeten wij steken wegminderen; men noemt deze ronding den kleinen hiel.

Men begint hiervoor op de averechtsche zijde en breit tot twee steken voorbij den middensteek (zie fig. 14), dan: averechts minderen, dat is: twee steken averechts te zamen breien, vervolgens een steek averechts, het werk omkeeren, den eersten steek afhalen (zie fig. 14b), nu recht breien tot twee steken voorbij den middensteek, overhalen, dan één steek recht breien; het werk omkeeren, den eersten steek averechts afhalen (zie fig. 14c), averechts breien tot drie steken voorbij den middensteek, dan is men juist vóór den steek, die met den volgenden steek eene opening vormt. Deze twee steken averechts te zamen breien, vervolgens een steek averechts, het werk omkeeren, een steek recht afhalen, recht breien tot drie steken voorbij den middensteek; men ziet ook hier tusschen de twee volgende steken eene opening.

Deze twee steken worden gebruikt voor de overhaling, dan een steek recht. Zoo gaat men telkens averechts en recht een steek verder van den middensteek en daarna minderen op de averechtsche en overhalen op de rechte zijde, totdat alle steken van de naald verbruikt zijn. Men zal dan recht eindigen.

HET ZETTEN VAN DEN VOET.

Nadat de kleine hiel af is, moet het werk weder tot eene ronding gemaakt worden. De lussen op de zijde van den grooten hiel moeten als steken worden opgenomen en gebreid. Wij nemen daarvoor de naald met de steken van den kleinen hiel er op, in de linkerhand, en nemen de buitenste lussen van al de kantsteken van den enkel naar den kleinen hiel toe op en trekken die omhoog; daarna wordt de naald er uitgehaald en de lussen dicht bij elkander in de hand gehouden om de liggende lussen op te nemen, zooals fig. 15a aangeeft. De dwarse lus achter den kantsteek wordt hiervoor opgenomen; bij het opnemen van iedere lus moet men er op letten, dat men door het opnemen van de dwarse of liggende lussen de buitenste lus van den kantsteek aantrekt. Heeft men de juiste lus opgenomen, dan moet men beide steken voorbij het naadje kunnen zien, zooals fig. 15b aangeeft. Aan de eerste zijde krijgen wij aan den hiel van dit kousje 10 lussen; deze neemt men op ééne naald op, dan neemt men het werk recht voor zich en breit de opgenomen lussen als verdraaide steken af, dat wil zeggen: men steekt zóó tusschen de lus in, dat men de achterste lus recht kan af breien.

De steken, die bij het breien van den hiel onbewerkt zijn gebleven, worden nu op ééne volgende naald recht afgebreid. Men neemt dan aan de andere zijde van den hiel de lussen op; aan deze zijde krijgt men altijd ééne lus minder dan aan de linkerzijde. Om te voorkomen, dat hierbij eene opening ontstaat, wordt, voordat deze lussen afgebreid worden, de rechter lus van den tweeden steek, die onder den laatsten kantsteek van den hiel ligt met den draad, die er door heen gaat, te zamen opgenomen en verdraaid afgebreid. Deze steek wordt nog bij de steken van de voornaald gevoegd. Vervolgens worden de opgenomen lussen als aan de andere zijde afgebreid en hierbij de helft van de steken, die van den kleinen hiel zijn overgebleven, tot en met den middensteek recht afgewerkt.

De volgende naald wordt ook nog recht gebreid. Deze laatste twee naalden vormen nu de achterzijde van den voet, terwijl de steken, die bij het breien van den hiel onbewerkt zijn gebleven, de voorzijde vormen. Wij hebben dien steek, die gebreid was ter voorkoming van de opening, die anders ontstaan zou, weer aan de voorzijde van den voet gegeven, omdat wij bij het breien van den hiel er eenen steek van hadden afgenomen, om een oneven aantal steken voor den hiel te hebben, waardoor we het naadje als middensteek kregen.

Nu breien wij nog een toer recht en zijn dan weder aan de voorzijde van den voet.

HET DERDE DEEL VAN DEN VOET.

g. De afmindering van den voet.

Op de voornaald breien we nu 2 steken recht, 1 averechtsch, de steken verder afbreien tot op drie steken na, dan 1 averechtsch, 2 recht. Van de eerste zijnaald breien we 2 steken recht, overhalen, de steken verder recht van de naald breien. Van de tweede zijnaald breien we tot op vier steken na alle steken recht, dan minderen, 2 steken recht. De volgende toer wordt geheel recht gebreid.

Deze twee toeren worden zoo dikwijls herhaald, tot men aan de achterzijde, dat is op de twee zijnaalden, evenveel steken heeft als op de voornaald of voorzijde van den voet; bij deze kous is dit 24 steken.

HET VIERDE DEEL VAN DEN VOET.

h. Het rechte gedeelte van den voet.

Het rechte gedeelte van den voet kan verschillend van lengte zijn. Gewoonlijk breit men zooveel toeren aan de afmindering en het rechte gedeelte van den voet te zamen, als er steken in de rondte van den toer zijn na de afmindering; bij deze kous dus 48 toeren of 24 naadjes.

HET VIJFDE DEEL VAN DEN VOET.

i. De platte teen.

Daar de kous geheel om den voet moet sluiten, moet men aan het laatste gedeelte zooveel steken wegminderen, dat men den vorm van den voet verkrijgt.

Dit gedeelte noemt men den teen. Het wegminderen van deze steken werkt men bij dezen teen aan het begin en aan het einde van de voor- en de achterzijde. De steken van de voorzijde zijn op ééne naald en de steken van de achterzijde in twee helften op twee naalden.

We breien nu eerst een toer recht, daarna voor den tweeden toer aan de voorzijde 2 steken recht, overhalen, de volgende steken recht tot op 4 steken na, dan minderen, en 2 steken recht (zie fig. 16); nu breien wij op de eerste zijnaald hetzelfde als op de eerste helft van de voorzijde en op de tweede zijnaald als de tweede helft van de voorzijde. Deze twee toeren worden zoo lang herhaald, totdat de helft van de steken zijn weggeminderd. Er waren 48 steken in de rondte; de helft hiervan is 24 steken. Daar nu in één toer vier steken worden weggeminderd, zal men dus 6 maal om den anderen toer moeten minderen. In de tweede helft van den teen worden de minderingtoeren steeds voortgezet, zonder een toer recht er tusschen, totdat ongeveer een vijfde deel van het aantal opzetsteken over is, bij deze kous dus 12 steken; men heeft alzoo 6 steken op de voorzijde of voornaald en 3 steken op elke zijnaald.

De steken van de tweede zijnaald worden op de eerste overgenomen, de voor- en de achterzijde van den teen tegen elkander gehouden en de steken van de beide naalden twee aan twee te zamen afgebreid op ééne naald. Daarna worden de overgebleven steken afgekant, dat is: de eerste steek wordt afgehaald, de tweede steek gebreid en de afgehaalde steek wordt over den gebreiden steek heen gehaald; nu wordt weder een steek gebreid en de vorige steek er over heen gehaald. Op deze wijze worden alle steken achtereenvolgens afgewerkt en door den laatsten steek de draad gehaald. Als alle draden zijn afgehecht, dan is de kous voltooid. Wil men den teen aan de verkeerde zijde af kanten, dan keert men de kous om, vóórdat men de tweede helft van den teen begint; men steekt namelijk den boord van binnen door de kous en zoo naar buiten door de ronding heen, die door de breinaalden gevormd wordt, en werkt de kous verder af met de opening naar zich toe, om zoo recht te vervolgen.

BEPROEF NU EENS DE ONDERSTAANDE VRAGEN TE BEANTWOORDEN.