De Noordwestelijke Doorvaart De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 8

Chapter 84,074 wordsPublic domain

Allen deden mee aan dit werk. Ristvedt en Lund hadden een valreeptrap gemaakt van ijzer en hout, een mooie trap, die later zelfs in San Francisco opgang maakte. "Niemand mag aan ons zien", zeiden we toen in Juni 1905, "dat wij tweemaal overwinterd hebben!"

Wij hadden nu maar te wachten op den terugkeer der slede-expeditie. Toen ze na verloop der eerste zeven weken niet terug waren, besloot ik daaruit, dat ze het dépôt bij kaap Crozier onbeschadigd hadden aangetroffen. Maar ook in dat geval hadden ze den 16den Juni er weer moeten wezen. In den laatsten tijd waren veel Eskimo's van verre gekomen, maar geen een had wat van de onzen gezien, en ik werd langzamerhand een beetje angstig. Sinds de Eskimo's in zoo grooten getale er weer waren, hadden wij een nachtwacht aan boord ingesteld. Ik drukte de wacht nog ernstig op het hart, goed uit te zien en mij dadelijk te wekken, als er iets in het gezicht kwam, dat op onze sledevaarders geleek.

De 24ste Juni, Sint Jan, werd ook bij ons een feestdag, want des morgens om half zeven kwam Lund, die de wacht had, bij mij binnenstormen met den uitroep:

"Daar hebben we ze!"

Ik was dadelijk in mijn kleeren. Het was een heerlijke morgen, volkomen windstil met stekenden zonneschijn. Ginds bij de uiterste landpunt kwamen onze kameraden in het gezicht. Ik kan bijna niet zeggen, hoe blij en verlicht ik mij voelde bij hun aanblik. En de behandeling, die de honden nu ondergingen, toonde wel, dat de heeren goed op krachten waren. In een wipje was de vlag geheschen, en met haar verschenen alle anderen op dek. Dat was een jubel aan boord! Een beter ontbijt dan anders werd opgedischt en daarbij hoorden wij terstond de gewichtigste gebeurtenissen.

De tocht had zwaar en lichter werk gebracht, maar meestal was de arbeid zwaar geweest. Het dépôt van kaap Crozier was door beren volkomen vernield; maar toen ze daar waren, hadden ze al vier rendieren geschoten. De overvaart naar de Victoriastraat was zeer bezwaarlijk geweest. Het ijs was hoog opgetorend, en op sommige dagen waren ze niet meer dan twee of drie zeemijlen vooruitgekomen. Om een weinig te vorderen, hadden ze buitendien steeds groote omwegen moeten maken. Aan den anderen kant van de straat hadden ze een nieuwen Eskimostam aangetroffen, de Kiilnermium-Eskimo's van de Copperminerivier, die op de zeehondenvangst waren. Terwijl nu deze Eskimo's bijna niets hadden, dat van ijzer was, hadden ze veel meer voorwerpen van hout dan de Netsjilli's. Veel beter waren o.a. de bogen en de sleden. Onze beide reizigers ruilden voor spijkers en kleine messen zooveel zeehondenvleesch als ze noodig hadden. Zij bleven bij die menschen den nacht over, om een rustdag te hebben, die zoowel voor de menschen als voor de honden noodig was na den harden trek door het ijs.

Toen werd de reis langs de onbekende oostkust van Victorialand voortgezet. Het land was zoo laag en vlak, dat het over het grootste deel der kust niet van de zee was te onderscheiden. Onder het voortgaan maakten ze een kaart van de kust. Ook schoten ze geregeld zeehonden, rendieren en beren, zoodat ze bijna altijd overvloed van levensmiddelen hadden.

Op Vrijdag 26 Mei keerden ze om, nadat ze op het noordelijkste punt dat ze bereikt hadden, een wachtpost gebouwd en een reisbericht erin neergelegd hadden.

De terugweg ging vlugger, daar ze nu geen opmetingen meer te doen hadden. Op dien terugweg werd het door Dr. Rae in de Victoriastraat waargenomen land nauwkeurig onderzocht. Het bleek een groep van vele kleine eilanden, The Royal Geographical Society-eilanden. Deze werden zoo goed mogelijk geographisch opgenomen, wat later van groot belang is gebleken voor ons verder doordringen. De Oglugi-zee tusschen Amerika, Victorialand en King Williamsland was voor het grootste deel met eilanden opgevuld en open, zooals op de oude kaarten is aangegeven. Het was goed, dat wij dat wisten voor het geval, dat we er in een donkeren nacht door wilden varen.

Op den terugweg naar kaap Crozier hadden de reizigers gelukkig beter ijs gevonden, waar ze gemakkelijker op vooruit konden komen. Behalve een paar zeere hondenpooten was alles in den besten welstand. De reis had 84 dagen geduurd met een proviandvoorraad voor maar vijftig dagen. De expeditie had dus een uitstekend gevolg gehad, ja, men kon het succes bepaald schitterend noemen, als men aan het vele slechte weêr dacht, dat ze hadden gehad en als men in aanmerking neemt welke opmetingen ze hadden gedaan en hoeveel tijd ze aan de jacht hadden moeten besteden, om zich van de noodige levensmiddelen te voorzien.

Dat alles vernamen we bij het eerste ontbijt. Verder verliep de dag in feeststemming.

Tegen het eind van Juni werd het zeer warm, en aan het strand begon het ijs te smelten. Als het op deze wijze verder ging, konden we een zeer goed ijsjaar verwachten, net als in 1903. Het land was bijna van ijs bevrijd, en de muggen plaagden ons geweldig.

Aan boord moesten we ons nu in velerlei opzicht anders inrichten, daar Wiik en Ristvedt van het vasteland tot ons waren gekomen. De luitenant en ik moesten de kajuit met hen deelen. Daar Wiik aanhoudend met de uitwerking van zijn waarnemingen bezig was, kon de kajuit niet meer als donkere kamer worden gebruikt. Een donkere kamer moest de luitenant echter hebben; de vraag werd van alle kanten bekeken, en ten slotte eindigde luitenant Hansen met een donkere kamer, welker nadere bestemming ik niet nader wil aanduiden. In den nood leert men zich behelpen.

Omdat nu de proviandtent ledig was, en de voorraad aan boord was overgebracht, werd ze tot allerlei doeleinden gebezigd. Vooreerst als droogkamer voor alle vogelhuiden, die er werden opgehangen en die in den aanhoudenden tocht snel droogden. Dan werd de tent als kantoor en badhuis gebruikt. Ons klein stoombad werd er neergezet en de ingang werd zoo laag gemaakt, dat ieder er zich in kon wasschen. Wij plaatsten er ook eenige tafels, waar we onze waarnemingsboeken en magnetische krommen konden nazien, vóór ze werden afgesloten.

De Uil, Umiktuallu en Noliein gingen den 2den Juni westwaarts naar Kamiglu in de buurt van het eiland Eta, om er te jagen. Ik beloofde hun, daar in de Simpsonstraat stil te houden, als wij met de _Gjöa_ voorbijkwamen, en ik gaf hun een lange staak met een vlag eraan, die ze moesten oprichten, opdat we konden zien waar ze waren. Ze zouden ons rendierbouten aan boord brengen. Reeds lang had ik Lindström een paar dagen vacantie beloofd, die hij wilde besteden aan een onderzoek in het geheimzinnige binnenland. De Eskimo's hadden veel verteld van een rivier, de Kaa-aaga-angi, daar hoog in het Noorden, die vol zalmen moest zijn, en veel familiën waren er nu heen gegaan, terwijl er berichten kwamen van grootsche vangsten. Daarheen gingen ook Lindström's wenschen.

Eindelijk was op den 4den Juni zijn expeditie gereed tot het vertrek. Ze bestond uit hemzelven en Talurnakto als eerste officier. Door de anderen was deze expeditie al als de "expeditie tot onderzoek van het binnenland van King Williamsland" genoemd. Ik beproefde nog het langst mijn ernst te bewaren tegenover de tochtgenooten. Lindström had zich immers heusch ten doel gesteld, zijn zoölogische verzamelingen te verrijken, en de andere kameraden hielden hem teveel voor den gek. Toen de expeditie den 9den Juli terugkeerde, werd ze met groote ovaties ontvangen. De buit bestond uit veertig eieren en eenige eiderganzen. Het wetenschappelijk rapport was kort. Het luidde, dat Kaa-aag-angi een rivier was van de breedte van de Nid bij Drontheim, en dat het dier- en plantenleven het rijkst was bij het station!

Den 26sten Juli was de haven dezen zomer voor de eerste maal ijsvrij. Wij zagen het water in de straat buiten al blauwer worden, maar er was nog geen scheur in het ijs te zien. Maar eenige dagen later kwam de wind te hulp; het ijs zette zich in beweging en in allerlei richtingen verschenen de scheuren. Wij waren nu klaar voor de afvaart. Met uitzondering van de meteorologische instrumenten en van de honden, die tot het laatst aan land moesten blijven, hadden wij alles aan boord. De ruimte was door al onze verzamelingen overvol. In twee groote ijzeren kisten waren onze waarnemingen van de laatste twee jaar geborgen. Zij waren zoo ingericht, dat ze in het water konden drijven en op beide was de naam van het schip te lezen. Daaromheen stonden kleine kisten met proviand voor veertien dagen, munitie en verdere uitrusting, alles om te worden meegenomen, in geval we het schip moesten verlaten. Ieder had er ook zijn zak bij liggen met die dingen, die hij in geval van nood het liefst zou willen redden.

Al onze booten en kajaks van zeildoek waren in de beste orde. Wij waren erop voorbereid, ons te moeten doorboomen. De wachten waren zoo verdeeld, dat één man aan het roer stond, één op den uitkijk en één bij de machine. Wij deklieden moesten alle drie op het dek zijn, terwijl de vierde mocht slapen. De machinisten wisselden elkaar af op de wacht; de kok zou de behulpzame hand reiken, zoo vaak hij weg kon.

Allen zonder uitzondering wisten wij nu, dat er zwaar werk voor den boeg was. Maar de eensgezindheid, die al den tijd onder ons had geheerscht, bleef en gaf ons allen moed.

Van de Axel-Steenhoogte had men het beste uitzicht naar het Westen over de straat, en in de volgende veertien dagen was ik daar dagelijks twee- of driemaal. Den 12den Augustus kwam er weer een flinke bries, en als wij inderdaad weg wilden, dan moest het nu zijn. Luitenant Hansen, Lund en ik waren al vroeg in den morgen op de Steenhoogte. Het ijs, dat zich hardnekkig was blijven vasthouden aan King Williamsland en westwaarts, was teruggeweken. Nu moest de poging gewaagd worden. De aftocht werd op den volgenden morgen om drie uur vastgesteld.

Den 13den Augustus precies op dat uur draaide de ankerspil lustig op de _Gjöa_. Het was geen uitlokkend weêr, dichte nevel met tegenwind. Met volle kracht van den motor voeren we de haven uit. De Eskimo's hadden zich trots het vroege uur aan het strand verzameld en het laatste "Manik-tu-mi" werd ons toegeroepen. Een van hen, Tonnich, had zich laten vinden om als achtste reisgezel met ons mee te gaan. Wij loodden en peilden ons door de Simpsonstraat naar Boothpoint, waar wij moesten ophouden, omdat we niet meer genoeg konden zien of wij verder tusschen het ijs door, dat in groote massa's oostwaarts dreef, konden doorvaren. We ankerden dus in de lij van een der groote riffen vóór de kaap, waar we tegen het drijfijs waren beschut. Af en toe verdeelde zich de nevel, en dan zagen we vóór ons de door zeer veel ijs omgeven Todd-eilanden. Op den westkant van de eilandengroep konden wij open water waarnemen; daar moesten we dus zien te komen.

Om drie uur in den namiddag trok de nevel op en wij kregen een overzicht van onzen toestand. Wij waren niet ver van de Todd-eilanden verwijderd, die slechts uit drie lage, kleine eilandjes bestaan, maar groot genoeg zijn om een massa ijs te verzamelen. Het zag er niet zeer hoopvol uit. Tusschen de hoofdmassa ijs en het verste eiland was wel een streep open water; maar het was niet te denken, dat die smalle geul ver door zou loopen. Het ijs dreef namelijk zeer snel oostwaarts en ging waarschijnlijk aan de westzijde der eilanden vast zitten.

Wij moesten daarheen om te onderzoeken. Het weer was wonderschoon geworden, stralend helder en bijna windstil. Nadat we de zuidpunt van het eiland hadden bereikt, waren we in spanning of werkelijk de westzijde met ijs bezet zou wezen. Een geul, die zoo smal was, dat ze uit de verte nauwelijks breed genoeg scheen voor een bootje, lag open tusschen het ijs en de kust. Nu was er nog de vraag, of ze diep genoeg was. Alles hing af van den aard van de kust.

"Ik geloof, dat we er door kunnen!" riep Lund uit den mast. "Ik zie wel rotsen op den grond, maar wij kunnen tot vlak bij de kust komen."

Dat was ook volstrekt noodig, als we verder wilden. Gelukkig daalde de westkust van het eiland zonder eenig strand loodrecht naar beneden; maar de _Gjöa_ zou niet veel duimen breeder hebben moeten zijn, of wij waren blijven zitten. En wij stieten allen een zucht van verlichting uit, toen we tegen het Westen het open water der zee vóór ons hadden.

Bij Hall Point hadden de luitenant en Hansen op hun boottocht van 1904 twee geraamten zien liggen. Het waren geraamten van blanken, dus van deelnemers aan de Franklinexpeditie. Zij begroeven ze en richtten een steenheuvel op, dien wij nu in alle stilte passeerden, juist toen de zon onderging, terwijl hemel en aarde overvloeid werden door een roodgouden licht; onze kleine triomfeerende _Gjöa_ groette eerbiedig haar ongelukkige voorgangers.

Toen ik den volgenden morgen vroeg op dek kwam, waren wij juist voor de Douglasbaai. Tonnich, die in deze streek bekend was, noemde ons de namen van de verschillende heuvelketens aan land. Hij ontdekte ook het kamp van onze Eskimo's. Het lag op den Kamiglu, een kleinen heuvel van ongeveer 20 meter hoogte. De tenten staken tegen den horizon af, en wij konden ook de staak met de kleine vlag zien.

Daar de nevel nu in groote golven op ons toedrong, richtten we den koers recht naar den Kamiglu. Aan den kant van het vasteland was de grond zeer ongelijk, en we moesten dus een goed eind uit den wal ankeren. De mist hulde het schip geheel in, en om de aandacht van de Eskimo's te trekken, lieten wij met korte tusschenpoozen den misthoorn klinken.

Reeds na korten tijd bewoog zich een kajak uit den nevel naar voren op ons toe, en een vroolijk "Manik-tu-mi" klonk ons tegen. Het was Nuleiu, dien spoedig anderen volgden. Zij waren allen zeer blij ons weer te zien, en Lund en ik gingen in de dorry om hen naar den wal te volgen. De mist hinderde de Eskimo's niet in het minst. Zij lachten ons uit, toen wij hen vraagden, of ze bij zulk dik weer den weg wel konden vinden en voeren vlug weg. Ofschoon wij drie kwartier moesten roeien, kwamen we precies bij hun landingsplaats aan. Om zonder een spoor van zonneschijn en bij volstrekte windstilte met zooveel zekerheid voorwaarts te komen, moesten deze menschen werkelijk met een zesde zintuig begiftigd zijn.

Aan land was de nevel minder dicht. Kamiglu was een naar alle kanten steil afdalend schiereiland en alleen door een smal strookje land, tusschen lagunen in het Oosten en het Westen, met het land verbonden. Op den top hadden onze vrienden hun woningen in zeven tenten in een waar arctisch paradijs. In de lagunen beneden haalden ze zich zooveel visch, als ze noodig hadden, en rondom de uitgestrekte meren in het binnenland weidden groote rendierkudden. De Eskimo's hadden een goede jacht gehad en hadden overvloed van vleesch. Maar het meeste lag in dépôts buiten op het vrije veld. Zij waren wel dadelijk bereid het te halen; maar dat zou ons verscheiden uren hebben opgehouden, daarom stelden we ons tevreden met wat in het kamp aanwezig was. Wij liepen rond en zeiden onze oude vrienden vaarwel; het zou zeker lang duren, eer we elkaar weerzagen. Tegelijk verzamelden wij zooveel gedroogd vleesch en zalm als we konden krijgen.

Vóór de tent van Umiktuallu stond een pleegzoon van hem, Maniratcha of Manni, zooals wij hem altijd bij verkorting noemden. Hij stond te snikken, want hij had zoo graag met ons mee willen gaan, en nu hoorde hij, dat Tonnich was aangenomen. Hij was een flinke jongen van zeventien jaar, en hij had vroeger al gevraagd, om mee te mogen, zonder dat ik er veel op gelet had. Nu stond hij daar, en het speet mij, dat de zaak zoo geloopen was, want ik had Manni veel liever gehad dan Tonnich. Ik zei dus, dat hij maar eens moest meegaan; dan zou ik zien.

Des morgens om zeven uur begon het op te klaren, en ik hield het nu voor het beste, dadelijk aan boord te gaan, om terstond te kunnen vertrekken als het goed helder was. In onze boot namen wij zes-en-dertig heerlijke rendierbouten mee en een grooten hoop gedroogde zalmen. De Uil, Manni en nog twee Eskimo's gingen met ons, en buitendien nog vier anderen in hun kajaks. Tegen acht uur waren wij aan boord, en de lucht was intusschen bijna geheel opgeklaard. Ik rekende met de Eskimo's af en betaalde hen voor vleesch en visch met ammunitie.

Daarop moest het geval Manni met de kameraden worden besproken. Wij waren het allen eens, dat we liever Manni hadden dan Tonnich, die sedert zijn aankomst aan boord den welverdienden naam van vreetzak had gekregen. Daar opeens kwam de jonge heer zelf naar mij toe, en ik sprak hem aan:

"Nu, lieve Tonnich, wil je nu werkelijk met ons naar het land der Kabluna's reizen?"

Hierop verklaarde hij mij dadelijk met verbluffende openhartigheid, dat hij daar al lang geen lust meer in had. Hij kon de blanken niet verstaan. Vóór drie dagen wou hij volstrekt mee en nu, na een leventje als een prins, was hem de lust vergaan. Ik nam het verrassende bericht heel kalm op, want nu was de zaak met Manni in orde. Maar neen, nog niet heelemaal. De pleegvader, Umiktuallu, had er nog een woordje in mee te spreken, diezelfde aangename pleegvader, die vroeger zijn anderen pleegzoon doorstoken had. Hij moest eerst zijn toestemming voor de reis van den jongen geven. En die toestemming gaf hij niet voor niets. Hij was mee aan boord gekomen en eischte betaling voor den knaap. Een vijl en een oud mes bevredigden intusschen zijn verlangens; dus de prijs voor den pleegzoon was niet buitensporig.

Het was helder, en wij zeiden den Uil en onze andere goede vrienden van den Netsjillistam hartelijk vaarwel. Het was een heerlijke, warme zomerdag met volkomen windstilte. Midden in de Simpsonstraat lag Eta als een reus, die ons den weg wilde versperren. Met de allergrootste voorzichtigheid voeren we door het zuidelijke vaarwater tusschen het eiland en het vasteland, niet breeder dan drie vierde zeemijl en vol ondiepten en riffen. Ik geloof, dat dit onze spannendste doorvaart was. In het kanaal werd het breeder water al ondieper; maar de uitkijk meldde, dat hij dieper water zag, als we maar eens over het rif waren. Het peillood was aanhoudend in werking, en het roer vloog van de eene zijde naar de andere, alsof het door dicht ijs ging, maar ten laatste kwamen we gelukkig de Etasond door.

Nu konden wij ons ook eens met Manni bezighouden, die tot hier toe aan zichzelven was overgelaten. Ristvedt, die de namiddagwacht had bij de machine, kreeg de opdracht, Manni tot een Kabluna te maken. In aanmerking de massa zeep en insectenpoeder, die erbij gebruikt werden, moest men wel verwachten, dat Manni schoon werd, en dat was hij ook geworden, ofschoon wij hem zijn mooi haar lieten behouden, nadat het duchtig gekamd was. Zijn toilet viel wat bont uit, want het bestond uit een blauwen tricotkiel, een kniebroek van zeehondenvel, witte kousen, de oude verlakte schoenen van den luitenant en op het hoofd een oude lichtblauwe badmuts, die ik eens op de een of andere badplaats had gekocht. Van het eerste uur af won Manni ons aller hart; zijn lach verjoeg elke onaangename stemming, en hijzelf was blijkbaar uitstekend bij ons tehuis. Hij was echter ook in een Eskimoparadijs beland, een plaats, waar men zooveel mag eten als men maar kan bergen.

In den loop van den avond kwam van het Zuiden wat ijs opzetten; de kant van het pakijs liep in noordwestelijke richting en dwong ons nu dien weg ook te volgen. Het vaarwater lag vol kleine, met ijs omzoomde eilandjes en klippen en voortdurend moesten wij peilen vanwege de ondiepten. Wij kropen voorwaarts op dien 15den Augustus, tot wij om vijf uur 's avonds buiten in de Victoriastraat waren en de moeilijke eilanden achter ons hadden. De straat, waar we door gevaren waren, doopten we de Palanderstraat ter herinnering aan den moedigen kapitein der Vega. De eilanden ten zuiden ervan kregen den naam Nordenskjöld-eilanden, naar den leider der Vega-expeditie. Luitenant Hansen's aardrijkskundige opneming van deze eilanden bleek volkomen juist.

De Victoriastraat was met ijs opgevuld, dat echter zoo los was, dat we er doorheen konden dringen, want onze kleine Gjöa kon flinke stooten toedienen. Vóór het eiland Lind lag het ijs zeer dicht, maar wij slopen er door een smal geultje doorheen en vonden gelukkig aan de andere zijde open water. Toen wij in den morgen de zeilen wilden opzetten, brak de gaffel, en om die te herstellen, besloten wij in de Cambridgebaai, Collinson's winterhaven, binnen te varen.

Victorialand was vlak en eentonig. Deasestraat is diep genoeg, als men zich maar een paar zeemijlen van de kust heeft verwijderd; maar van alle landtongen en rotspunten loopen ondiepten in zee.

Den 17den Augustus om vijf uur in den morgen gingen wij op de westkust van kaap Colborne voor anker. Dat was een merksteen op onzen weg, want nu hadden wij met de _Gjöa_ het tot nu toe nog niet overwonnen gedeelte van de Noordwestelijke Doorvaart bevaren. Van nu aan voelden wij ons eigenlijk in druk bevaren water. Hier en daar was zelfs een diepte op een kaart aangegeven, en vooral werkte geruststellend het bewustzijn, dat we nu vóór ons een stuk van de Doorvaart hadden, waar reeds een groot schip door was gevaren.

Wij repareerden de gaffel en namen een dag rust, waarna we den volgenden morgen om drie uur weer in zee staken, Collinson's beschrijving van het vaarwater was ons van grooten dienst; zij bleek volkomen juist; de groote eilanden vielen ook nu steil in zee, en het water was diep en zuiver.

Het kompas, dat ons op de doorvaart door de Etasond in het geheel niet van dienst was geweest, begon nu weer te werken; maar we moesten de aanwijzingen natuurlijk met de grootste voorzichtigheid opnemen. Den volgenden dag passeerden wij de Richardsoneilanden, die nog al plantengroei vertoonden. Toen kwamen de Mileseilanden, die naar het Westen zacht afdalen, en het eiland Douglas. Weer stelden de ondiepten en eilanden ons veel moeilijkheden in den weg, en het was een ontroerende gedachte, dat als wij nu hier moesten terugkeeren, de heele onderneming op niets zou uitloopen en het doel, dat reeds zoovelen zich te vergeefs gesteld hadden, weer onbereikt zou blijven. Ik was dan ook zeer zenuwachtig, kon bijna niet eten en was steeds op onaangename verrassingen verdacht.

Maar toen we de Dolphin- en Uyionstraat hadden bereikt, was de laatste moeilijke doorgang in de Noordwestelijke Doorvaart achter den rug, en onze verlichting was onbeschrijfelijk groot. Nu ging het met korte onderbrekingen door nevel of tegenwind gelijkmatig westwaarts. Den 27sten Augustus, toen om acht uur 's morgens mijn wacht voorbij was en ik te bed was gegaan, werd ik, na een poos te hebben geslapen, door een druk heen en weer loopen op het dek gewekt. Er was boven blijkbaar iets bijzonders aan de hand, en ik ergerde mij, dat ze om een zeehond of een ijsbeer zoo'n leven maakten. Maar daar stortte luitenant Hansen de kajuit binnen met de onvergetelijke woorden:

"Schip in zicht!"

Dadelijk daarna verdween hij weer en liet mij alleen.

De Noordwestelijke Doorvaart was volbracht! De droom mijner kindsheid--op dit oogenblik was hij verwezenlijkt! Een eigenaardig gevoel snoerde mij de keel dicht; de tranen kwamen mij in de oogen. Schip in zicht! het woord had een magische uitwerking. Op eens waren het vaderland en alle vrienden mij zoo nabij, alsof ze de handen naar mij uitstrekten. Schip in zicht!

In alle haast kleedde ik mij. Toen ik klaar was, stond ik een oogenblik stil voor het portret van Frithiof Nansen. Het was alsof het portret levend was geworden, alsof het mij toeknikte. "Ik wist het wel", scheen het te zeggen. Ik knikte terug, lachend en gelukkig, en ging aan dek.

Het was een prachtige dag. De wind was een weinig naar het Oosten gedraaid, en het ging vlug voorwaarts. De _Gjöa_ scheen te begrijpen, dat thans het ergste geleden was; ze was zoo merkwaardig licht in haar bewegingen. De beide mastpunten daarginds aan den horizon hielden al onze aandacht bezig. Alle mannen waren op dek, en alle verrekijkers waren op het ons tegemoetkomende schip gevestigd. Op aller gezicht troonde een lach; maar er werd niet veel gesproken. Nu liet een van allen den kijker dalen.

"Ik zou wel willen weten..."