De Noordwestelijke Doorvaart De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 7
Atangala vertelde, dat hij en zijn gezin drie blanken van Chesterfield Inlet in de Hudsonsbaai naar de Coppermine hadden begeleid. Dit bevestigde dus het bericht van Umiktuallu, ons zes weken geleden gebracht. Van de Coppermine had Atangala zich huiswaarts gewend, en toen hij hoorde, dat er een schip in Ogchoktu lag, besloot hij ons te bezoeken, ofschoon de afstand een paar honderd zeemijlen bedroeg, en te onderzoeken of hij ook zaken met ons zou kunnen doen. Hij blufte van belang, beweerde dat hij kon schrijven, en op zijn verlangen brachten we hem potlood en papier. Zijn bedrevenheid in de edele schrijfkunst was niet overweldigend. Met ongeloofelijke inspanning bracht hij zijn naam op papier. Hij vertelde, dat hij een paar jaren geleden met een amerikaanschen walvischvanger van de Hudsonsbaai over land naar Winnipeg was gegaan, en van zijn verblijf aldaar kende hij nu alle uitvindingen van den nieuweren tijd, telefonen, spoorwegen, electrisch licht en--whisky. Voor de laatste had hij groote belangstelling, en hij vroeg er steeds naar. Ik beproefde hem uit te leggen, dat de anti-alcoholbeweging het allernieuwste was op dat gebied, maar daar wilde hij niets van weten. Ten slotte smeekte hij om brandewijn. Maar hij kreeg geen drank. Voor ons was het bericht, dat bij Katiktali of kaap Fullerton twee groote schepen lagen, van het grootste belang. Mij kwam het terstond in den zin, of wij misschien door die beide schepen een postverbinding met de buitenwereld konden krijgen. Dus vroeg ik den heer Atangala, of hij bereid was, voor postillon te spelen en hij scheen er niet tegen te hebben.
Ieder was nu ijverig in de weer met brieven te schrijven. De post zou binnen een paar dagen vertrekken, en men moest zien, gauw klaar te komen. Atangala was nog steeds gast aan boord, en hij scheen het naar zijn zin te hebben. Maar zijn honden zagen er slecht uit; ze leken magere wolven en liepen snuffelend rond. Het was een naar gezicht; maar wat konden wij doen? We hadden voor onze eigen honden niet genoeg, laat staan voor vreemde.
Den 28sten November was de postslede gereed en trots wind en sneeuwstorm vertrokken de postillons om elf uur in den voormiddag. Ik had het voor het veiligst gehouden, Talurnakto mee te zenden, want ik kende immers Atangala niet; misschien was hij wel een der grootste deugnieten.
Het was een dwaas gezicht, hoe Talurnakto zich met de opdracht, die hem toevertrouwd was, in zijn schik voelde. De brieven, die geadresseerd waren aan de "Schepen bij kaap Fullerton," droeg hij in een tasch aan een riem over den schouder. Ik zag wel, dat een spotachtig lachje om Atangala's mond speelde, maar begreep eerst later, wat dat beduidde. De beide Eskimo's trokken dus weg en waren spoedig in een sneeuwwolk uit ons gezicht verdwenen.
Als een expeditie in de wereld van het poolijs zal gelukken, is het een eerste vereischte, dat alle leden ten allen tijde volop werk hebben, en de plicht van den leider is het, de indeeling van het werk te maken, wat echter in lange perioden wel eens moeilijk onafgebroken vol te houden is. Ledigheid werkt altijd demoraliseerend, en dat alleen is al reden genoeg om op een poolreis niet te veel menschen mee te nemen. Enkele menschen kan men altijd wel aan het werk zetten, maar een grooter aantal altijd bezig te houden, is bijna onmogelijk. Voor mij was het geen moeilijke taak, want mijn kameraden kwamen mij altijd halfweg tegemoet. Als ik niet wat uitvond, kwamen ze zelf met hun plannen. Lund genoot de hoop van een groot uitvinder te wezen op allerlei gebied. Als ik met een denkbeeld bij hem kwam, werd het dadelijk uitgevoerd. Alleen moest hij soms, als er smeedwerk moest worden verricht, Ristvedt te hulp roepen. Maar als dan ook de smid Ristvedt en de architect Lund samenwerkten, was er niets onmogelijk.
Van Godhavn hadden wij een menigte vuurvaste baksteenen meegebracht, waarmee wij onze petroleumkachels ommetselen wilden, om de warmte langer te kunnen bewaren. Nu had ik al lang over de beste manier om van die steenen gebruik te maken nagedacht en wendde mij ten laatste met die vraag tot Lund. Wij overlegden en kwamen toen tot de slotsom, dat men, in plaats van de oude kachels in te metselen, even goed een geheel nieuwe kachel kon maken. Lund nam de plannen en de uitvoering op zich. Op denzelfden dag, waarop de post vertrok, verraste hij ons met het voltooide werk. Hij had een van onze groote blikken pakkisten genomen, die in baksteenen ingemetseld en aan de eene zijde een deur erin aangebracht.
Zijn plan was, een van onze groote kooktoestellen, die een verbazende hitte verspreidden, door de deur erin te schuiven en daarmee de kachel te stoken. Als het toestel dan werd uitgedaan, zou de warmte door de steenen nog lang worden vastgehouden. Dat klonk prachtig en met mij verheugde zich de luitenant al op de warmte in onze kajuit. Wij keken met de grootste belangstelling naar het zetten van de kachel. Toen die goed op haar plaats stond, werd het toestel aangestoken en erin neergezet.
Luitenant Hansen zat ijverig over allerlei berekeningen, en ik was aan mijn eigen werk. Het toestel had nog niet lang gebrand, toen mij een eigenaardige, scherpe, doordringende geur in den neus kwam. Snel keek ik naar den luitenant, om te zien of hij ook wat merkte; maar hij zat onbewegelijk over zijn cijfers gebogen. Ik zei dus niets, maar stond op en kleedde mij aan om naar het observatiehuis te gaan en hem alleen de verdere proeven met de kachel over te laten. Het kon mij niet schelen--maar het stonk afschuwelijk!
"Voor den drommel!" viel de luitenant plotseling uit en wierp zijn potlood weg. "Wat is dat hier voor vuiligheid?"
Ik was de deur al uit en liet den luitenant in een dikken, verstikkenden walm, waarvan de reuk de herinnering wakker riep aan alle honden, zoowel de Godhavnhonden als de Gjöahonden. Het kwam namelijk doordat de baksteenen onbeschut buiten hadden gelegen en wel op de plek, waar de honden zich graag ophielden. Men kan zich nu wel voorstellen, wat de uitwerking moest wezen van ons verwarmingstoestel op die steenen!
Toen ik al ver weg was op den weg naar het observatorium, hoorde ik een geweldig spektakel aan boord. Ik kon wel raden wat het was. Lund's zinrijke kachel werd eruit gesmeten.
Nu hadden wij niets meer dan de herinnering eraan; maar die zat dan ook vervloekt lang in de wanden!
Où est la femme?! Zelfs hier in de sneeuwwoestijn moet men vaak dezen noodkreet van de menschheid uitstooten, of liever gezegd er de oorzaak in zoeken van der menschen misslagen en dwalingen. Umiktuallu, die nog altijd op de vischvangst in Navjato was, kwam bij ons aan boord, om onze honden voor een paar dagen te leenen. Hij vertelde, dat Talurnakto in Navjato de post aan Atangala had gegeven en met een Eskimovrouw naar het zuiden was getrokken. Als echtgenoot nommer twee namelijk. Dat was echter, zooals ik uitdrukkelijk verklaar, de eenige onbetrouwbaarheid, die wij van de Netsjilli-Eskimo's ervoeren.
Umiktuallu zei ook nog, dat een ons bekende jonge vrouw in het kraambed gestorven was. Dat was het tweede sterfgeval in den winter.
De Eskimo's stroomden thans in December in grooten getale in onze haven binnen. De vischvangst in Navjato en de andere plaatsen was geëindigd. Voor zoo ver we hen begrepen, wilden ze nu tot na Kerstmis rustig in Ogchoktu blijven. Zeker verleende onze tegenwoordigheid aan de plaats een groote bekoring. Een groot aantal van de Eskimo's bedelde dadelijk om eten. Er waren lieden onder, die voor zich en de hunnen meer dan genoeg wintervoorraad hadden, maar anderen hadden weinig, deels uit ongeluk, deels uit luiheid. Voor ons was het volstrekt niet aangenaam, al dat bedelvolk bij ons te hebben, en wij moesten telkens beslist weigeren, daar we toch niet voor al die menschen voedsel hadden.
De meeste Eskimo's bouwden hun hutten in het Sälanddal, en het kamp zag er belangrijk genoeg uit.
Wij hadden nu den donkersten tijd van het jaar, waarin de zon den geheelen dag onder den horizon blijft. Wij moesten dus aanhoudend licht branden. In verband met dien "langen nacht" had ik extra-patentlampen meegenomen, waarin de verhitte petroleum als gas brandde, waardoor een zeer sterk licht verkregen werd. Maar reeds den eersten winter hadden deze lampen vaak niet goed gebrand en veel moeite gegeven. In dezen winter gaven ze het geheel op. Lindström, tot wiens departement de lampen behoorden, was wanhopend, en hij gaf zich bewonderenswaardig veel moeite, om de zaak in orde te brengen. Maar ten laatste moest hij zich overwonnen geven, en de geheele voorraad lampen werd weggestopt. Ik had een groote fout begaan; in plaats van mij volkomen te verlaten op die lampen, had ik toch ook nog eenige gewone lampen moeten meenemen.
De verlichtingstoestanden waren dus aan het eind van den winter aan boord van de _Gjöa_ ver van schitterend. Een photografeerlamp, een kompaslamp en twee lantarens, dat was alles, wat we hadden, en daarmee moesten we ons behelpen, zoo goed het ging. Natuurlijk deed Lund de eene uitvinding na de andere in zake verlichting, en zijn toestellen hadden misschien wel een tentoonstellingsprijs verdiend, als ze maar gebrand hadden, maar dat deden ze niet.
Eerst half Januari begon de jacht op zeehonden, en het was hoog tijd geworden voor de aanvulling van de voorraden. Ik geloof haast, dat de Eskimo's om een of ander oud vooroordeel niet vroeger met die jacht beginnen. De maan moest, naar ik meende te begrijpen, een bepaalden stand innemen, vóór men met de jacht op zeehonden mocht aanvangen. En de maan is hun iets heel heiligs, waarnaar ze ook hun tijd regelen.
Hun bijgeloof zat hun soms leelijk in den weg. Juist in dien tijd gebeurde iets karakteristieks in dit opzicht. Een aantal vrouwen waren bij ons aan boord geregeld met naaiwerk voor ons bezig. Ze kregen er een kleine betaling voor, waar ze zeer mee ingenomen waren. Op een dag verklaarden ze eenstemmig, dat ze niet konden werken. Wij vroegen naar de reden en vernamen, dat de eerste zeehond gevangen was en dat de vrouwen zeehondenvleesch gegeten hadden; dan mochten ze buiten haar eigen huis niet het minste werk doen, eer de zon zoo en zoo hoog aan den hemel stond. Wij wilden haar het dwaze van deze beschouwing duidelijk maken, beloofden haar ook een ruimere betaling, ja, smeekten haar, toch voort te maken met het werk, dat voor ons noodig was. Maar neen, hier stieten we op een muur, waar we met gewone menschelijke bewijsgronden niet konden doorheen dringen. Daar stond of God of de duivel op wacht, en tegenover deze verloochenden de vrouwen hare anders zoo volgzame en toegefelijke natuur. Alleen de oude Navjato was slim genoeg geweest, niet van het zeehondenvleesch te eten. En zij zat nu bij ons aan boord, naaide van den morgen tot den avond en verwierf ons aller hulde.
Den 11den Januari volbracht ik een volkstelling in de Gjöahaven en de omgeving en bevond, dat er achttien familiën met zestig personen waren.
In het midden van Januari 1905 kwam Lindström op een dag met het bericht, dat er conserven gestolen waren van onzen voorraad op het dek. Wij hadden uit het proviandhuis naar boord gehaald, wat we aan levensmiddelen voor den winter noodig hadden, en ze op het dek ondergebracht, waar het droog was. Van het begin af was het mij duidelijk geweest, wat dat voor een verzoeking was voor de Eskimo's, vooral nu, dat ze bijna niets te eten hadden, en ik vond het nog een wonder, dat er in al dien tijd niets gebeurd was. De Eskimo's gingen immers dagelijks op de _Gjöa_ uit en in; een blikje kan in het voorbijgaan gemakkelijk verstopt en in de kleederen geborgen worden. Nu ontbraken er dus eenige blikken. Ik riep den Uil en Umiktuallu en zei hun, dat hun landslui ons bestolen hadden en dat ik volstrekt de schuldigen aangewezen wilde zien.
Zij namen de zaak heel ernstig op; men zag duidelijk, dat ze zich in zekeren zin voor hun stam verantwoordelijk voelden. Ze verlieten mij, en een paar uren later kwamen ze terug en noemden vier of vijf namen van de schuldigen. Het waren alleen Oglugi-Eskimo's; van den Netsjillistam had geen enkele zich vergrepen. Ik liet de schuldigen halen. Onder hen bevond zich ook Teraiu, evenals zijn broeder Tamoktuktu. Ieder van hen had zich een bus toegeëigend. Ik hield een donderende toespraak en verbood hun van dat oogenblik af den toegang tot het schip. Toen dropen ze druipstaartend af.
Tegen het eind van Januari hadden de Eskimo's meer geluk op de zeehondenjacht, die hun in het begin niet goed naar wensch was gegaan. Den 1sten Februari gaven allerlei kenteekenen te verstaan, dat de stam ging opbreken; de Eskimo's begonnen hunnen voorraden naar buiten te brengen op het ijs, en enkele dagen later trokken ze werkelijk weg. Wij voelden ons zeer verlicht, toen wij ze kwijt waren. Het eeuwige gebedel om levensmiddelen was ons zeer lastig geweest.
Nu begonnen voor ons ook de voorbereidingen tot een slede-expeditie, die al lang voor het aanstaand voorjaar ontworpen was. Luitenant Hansen en Ristvedt wilden met elkander de oostkust van Victorialand trachten te bereiken, om van dit land, het eenige dat nog niet opgenomen was in den noord-amerikaanschen archipel, een kaart te teekenen. Zooals vroeger al verteld is, was voor deze expeditie bij kaap Crozier, ongeveer honderd zeemijlen van de Gjöahaven verwijderd, een dépôt aangelegd. Onze eerste zorg draaide nu om de honden. Wij hadden een uitstekend troepje, maar er waren te weinig. De luitenant en Ristvedt deden daarom een uitstapje naar de Eskimo's, die thans ongeveer twintig zeemijlen op het ijs buiten woonden, en keerden na twee dagen met vier groote honden terug, die ze voor een paar stangen ijzer hadden gekregen.
Die honden waren wel erg uitgehongerd en moesten eerst goed gevoed worden, vóór wij ze in gebruik konden nemen. Maar toen kwam nog de tweede zorg, namelijk het voeder, dat even belangrijk was in dezen als de honden zelf. Ons hondevoêr was opgebruikt. Het eenige, wat wij nog hadden, was menschenpemmikan, en dat zou het niet lang volhouden. Ons pemmikan bestond uit vijftig percent ossenvet en vijftig percent gedroogd en gestampt paardenvleesch. Deze beide stoffen zijn saamgesmolten en in platen van elk een half kilo geperst, zeer gemakkelijk en beknopt in te pakken. De Indianen zijn het, van wie men oorspronkelijk het gebruik van dit proviand heeft geleerd, en alle poolvaarders moeten hun daar dankbaar voor zijn. Het pemmikan smaakt voortreffelijk, neemt weinig plaats in en kan rauw, gebraden of gekookt gegeten worden. Vooral is het van groote waarde op een slede-expeditie. Wij hadden buitendien ook nog een aantal kisten met hondentalg, die nog over waren van de tweede Framexpeditie, en die stof bleek zeer bruikbaar. Ook hadden we een massa havergort en havermeel, dat ongebruikt lag omdat geen van ons er een bijzondere voorliefde voor had. Al die dingen werden aan luitenant Hansen afgestaan, en hij ging er proeven mee nemen. Havermeel met hondentalg smaakte de honden en bekwam hun goed. En zoo vormde hij porties van elk een half kilogram van dat mengsel als dagelijksche maaltijden voor de honden. De bereiding had in het groot plaats; het geheele schip leek wel een gepatenteerde hondenvoerfabriek onder leiding van den directeur Godfried Hansen. Het werk vlotte goed, en weldra was deze heele quaestie opgelost. Daarna werd over de verdere uitrusting gesproken en alles nagezien. Lund zou voor de sleden zorgen, waar heel wat aan te herstellen viel en die van nieuwe schuivers moesten worden voorzien.
Midden in deze toebereidselen kwam het bericht, dat Talurnakto, de verdwenen postillon, in Navjato teruggekeerd was en verzocht, weer in genade te worden aangenomen. Wij hadden hem niet enkel om zijn vlijt, maar ook om zijn goed humeur gemist en vonden zijn misdaad niet grooter dan die van zoo menig man, die er met de vrouw van een ander van door was gegaan; ja, eigenlijk was er minder misdreven, daar in dit geval de geheele familie der vrouw en haar man en kinderen meegegaan waren.
Dus lieten wij hem weten, dat wij hem wilden vergeven en hij zijn vroegere betrekking van "meid alleen" weer kon aanvaarden. Op een avond in Februari werd mij gemeld, dat Talurnakto gekomen was. Hij waagde niet eens, zoo maar bij mij binnen te treden. Ik liet hem halen. Zijn uitzicht was, sinds we hem de laatste maal zagen, zeer veranderd. Hij had het blijkbaar als minnaar niet gemakkelijk gehad. Zijn rond, vergenoegd gezicht was langgerekt geworden en mager, en droeg een uitdrukking van diepen weemoed. Hij had zeker niet enkel aangename herinneringen aan zijn liefdesavontuur bewaard. Al wat hij bezat, zijn mes, en speer, pijp en meer van dien aard, alles was in het bezit der geliefde vrouw overgegaan, of de echtgenoot had ze als vergoeding voor zijn liberaliteit verlangd. De arme Talurnakto kwam volkomen uitgeplunderd van zijn escapade terug.
Den 7den Februari ondernam luitenant Hansen de eerste slede-expeditie in het jaar. Hij ging naar Kaa-aak-ka en deed er een menigte magnetische waarnemingen. Het was de allervroegste tijd voor eenig werk in de open lucht; maar we hadden veel plannen en moesten haast maken. Maar koud was het, dat het een aard had! Het is merkwaardig, hoe bros en licht breekbaar alle voorwerpen bij zoo strenge koude worden. Zoo was onze goede Lund op een dag juist met de sledeschuivers bezig; de lat van hickory-hout lag op twee verscheiden voet hooge kisten; bij een onhandige beweging liet hij het ding op het dek vallen en het sprong in vele stukken. Hickory is toch het taaiste hout van de wereld; onze schuivers waren van uitstekend amerikaansch maaksel uit Pensecola; maar in deze koude streken is toch esschenhout te verkiezen.
Op een Zaterdagmiddag reed tot onze verbazing onze met vijf honden bespannen slede de haven binnen en hield met een mooien zwaai voor de _Gjöa_ op, maar er was geen koetsier. Toen kwam kort daarna van de "Magneet" het bericht, dat er op het ijs een zwarte stip was te zien. En na een poosje kwam Talurnakto hijgend en blazend aanloopen; hij was van de slede geworpen, en de honden waren er van door gegaan en hadden alleen het huis opgezocht.
Eens kwam de Uil met een anderen Eskimo aan boord en vertelde, dat eenige Oglugi-Eskimo's onze proviandtent hadden bestolen; ze brachten een ongeopende boterbus mee, die ze hadden opgeraapt. Bij onderzoek bleek, dat een vierde kist sledebrood, tien platen pemmikan en de bovengenoemde boterbus ontbraken. Als we er niets van vernomen hadden, zou de diefstal waarschijnlijk nooit zijn uitgekomen, want de dieven hadden alles weer in goede orde gebracht. En ze hadden het niet te erg gemaakt. De oude Teraiu en zijn broeder Tamoktuktu hadden aan de spits der onderneming gestaan, die in den vroegen morgen haar slag had geslagen. De Uil kreeg ter belooning voor zijn eerlijkheid een groote bijl, de ander een mes. Toen ze het schip weer verlieten, droeg ik hun een groet op voor de dieven en liet hun zeggen, dat zoo een van hen het in zijn hoofd mocht halen, zich ooit weer in Ogchoktu te vertoonen, dat hij dan op de plaats zou worden doodgeschoten. Op denzelfden avond legde Ristvedt een kleine mijn aan bij de deur van het proviandhuis, die zoo ingericht werd, dat ze op hetzelfde oogenblik ontplofte als de deur openging. Het was een ongevaarlijk ding, maar zou voldoende zijn, een nieuwe inbrekerspoging te verhinderen.
In dezen tijd haalden we ook de beide booten binnen, die we in het open veld hadden achtergelaten; er was geen schade aan te bespeuren.
Telkens kregen we bezoek van de Eskimo's die ons in Februari hadden verlaten, om op de zeehondenjacht te gaan. Wij beantwoordden de bezoeken ook te zijner tijd. Van den eerbied, dien wij hun inboezemden, kregen we in dien tijd een schitterend bewijs. De Itchjuachtorvik-Eskimo's hadden, toen wij in den vorigen winter op weg naar de magnetische pool waren en aan de noordkust van Boothia Felix een dépôt hadden geplaatst, een slede met proviand gestolen. In dit jaar nu kwamen ze en leverden de slede weer in, omdat ze vreesden, dat wij hun iets kwaads zouden aandoen. Zij bleven op eerbiedigen afstand en zetten de slede bij het kamp der Netsjilli-Eskimo's op het ijs neer. Hun angst moet werkelijk zeer groot geweest zijn, als ze een zoo kostbaar voorwerp als een slede terugbrachten. De slede had wel veel geleden, maar onder Lund's kundige behandeling werd ze hersteld en was daarna nog sterker dan te voren.
Niet zelden kwamen de Eskimo's ons 's avonds bezoeken. Ik had dan medelijden met hen in die vreeselijke koude en noodigde hen uit, bij ons te overnachten. Ze mochten in de kajuit bij den luitenant en mij slapen. Wij hadden soms tot dertien slaapgasten aan boord. Zij legden zich eenvoudig op den grond en dekten zich met een rendiervel toe, dicht aaneengesloten als haringen in een ton. De anderen in de voorkajuit weigerden, zulke gasten op te nemen; ze trokken de neuzen op en beweerden, dat de gasten een naren reuk achterlieten. Nu vond de luitenant evenmin als ik, dat het juist naar eau de Cologne, viooltjes of versch gemaaid hooi rook, als de Eskimo's 's avonds hun groote kaplaarzen uittrokken; maar wij voelden, dat we met dit offer op goedkoope en goede manier de echte gastvrijheid uitoefenden.
In den loop van den winter stichtten luitenant Hansen, Wiik, Ristvedt en ik een verbond, welks leden zooveel mogelijk alle voortbrengselen van het land zouden proeven. Ristvedt werd tot vereenigingskok benoemd, daar Lindström zich liever in zee wilde storten dan zulke vuiligheid klaar te maken. Een gebraden vos, waaraan de vereeniging zich des avonds te goed deed, had onzen kok aan den rand van den waanzin gebracht en hij verklaarde, dat wij de grootste vuiliken van de wereld waren. Maar de vereeniging beweerde eenstemmig, dat een vossengebraad het fijnste gerecht was, dat ons ooit aan boord was voorgezet. Het vleesch der meeste vossen, die hier in menigte waren, smaakte ook werkelijk zeer goed, het deed aan hazenvleesch denken. Wij beproefden het ook met andere gerechten, als rendiermagen, zeehondvinnen en dergelijke.
De winter was nu voorbij, en naar het scheen stond de lente voor de deur. Bij het vorige jaar vergeleken, was er een groot onderscheid merkbaar. Toen hadden we op het eind van Maart ongeveer 45 graden Celsius onder nul gehad, en in dit jaar daarentegen slechts acht graden. Dat was een goed voorteeken voor den zomer, die zoo groote beteekenis voor ons had.
Al het winterwerk was nu voorbij, en het station weer omgeven door een kring van observatoria. Onze reizigers, die met de slede naar het Noorden wilden gaan, konden vertrekken zoodra het mooi weer werd. Deze slede-expeditie had voor 75 dagen proviand bij zich, in de veronderstelling dat het in het vorig jaar bij kaap Crozier opgerichte dépôt in orde was; in het tegenovergestelde geval hadden ze maar voor 50 dagen proviand bij zich.
Den 2den April 1905 brak de expeditie op. Onder wederzijdsch levendig wuiven met de vlaggen gingen ze heen, en, begeleid door onze beste en hartelijkste wenschen, wendden ze zich westwaarts naar Victorialand.
Met het vertrek van die expeditie begon naar onze berekening in dit jaar het voorjaar. Wel hadden we later nog een geweldigen sneeuwstorm; maar de koude van den winter was gebroken en keerde niet terug.
Er was veel te doen dat voorjaar, want wij zouden opbreken met al ons hebben en houden en verder westwaarts trekken. In Juni 1905 werd na 19 maanden de loop der zelfregistreerende instrumenten veranderd; ze moesten stilstaan, na zoo lang te hebben gewerkt onder Wiik's leiding. Onze gebouwen werden afgebroken. Alles werd aan boord gebracht, wat daar geschikt voor was, en toen werd de _Gjöa_ van onder tot boven nieuw geverfd en geölied. Ook al onze booten ondergingen een groote schoonmaak. Het kon immers wezen, dat wij dezen zomer "menschen" ontmoetten, en dan mocht niemand kunnen zeggen, dat wij, Noren, geen hart voor ons schip hadden. Toen was de _Gjöa_ weer net zoo frisch en mooi, als den dag waarop ze de werf verliet.