De Noordwestelijke Doorvaart De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 4

Chapter 44,046 wordsPublic domain

Ja, de honden! Zij eten van alles, dat bleek uit iets, dat ik met afschuw waarnam en hier vermelden wil. Overal snuffelden ze rond, om buiten de hun geregelde toegewezen porties nog het een of ander op te scharrelen. En daar hadden ze ook eens een even onverwachten als griezeligen maaltijd. Wij hadden Silla, die in hoogst interessante positie was, opgesloten in het kleine uitbouwsel van huize Magneet, waar ze haar bevalling zou afwachten. Op een mooien morgen ontvluchtte ze echter en sloeg dadelijk de richting naar het schip in. Halfweg ontmoette ze al haar cavaliers en allen waren geestdriftig over het weerzien hunner dame. Ze omringden haar en geleidden haar verder. Maar wat gebeurt? De arme Silla beviel bij verrassing, en haar kroost moest zich met een hoopje sneeuw als wieg tevreden stellen. Op een teeken van Lurven natuurlijk wierpen zich plotseling alle honden op de jongen; ieder hapte naar een en verteerde het ter plaatse. Toen Silla ontdekte, dat haar jongen verdwenen waren, stond ze op en ging verder. Maar ze werd weer verrast en het laatste jong kwam ter wereld. Om nu de andere honden te verhinderen, zich ook hiervan meester te maken, vrat Silla het liever zelf in razende haast op. Hoe ongeloofelijk het klinke, het is precies zoo gebeurd.

Op den eersten Kerstdag vierden we een dubbel feest. Wiik werd dien dag 25 jaar; hij was het jongste lid der expeditie en tevens een der vroolijksten van ons allen, vol aardige geschiedenissen en anecdoten. In den loop van den voormiddag kwam de oude Eskimo Teraiu aan en werd als gelukwenscher vriendelijk opgenomen. Teraiu behoorde tot onze oudste Eskimovrienden, een van de vijf, die zich het eerst hadden vertoond. Hij zal tusschen vijftig en zestig jaar zijn geweest en was een zeer vroolijke snaak. Bij zijn stamgenooten stond hij niet al te best aangeschreven, want ze hielden hem zoowat voor een idioot; maar dat hij best zijn verstand had, zouden wij later bemerken.

Hij scheen op den jaardag echter niet in feestelijke stemming te wezen. Zijn gezicht en zijn gebaren drukten neerslachtigheid uit en de tranen stonden hem in de oogen. Hij gesticuleerde en babbelde zonder samenhang en jammerde ertusschen. Wij konden niet begrijpen, wat hem scheelde. Maar ten slotte gelukte het ons toch met vereende pogingen opheldering te krijgen over zijn ellende, en wij vernamen, dat het overige deel van de stam verder was getrokken en op de schandelijkste wijze Teraiu en zijn gezin had achtergelaten. Die zagen nu den verschrikkelijken hongerdood voor oogen, als wij ons niet over hen erbarmden en hen gedurende den strengsten wintertijd bij hen lieten wonen.

Natuurlijk waren wij diep geroerd door die treurige geschiedenis en beloofden hem met vrouw en kinderen bij ons op te nemen. Buitendien zei ik, dat ik binnen kort zelf naar Kaa-aak-ka zou gaan om de zaak te onderzoeken.

Teraiu en het gezin kwamen al spoedig aan, en op den tweeden Kerstdag besloten wij, het uitstapje naar Kaa-aak-ka te volbrengen. Het weder was wondermooi, stil en helder. Maar de thermometer wees 24 graden koude. De luitenant, Lund, Ristvedt en ik maakten ons gereed, met Teraiu en zijn familie te vertrekken. Vóór de slede spanden we acht honden, maar overigens namen we geen groote voorzorgen in zake de uitrusting, daar we immers maar een enkelen nacht wilden uitblijven. Ieder had gezorgd voor wat hij noodig had. Over het gladde ijs van de straat ging het vliegensvlug voort en na zes uren waren we op de plaats onzer bestemming. In het kamp van Kaa-aak-ka zag alles er geheel anders uit dan bij ons vorig bezoek; ledig en uitgestorven lagen de sneeuwhutten er, zonder menschen of eenig spoor van leven. Alleen Teraiu's hut toonde aan, dat er menschen woonden. Kajaggolo zijn vrouw bijgenaamd de "oude uil" schoof het sneeuwblok op zij, dat voor den ingang der hut lag en ging naar binnen, om vuur aan te maken. Teraiu zelf sloeg een gat in het ijs, om water te halen, en wij kozen uit de verlaten hutten die, welke ons het zindelijkst leek, en namen er voor den nacht bezit van.

Op den dag na onze terugkomst bouwde Teraiu zich een hut aan den wal en woonde er tot achter in de maand Maart. In werkelijkheid was ik er niet rouwig om, dat we hem hadden opgenomen, daar hij en zijn vrouw ons van veel dienst waren. Niettegenstaande zijn ouderdom was hij gezond en taai, en zonder eenige vermoeienis te toonen, trok hij een slede van den morgen tot den avond. Hij bleek vreedzaam en eerlijk, was altijd goed gehumeurd en tot schertsen geneigd. Als bouwmeester van sneeuwhutten was hij onvergelijkelijk en van grooten dienst. Kajaggolo zijn vrouw, was stellig even oud als hij. Haar gezicht leek precies een oud, verschrompeld en verdroogd winterappeltje. Ze was ongeveer vijf voet lang en zoo vuil, dat de Eskimo's er haar zelf om bespotten. Haar tienjarige zoon, Nutra, was net zoo vuil als zijn moeder, maar overigens wel een aardige jongen, verstandig en vol dartele invallen. Aan zijn onzindelijkheid had zijn moeder de grootste schuld. Als de Eskimo's eenigen tijd bij ons waren geweest begonnen ze gewoonlijk ons voorbeeld te volgen, waschten zich en hielden zich zoo ongeveer schoon. Maar aan de familie Teraiu was in dit opzicht geen zalf te strijken; toen ze vertrokken, waren ze nog net zoo vuil als bij hun komst.

Wanneer ik des namiddags in het magnetische observatorium voor de absolute waarnemingen was geweest, sprak ik telkens eens met de Teraiu's, wier hut ik passeerde. Bij die bezoeken ontving Kajaggolo mij soms met een gezang, het verschrikkelijkste, dat men zich voorstellen kan, het was niet anders dan woest geschreeuw.

De man en Nutra waren meestal aan boord, nu eens vóór, dan achter, overal waren ze welkom. Het liefst zaten ze in de keuken te kijken, en ofschoon Lindström de Eskimo's niet uitstaan kon, werd toch zijn goed hart hem vaak de baas, en menig lekker hapje vloog naar de beide Eskimo's. Teraiu en Nutra gewenden langzamerhand aan ons eten; maar Kajaggolo bleef den geheelen tijd bij haar rauw vleesch en de rauwe visschen.

Toen Kerstmis en Nieuwjaar voorbij waren, moesten we in ernst aan de ontworpen sledevaart denken. De plannen, die we ontworpen hadden, waren van allerlei aard, zooals meestal met plannen in deze streken het geval is. Eindelijk werd besloten, dat ik mij met een gezel naar het magnetisch station zou begeven, en als daar alles goed ging en in orde was, zou beproeven, de Leopoldshaven op Northsomerset met de post te bereiken.

Een ondersteuningsexpeditie onder leiding van luitenant Hansen en met nog één man zou ons helpen, zoolang we dat doelmatig oordeelden.

Alle sleden werden nu voor den dag gehaald en nauwkeurig nagezien, om zoo noodig hersteld te worden. Overal werden werkplaatsen opgericht. Lund zou de sleden in orde brengen en practische proviandkisten timmeren; Hansen, die zeer handig was, deed het fijne werk en was ook een meester op de naaimachine. Ristvedt had een smidse bij de proviandtent en zijn eigenlijke werkplaats in het huis Magneet. Wiik leverde goed werk als reparateur van instrumenten, en de luitenant beoefende naast zijn vak van handschoenenmaken ook de wetenschap. Zijn talent oude vuisthandschoenen met gaten weer te herstellen was buitengewoon.

Zooals bij alle slede-expedities in het poolland werd de vraag van de slaapzakken druk besproken. Ons uitstapje met Teraiu naar Kaa-aak-ka had ons geleerd, dat er in dat opzicht nog veel te verbeteren was, en ieder beijverde zich, om het beste uit te vinden. Onze meegebrachte zakken waren te wijd en moesten vrijwat ingenomen worden. Een slaapzak moet slechts zoo wijd wezen, dat het vel aan alle zijden aan het lichaam sluit. Maar natuurlijk mag hij ook niet spannen. Als men erin ligt en nog naar het omhulsel moet zoeken, wordt men nooit warm. Het model met een opening van boven en een schuif om den hals vond het meest bijval; ik geef er ook de voorkeur aan en kan het ieder aanbevelen.

Onze tenten waren genaaid als Eskimotenten en uitstekend waren ze; er viel niets aan te verbeteren. Ze konden zelfs bij den hevigsten wind door één persoon opgezet worden, en als ze er stonden, werden ze nooit omgeblazen. Daarvan legden ze proeven af. Een verbetering werd toch nog aangebracht en wel aan de deuren. De afsluiting is al van ouds het zwakke punt bij een tent, en dus in het bijzonder daar in het Noorden in de koude. Meestal bestaat de sluiting uit een menigte haken en touwtjes, waardoor het sluiten een heel werk is, als men uit de koude binnenkomt. Ik heb buiten ons eigen systeem geen enkele tentdeur gezien, die den sneeuwstorm geheel buiten hield. Daar nu twee van ons precies hetzelfde denkbeeld hadden gehad, wil ik geen namen noemen, ook omdat de zaak haast al te eenvoudig is, maar is niet het geniale meestal het eenvoudigste? Wij naaiden namelijk een zak rondom den ingang, sneden daar den bodem uit en kropen daardoor naar buiten en naar binnen, terwijl we den zak dan met een touw dichtbonden. Een betere tentafsluiting heb ik nog nooit gezien. Gemakkelijk te openen en gemakkelijk te sluiten en volkomen dicht. Het veeljarige probleem was dus opgelost door een zak.

Bij een proef, die we bij een temperatuur beneden dertig graden vorst deden, vonden we het verblijf in de tenten te koud en wij besloten toen sneeuwhutten te bouwen, die naar onze ervaring bij de Eskimo's veel warmer waren. Het kost wel meer tijd, een sneeuwhut te maken dan een tent op te slaan, maar ik vind het van zoo verbazend groot belang, dat men na het dagwerk een goeden en behagelijken nacht doorbrengt, dat het uur van bouwen wel beloond wordt.

Wij legden ons dus met ijver toe op de sneeuwbouwkunst. Grondstof hadden we genoeg, tijd ook en in Teraiu een uitstekenden leermeester. Eerst lieten we het bouwen den oude over, terwijl we nauwkeurig toekeken. Spoedig bleek het ons, dat het vinden van de goede sneeuw een voorwaarde van slagen was. Maar daar behoort veel ervaring toe, ja, het gevoel moet iemand, om zoo te zeggen, aangeboren zijn. De Eskimo's bedienen zich daarbij van een zeer eenvoudig werktuig, dat ze een hervond noemen en dat bestaat uit een ongeveer een meter langen, uit rendierhoorn gesneden stok, met een handvatsel van rendierhoorn aan het eene einde en een haak van een bisambeen aan het andere. Daarbij komt den Eskimo's hun instinkt te stade, waarmee ze juist de goede plek uitvinden, waar de kans op goede sneeuw aanwezig is. Als ze hun hervond niet bij zich hebben, gebruiken ze een mes met een lang heft, dat ze aan een touw op den rug hebben hangen. Wij brachten het in het vinden der goede sneeuw niet tot groote volkomenheid, maar toch zoo ver, dat het er mee door kon.

Met een lang mes plaatsten wij vieren, de luitenant, Ristvedt, Hansen en ik, ons elken morgen na het ontbijt vóór Teraiu's hut, om den oude te wekken. Als we ongeveer om acht uur kwamen, lag de geheele familie nog te bed. Dan sprong Teraiu vlug op, sloop in haast in zijn kleeren, want de Eskimokleeding is wijd en ruim en laat zich gemakkelijk uit- en aantrekken. Den meesten tijd hebben ze noodig voor het aantrekken der voetbekleeding. De Eskimo is zeer bezorgd voor zijn voeten, uit vrees niet alleen, dat ze bevriezen, maar ook, dat ze gewond zouden worden bij het den heelen dag loopen over het ijs en de harde sneeuw. Met minder dan vijf lagen aan de voeten stelt hij zich daarom niet tevreden. Als dan eindelijk Teraiu zijn bovenanorak had aangetrokken, terwijl hij voor zulke korte uitstapjes zijn onderanorak thuis liet, gingen we op weg. Wij bouwden om beurten; ieder had zijn bepaalden dag. Maar Hansen was in het bouwvak beslist de meest begaafde; zijn hutten waren meesterstukken. In de vele kleine holle wegjes, die in de haven uitloopen, vonden we al gauw een bouwplaats en goede sneeuw in overvloed. Wij hadden meestal anderhalf uur noodig voor een voor ons vieren geschikte hut. Na gedanen arbeid kwamen we er samen, om de waarde te bepalen. Teraiu was telkens vol geestdrift.

"Mamakpo! mamakpo!" (dat is Uitmuntend! Uitmuntend!) riep hij. Een groote vreugde voor hem was iederen keer de belooning, die hem wachtte. Hij deed niets zonder betaling. Dit beteekende wel niet veel, een stuk ijzer of hout, of wat juist bij de hand was. Hij was altijd aan het verzamelen, om te eeniger tijd voor zichzelf een slede te kunnen bouwen. Zijn eischen waren niet groot; met een paar planken van een meter lengte was hij best tevreden. De familie en haar bezittingen beteekenden immers ook niet veel, wat zou hij dan met een groote slede doen? Een philosofie, die men zich overal ten voorbeeld kan nemen.

Wiik en ik deden telkens proeven, om ons vast te overtuigen, dat onze instrumenten goed in orde waren. Wiik was bestuurder van het vaste, absolute observatorium, terwijl ik mij 75 meter verder een eigen nieuw observatorium had gebouwd. Door al die gebouwen was langzamerhand een aardig dorpje rondom de Gjöa-haven verrezen. Onze waarnemingen vielen tot onze groote tevredenheid goed uit en om de instrumenten behoefde ik nu niet meer ongerust te wezen. Voor waarnemingen op elke plaats, waar ik mij bevond, had ik een zeer kleine theodoliet, die ik van Frithiof Nansen had gekregen en die hij mee naar Groenland had gehad. Ook deze werd na nauwkeurig onderzoek van den astronoom in orde bevonden.

Toen volgde de belangrijke werkzaamheid, het pakken van onze sleden.

Tijdens het pakken moesten de sleden onder dak wezen. Maar een zoo groote hut te bouwen, dat de beide lange sleden erin ondergebracht konden worden, hielden we voor onmogelijk. Wij wendden ons tot Teraiu om raad, die echter tegenover onze vragen een sluw lachen stelde en niets verder zei. Hij strekte beide armen uit en met begeerig stralende oogen zei hij:

"Panna angi!", dat is Groot mes. Voor de oprichting van zulk een reuzenhut wou hij een groot mes als belooning. En dat werd hem beloofd.

Wij gingen dadelijk aan het werk. Teraiu koos een terrein van langwerpigen vorm en opdat de sleden in de nabijheid zouden zijn, werd de hut op het ijs, onmiddellijk vóór het schip gebouwd. Zij was verbazend groot, en toen het dak erop moest gezet, moest er eene heele stelling worden gemaakt. Maar ze bleek toch niet vast genoeg en de bewegingen van het ijs waren te vreezen; daarom werd ze herbouwd op den wal en bleek nu voldoende, zoodat we konden beginnen te pakken. De eene slede kreeg een lading van 350 kilogram en werd door Hansen bestuurd en getrokken door de zeven honden, die we nog hadden. De tweede had een lading van 270 kilogram en zou door ons drie mannen worden voortgetrokken.

Den 28sten Februari legden we de laatste hand aan het werk, en op den morgen van den 29sten trokken wij allen met elkaar de sleden tegen den heuvelkam op, om dat moeilijk eind al dadelijk achter den rug te hebben.

Boven bouwden wij een hoogen sneeuwmuur om de sleden heen en legden er zware blokken sneeuw op, om te verhinderen, dat de vossen er een bezoek aan brachten. Dan keerden we terug en brachten den laatsten avond aan boord door.

Ik zag de reis kalm tegemoet. Wij waren goed uitgerust met goede en krachtige kameraden en goede honden. Een grooter aantal honden zou wel gewenscht geweest zijn, maar we hoopten ons met het zevental te kunnen behelpen.

Den eersten Maart waren we reisvaardig. De thermometer wees min 53 graden Celsius; maar wij waren in den loop van Februari zoo aan de koude gewend geraakt, dat ze op ons geen bijzonderen indruk meer maakte, en we waren goed gekleed. De eenen in volslagen Eskimodracht; de anderen ten halve geciviliseerd. Naar mijne meening is de Eskimokleeding in deze streken verre te verkiezen boven onze europeesche kleeding. Maar men moet die dan ook goed doorgevoerd dragen, of in het geheel niet. Elke halfheid is uit den booze. Wollen onderkleeren zuigen al het zweet op en maken de kleederen van vellen, die men erover draagt door en door nat. Niets dan rendiervel als de Eskimo's en de kleedingstukken zoo wijd en ruim mogelijk, opdat tusschen kleeding en lichaam de lucht circuleeren kan, daarbij behoudt men in den regel droge kleeren. Moet men zich echter onderweg zoo inspannen, dat het pak toch nat wordt, dan zijn de kleeren van vellen toch ook nog gemakkelijker te drogen dan de wollen stoffen. Wollen kleeren worden ook veel eerder vuil en dan houden ze niet meer behoorlijk warm. In dit opzicht houden zich kleeren van huiden, zonder gewasschen te worden, bijzonder goed. Een groot voordeel van vellen is ook, dat men op hetzelfde oogenblik, dat men ze aantrekt, warm en behagelijk voelt. In wollen kleederen moet men zich als een gek aanstellen, rennen en draven en Indianendansen uitvoeren, eer men behoorlijk warm is. En ten slotte zijn de velkleederen volkomen winddicht, wat natuurlijk zeer veel beteekent.

Onze achterblijvende kameraden vergezelden ons tot bij de sleden op de heuvels. De honden werden aangespannen--een laatste handdruk, en daar gingen we.

Hansen leidde de honden van de eene slede, maar spande zich nu en dan ook zelf ervoor. Alle zeven dieren waren nog jong, en ze konden den last slechts met moeite vooruit brengen. Luitenant Hansen, Ristvedt en ik hadden ons vóór de andere slede gespannen. De weg liep zacht omhoog, zoo zacht, dat men het met de oogen bijna niet kon zien, maar men voelde het wel. Gedurende het eerste uur ging het met frissche krachten snel vooruit, maar daarna werd het moeilijk. Hansen vorderde met zijn honden goed. Als hij merkte, dat ze trager liepen, greep hij in de teugels, dan meenden de dieren, dat er nieuwe hulp was gekomen en trokken weer aan. Ons drieën, die de andere slede trokken, ging het minder goed. Het was, alsof we haar door woestijnzand moesten trekken. Zelfs thuis in Noorwegen weten we, hoe lastig poedersneeuw zijn kan, en bij de erge kou hier was het veel lastiger. Middenin hield de slede soms plotseling stil; elke kleine ophooping van sneeuw was een beletsel. Eén, twee, drie, hallo! Dan komt ze erover. Maar het duurt niet lang, of er volgt een nieuwe hoop--weer stilhouden--aantrekken--trekken....

Om drie uur in den namiddag besloten we, ons kamp op te slaan. Het begon al te schemeren, en eer we een sneeuwhut klaar konden hebben, zou het bepaald heelemaal donker zijn. Nu moesten wij voor het eerst op de zoek naar goede sneeuw. Wij bevonden ons midden op een groot meer. Nergens was goede sneeuw; hoe vaak we onze messen er ook instaken, overal was ze te slap. Naar den oever was het te ver; we zouden daar niet meer bij daglicht gekomen zijn, en we konden dus niet anders doen dan blijven, waar we waren.

Allereerst lieten wij de honden los. Ze hadden een zwaar werk achter zich en hadden vrijheid en rust wel verdiend. De baas onder hen was Fix, een ongewoon mooie, witgrijze hond, die het meesterschap over de anderen alleen aan zijn gebiedende houding te danken had, niet door zijn meerdere kracht. Als het tot een vechtpartij gekomen was, zou Fix klop gekregen hebben; maar hij scheen als tot heerschen geboren en hij werd gehoorzaamd. Syl was zijn grootvizier, de leelijkste hond van den ganschen troep, bruinzwart en met gluiperigen blik. De spitse, opstaande ooren, die een poolhond een zoo verstandig uitzicht geven, stonden bij Syl scheef en deden hem er dom uitzien. Zoodra het tuig was afgenomen, deed Fix, gevolgd door Syl, de ronde bij de honden, en ten teeken van onderwerping moest iedere hond zich vóór den heerscher Fix op den rug leggen, met alle vier pooten in de lucht. Als een treuzelde, schoot Syl als de wind op hem los, en die had zeer scherpe tanden. Dan kregen de honden hun eten en we waren vrij van hen en konden gaan bouwen.

Wij trokken onze vuisthandschoenen aan, die uitsluitend voor het bouwen van sneeuwhutten bestemd waren, om te beletten, dat de sneeuw bij de mouwen in liep, want ze hadden lange onderstukken, die vastgebonden waren. Ieder met een wel een halven meter lang mes gewapend, begonnen we ons werk. De voor dit doel benoemde bouwmeester stak eerst een kring op den grond af en langs die lijn maakte hij een vier duim diepe geul, die dan de sneeuwblokken van den grondmuur moest dragen. Wij anderen sneden blokken, en de bouwmeester zette ze op. Een iglu, zoo noemen de Eskimo's hun sneeuwhutten, wordt spiraalvormig, ongeveer als de bijenkorven en altijd tegen de zon in gebouwd, dus van rechts naar links. De blokken moeten een lengte van twee voeten en een hoogte van anderhalven voet hebben en vier duim dik zijn. De grootste moeilijkheid is daarin gelegen, het bovenste klaar te krijgen en het dak erop te plaatsen. Een rechten muur kan ieder wel bouwen.

Daar de thermometer min 57 graden Celsius wees, werd niemand tot luiheid verleid, en het werk schoot goed op. Zoo snel mogelijk ging de kok des avonds aan den arbeid, die daarin bestond, niet alleen het eten klaar te maken, maar ook de hutten te verwarmen, en als een aangename geur van spijzen tot ons doordrong, vlotte het werk buiten wondervlug. Het laatste was, alle spleten op te zoeken, waar licht door schemerde, om ze goed dicht te stoppen. Dan keken we ook nog de sleden na, dat alles stipt vastgebonden was en toegedekt en dat vooral tegen de honden, die zeer diefachtig waren. De stumpers hadden zich tegen de hut aan, zoo goed het ging, in de sneeuw opgerold en als het fel koud was, den snuit onder den staart gestoken.

Was de hut gereed, dan wierpen we een laatsten blik op de wijde stilte rondom in de verbleekende groenachtige schemering en de reeds fonkelende sterren, en na ons de sneeuw van de kleederen te hebben geklopt, kropen wij in de hut. En er was stellig op de wereld dan geen gelukkiger gezelschap dan het onze in de warme, behagelijke ruimte met het dampend heete eten en de barre sneeuwvlakte met de tintelende vorst om ons heen. Na het eten kwamen de tabakspijpen aan de beurt; en alleen de gedachte dat we den volgenden morgen ons weer moesten inspannen, kon een eind maken aan het genoegelijk samenzijn en deed ons in onze slaapzakken kruipen. De vermoeienis deed zich spoedig gelden, en weldra toonde de gelijkmatige ademhaling van vier mannen, dat ook de menschlievende god, Morpheus, een poolvaarder is.

Des morgens om vijf uur, toen de kok ons wekte, zag alles er veel minder vriendelijk uit dan 's avonds, maar een kop dampende chocolade verbeterde dan de stemming gauw. Buiten kwamen mij de sterren ongewoon groot en schitterend voor; maar het had volgens den minimumthermometer dan ook in den nacht 61.7 graden gevroren. Wij hadden er weinig van gevoeld, en we konden onze uitrusting prijzen, die ons met onze goede sneeuwhut de kou van het lijf had gehouden. Wat voelden we haar in de vingertoppen, als we bij het werk de handschoenen moesten uittrekken! Dan werden de vingers dadelijk wit en men moest ze dan doen herleven, of door de handschoenen gauw weer aan te trekken of nog beter door ze op de manier der Eskimo's tegen het bloote lichaam te houden.

De honden lagen nog precies zooals wij ze in den avond hadden verlaten, behalve Fix en Syl, die op kattekwaad uit waren. Wij ondervonden ook, hoe totaal onmogelijk het was, de honden zoo vast te maken, dat ze niet los komen konden. Ze wisten zich altijd los te werken, namelijk als ze het volstrekt wilden. Enkele hielden zich steeds rustig, maar als er een los was, gingen de anderen aan het huilen, prettig was het niet, als men uit zijn slaapzak naar buiten moest, om de honden tot rust te brengen.

Toen dien eersten morgen alles in orde was, braken we op. Naar de ervaring van den vorigen dag zetten we onder de met nieuwzilver beslagen sleden weer houten platen, omdat bij de scherpe kou de sleden op hout veel beter liepen. Het beste, wat men eraan doen kan, is er een fijn overtrek van ijs op te laten komen, zooals de Eskimo's doen, maar daarin hadden wij nog geen ervaring.