Part 9
Paula's gemoed werd overmand door toorn, zoowel als door smart en medelijden. Hij, wien zij gisteren nog gehouden had voor een toonbeeld van mannelijke deugd, Orion, droeg de schuld van deze gruweldaad! Hij, van wiens stouten moed, die zichzelven niet verschoonde, zij zooveel had vernomen, hij was gevlucht als een lafaard, hij had het offer in den steek gelaten, dat hij tweemaal ten gronde had gericht. Doch er was hier wat anders te doen dan te klagen, zich boos te maken, zich af te vragen, hoe in de ziel van denzelfden mensch naast zooveel edels en schoons, zooveel wreedheid en boosaardigheid kon wonen. Hier moest raad geschaft worden, zij moest trachten te redden, want Mandanes boezem bewoog zich nog zacht onder hare bevende vingers.
De vrijgelatene had een te goed hart, dan dat hij Paula en de verwonde dadelijk zou hebben kunnen verlaten. Hij wierp de schoenen, die hij nog altijd in de hand had, op den grond, tilde de bewustelooze op en zette haar tegen een der zuilen van de gaanderij, die dezen voorhof omgaf. Eerst op herhaald bevel zijner meesteres ijlde hij naar buiten.
Paula keek hem na en zoodra zij de zware deur van het atrium hoorde dichtvallen, riep zij, zonder acht te geven op haar eigen bedenkelijken toestand, met zulk eene luide en gillende stem om hulp, dat het bij de nachtelijke stilte in alle richtingen van het huis weerklonk, zoodat weldra van hier en daar een slaaf, eene dienstmaagd, een beambte, een kok, een wachter kwamen toeschieten.
Het eerst van allen verscheen Orion, en wel zoo snel, dat hij zich op haar geroep reeds op weg moest hebben bevonden. Het lichte nachtgewaad dat hij droeg moest, dacht zij, den schandelijken belager zeker het aanzien geven, als had hij juist zijn bed verlaten. Was hij het werkelijk? Was deze man met die hoogroode kleur, met die starende oogen, dat verwarde haar, die heesche stem dezelfde lieveling der fortuin, wiens blijmoedig gelaat, wiens edele houding, wiens zonnige blik, wiens hartroerend gezang haar gemoed hadden betooverd? Wat beefden zijne handen, toen hij haar en de verwonde naderde, hoe gemaakt en verlegen klonk zijne vraag wat hier gebeurd was, en hoe schuw keek hij haar aan, toen hij verlangde te weten wat haar op dit late uur naar het voorhuis voerde. Zij bleef hem het antwoord schuldig. Toen echter spoedig daarop zijne moeder verscheen en op scherpen toon dezelfde vraag tot haar richtte, antwoordde zij, die nog nooit een leugen op de lippen had genomen, haastig en op stelligen toon: "Ik kon niet slapen. Het geblaf van den hond en de jammerkreten drongen mij naar beneden te gaan."
"Dat noem ik zijne ooren te spitsen!" zeide Neforis, ongeloovig de schouders ophalende. "In elk geval zou ik u raden in het vervolg bij dergelijke aanleidingen wat minder spoedig bij de hand te zijn. Sedert wanneer vertrouwt een meisje, als er moord wordt geroepen, op hare eigene kracht?"
"Gij hadt u ten minste wel mogen wapenen, schoone heldendochter!" voegde Orion erbij. Maar hij had die woorden nauwelijks geuit of hij gevoelde bitter berouw, want met welk een blik zag Paula hem aan! Het ergerde haar zich door hem, juist door hem en op dit oogenblik--het was voor de eerste maal--spottend, ja sarcastisch te hooren toespreken en op zulk eene wijze aan haren vader herinnerd te worden. Trotsch en op bijtenden toon gaf zij ten antwoord: "Het dragen van wapenen laat ik over aan krijgslieden en moordenaars!"
"Aan krijgslieden en moordenaars," herhaalde Orion, die deed alsof hij den zin dezer woorden niet verstond, met een gedwongen lach. Doch hij vervolgde op bitteren toon, begrijpende dat hij zich verweren moest: "Waarlijk, dat klinkt als kwam het uit den mond van een teergevoelig meisje! Maar ik bid u wat nader bij te komen en u gerust te stellen. Deze treurige wond hier aan den schouder van het arme ongelukkige schepseltje, dat mij, verzeker ik u, meer ter harte gaat dan u, heeft een viervoetige moordenaar haar toegebracht, die zijne wapenen van de natuur heeft. Ja, zoo is 't gebeurd! De ruige Beki houdt de wacht voor het tablinum. Hoe het arme schepsel hier gekomen is, weet ik niet, maar in elk geval heeft het beest haar geroken en toen aangevallen."
"Of ook niet," zeide opeens vrouw Neforis, terwijl zij een paar mansschoenen opnam, die naast de gewonde op den grond lagen.
Orion werd doodsbleek, nam zijne moeder het gevondene snel uit de handen, en zou die schoenen het liefst door het open dak weggeslingerd hebben. Hoe kwamen ze hier? Wien behoorden ze toe? Wie was dezen avond hier geweest? Voor hij zich naar het tablinum begaf, had hij de deur van het atrium gesloten, en later was hij teruggekeerd om haar voor de lieden die daar buiten waren te openen. Eerst na dit gedaan te hebben was hij door de waanzinnige overvallen, die hem reeds bij zijn eersten gang door het atrium moest hebben opgewacht, maar toen misschien niet den moed had gehad hem in den weg te treden. Toen zij daarna hem op het lijf was gevallen, had de hond haar op den grond gesleurd, eer hij het verhinderen kon. Ja, hij zou haar zeker dadelijk bijgesprongen en geholpen hebben, wanneer hij daardoor niet zijn binnendringen in het tablinum verraden had. Hij had tegenwoordigheid van geest genoeg gehad om naar zijne kamer te ijlen, zijn nachtgewaad aan te schieten en naar de plaats des onheils terug te keeren. Toen Paula begon te roepen, was hij reeds op weg naar de gewonde, en met welk een gevoel!
Zoo verward, zoo ontsteld, zoo diep ontevreden met zichzelven had hij zich nog nooit gevoeld, en heden, tegenover Paula, was het hem voor de eerste maal gebeurd, dat hij een medemensch niet in de oogen kon zien. En dan deze schoenen! De eigenaar ervan moest de waanzinnige begeleid hebben, en had deze hem het tablinum zien binnengaan en verried hij wat hij, Orion, daar gedaan had, hoe zou hij dan zijne ouders weder onder de oogen durven komen? Hij had niet anders in den zin gehad dan eene grap, en nu was het zoo bitteren ernst geworden! Doch het kostte wat het wilde, hij moest voorkomen dat zijn nachtelijke gang ontdekt werd. Liever opnieuw onrecht, zelfs het zwaarste, gepleegd, dan zijne eer te laten aantasten.--Maar wien behoorden dan toch die schoenen? Opeens hield hij ze in de hoogte en riep met luider stem tot de lieden, die waren toegesneld: "Behooren deze zoolen ook aan een van ulieden, aan den deurwachter misschien?"
Toen allen zwegen en de portier zijne vraag ontkennend beantwoordde, bleef hij nadenkend staan en ging voort met trotschen blik en op luchthartigen toon: "Dus heeft een inbreker, die hier overvallen is, ze laten staan. Ons huisstempel staat op het leder, ze zijn in onze werkplaats gemaakt, en zij rieken,--overtuig er u maar van, Sebek!--ze rieken naar den stal. Neem ze mede, man, morgen vroeg zullen we onderzoeken wie ons dit verdacht geschenk in het atrium heeft neergelegd. Gij zijt het eerst hier ter plaatse geweest, schoone Paula. Hebt gij geen man hier opgemerkt?"
"Ja," antwoordde zij, terwijl zij hem vijandig en uitdagend aanzag.
"En waar is hij heen gegaan?"
"Als een vluchtende lafaard liep hij dwars door het viridarium, en om haastiger weg te komen zelfs over de fraaie graszoden, en verdween daarginds in de woonvertrekken."
Orion beet zich bij deze woorden op de lippen en voelde een bitteren haat bij zich opkomen tegen dit raadsel in vrouwengestalte, in welks hand het scheen te liggen hem te vernietigen, welks oogen vlamden van nijd en den wil verrieden om hem te wonden. Wat voerde zij tegen hem in het schild? Hoe kon een mensch op aarde het wagen hem, die door groot en klein verwend was, zóo aan te zien? Want in hare blikken lag niet enkel weerzin, maar zelfs verachting. Wie ter wereld had het recht hem iets te verwijten, dat grond kon geven tot zulk een gevoel? Nooit, neen nooit was hij zoo vijandig bejegend en allerminst van de zijde van een meisje. Hij zou dat hooghartige, ongevoelige, onrechtvaardige schepsel, dat hem zulk eene onverdiende vernedering aandeed, nadat hij getoond had hoe zijn hart voor haar klopte; dat hem, den man die tallooze malen zijn moed had bewezen, thans dwong het te vreezen--hij zou het hebben willen verpletteren, en hij moest zich geweld aandoen om niet te vergeten dat zij eene vrouw was.--Wat had dit alles toch te beteekenen? Welk een demon dreef hier zijn duivelsch spel? Wat was er sedert een half uur in hem zoo veranderd, dat zijn geheele karakter hem als omgekeerd voorkwam, en men hem zóo durfde bejegenen?
Zijne moeder bemerkte dadelijk hoe de gelaatstrekken van haren lieveling veranderden, toen Paula verzekerde dat een man zich haastig begeven had naar de woonvertrekken. Zij verklaarde die woorden op hare wijze en riep ernstig bezorgd: "Een inbreker is den Nijlvleugel van het huis binnengedrongen, de kamer misschien waar uw vader slaapt? Barmhartige God, als hier eens weder een verraderlijk plan was gesmeed! Spoedig, Sebek, snel! Met gewapenden naar den rivierkant! Het geheele huis moet van boven tot beneden doorzocht worden! Misschien pakt ge den booswicht, die het grasperk heeft vertreden. Ge moet hem--hij mag niet ontkomen!"
De huismeester vloog weg, doch Paula beval den hovenier, die ook was toegeschoten, met kloppend hart, terwijl hare blikken wederom de oogen van den jongeling zochten, het voetspoor van den vluchteling, dat nog merkbaar moest zijn in de natte zoden, met den gevonden schoen te vergelijken.
Wederom kromp Orion van schrik ineen, en terwijl hij zich naar het viridarium begaf, zeide hij: "Dat is mijne zaak!" Toch schaamde hij zich voor zichzelven, en had hij een gevoel alsof hem de keel werd dichtgeschroefd. Hij beschouwde zich als een betrapten dief, als een bedrieger, als een ellendig wezen, en begon te begrijpen dat hij inderdaad niet meer was, die hij geweest was vóor dien noodlottigen gang naar het tablinum.
Paula zag hem na met een beklemd gemoed. Zou hij zoo diep gezonken zijn, om zijne bevinding te loochenen en te verklaren, dat de breede zool van den vrijgelatene paste in het spoor van zijn kleinen welgebouwden voet? Zij haatte hem, maar zij smeekte toch dat hij dit ten minste niet doen mocht, en toen hij terugkwam en verlegen verklaarde, dat hij niet zeker was van zijne zaak, daar de schoen niet juist in de platgetreden sporen scheen te passen, haalde zij weder ruimer adem en begaf zij zich met den arts, die juist verschenen was, naar de gewonde.
Eer vrouw Neforis haar volgde, trok deze Orion tot zich en vroeg hem bezorgd wat hem toch scheelde, daar hij er zoo bleek en ontdaan uitzag; waarop hij bedremmeld antwoordde: "Het ongeval van het arme meisje," en hij wees daarbij op Mandane, "gaat mij zoo aan het hart."
"Arm, teergevoelig hart! Evenals toen ge nog een knaap waart!" hernam de moeder om hem te troosten. Zij had tranen in zijne oogen zien glinsteren, deze golden echter niet het Perzische meisje, maar iets geheimzinnigs, waarvoor hijzelf geen naam kon vinden, dat hem in deze ure ontnomen was en waarvan het verlies hem onuitsprekelijk smartte.
Doch het gesprek tusschen moeder en zoon werd weldra afgebroken, want het eerste onheil van dezen nacht werd terstond door een ander gevolgd. De trouwe Perzische aanvoerder der karavaan, Rustem, de bloeiende jonge man met zijne schoone kloeke gestalte, werd als levenloos in den voorhof gedragen. Een woedende Jacobiet had hem, toen hij met eenige spottende opmerkingen aan den geloofsstrijd deelnam, met een stuk hout eene diepe, misschien doodelijke wond toegebracht. De arts wijdde dadelijk zijne zorgen aan den ongelukkige, en velen uit de met elkander fluisterende menigte, die zich door nieuwsgierigheid of uit begeerte om te helpen in het ruime atrium verdrongen, ijlden in allerlei richtingen, om de bevelen van den heelmeester uit te voeren.
Zoodra hij de wond van den Masdakiet onderzocht had, zeide hij barsch: "Een Egyptische slag, want hij is van achteren toegebracht.--Wat doen toch al die lieden hier? Weg, gij allen, die hier niets te maken hebt!--Allereerst hebben wij twee draagstoelen noodig. Vrouw Neforis wijze ons twee vertrekken, een voor dat arme lieve schepsel daar, en een voor dezen flinken knaap, met wien het echter spoedig gedaan zal zijn, als er geen wonder gebeurt."
"Aan de noordzijde van het viridarium," antwoordde Neforis, "zijn twee vertrekken ter uwer beschikking."
"Dáar niet!" hernam de arts. "Ik heb vertrekken noodig met frissche, vrije lucht, vertrekken die op den Nijl uitzien."
"Er zijn ook nog geschikte vertrekken op de verdieping voor de gasten, waar de nicht van mijn gemaal woont. Meermalen zijn zieken uit de familie daar verpleegd; maar zulke eenvoudige lieden--verstaat ge?"
"Neen, ik ben doof aan dat oor," zeide de arts.
"Nu ja, ik weet het wel," antwoordde Neforis met een lachje, "maar die vertrekken zijn werkelijk pas nieuw ingericht voor aanzienlijke gasten."
"Voornamere dan deze doodelijke zieken zijn er moeielijk te vinden," haastte Philippus zich te zeggen. "Zij staan dichter bij God en den hemel dan gij, tot uw voordeel geloof ik. Heidaar mannen! Draag deze kranken naar de verdieping voor de vreemdelingen."
NEGENDE HOOFDSTUK.
"Het is niet mogelijk, werkelijk niet mogelijk!" riep Orion opeens van zijne schrijftafel opstaande. Wat hij gedaan had beschouwde hij als een ongeluk, niet als eene schuld. Hij wist toch zelf niet, hoe hij tot alles gekomen was. Ja, er waren demonen, booze, nijdige demonen, en die moesten hem tot deze onzinnige daad gedreven hebben.
Gisteren avond, nadat de koop van het tapijt was gesloten, had hij op verzoek zijner moeder de weduwe Susanna naar huis gebracht. Daar had hij den broeder van haar overleden man, den rijken Chrysippus van Alexandrië, een vroolijk, levenslustig man aangetroffen, en toen het gesprek gekomen was op het tapijt en het voornemen van den Mukaukas, om het kunstwerk met al de heerlijke juweelen die het versierden aan de kerk te schenken, had die oude heer de handen in elkaar geslagen, in Orions afkeuring gedeeld en lachend uitgeroepen: "Ei wat, gij zijt de zoon, en u komt in elk geval een deel van de edelgesteenten toe! Niet waar, Katharina? Een diamantje of een opaaltje kan er toch voor het aardsch geluk van den jongen wel afvallen, wanneer de vader voor zijn hemelsch welzijn zorgt. Wees toch niet gek! De maag van de kerk is vol genoeg, en waarachtig u komt ook een hapje toe!" Bij die gelegenheid was er veel kostelijke wijn gedronken, en ten laatste had de oude heer, om wat beweging te nemen in de koele nachtlucht, Orion naar huis gebracht. Hij liet een draagstoel volgen, die hem terug moest brengen, en langs den geheelen weg had hij den jonkman aan het verstand gebracht, dat hij zijn vader moest bewegen toch niet den geheelen schat in den muil der kerk te werpen, maar ten minste eenige steenen voor een schooner doel aan hem over te laten. Hij had daarbij braaf gelachen; Orion had Chrysippus in zijn ziel gelijk gegeven en daarbij gedacht aan Heliodora, hare liefhebberij voor groote en fraaie edelsteenen, en aan het aandenken dat hij haar nog schuldig was. Evenwel lag het voor de hand dat vader noch moeder aan de kerk éen steen zouden onthouden, maar haar het geheele geschenk wilden wijden. Doch aan hem, den zoon, kwam inderdaad toch wel iets toe van dien overvloed, en een schooner geschenk als die groote smaragd liet zich niet denken. Ja, dien moest zij hebben en hoe blijde zou zij er mee zijn! Hem kwam reeds de hoofdgedachte in den zin voor de dichtregelen, waarmede hij haar dit geschenk wilde toezenden.
Hij droeg den sleutel bij zich van het tablinum, waar het tapijt lag, en toen hij bij zijne terugkomst de beambten nog rondom het vuur zag zitten, sloot hij de deur van het woonhuis af, waarbij hem eene zekere huivering overviel, die hij het laatst had gevoeld, toen hij met zijne broeders tegen het ouderlijk verbod de vruchtboomen had geplunderd. Bijna had hij zijn dwaas voornemen laten varen, en terwijl hem in het tablinum andermaal die innerlijke angst bekroop, stond hij reeds op het punt om terug te keeren, toen hij zich Chrysippus en diens aansporing weder herinnerde. Het zou eene daad van lafheid zijn geweest thans weg te loopen. Heliodora moest den grooten smaragd hebben met zijne verzen erbij, de rest mocht zijn vader naar welgevallen weggeven. Toen hij met zijn mes in de hand bij het tapijt lag geknield, had die akelige angst van zooeven hem voor de derdemaal overvallen, en als de groote smaragd hem niet bij den eersten greep in de hand was gevallen, zou hij de baal stellig weder opgerold en het tablinum onverrichter zake verlaten hebben. Doch de booze demon had hem geholpen, hem het juweel terstond in de hand gespeeld, en gezorgd dat twee messteken voldoende waren, om het uit het weefsel te lichten. Zoodra het edelgesteente hem in de hand was gerold en hij zijne zwaarte gevoeld had, was elke bezorgdheid van hem geweken en had hij enkel met welgevallen gedacht aan het gelukken van dezen kostelijken streek, dien hij morgen natuurlijk onder het zegel der geheimhouding aan den ouden Chrysippus wilde mededeelen.
Hoe geheel anders vertoonde zich nu, bij het nuchtere daglicht, deze zijne overijlde waanzinnige daad; hoe zwaar was hij thans daarvoor gestraft en welke gevolgen kon zij nog na zich sleepen? Zijn haat tegen Paula groeide meer en meer aan; zij had zeker alles bespied en zou zich niet ontzien, dat had zij gisteren avond getoond, hem te verraden. Zij had hem openlijk den oorlog verklaard, en met fonkelende oogen deed hij de gelofte, dat hij voor haar niet wijken zou. Hij kon zich daarbij echter niet verheelen, dat hij haar nooit schooner had gezien dan heden in de vroegte, toen zij dreigend met half loshangend haar tegenover hem gestaan had. "Wij moeten elkander liefhebben of haten," mompelde hij in zichzelven; "daartusschen ligt niets. Zij heeft het laatste gekozen. Goed! Tot hiertoe had ik alleen met mannen te strijden, maar ook dit koude, hooghartige, overmoedige meisje, dat elke uiting van vriendelijkheid afwijst, is geene tegenpartij om te versmaden. Het geldt hier mij te verweeren. Doet zij mij het ergste aan, dan heeft zij niets beters van mij te wachten.--Doch wie is de eigenaar van de schoenen geweest? Ik heb alles voorbereid om hem uit te vinden. Het is schande, ja meer dan schande, dat men zichzelven niet met opgeheven hoofd in den spiegel kan aanzien! Heliodora was een lief schepsel, een engel van goedheid. Zij heeft mij innig liefgehad, maar dat--dat--! Ook voor haar is dit offer te groot!"
Na deze woorden sloeg hij zich met de vuist tegen het voorhoofd en wierp zich op den divan neder. Hij begon zich vermoeid te gevoelen, want hij had in meer dan dertig uren geen oog gesloten en heden vroeg reeds allerlei in orde moeten brengen. Aan den huismeester Sebek en den commandant der Egyptische wacht was bevel gegeven den eigenaar der sandalen met behulp van de honden uit te vinden en te grijpen. Vervolgens had hij getracht den Arabischen koopman Haschim uit eigen beweging,--want zijn vader sliep gewoonlijk eerst tegen den morgen in, en had zijn slaapvertrek nog niet verlaten,--wat neer te zetten wegens de slechte bejegening Rustem, den aanvoerder der karavaan, onder zijn dak aangedaan, hoewel met weinig gevolg. Ten derde had de jonkman, die tegen de zwaarste lichamelijke en geestelijke inspanningen opgewassen was, zijn verlangen bevredigd om voor de schoone Heliodora te Konstantinopel eenige verzen te dichten. De gedachte die hem gisteren inviel, voor hij het tablinum betrad, had hij niet vergeten; het gelukte hem ook in zijne tegenwoordige stemming haar in een gedicht over te brengen, dat aldus luidde:
Gaarne verbindt zich gelijk met gelijk, zoo zegt steeds het volk, Hoe dan? Uw teeder gemoed siert zich met 't harde gesteent? Maar hij is edel en schoon, een steen van onschatbare waarde. Heerlijk trekt hij ons aan, zoo Heliodora ook gij, Neem gij dus den smaragd en weet dat schittrender vuurgloed Dan dit kleinood vervult, gloeit in de ziel van uw vriend.
Met vliegende stift waren deze regels neergeschreven, en daarbij had hem, hij wist zelf niet waarom, het gevoel bezield, dat elk woord een slag was in het aangezicht van Paula. Gisteren nacht was hij voornemens geweest den kostbaren steen, op eene waardige wijze in goud gevat, aan de schoone weduwe toe te zenden, maar heden zou het een dolzinnig waagstuk zijn geweest het kleinood te laten opmaken. Het moest onverwijld weggezonden worden, en hij had het haastig en met eigen hand tegelijk met de dichtregelen ingepakt en ter hand gesteld aan den chusaar, den dienaar van een paardenkooper te Konstantinopel, door wien zijn Pannonisch vierspan naar Memphis was overgebracht. Deze vertrouwde man, die in het geheel geen Egyptisch en zeer weinig Grieksch verstond, had hij zooeven zelf weggezonden en zich met een gevoel van voldoening naar huis begeven, toen diens paard in het stof van den weg naar Alexandrië verdwenen was. Van de havenstad staken herhaaldelijk schepen naar Konstantinopel in zee, en de chusaar had bevel ontvangen op het eerste het beste plaats te nemen. Hij had die verkeerde daad dus niet tevergeefs gedaan en toch zou hij, als hij haar ongedaan had kunnen maken, bereid zijn geweest een jaar van zijn leven prijs te geven.
"Onmogelijk" en "verwenscht" waren de woorden, waarvan hij zich bij het terugzien op den verloopen nacht en dezen morgen het meest bediende. Wat had hij zich bij dezen zonnegloed moeten haasten en jagen, en het gevoel, dat hij daarbij gedwongen was geweest alles in het geheim te doen, scheen hem, die tot hiertoe niets verricht had wat niet te rechtvaardigen zou zijn voor de oogen van rechtschapen mannen, zoo vernederend, dat het zweet hem van het gloeiend voorhoofd droop. Hij, Orion, moest als een dief voor ontdekking vreezen! Die gedachte was onuitstaanbaar, en hij vreesde werkelijk voor de eerste maal sedert hij de kinderschoenen ontwassen was.
Zijne geluksster, die hem in de hoofdstad zoo vriendelijk had beschenen, bleek hem in dit armzalig nest ontrouw geworden te zijn. Wat had die Perzische, met wie hij eens wat had geliefkoosd--en welke knaap van zijne jaren was er blind voor de schoonheid van aardige, jonge huisslavinnen--toch in hare krankzinnige hersens gehaald, dat zij hem als een woedend roofdier op het lijf was gevallen? Zij was een lieftallig kind geweest, en tot zijn leedwezen, ja tot zijne ergernis schandelijk verminkt geworden. Herstelde zij van het gebeurde, en dat hoopte hij hartelijk, dan was het natuurlijk zijne zaak voor haar te zorgen. Maar hoe? Als hij billijk was moest hij erkennen, dat zij alle recht had om hem te haten.--Maar die Damasceensche? Hij had haar niets dan vriendschap bewezen, en hoe duidelijk had zij hem toch hare vijandschap getoond. Hij zag haar daar voor zich staan met dat "moordenaar" op de bevende lippen. Dat woord had hem getroffen als een lanssteek. Welk eene hatelijke, nietswaardige, onrechtvaardige aanklacht lag er in dien uitroep! Zou hij zich dat ongestraft laten aanleunen?
Was zijzelve dan even schuldeloos als hoogmoedig en koud? Wat had haar bewogen bij nacht naar het viridarium te gaan? Want daar moest zij geweest zijn, vóor die ongelukkige hond Mandane had ter aarde geworpen. Van eene vertrouwelijke samenkomst met den eigenaar der door zijne moeder ontdekte schoenen, die aan een der lagere staldienaars toebehoorden, kon geen sprake zijn. De liefde, dit moest hij erkennen was hier bij uitzondering niet in het spel, doch toen hij tehuis kwam had hij een man over den hof zien loopen, die geleek op haren vrijgelatene, den paardrijder Hiram. Waarschijnlijk had zij met den stotteraar eene samenkomst gehad, om, om... hier was maar éen ding mogelijk.--Zij had plan om te vluchten uit zijn ouderlijk huis en daarbij had zij de hulp van een man noodig.