De nijlbruid

Part 59

Chapter 591,199 wordsPublic domain

De eerste dierbare gast, die de nieuwe woning met hen betrok, was de kleine Maria, die hun liefste huisgenoote bleef tot haar huwelijk. De opvoedster Eudoxia, die Orion mede bij zich had opgenomen, volgde Maria later naar haar eigene, schoone woning en de leerlinge sloot eindelijk de oogen der Griekin, die zich bij de opvoeding harer kleinen niet als eene huurlinge, maar als eene ware moeder gedroeg.

Ook de patriarch Benjamin, die op grond van vele overwegingen en niet het minst om het testament van Katharina, besloten had met den zoon van den Mukaukas in goede verstandhouding te blijven, verscheen als gast bij het jonge paar. Noch hij, noch de kerk behoefden berouw te gevoelen over den vrede, dien hij met Orion gesloten had, en toen Paula haren geliefden gemaal een zoon schonk, bood de kerkvorst zichzelven als peet aan, en noemde den kleine naar zijn grootvader: Georg.

Spoedig na zijn huwelijk werd de waardigheid van Mukaukas aan Orion opgedragen, hoewel onder een nieuwen Arabischen titel. Zijn zoon erfde die later, toen hij tot man was opgewassen. Als de hoogste christelijke beambte in zijn vaderland moest Orion weldra van woonplaats veranderen en uit het ten ondergang gedoemde Memphis naar Alexandrië verhuizen. Van daar strekte zich zijne werkzaamheid uit over het geheele Nijldal, en hij wijdde zich daaraan met zooveel ijver, zulk eene trouw, zooveel verstand en rechtvaardigheid, dat nog door latere geslachten zijn naam met vereering en liefde werd herdacht. Paula maakte het geluk en de trots uit van zijn leven en bleef tot op hoogen leeftijd innig met hem verbonden. Tot de plichten zijns levens rekende hij ook, dag aan dag het leven recht gelukkig te maken der vrouw, die hem van een verlorene en vervloekte gemaakt had tot hetgeen hij nu was. In den gevel van het nieuw gebouwde paleis zijner vaderen in de havenstad plaatste hij het opschrift, dat de ring van den edelen Thomas versierde: "Voor de deugd heeft God het zweet gezet."

Ook de arts en zijne Pulcheria vonden te Alexandrië eene nieuwe woonplaats. Philippus had niet lang aanzoek om haar behoeven te doen; want toen de teruggekeerde zijn lief meisje, waaraan hij op de lange reis voortdurend had gedacht, in het huis harer moeder voor de eerste maal weder ontmoette, en zij hem beide handen vertrouwelijk en hartelijk toestak, trok hij haar tot zich en liet zijne Pul niet weder uit zijne armen los, voor vrouw Johanna hem en haar den moederlijken zegen had gegeven. De weduwe woonde in het huis van den arts bij haar kinderen en kleinkinderen en bezocht vaak het graf van haren lieven man. Eindelijk werd zij bij hem en zijne moeder op het kerkhof van de havenstad begraven.

Rustem, dien Orion tot een welvarend man maakte, werd een groote paarden- en kameelenfokker in zijn vaderland, en zijne Mandane bestuurde kalm en met overleg zijne goederen, die hij, ofschoon hij een Masdakiet bleef, met niemand deelde. Het eerste meisje dat zijne vrouw hem schonk, heette Maria, de eerste knaap werd Haschim genaamd. In het voorstel van Rustem, om den tweeden Orion te noemen, stemde zijne vrouw niet toe; zij riep dien liever bij den naam Rufinus en die er nog volgden bij die van Philippus en Rustem.

Het senatorenpaar uit Konstantinopel verliet Egypte met een tevreden gemoed. Vrouw Martina had toch nog de voldoening gehad, de bruiloft van hare lieve Heliodora aan den Nijl te helpen vieren, zij 't ook dat de bruidegom niet haar "groote Sesostris" was geweest, maar haar neef Narses die onder de zorgvuldige verpleging van de jonge vrouw wel is waar niet zijne volle gezondheid had teruggekregen, maar toch redelijk was hersteld. Als Paula's huwelijksgeschenk ontving de jonge weduwe de noodlottige groote smaragd, die intusschen naar Memphis was teruggekomen. Het Senatorenpaar en de Mukaukas Orion met zijne gemalin bleven tot aan het einde door innige vriendschap verbonden.

De rentmeester Nilus vervulde nog lang zijn ambt met vlijt en voorzichtigheid, en zoo vaak de koopman Haschim te Alexandrië kwam, ontstond er een strijd tusschen de vrienden Orion en Philippus, want beiden wilden zijn gastheer zijn. De arts gunde thans den Mukaukas zijne trotsche gemalin. Hij hield niet op haar te bewonderen, maar dacht daarbij: "Mijne aanminnige Pul heeft toch haars gelijke niet. Voor Paula zouden onze vertrekken te klein zijn maar mijne goudharige voelt er zich het meest op haar gemak."

Tot het einde vervulde hij zijn beroep met zelfopofferende toewijding, en als hij Orion zich zag inspannen bij zijne strenge plichtsvervulling, zeide hij vaak: "Hij weet nu, wat het leven eischt en handelt er naar, en daarom veroudert hij niet en klinkt zijn lachen nog altijd even innemend blijmoedig. Wie als de Nijlbruid een wissen dood en als de jonge Mukaukas den zwaarste aller vloeken weet te boven te komen: waarlijk, het is eene eer zich een vriend te durven noemen van zulk een paar!"

De Nijlbruid werd tot op den huidigen dag niet vergeten, want voordat de stroom in den "nacht van den druppel" stijgt, richten de bewoners der stad, die op de andere zijde van den stroom in aansluiting aan het door Amr gegrondveste Fostat de plek bewonen van het oude Memphis, de Kaireners, aan den oever van de rivier eene pop van klei op, die er uitziet als een vrouwelijk wezen, en zij noemen haar "Arouse", dat is "de bruid".

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Het zeil waarmee het open dak overspannen kon worden.

[2] Het vertrek waar de papyrusrollen en kostbaarheden werden bewaard.

[3] Raadsheeren.

[4] De vriend en raadsman eener vrouw, die ook bij het gerecht voor haar moest optreden. Met hem naast zich, stond de vrouw in het toenmalige Egypte voor de wet met den man gelijk.

[5] Klooster.

[6] Weinig samenhangende rijen van op zichzelf staande kluizenaarswoningen.

[7] Voogd.

[8] Een binnen het gebouw besloten tuin.

[9] Vertrek ter bewaring van boeken en kostbaarheden.

[10] De Grieken bedienden zich hij vrouwennamen gaarne van verkleinwoorden; men vindt ze zelfs in de belastinglijsten in plaats van de gewone namen. Overigens was het gebruik van diminutiva ook den Attischen Grieken niet vreemd.

[11] Plaatsvervanger.

[12] Bravo.

[13] Nijlmeerval, eene smakelijke visch.

[14] De onderwereld der oude Egyptenaren.

[15] Een groot zeeschip, met drie rijen roeibanken.

[16] De Alexandrijnsche bisschop Eutychius (geb. 876 n. Chr.) omschrijft de communistische leer van Masdak aldus: "God heeft de mensch het zijne toebedeeld, opdat gij het gelijkmatig onder hen verdeelen zoudt, en den een niet meer zal hebben dan den ander. Wanneer een echter meer dan billijk is aan vermogen, vrouwen, slaven en roerende goederen mocht bezitten, dien willen wij het ontnemen, om hem aan de anderen gelijk te maken."

[17] Een dubbel schrijftafeltje, dat kon worden toegeslagen.

[18] Een helper en dienaar van een priester.

[19] Onze zeep, die men echter niet in harden toestand gebruikte.

[20] Suez.

[21] De Grieksche vesting, waarbij het door Amr gestichte Fostat en later Kairo zich aansloten.

[22] Nog in de 14e eeuw na Christus werd door de Christenen in Egypte een kistje met een menschelijken vinger in den Nijl geworpen om den stroom tot wassen te nopen. Dit wordt bevestigd door een bericht van den betrouwbaren Makrisi.

[23] Het doet geen pijn.

[24] De bemiddelaren der huwelijken bij de Arabieren.