Part 58
Gisteren was hare moeder gestorven en nu woonde zij deze vertooning bij en gaf den stuurman zelfs bevel naar het houten getimmerte te varen en in zijne nabijheid te blijven liggen, waar zij door alle toeschouwers gezien moest worden. Doch zij wenschte blijkbaar zich in dezen tooi aan het volk te vertoonen en zich te doen bewonderen, want daar besteeg zij het dak der kajuit. Hoe lieflijk zag zij er uit, zoo schoon als eene onschuldige engel, terwijl zij de trap opklom, kinderlijk beschroomd, schuchter en met wijd opengesperde oogen, als verwachtte zij daar boven iets groots, waarnaar zij lang en van ganscher harte gesmacht had. Op de laatste trede moest Anubis haar steunen, want daar knikten hare knieën; doch boven gekomen zond zij hem terug met de opdracht ook de anderen beneden te houden, want zij wilde alleen zijn. De knaap, gewoon te gehoorzamen, voldeed aan haar verlangen.
Zij klom nu op de bank naast de borstwering van het boord, keerde zich tot Paula, die zij al nader en nader kwam, stak de rechterhand, waarin zij twee leliestengels hield met heerlijke bloemkelken, naar haar en den bisschop uit, en op het oogenblik dat de hoefsmid de ruimte tusschen de brug en het vaartuig met zijn oog mat en de onmogelijkheid inzag om de Nijlbruid in de diepte te werpen, alvorens de feestboot zich verder verwijderd had, riep Katharina:
"Eerwaarde vader Johannes en gij allen daar! Ik, ik en niet de dochter van Thomas! Niet zij, ik, ik, Katharina, ben de ware Nijlbruid! Vrijwillig, luister naar mij, Johannes! Vrijwillig offer ik mijn leven op, om mijn arm volk van zijne ellende te redden, en de patriarch heeft gezegd, dat mijn offer den hemel welgevallig zal zijn. Vaart allen wel! Bidt voor mij! Erbarm u mijner, mijn Heiland! Moeder, lieve moeder, ik kom!"
Na deze woorden riep zij den stuurman toe: "Verder van de brug!" en zoodra enkele riemslagen de feestboot verder op stroom hadden gebracht, klom zij vlug op de borstwering van het boord, wierp zij de leliestengels voor haar uit, en liet zij zich glimlachende, met het hoofd lieflijk ter zijde gebogen en terwijl zij hare kleederen schroomvallig tegen het lichaam drukte, in het water zinken. De golven sloten zich boven haar hoofd. Nog even dook zij, die zoo goed zwemmen kon, weder op, en haar gelaat zag er uit als dat eener badende, die zich verheugt in de frischheid van het water, dat als streelende haar omspoelde. Misschien bereikte nog de waanzinnige storm van kreten haar oor, die uit den mond der onafzienbare menigte van den oever den bijval, de schrik, het medelijden en de dankbaarheid vertolkten. Daarop boog zij het hoofd en verdween in de diepte.
De "stroomgod", een goedhartige kerel, die in het dagelijksch leven zijn evenmensch niet voor zijne oogen kon zien verdrinken, liet Paula los, vergat zijne rol en sprong Katharina na. Hetzelfde deden haar zoogbroeder Anubis en eenige matrozen. Doch zij vonden haar niet, en de knaap, wien het gebroken been in het zwemmen belemmerde, volgde haar in den dood, die hij met zijne jonge ziel geheel toebehoorde.
Katharinas toespraak hadden alleen zij gehoord, tot wie zij gericht was. Doch voor zij nog in den vloed was verdwenen richtte de bisschop Johannes zich tot het volk in zijne nabijheid, hield Paula, die zich reeds vrij gevoelde, nadat haar verschrikkelijke bruidegom verdwenen was, vast met de eene hand, zwaaide met de andere het crucifix, dat aan zijn gordel hing, en riep zoo luid hij kon: "De wensch van onzen heiligsten vader Benjamin, door wien God zelf tot u spreekt, is thans vervuld geworden. Uit eigene, edele begeerte heeft zich eene reine Jacobietische jonkvrouw, van hooge geboorte, naar het voorbeeld des Heeren, ten behoeve harer lijdende medemenschen voor uwe oogen opgeofferd. Deze hier," en hij trok Paula nader tot zich, "deze is vrij; de Nijl heeft zijn offer ontvangen!"
Vóor hij echter nog had uitgesproken en het volk tijd kon vinden, om zijn oordeel te doen hooren, was de oude Horus Apollon naar hem toegevlogen en belette hem verder te gaan. Reeds bij het begin der trouwplechtigheid was hij van zijn ezel gegleden, en om zich zijn offer niet te laten ontgaan, plaatste hij zich nu tusschen den bisschop en Paula, greep haar gewaad en riep het koor der jongelingen toe: "Aan het werk! Spoedig een ander in de plaats van den stroomgod.... En dan in den vloed met de Nijlbruid!"
Doch de bisschop drong zich andermaal tusschen beiden, om de jonkvrouw in zijne bescherming te nemen. De oude werd nu als door razernij aangegrepen, hij vloog op den priester toe, om hem het beeld van den gekruisigde te ontrukken, waarop Johannes met diepe verontwaardiging hem toeriep op een toon, die door merg en been ging: "Anathema!" Bij dit ontzettend woord en het zien van deze heiligschennis kwam bij de Egyptenaars het christelijk bloed in beweging; de geloofstrouw, die in zoo menigen strijd proefhoudend was gebleken en in deze dagen van angst en verschrikking slechts kunstmatig was onderdrukt, deed zich weder gelden. De aanvoerder van het koor rukte den oude weg en plaatste zich aan de zijde van den priester. Anderen volgden hem, terwijl een aantal jeugdige zangers partij koos voor den grijsaard, die zich aan Paula vastklemde, en liever zelf wilde ondergaan dan het gehate voorwerp van zijn wraak te zien ontkomen.
Daar vernam men uit de richting van de verlatene stad klokgelui en een gejoel, dat angst verwekte zonder dat men er eene verklaring voor kon vinden. Opeens brak een jongeling, met het ontbloote zwaard in de hand, zich baan door de menigte, in wien de meesten ondanks zijn gescheurde kleederen, zijne verwilderde haren en zijn zwart geworden gelaat, Orion herkenden. Alles vloog voor hem uit den weg, die als een razende voortholde. Toen hij dicht bij het houten uitbouwsel gekomen in een oogwenk begreep, hoe ver de handeling gevorderd was, snelde hij met groote stappen door de verkleedden de estrade op, duwde hier en daar een troep lieden opzij, die hem in den weg stonden, en voor men nog aan het einde van de brug zijne nadering had opgemerkt, rukte hij den oude van Paula af, en riep haar bij den naam. Toen zij half onmachtig van schrik, verrassing en onuitsprekelijke vreugde in zijne armen zonk, drukte hij haar met de linkerhand vast tegen zich aan, en het blinkend zwaard in zijne rechterhand en zijne fonkelende oogen verkondigden ieder, dat men evengoed kon wagen een leeuwin aan te grijpen, die hare jongen verdedigt, dan dezen radeloozen jonkman, die bereid was met zijne geliefde te sterven.
Zijn ruk had Horus Appollon ver ter zijde geslingerd, en toen de oude zich gereed maakte, om zich nog eenmaal op zijn offer te werpen, geraakte hij midden in een troep lieden, die handgemeen waren geworden, en stortte met eenige worstelenden, die een wilde hoop menschen, welke Orion gevolgd was, van den rand der brug afdrong, in den stroom. De meesten hunner wisten zich door zwemmen te redden, doch de oude zonk weg en alleen zijn hoog opgeheven vuist zag men nog een tijdlang dreigend boven de oppervlakte van het water.
Intusschen had ook de Wekil gezien, wat er op de houten brug gebeurde, en woedend was hij van zijn zetel gesprongen, om op alles orde te stellen en Orion, dien hij meende herkend te hebben, met eigene hand gevangen te nemen, of als het zijn moest neer te houwen. Doch duizenden versperden hem den weg, want onder het geschreeuw van: "Brand! De gevangenis, de stad staat in vlammen!" was de verschrikkelijke bende van losgebroken misdadigers, aan het hoofd waarvan Orion verschenen was, tot het feestterrein doorgedrongen, en nu vloog een ieder weg, naar Memphis en naar zijn bedreigde woning om zijne have, zijne achtergeblevene bezittingen en zijne geliefden te redden. Als een vlucht duiven, die door het gekras van een havik uit elkander wordt gejaagd, als een hoop dorre herfstbladeren, die door een rukwind worden opgenomen, zoo stoven de toeschouwers uit elkander. In wilde haast en onder schromelijke verwarring spoedden zij zich stadwaarts, sprongen op de wagens van den feestelijken optocht, sneden van die waarop de godin der gezondheid zat de schimmels los, om op de ruggen dier paarden naar huis te jagen, wierpen omver al wat hun in den weg stond, en sleurden de Wekil met zich mede, die met den sabel in de vuist naar de brug wilde.
Rook en vlammen stegen intusschen al dichter en hooger van de stad ten hemel, en dreven de vluchtenden voort met geheimzinnige kracht, om zich te haasten, ten einde nog intijds hunne woningen te bereiken. Doch vóor de zwarte tot de estrade door kon dringen werd de voortijlende menigte tegengehouden. Men hoorde hoefslagen naderen. Een dichte stofwolk maakte wel-is-waar paarden en ruiters nog onzichtbaar, doch zij die daar kwamen aandraven moesten gewapend zijn, want door de grijze wolk, die hen omgaf, zag men hier en daar flikkerlichten, de weerkaatsing der heldere zonnestralen op de blanke, schitterende helmen, pantsers en zwaarden. Ook de zwarte herkende ze thans. De kadhi rende vooruit en juist toen de Wekil hen bereikte, sprong hij bij het houten uitbouwsel uit den zadel, en met den luiden uitroep: "Bevrijd, gered!" waarin zich al de vreugde van zijn gemoed afspiegelde, stak hij der jonkvrouw, die aan Orion hangende den oever naderde, de handen toe.
Bij dit alles had Othman den Wekil nog niet opgemerkt, die maar weinige schreden van hem afstond. Dat "bevrijd, gered!" uit den mond van den oppersten rechter, verkondigde den zwarte, dat de begenadiging van zijn jongen doodvijand moest aangekomen zijn, en deze hield tegelijk de veroordeeling van zijne handelingen in. Hij had niets meer te hopen, Omar moest nog leven en de aanslag tegen het leven van den Kalief mislukt zijn. Hem wachtten afzetting, straf, de dood als Amr terugkeerde; doch hij wilde niet overwonnen worden zonder den gehaten jonkman, die hem ten val had gebracht, met zich te slepen in het graf, daarom drong hij den kadhi onverwachts terug en hief zijn zwaard met een geweldigen zwaai in de hoogte, om Orion te vellen vóor zijn eigen val. Doch de aanvoerder van de lijfwacht, die Othman te paard gevolgd was, had zijn voornemen opgemerkt en snel als de bliksem hieuw hij uit het zadel op den zwarte los, en zijn kromzwaard trof den Wekil diep in den hals. Met een afgrijselijken vloek liet Obada zijn arm zinken en zakte voor de oogen van het opnieuw vereenigde paar reutelend in elkaar. De lieden verzekerden later, dat zijn bloed niet rood was geweest, gelijk dat van andere menschen, maar zwart gelijk zijn lichaam en zijne ziel.
Men had wel reden, om hem te vloeken, want zijne schandelijke daad vernielde op dezen dag meer dan de helft van Memphis en maakte zijne burgers tot bedelaars. Twee misdadigers, die zich door hem lieten omkoopen, hadden gedurende de feestviering de gevangenis in brand gestoken, om Orion daarin te doen stikken; doch de brand was ontdekt en alle gevangenen werden nog intijds bevrijd. Zoo had de jonkman aan het hoofd zijner medegevangenen het feestterrein kunnen bereiken, doch het vuur was in het van menschen ontbloote gebouw niet te beteugelen geweest, had zich in de uitgedroogde straten van huis tot huis voortgeplant, en den volgenden dag was van de beroemde pyramidenstad niets meer over dan de aan den stroom gelegen Nijlstraat en eenige ellendige stegen. De oude residentie der pharaonen was veranderd in een armzalig vlek, en de van hun dak beroofde inwoners verhuisden naar genen oever van den Nijl, en bevolkten als muzelmannen het in bloei toenemende Fostat, of zochten op christelijken bodem een nieuw vaderland. Tot de huizen die verschoond bleven behoorden ook dat van Rufinus en de kadhi geleidde Orion en Paula daarheen. Hij wees hun dit huis als gevangenis aan tot den terugkeer van den veldheer, en hier doorleefden zij gelukkige dagen, vereenigd met hunne vrienden; hier werd het den stervenden Thomas vergund zijne kinderen voor de laatste maal aan het hart te drukken en te zegenen.
Kort voordat de kadhi op het feestterrein verscheen waren twee duivenposten aangekomen, beiden met het bevel van Amr, dat het offer van de dochter van Thomas in elk geval verboden en zij tot zijn terugkeer in het leven gespaard moest worden. Ook behield hij zich voor over het lot van Orion te beschikken. Maria en Rustem hadden hem bereikt te Berenike, aan de Egyptische kust van de Roode zee. Deze vervallen havenplaats was met Medina door eene duivenpost verbonden en op zijne vraag aan den Kalief in betrekking tot het offer, dat door de Egyptenaars in hunne vertwijfeling aan den Nijl zou worden gebracht, had Omar een antwoord gezonden, dat terstond aan den kadhi werd overgebracht.
De brand van de stad bracht een nieuw vreeselijk onheil over de zwaar beproefde Memphieten, en de Nijl wilde, ondanks Katharina's offerdood, nog niet stijgen. De kadhi riep nu, drie dagen na het gestoorde bruiloftsfeest, de gezamenlijke bewoners der steden aan deze en gene zijde van den stroom nog eens onder de palmen van Nesptah samen, en hier verkondigde hij den muzelmannen en christenen door den Arabischen omroeper en den Egyptischen tolk, wat de Kalief hem geboden had den Memphieten mede te deelen. De eenige, algoede God versmaadde elk menschenoffer. In deze stellige overtuiging zou hij tot Allah, den barmhartige, bidden, en hij, Omar, zond hierbij een brief, dien men in zijn naam in den vloed mocht werpen. Dit schrijven droeg ten opschrift:
"Aan den Nijl van Egypte,"
en was van dezen inhoud:
"Wanneer gij, stroom, uit u zelven vloeit, stijg dan niet; als echter God, de eenige en barmhartige, het is die u laat vloeien, zoo roepen wij den barmhartigen God aan, dat hij u doe wassen!"
"Wat niet uit God is," zeide de veldheer Amr in den brief, die het schrijven van Omar begeleidde: "wat baat het den mensch? Maar al het geschapene bestaat alleen door hem, zoo ook gij, edele stroom. De Allerhoogste zal het smeeken van Omar en het onze verhooren, en daarom verorden ik u allen, muzelmannen, christenen en joden u te verzamelen in de moskee aan gene zijde van den stroom, die ik bouw ter eere van den Algoede, om daar uwe zielen te verheffen tot een groot, gemeenschappelijk gebed, opdat God u hoore en zich erbarme over uw lijden."
De kadhi noodigde nu al het volk uit over den Nijl te trekken, en het volgde zijn gebod. De bisschop Johannes riep zijne geestelijken op en aan hun hoofd ging hij de christenen voor; de priesters en oudsten der joden voerden hunne geloofsgenooten achter de Jacobieten aan, en de muzelmannen verzamelden zich met hen in het heerlijke aan zuilen zoo rijke godshuis van Amr, en de aanhangers der drie verschillende godsdiensten verhieven daar oog en hart en stem tot den eenen, barmhartigen hemelschen Vader. En juist die moskee van Amr heeft hetzelfde hartverheffende schouwspel nog meer dan eens gezien, en nog gedurende het leven en voor de oogen van den verteller dezer geschiedenis werden muzelmannen, christenen en joden tot éen vroom gebed hier saamgeroepen, dat den Heer zeker welgevallig was.
Kort nadat de brief van Kalief Omar in den Nijl geworpen en het gebed der drie godsvereeringen opgezonden was, kwam er een duif naar Memphis, die het bericht medebracht, dat de stroom bij de watervallen zeer begon te stijgen. Na eene reeks van bange en toch hoopvolle dagen zwol de Nijl al hooger en hooger, trad buiten zijne oevers en gaf den landman reden, om eene heerlijke oogst te verwachten. Nadat een onweder en daarmede gepaard gaande overvloedige regen de lucht gezuiverd en het verstikkende stof weggenomen hadden, verdween ook de pest.
Juist toen het wassen van den vloed voor het eerst zichtbaar begon te worden, keerde de veldheer Amr terug, en in zijn gevolg bevonden zich de kleine Maria en Rustem, alsmede de arts Philippus en de koopman Haschim, die zich te Dschidda bij het reisgezelschap van den stadhouder hadden aangesloten. Reeds onderweg hadden zij vernomen wat er te Memphis was gebeurd, en toen de reizigers, met de pyramiden voor oogen, hun laatste nachtkwartier naderden, zeide de veldheer tot de kleine Maria: "Wat denkt gij, mijne lieveling? Wij zijn de Memphieten nu toch wel een groot bruiloftsfeest schuldig?"
"Neen, heer, niet éen, wel twee," antwoordde het kind.
"Hoe dat?" zeide Amr lachende. "Daar gij nog zoo jong zijt, en vooreerst niet meetelt, ken ik geen meisje te Memphis, voor wie ik een bruiloft zou kunnen aanrichten."
"Maar ik zou een man willen uithuwelijken, dien gij alles goeds gunt, en die zoo eenzaam leeft als een kluizenaar," antwoordde Maria, "en wel tegelijk met Orion en Paula: Ik bedoel mijn goeden Philippus hier achter ons."
"De arts? En is hij dan nog ongehuwd?" vroeg de veldheer verbaasd; want geen muzelman van den leeftijd en den stand des geneesheers zou als jong gezel kunnen leven, zonder zich bloot te stellen aan de minachting zijner geloofsgenooten. "O, hij zal weduwnaar zijn!"
"Neen," hernam Maria. "Hij heeft alleen nog geene vrouw gevonden, die hem past; doch ik ken er eene, die God zelf voor hem geschapen heeft."
"Kleine Chatbe!" [24] riep de veldheer uit. "Maak dit zaakje maar in orde, en het zal aan mij niet liggen, wanneer die tweede bruiloft niet schitterend is."
"Dan willen wij nog een derde vieren!" ging het kind daarop lachende voort. "Mijn brave beschermer Rustem..."
"Die reus? U, kleine, is niets onmogelijk! Alzoo hebt gij voor hem ook eene bruid gevonden?"
"Neen, hij is zonder mijne hulp aan zijne Mandane gekomen."
"Om 't even," zeide de veldheer vroolijk, "ik geef hen een huwelijksgift. Doch laat het nu ook genoeg zijn, anders verdringen al die nieuwe niet muzelmansche geslachten, die wij daar grondvesten, ons Arabieren nog uit het land."
Zoo ging de groote man met het kind om, nadat het te Berenike zijne tent was binnengekomen, en daar de zaak der twee geliefden, voor wie het gevaren en moeiten op zich had genomen, zoo welsprekend, zoo duidelijk en in zulke gevoelvolle woorden had verdedigd, dat Amr tegelijk besloten had het alles toe te staan, wat in zijne macht was. Maria had bovendien met de boodschap die zij bracht ook hem een dienst bewezen, want zij maakte het hem mogelijk dingen te verhoeden, die de zaak van de halve maan benadeeld zouden hebben, en de kinderen van twee vaders, die hij vereerde, den zoon van den Mukaukas Georg en de dochter van Thomas uit een groot gevaar te redden.
Bij zijn terugkeer bevond hij, dat hetgeen de Wekil misdreven had zijne ergste vrees zeer verre overtrof. De achting voor het Arabisch bestuur en de gerechtigheid der muzelmannen, die hij met alle inspanning bevestigd had, was de zwarte begonnen te ondermijnen, en als door een wonder was Orion aan zijne lagen ontkomen; want driemaal had hij moordenaars naar de gevangenis gezonden, en alleen aan de waakzaamheid van den man van de aardige Emau, was het te danken geweest, dat hij zich uit den brand der gevangenis had kunnen redden. Er was Obada alles aan gelegen geweest, om den gehaten jonkman, wiens verklaringen en aanklachten voor hem verderfelijk konden worden, uit den weg te ruimen. De onzinnige had een eervoller dood gevonden, dan zijne rechters hem zouden hebben waardig geacht. De schatten, die men bij hem opgestapeld vond, werden naar Medina gezonden, doch ook Orion moest erin berusten, dat de groote kapitalen, die de zwarte uit zijne schatten naar Fostat had gezonden, in het bezit der Arabieren bleven. Deze straf meende de veldheer hem te moeten opleggen voor zijne deelneming aan de noodlottige redding der nonnen; en de jongeling onderwierp zich gaarne aan deze boete, die hem en zijne geliefde de vrijheid teruggaf, en het den veldheer mogelijk maakte een grooter deel der inkomsten van zijn vaderland tot nuttige doeleinden te besteden.
Doch de Kalief Omar nam de sommen, die veel meer dan de helft van het vermogen van den Mukaukas Georg bedroegen, niet meer in ontvangst. Sluipmoordenaars hadden den trouwsten vriend van den profeet, den wijzen en krachtigen heerscher omgebracht en nu kwam aan het licht, dat de Wekil een der aanleggers van de samenzwering was geweest en het uiterste gewaagd had, bemoedigd door het vertrouwen op het gelukken van zijn plan.
Amr begroette den zoon van den Mukaukas, als ware hij zijn vader geweest, en nadat hij diens arbeid had onderzocht, bevond hij dat deze de soortgelijke ontwerpen, die hij door anderen had laten uitwerken, verre overtrof. Hij vertrouwde dus aan Orion de uitvoering toe van de nieuwe, tot in de kleinste deelen door hem vastgestelde indeeling van het land.
"Doe uw plicht en span ook in het vervolg al uwe krachten in, gelijk gij begonnen zijt," riep Amr den jonkman toe.
"Ik ben," antwoordde Orion, "in dezen moeielijken, maar toch heerlijken tijd over velerlei dingen tot klaarheid gekomen."
"Mag men weten over welke?" vroeg de veldheer. "Ik luister gaarne naar u."
"Ik heb leeren inzien, heer," antwoordde Orion, "dat hetgeen de groote menigte geluk of ongeluk noemt, niet wezenlijk bestaat. Wat het leven ons toeschijnt te zijn, hangt af van de vraag, hoe wij ons tegenover dat leven plaatsen. Pijnlijke wederwaardigheden, die van buiten in ons bestaan ingrijpen, zijn vaak niet meer dan een korte nacht, waarop een heldere dag volgt, of als de operatiën van den heelmeester, die ons gezonder maken dan te voren. Wat men in den regel ongeluk noemt, is ontelbare malen eene brug tot hooger geluk. Het alledaagsche geluk der groote menigte leidt als een snelvlietende stroom, af van dit heerlijk gevoel van innerlijke gezondheid. Gelijk een schip, dat bij een storm zijn roer heeft verloren, er beter afkomt in volle zee, dan in de nabijheid van de reddende kust, zoo vindt de mensch, die zichzelven verloren heeft, zichzelven en zijn waarachtig heil gemakkelijk weder in het wilde bruisen van de golven des levens, maar zelden en moeielijk, wanneer zijn levenshulk rustig daarheen drijft. Alle andere goederen verliezen in waarde, wanneer het bewustzijn ons niet draagt, dat wij de levenstaak trouw en ernstig opvatten, en de vraagstukken, die dit bestaan ons voorlegt, blijmoedig weten op te lossen. De verlorene zou gered zijn, zoodra hij, met zijn God voor oogen en in het hart, zijn denken en zijn handelen in dienst stelde van hoogere plichten. Mijne eigene levenservaringen en de vrienden mijner Paula hebben mij geleerd, onvermoeid het rechte te zoeken en eigen welzijn te vinden in het welzijn van anderen. Het gevoel van de vrijheid verloren te hebben was hard, maar liet mij mijne liefde en schonk mij gelegenheid en ruimte van tijd, om mijne beste krachten ten dienste van het algemeen flink te beproeven, en al ware het in den kerker niet volkomen, want zonder vrijheid geen waar geluk, toch gevoelde ik er mij voortdurend gelukkiger dan toen ik mij als lediglooper en onnut verkwister van tijd en kracht, overgaf aan de verschillende genietingen der hoofdstad."
"Zoo geniet dan de zelfvoldoening, die eene trouwe plichtsvervulling schenkt, en tevens van uwe liefde en vrijheid," hernam de veldheer. "En uw vader in het paradijs, geloof mij, vriend, hij zal u het schoonste en beste even blijmoedig gunnen als ik. Gij zijt op den weg, die elken vloek in zegen verandert."
De drie bruiloften, welke de veldheer aan Maria beloofd had te zullen aanrichten, werden glansrijk gevierd. Het huwelijk van Orion en Paula werd voor de vrienden te Memphis een onvergetelijke dag. De bisschop Johannes zegende het paar in, en het betrok terstond het eigendom van den jongen echtgenoot, het schoone huis van de kleine Katharina, de ware Nijlbruid. Als het vergund was geweest in Paula's en Orions hart te lezen en te vernemen, hoe zij over haar dachten, dan zou men bevonden hebben, dat zij voor beiden niet meer het kinderlijke kwikstaartje was en dat zij haar dankten voor het offer van haar jeugdig leven.