De nijlbruid

Part 57

Chapter 573,824 wordsPublic domain

O, hoe wonderbaar, hoe heerlijk! Legde zij hem daardoor niet de volstrekte noodzakelijkheid op aan haar te blijven denken, zoo vaak hij ook aan Paula dacht? Ja, zóo dwong zij hem haar eigen beeld onafscheidelijk van dat "der andere" in zijne ziel te laten wonen. En moest door deze voorbeeldelooze daad hare gestalte niet zoo hoog rijzen, dat zij in de voorstelling aller menschen en ook in de zijne de groote Damasceensche gelijk kwam? Van nu aan smachtte zij naar de gewichtige ure. Haar ijdel hartje lachte de voorsmaak toe der vreugde, door ieder gezien, geprezen, bewonderd te worden. Morgen zou zij, de kleine, boven ieder uitsteken, en hoe gevoeliger de gloed van den brandende zon haar drukte, des te aangenamer scheen het haar toe, die het baden een genot vond, in het koele element rust te vinden na de marteling des levens. Deze daad uit te voeren, scheen haar niet moeilijk. Zij was thans meesteres, en slaven en beambten moesten uitvoeren, wat zij beval.

Bij dat alles was zij ook bedacht te zorgen, dat hare uitgebreide bezittingen niet in handen vielen van verwanten, die zij weinig genegen was. Zij stelde dus met vaste hand een testament op, waarin zij een deel van haar vermogen vermaakte aan haar oom Chrysippus, een kleiner deel aan haren zoogbroeder en aan de weduwe van Rufinus, bij wie zij een groot onrecht had goed te maken. De grootste helft harer bezitting, die op vele millioenen geschat werd, vermaakte zij aan haar geliefden vriend Orion, dien zij alles vergaf, en aan wien zij hoopte getoond te hebben, dat in het kleine "kwikstaartje" toch plaats was voor iets groots. Zij verzocht hem ook haar huis aan te nemen, daar hij door haar toedoen het huis zijns vaders verloren had. De bepaling, die zij aan deze nalatenschap verbond, bewees hoe bedachtzaam en helder van geest zij tot den einde toe was geweest. Zij wist, dat de verbolgenheid van den patriarch voor den jongen man gevaarlijk kon worden; om in dit opzicht te bemiddelen en tegelijkertijd zich van de voorspraak der kerk te verzekeren, waarop zij prijs stelde, schreef zij Orion voor, het grootste gedeelte van het door hem geërfde aan den patriarch over te geven voor de kerk en voor weldadige doeleinden; echter niet opeens, maar in tien jaren, en bij gedeelten, zoo groot als Orion geheel naar eigen inzicht zou willen vaststellen. Indien de zoon van den Mukaukas binnen drie jaar kwam te sterven, zouden zijne rechten als erfgenaam op haar oom Chrysippus overgaan. Aan de kerk, waartoe zij behoorde met geheel haar hart, richtte zij de bede, jaarlijks in alle godshuizen des lands voor haar en hare moeder op hare naamdagen te laten bidden. Als de patriarch haar zulk eene eer waardig keurde, zou de bidkapel, die moest opgericht worden ter plaatse van haar verscheiden, de Susanna- en Katharina-kapel genoemd worden. Eindelijk maakte zij alle slaven vrij en bedacht zij rijkelijk de beambten des huizes.

Terwijl zij dezen haar laatsten wil gedurende vele uren onder ernstig nadenken opstelde, lachte zij vaak tevreden bij zichzelve. Zij schreef het stuk eigenhandig netjes over, en liet ten laatste den arts en alle vrije beambten des huizes hare handteekening als getuigen bevestigen. Hoewel niemand vermoedde welk voornemen het kwikstaartje bezielde, zoo verwonderde toch niemand er zich over, dat de jonge in een verpest huis opgeslotene erfgename over haar vermogen beschikte. De arts bracht, vóor het nacht werd, den overste der stad, Alexander, een oud vriend haars vaders, die na den dood van den Mukaukas haar voogd was geworden, op haar verlangen aan de tuinpoort, en deze sprak daardoor met Katharina, was bereid haar als kurios te dienen, en bevestigde als zoodanig het testament en de onderteekeningen, hoewel zij hem het document niet wilde laten lezen. Eindelijk begaf zij zich naar het slavenverblijf, waaruit men weder eenige zieken naar de Necropolis had gedragen, en beval den schippers morgen vroeg de groote feestboot gereed te maken, daar zij het offer op de rivier wilde aanschouwen. Zij schreef den tuinlieden voor, hoe zij het vaartuig optooien moesten en welke bloemen zij voor haarzelve hadden te snijden.

Veel minder opgewonden dan gisteren begaf zij zich daarop ter ruste, en vóor zij nog het avondgebed geëindigd had, viel de zwaarvermoeide in een diepen slaap. Toen zij na zonsopgang ontwaakte, vond zij het groote, prachtige vaartuig, hetwelk haar vader te Alexandrië had laten bouwen, geheel bemand en tot de afvaart gereed. Ongehinderd besteeg zij het met Anubis en eenige dienende vrouwen, daar al de wachters, die het huis gisteren nog omsingeld hadden, waren saamgetrokken in de stad voor het groote offer- en bruiloftsfeest, waarbij het licht onstuimig kon toegaan.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Reeds hadden zich gedurende den nacht aan den oever niet ver van de herberg van Nesptah talrijke toeschouwers verzameld. De menigte groeide ieder oogenblik aan, en niettegenstaande de groote hitte van dezen morgen kon geen Memphiet in huis blijven. Mannen, vrouwen en kinderen stroomden naar de feestplaats; ook uit de naburige steden, vlekken en dorpen kwamen ze bij duizenden, om van het ongehoorde offer getuigen te zijn, dat aan den nood des lands een einde zou maken. Wie had ooit van zulk een huwelijksfeest gehoord? Welk een geluk, welk een voorrecht het te kunnen bijwonen!

De senaat had niet stil gezeten en het zijne gedaan, om het feest op te luisteren, ten einde zoovelen als mogelijk was in staat te stellen van het schouwspel te genieten, dat tot stand was gekomen door hunne medewerking en offervaardigheid. Rondom de haven van Nesptah had men in een grooten halven cirkel houten stellages gebouwd, waarop duizenden zit- en staanplaatsen konden vinden. Voor de bouleuten en hunne familiën, evenals voor de opperhoofden der Arabieren, waren in het midden van deze tribune bijzondere afdeelingen gemaakt, met tapijten behangen, en daarin stonden hooge leuningstoelen gereed voor den Wekil Obada, den kadhi, den stadsoverste, den ouden Horus Appollon en ook voor de geestelijkheid, ofschoon men wel wist, dat zij aan dit feest geen deel zou nemen.

Het geringe volk, dat geen middelen had, om zich den toegang tot deze estrade te koopen, had zich met vrouw en kind aan den oever gelegerd, en een aantal handelaars waren van alle zijden gekomen en boden, waar de menigte het dichtst was, op tweewielige karretjes of kleine tapijten, die zij voor zich hadden uitgespreid, verfrisschende dranken en eetwaren te koop. Ook bij de tribune hielden de waterdragers, die gezuiverd Nijlwater of vruchtensappen aanboden, niet op met roepen.

In de dorre kronen der palmen van Nesptah, waar anders tortels, hoppen en musschen huisden, had thans de straatjeugd der stad zich plaatsen veroverd, en plukte voor tijdverdrijf de verschrompelde zieke dadels uit de zware vruchtbundels, om ze den nieuwsgierigen voor de voeten of op het hoofd te werpen, tot de wachters dit in het oog kregen en het verboden.

Het voornaamste aantrekkingspunt voor aller oogen vormde de ver in den ondiepen stroom uitgebouwde brugvormige houten estrade, van waar de Nijlbruid den smachtenden verloofde in de vochtige armen zou worden geworpen. Aan dit toestel hadden zij, die het feest in gereedheid brachten, al hunne kunst besteed, want het was overrijk versierd met tapijten en doeken, palmwaaiers en vaandeltjes, met zware guirlandes van tamarisken en wilgenloof, waaruit eene menigte lotusbloemen, malva's, leliën en rozen helder en schoon te voorschijn kwamen, alsmede met kransen, de wapens van de gouw en andere vergulde sieraden. Alleen het uiterste gedeelte was geheel naakt gebleven; men had hier zelfs de leuningen weggelaten, om niets te doen ontgaan aan de oogen, die op de "echtvereeniging" gericht zouden zijn.

Op de derde ure vóor den middag ontbraken alleen nog maar zij, voor wie de plaatsen gereed werden gehouden, en de nieuwsgierigheid deed ook hen weldra verschijnen. De veiligheidsbeambten hadden handen vol werk, om te verhoeden, dat de voorste rijen der toeschouwers niet door de achterste in den stroom werden gedrongen; wel was dit niet overal te voorkomen, doch door den vlakken oever leed niemand schade. Toch hieven zij, die telkens in gevaar verkeerden, zulk een geschreeuw aan, dat het de muziek overstemde der op de tribune geplaatste muzikanten, alsmede de kreten van bijval, die zich lieten hooren, zoodra de oude Horus Apollon, die op zijn witten ezel vroolijk en frisch als een jongeling dan hier dan daar was, of een der hoogere beambten van de stad zich vertoonde. Op enkele plaatsen hoorde men niets dan jammerkreten en stoven de saamgedrongen groepen huilende uit elkander. Hier had een zonnesteek een burger getroffen, daar de pest een nieuwsgierige aangetast. De vluchtenden sleurden anderen met zich voort; gillende moeders zochten hare kleinen voor dooddrukken of voor besmetting te bewaren; de wagen van een koopman werd omgesmeten, zoodat de eieren en koeken onder den voet raakten; een geheele hoop menschen viel in een diep, half uitgedroogd kanaal. De veiligheidsbeambten zwaaiden hunne stokken en zochten schreeuwende en weer nieuw geschreeuw verwekkende, de orde te bewaren; doch dit alles oefende maar vluchtig eenigen invloed uit op de groote massa toeschouwers.

Op eens kwam er overal stilte, de verwarring hield op, het geschreeuw verstomde. Wie thans ook onder den voet raken, door de ziekte aangetast, doodgedrukt, of op andere wijze sterven mocht, het deed er niet toe. Uit de richting van de stad liet zich bazuingeschal en gezang hooren, de processie, de bruidsstoet naderde. Liever wilde men het besterven, dan dat het oog ook maar een tooneel van dit geheel eenig schouwspel zou ontgaan.

Wat gekken waren toch die Arabieren! Van hunne hoogste beambten waren behalve de zwarte Wekil maar drie verschenen, die niemand kende. Zelfs de kadhi zocht men tevergeefs. Hij had zeker de muzelmansche vrouwen verboden dit schouwspel aan te zien, want geen gesluierde schoone uit den harem was heden te bekennen. Van de Egyptische vrouwen zou zelfs de laatste zijn verschenen, indien de pest niet velen in hare huizen opgesloten had gehouden. Zoo iets beleefde men toch niet weder; wat hier gebeuren zou, daarvan zou men nog in later jaren de kleinkinderen kunnen vertellen!

Het gezang en de muziek kwamen steeds nader, maar waarlijk, dat klonk niet, alsof men een mensch geleidde naar zijn afgrijselijk graf. De eene fanfare volgde op de andere, en schetterde door de lucht, allen opwekkende tot feestelijk gejubel. Er weerklonken vroolijke bruiloftsliederen, die den hoorenden al nader en nader kwamen. De hooge koren der knapen en meisjes overstemden het krachtig maar dieper gezang van jongelingen, mannen en grijsaards. Schelle fluittonen verhoogden de feestelijke stemming en het dof geluid der trommen dreunde in vaste maat als het bruisen der zee. Daartusschen klonken cimbalen en rinkelden de schelletjes in de randen der tamboerijnen, die maagdelijke handen in feestroes over hare lokken zwaaiden, schudden en sloegen, terwijl luitspelers lieflijke klanken uit de snaren te voorschijn riepen. Toen deze geweldige stroom van allerlei tonen zeer dicht in de nabijheid was gekomen, liet zich reeds uit de verte nieuw gezang en nieuwe muziek vernemen.

Voor die aan den stroom stonden te luisteren, scheen de optocht onafzienbaar, en wat het gehoor had waargenomen, werd weldra door de oogen gezien. Allen waren een en al aandacht, tuurden en staken de hoofden naar voren, om de Nijlbruid en haar gevolg te zien. Ieders blik scheen gedwongen, om dezelfde richting te volgen. Daar verschenen voor allen de fanfareblazers op vurige paarden; zij schaarden zich aan beide zijden van de straat aan den oever, die tot het tooneel van de bruiloft leidde. Voor hen plaatste zich links het koor der vrouwen, rechts de mannen, die achter de eersten aankwamen, beiden in lichte, zeegroene kleederen, overvloedig met lotusbloemen getooid. De losse haren der vrouwen, die met witte bloemklokjes doorvlochten waren, golfden over hare schouders; de mannen droegen papyrus en riet in de handen, als vertegenwoordigden zij riviergoden, die uit de golven waren opgekomen. Vervolgens verschenen jongelingen en gebaarde gestalten in witte gewaden met pantervellen over de schouders, zooals ze weleer door de heidensche priesters werden gedragen. Twee grijsaards met golvende witte baarden leidden dezen optocht, de een met een zilveren, de ander met een gouden schaal in de rechterhand, gereed, om dezen als eerste offers, naar de gewoonte der vaderen, zooals Horus Apollon medegedeeld en voorgeschreven had, in den vloed te slingeren. Zij liepen de houten estrade op tot aan het einde en plaatsten zich aan beide zijden van het eindvlak, vanwaar de Nijlbruid met den stroom vereenigd zou worden. Op dezen volgde eene groote afdeeling fluitblazers en trommelslagers, en daarop weder vijftig meisjes, die de tamboerijnen zwaaiden en even zoovele mannen, allen gekleed en uitgedost als het gevolg van Dionusios, den in den Romeinschen tijd vereerden Osiris Bacchus. Daaronder merkte men ook den dronken Silenus op, alsmede saters met bokspooten en Pans, allen op grauwe en wonderlijk geel geverfde ezels, met uit vele rietpijpen bestaande herdersfluiten aan den mond.

Na dezen stoet werden giraffen, olifanten, struisvogels, antilopen, gazellen, zelfs eenige getemde leeuwen en panters voorbij de nieuwsgierige volksmenigte gevoerd. Men had dit ook gezien bij den beroemden feestelijken optocht ter eere van den tweeden Ptolomeus, dien Kallixenos van Rhodos beschreef. Nu volgden op een grooten door twaalf paarden getrokken wagen, de symbolische gestalten der geketende en ten onder gebrachte pest en nood, met vele schreiende, zwartgemaakte, aan palen gebonden kinderen, met spichtige vleugels op den rug en hoornen op het voorhoofd, die het hellengebroed tegelijk fraai en afzichtelijk moesten voorstellen. Op een anderen wagen zag men de godin van den overvloed. Zij was aan alle zijden door garven, vruchten en wijngaardranken omgeven, en werd door knapen en meisjes met ooft en korenaren, met granaatappels en dadelbundels, met wijnkruiken en bokalen in de handen omringd.

Hierop vertoonde zich in eene door acht sneeuwwitte paarden getrokken schelp, als rustte zij in een bad, de godin der gezondheid met eene gouden schaal in de eene en een slangenstaf in de andere hand, en daarachter de aanstaande gemaal van de Nijlbruid, de stroomgod, volgens het beroemde standbeeld, hetwelk de Romeinen uit Alexandrië hadden weggevoerd: de schoone, krachtvolle, gebaarde gestalte van een man, wiens bovenlijf op eene verbazende urn rust. Zestien naakte kindertjes, voorstellende de zestien ellen, die de stroom moest stijgen, wanneer zijn was het land zegen zou brengen, speelden rondom zijne herculische gestalte, en een dichte bruiloftskrans van lotusbloemen rustte op zijne golvende lokken. Krokodillen, bundels korenaren, dadels, druiven en schelpen versierden dezen met gejuich begroeten wagen, door grijsaards in heidensche priesterdracht omgeven. Nu volgden weder afdeelingen muzikanten en koren, en dan eene schaar van jongelingen en meisjes, voorafgegaan door zingende luitspelers. Ook zij waren gekleed als mannelijke en vrouwelijke stroomgoden, en stelden de speelnooten van bruid en bruidegom voor: het bruiloftsgeleide der verloofden. Hoe grooter het gedeelte werd van den stoet, dat was voorbijgetrokken, des te nader kwam het lang verwachte offer, en met des te grooter spanning luisterde en keek de menigte.

Nadat de jongelingen en meisjes voorbijgetrokken waren, werd het stiller op de tribune en onder het volk. Niemand voelde de gloeiende zonnehitte, noch lette op de droogte van zijne tong; aller oogen bleven dezelfde richting volgen, alleen de zwarte Wekil, wiens hoog opgerichte reuzengestalte voor allen zichtbaar was, wendde van tijd tot tijd met inspanning zijn loerenden blik naar de stad. Hij verwachtte rook te zullen zien opstijgen uit dat gedeelte waar de gevangenis stond; opeens opende hij de lippen, en met een hoonenden lach toonde hij zijne sneeuwwitte, glinsterende tanden. Dat, waarop hij hoopte, was verschenen; het grijze wolkje, waarnaar hij had uitgezien, werd al zwarter en zwarter, en nu vertoonde zich in zijn midden een roode gloed, dien zijn oorsprong niet aan de zon ontleende. Doch onder de duizenden was hij de eenige, die naar achteren zag en het opmerkte.

Nu betrad het bruiloftsgevolg het houten getimmerte in den stroom, daarop een nieuw koor van jongelingen met pantervellen over de schouders, en nu--eindelijk, eindelijk--kwam een wagen aanschommelen, die door acht koolzwarte, met groene struisvederen en waterplanten versierde stieren werd getrokken. Een hoog baldakijn, tegen wier pijlers vier mannen in de dracht van heidensche offerpriesters geleund stonden, overschaduwde den wagen, en onder dit met lotusbloemen en slingers van riet rijk getooide schutdak rustte, omgeven van groenen papyrus, rietgras, hooge biezen en bloeiende waterplanten, de koningin van het feest--de Nijlbruid.

In een wit gewaad en geheel gesluierd zat zij daar roerloos. Het lange, zware, bruine haar golfde los langs hare schouders, en voor haar lagen een krans en een aantal zeldzame rozenroode lotusbloemen op den grond. Tot hiertoe had de bisschop naast haar gezeten, de eerste christelijke geestelijke, die in het van geestelijken en monniken wemelende Memphis op deze schouwplaats van heidensche ongerechtigheid verscheen. Thans stond hij overeind en zag met gefronst voorhoofd en sombere, dreigende blikken de menigte aan. Wat hadden de boetpredikatiën in alle kerken, wat zijne vermaningen en bedreigingen en die van de gezamenlijke geestelijkheid gebaat? Trots ieder verzet had hij met de veroordeelde den wagen bestegen, nadat hij hare ziel nogmaals had getroost. Het kon hem het leven kosten, doch hij hield zijne belofte.

Paula hield Orions laatste groet, eene roos, die vrouw Martina hem gebracht had, en eene andere, die Pulcheria heden zeer vroeg haar was komen brengen, in de hand. Gisteren had haar stervende vader in eene heldere ure haar van ganscher harte zijn zegen gegeven, zonder te vermoeden wat haar wachtte. Heden was hij nog niet weder bijgekomen, en had de afscheidskus, die zij hem gaf, noch gevoeld, noch beantwoord. Onbewust was hij uit de gevangenis naar buiten, en vandaar naar het huis van Rufinus gedragen. Vrouw Johanna had zich het voorrecht niet laten ontnemen hem tot zich te nemen en tot aan zijn einde te verplegen. Orions laatste schriftelijke groet was Paula kort voor het wegrijden overhandigd; deze hield het bericht in, dat zijn werk thans gereed was. Men had hem medegedeeld, dat niet heden, maar morgen het ontzettend feit zou plaats hebben, en het was haar tot troost, dat hem de marteling bespaard bleef, haar in den geest op haren vreeselijken tocht te volgen.

De vrouwen, die gekomen waren, om haar in bruidstooi te kleeden, had zij laten begaan. Onder deze was ook Emau, de vrouw van den gevangenbewaarder, wier medelijdende tranenvloed haar goed deed. Doch reeds in het voorhof der gevangenis had zij de gedachte niet kunnen verdragen, zich in het bloementooisel eener bruid aan de haar aangapende menigte te vertoonen; zij had alles op den wagen van haar lijf getrokken en op den grond geworpen. De weg naar den stroom was haar lang, oneindig lang gevallen, maar zij had de nieuwsgierige menigte met geen blik verwaardigd en niet opgehouden haar hart in het gebed te verheffen. Zoo vaak haar aristocratisch bloed in beweging was gekomen en de vertwijfeling haar dreigde te overweldigen, had zij de hand van den bisschop gegrepen, en deze had niet opgehouden haar toe te spreken, haar te bezweren, om de liefde en het geloof te bewaren en ook de hoop niet te laten zinken.

En zoo was men aan de estrade gekomen, aan welker einde het leven in eene andere wereld voor haar zou aanvangen. Het geschreeuw der volksmenigte had nog niet zoo luide en jubelend, zoo vol blijde verwachting geklonken als thans; muziek en gezang vermengden zich met het gebrul van duizenden, en als beneveld liet zij zich van den wagen tillen, volgde zij de jongelingen en maagden, die haar bruidsstoet zouden uitmaken, en die in afwisselende koren voor haar uit den schoonsten hymenaeus van de Lesbische Sappho zongen.

De bisschop beproefde thans tot de menigte te spreken, maar hij werd spoedig tot zwijgen gebracht. Hij plaatste zich nu weder aan hare zijde en aan zijne hand betrad zij de brug. Zij verzamelde al wat zij aan kracht, aan trots en heldenmoed bezat, om rechtop, zonder te wankelen, den laatsten gang te volbrengen, en reeds had zij in waardige houding, zoo majestueus, als liep zij daarheen, om gehoorzaamheid van deze menigte te eischen, het midden van de houten brug bereikt, toen achter haar op de losse planken hoefslagen dreunden.

De oude Horus Apollon had haar op zijn witten ezel ingehaald en versperde haar den weg. Buiten adem, badende in het zweet, gebood hij haar op hoonenden, zegevierenden toon het aangezicht te ontsluieren, en den bisschop, dat hij haar los zou laten, om den persoon die den Nijl voorstelde in zijne plaats te laten treden. Dit was een reusachtige hoefsmid, die hem, hoewel met zijne vermomming verlegen, maar toch van plan, om zijne rol tot het einde zoo goed mogelijk te spelen, gevolgd was. Doch de priester en Paula weigerden hem te gehoorzamen.

Daar rukte de oude haar den sluier van het gelaat, wenkte den "Nijlgod" en deze trad in zijn recht en voerde haar, nadat hij zich eerbiedig voor Johannes gebogen had, tot aan het uiterste einde der brug, hetgeen de bisschop niet had kunnen verhinderen. Hier wierpen thans de beide grijsaards, die het gevolg van Osiris Bacchus waren vooruitgegaan, de gouden schalen als offer in den vloed, en daarop begon een als heidensch priester verkleede pleitbezorger in eene goed gestelde rede de beteekenis van deze trouw en dit offer uiteen te zetten. Daarbij greep hij Paula's hand, om haar in die van den hoefsmid te leggen, en deze maakte zich gereed haar in de armen van den vloed te werpen, als welks vertegenwoordiger hij hier stond.

Doch aan zijn voornemen stelde zich een hinderpaal in den weg. Eene groote feestboot was zoo dicht mogelijk het houten getimmerte genaderd, en thans hoorde men van de tribune en uit de menigte, die tot hier toe in ademlooze spanning het diepste stilzwijgen had bewaard, ontelbare stemmen schreeuwen: "De feestboot van Susanna!"--"Ziet op den Nijl, op den vloed!"--"Het kwikstaartje, de dochter van den rijken Philammon!"--"Een lieflijk gezicht!"--"Eene tweede, eene andere Nijlbruid!"

Thans wendden zich de blikken der duizenden eenklaps van Paula op Katharina. De schoone feestboot van Susanna had reeds een uur lang voor de estrade heen en weer gevaren. De wachters hadden herhaaldelijk bevolen die op grooter afstand te houden van het tooneel der trouwplechtigheid, doch zonder gevolg en zij waren niet bij machte, om met hunne kleine schuitjes geweld te gebruiken tegen het groote door vijftig matrozen geroeide schip. Het was nu zeer nabij de brug gekomen, en zou met zijn rijk verguld houtwerk, zijn hoog door zilveren zuilen gedragen kajuithuisje, zijne purperen keurig gestikte zeilen een heerlijk, vroolijk gezicht hebben opgeleverd, wanneer de groote zwarte vlag aan den mast het vaartuig niet tegelijk een ernstig en treurig aanzien had gegeven.

Katharina had zich in de kajuit door de dienende vrouwen in witte kleederen doen hullen en zich met zuiver witte bloemen, mirten, rozen en lotus doen tooien en daarbij alle vragen, die in bezorgdheid tot haar gericht werden, onbeantwoord gelaten. De kamenier, die de bloemen op hare borst stak, voelde het hart van de meesteres onder hare vingers kloppen, en de lotuskelk, die van den schouder op haar vollen boezem nederviel, rees en daalde, als lag zij op den wiegelenden stroom. Ook hare lippen waren voortdurend in beweging, en hare wangen bleek als de dood. "Wat zou zij toch willen?" vroegen zij die haar geleidden zich af.