Part 55
Door Gamaliël, die vrouw Johanna inderdaad opgezocht had, om haar voor den grijsaard te waarschuwen, droeg zij kennis van het verloop der tegenwoordige terechtzitting, en Paula's daad om Orion te redden had haar bewondering voor de jonkvrouw nog verhoogd. Als zij den veldheer ontmoette, kon zij hem op alles antwoord geven, en zoo was zij in alle opzichten goed voorbereid, toen zij met Eudoxia door den tuin naar de Nijlstraat sloop. Aan gene zijde van de buitenpoort wierp zij het geliefde huis en zijne bewoners nog eene kushand toe, vervolgens wees zij zuchtend op het goed van de weduwe Susanna en zeide: "Arme Katharina, nu is zij opgesloten!--Weet gij, Eudoxia, ik heb haar toch lief, en als ik denk dat zij de pest zou kunnen krijgen en sterven--maar neen! Zeg aan moeder Johanna en Pul, dat zij vriendelijk voor haar moeten zijn. Geef haar morgen na het ontbijt mijn brief, en wanneer zij zich heden avond ongerust over mij maken, zeg dan dat gij alles weet, en dat het geheel onnoodig is over mij bezorgd te zijn. Gij zult het wel goed maken en zorg dragen, dat zij niet verdrietig worden."
Bij eene openstaande Jacobietische kapel verzocht zij de Griekin op haar te wachten, en wierp zich daarin voor het crucifix neder. Vroolijk en opgewekt kwam zij weldra weder buiten, en toen zij bij de laatste huizen der stad waren, zeide zij: "Is het niet zondig, Eudoxia? Welke lieve menschen laat ik hier achter, en toch ben ik te moede als een gevangen vogel, die de kooi ontvlucht is. Goede God, zulk een rit in den nacht door de woestijn en over de bergen! Een snelvoetig dier onder zich, en boven zich geen zoldering, alleen de blauwe hemel en ontelbare sterren! Altijd voorwaarts, naar een heerlijk doel! Geheel aan zichzelve overgelaten, met eene gewichtige zending belast, als een groot mensch! Is dat niet kostelijk? En als de lieve God mij helpt, als ik den veldheer vind en het mij gelukt zijne ziel te roeren.... zeg zelf, Eudoxia, zou er wel op de geheele wereld een gelukkiger meisje zijn?"
In de herberg van Nesptah vonden zij den Masdakiet met voortreffelijke dromedarissen en de noodige drijvers en dienaars. De Griekin gaf aan hare leerlinge nog vele nuttige lessen mede en daarbij met geheel heur hart haar moederlijken zegen. Rustem tilde het kind op den dromedaris, bracht met zorg zijne zitplaats in den zadel in orde, en de kleine karavaan zette zich in beweging. Maria wuifde de oude leermeesteres en nieuwe vriendin met een doekje vele groeten toe en Eudoxia keek haar nog na, toen zij reeds lang in het duister was verdwenen. Daarop ging deze naar huis, eerst stil weenende en met gebogen hoofd, daarna met opgerichten hoofde, zonder tranen en met vasten tred. Zij was bijzonder welgemoed, haar hart klopte veel krachtiger dan het in jaren gedaan had, en zij rees in eigen oogen door het bewustzijn, dat zij niet meer handelde naar de belemmerende voorschriften van een moeielijken plicht, maar als een vrij mensch naar eigen oordeel en inzichten. Zij zou zich weten te verdedigen en de anderen bewijzen, dat zij goed gehandeld had.
Toen Maria bij het avondeten werd gemist en ook op het uur dat men zou gaan slapen nog niet te huis was, had Eudoxia veel te doen om de anderen gerust te stellen en te troosten; zij moest zich menige verkeerde uitlegging van haar uitblijven laten welgevallen. Doch zij nam alles geduldig op zich, en het deed haar goed voor hare lieveling veel te verdragen. Den volgenden morgen toen zij vrouw Johanna Maria's brief overhandigd had, werden haar geduld en hare liefde op nog harder proef gesteld; ja de zachte, goedige weduwe ontzag zich niet tegen haar uit te varen op eene wijze, die haar voor weinige dagen ontwijfelbaar zou hebben genoopt met booze, scherpe woorden haar ontslag te vragen. Doch zij hoorde alles rustig aan, en eerst toen tegen den middag de bisschop verscheen, om het kind naar het klooster te brengen, en deze toornig werd over het verdwijnen van Maria, de weduwe bedreigde en haar verzekerde, dat hij de kleine in het gansche land laten zoeken en eindelijk wel vinden zou, gevoelde zij dat nu de beurt aan haar gekomen was, om zich over eene overwinning te verheugen.
De Griekin liet den bisschop kalm het huis verlaten. Toen hij vertrokken was, schoot zij eerst haar laatsten en besten pijl af, door vrouw Johanna te bekennen, dat zij het waagstuk van het kind in de hand had gewerkt, om het te redden uit het klooster. De in haar ontwaakte moederlijke liefde maakte haar welsprekend, en wat zij nauwelijks meer verwacht had, had werkelijk plaats: de kleine vrouw met het warme hart, die haar gisteren met zulke booze woorden beleedigde, sloeg de armen om haar langen, mageren hals, bood haar den mond tot een kus, noemde haar een braaf en degelijk meisje, en vroeg vergiffenis voor alles, wat zij haar gisteren had aangedaan. Toen de Griekin zich ter ruste begaf, was het haar, alsof hare jaren waren afgenomen en zij het onschuldige jonge schepseltje weder meer gelijk was geworden, dat zij geweest was onder hare zusters in het ouderlijk huis.
DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Paula wist nu wat haar bedreigde. De bisschop Johannes had het haar medegedeeld, hoewel met alle omzichtigheid en met de verzekering, dat hij altijd nog vast hield aan de hoop, de uitvoering van dit zondig heidensch gruwelstuk te kunnen verhinderen. Doch ook zonder den prelaat zou de veroordeelde vernomen hebben welk lot haar wachtte, want dagelijks verzamelden zich talrijke volksmenigten voor de gevangenis, en zelfs over de hooge muren drong het geroep, om "de Nijlbruid" te zien tot haar door. Vaak werd haar met geestdrift een "heil!" toegeroepen, maar hadden de onzinnigen tevergeefs hunne keelen heesch geschreeuwd, dan smaadden zij haar op de schandelijkste wijze. De kreet: "de Nijlbruid!" kwam van den vroegen morgen tot den laten avond niet tot zwijgen, en de kerkermeester was blijde, dat de bisschop hem ontheven had van de taak om Paula te verklaren, wat dat noodlottige woord beteekende, naar welks zin zij hem reeds herhaaldelijk had gevraagd. Aanvankelijk had dit nieuw en vreeselijk gevaar haar schrik aangejaagd en diep geschokt, doch om rustig en zoo mogelijk blijmoedig gestemd voor haar zieken vader te verschijnen, deed zij al haar best, om vast te houden aan de hoop van den bisschop. Dit gelukte haar eenigermate overdag, doch des nachts werd zij door angst gemarteld, en in hare verbeelding zag zij zichzelve zooals zij, door een razenden volkshoop omgeven, naar den stroom werd gesleept, om voor de oogen van duizenden in het natte graf geworpen te worden. Geen gebed, geen wilskracht, geen worstelen vermocht iets tegen dit schrikbeeld, geen teedere liefdegroet, gelijk Orion haar telkens deed toekomen, geen lied, dat hij in de korte uren van verpoozing, die hij zich gunde, der beminde toezong, geen troostwoord van den bisschop, geen bezoek van lieve vrienden.
Deze laatsten liet de bewaarder bij haar toe, zoo veel hij kon, en onder hen, die tot haar vermochten door te dringen, behoorden ook de senator Justinus en zijne vrouw Martina. Tot haar geluk hadden dezen, zoodra de badslaven van de weduwe Susanna ziek waren geworden en de verklaring van den arts hun ter oore was gekomen, dat hij deze krankheid voor het begin van de pest hield, het huis van hunne vriendin verlaten, om andermaal hun intrek te nemen in de herberg van Sostratus. Hun neef Narses, die uit de slavernij verlost was, bleef echter bij Katharina's moeder achter. Eigenlijk had deze hen met Heliodora moeten volgen, doch juist toen zij gereed waren om op te breken, had de pest vrouw Susanna reeds aangetast en de overheid verboden dat iemand het huis zou verlaten.
Heliodora zou het misschien gelukt zijn alleen naar de stad te vluchten, doch zij wilde den ongelukkigen zwager voor geen prijs verlaten. Alleen in hare tegenwoordigheid gevoelde hij zich beter, alleen door haar liet hij zich verplegen, en hij weigerde spijs en drank, wanneer zij het niet was, die ze hem aanbood. Hier kwam bij dat de vroeger zoo gezette officier der ruiterij in zijn ziekelijken toestand treffend geleek op haar gestorven gemaal, terwijl zij wist dat Narses haar eerder dan deze had liefgehad en wat hij voor haar gevoelde alleen verborgen gehouden had om zijns broeders wil. Haar lust om te verplegen vond hier bevrediging, en de zorg voor den half vernietigden, maar toch nog niet geheel verloren jongen man, de wensch hem in het leven te behouden, hield haar dag en nacht op de been en deed haar al het overige als bijzaak beschouwen. Zij had weder iets om voor te leven, haar streven had een doel gevonden dat bereikbaar was, en zij wijdde zich daaraan met hart en ziel. Haar oom had haar in het geheim medegedeeld, dat Orion eene ernstige liefde voor Paula had opgevat. Dat was voor haar eene smartelijke teleurstelling geweest, doch de Damasceensche had haar eerbied afgedwongen, en ofschoon hare eigenliefde was gekrenkt, toch deed het haar goed den geliefden jongeling aan niemand minder dan aan deze jonkvrouw te verliezen. Wanneer haar verlangen naar hem in menige stille ure desniettemin weder ontwaakte, scheen het haar toe, dat zij den verpleegde verongelijkte en in zijne rechten verkortte.
Wat Katharina betrof, was Heliodora, na hare moeder, het uitverkoren voorwerp harer zorg. De minste klacht van deze twee maakte haar vreeselijk beangst, en wanneer Susanna afgemat van de hitte zich neerwierp op den divan, of de jonge vrouw na een bij haren kranke doorwaakten nacht, over de vroegere hoofdpijnen klaagde, werd het meisje bleek, voelde zij haar hart pijnlijk kloppen, en zag zij in hare verbeelding de eene na de andere door de pest aangetast, met gloeiend hoofd en de verschrikkelijke, noodlottige vlekken op voorhoofd en wangen. Zoodra zulke schrikbeelden de jeugdige misdadige van verre naderden, gevoelde zij telkens weder die rampzalige drukking op dezelfde plek van het hoofd, waar de door koorts verhitte hand van den kranken bisschop had gelegen.
De vrouw van den senator had bij de gevangenneming van Paula hare houding tegenover het kwikstaartje zoo zeer veranderd, dat Katharina in haar niet anders zag dan een wandelend verwijt, en zij dus niet ongaarne het waardige paar het huis had zien verlaten. Doch nauwelijks waren zij vertrokken, toen in hunne plaats het grootste onheil de woning binnentrad. De slaaf, die belast was met het stoken van den badoven, had een deel der verpeste kleederen, die men hem had gegeven om te verbranden, achtergehouden, en zijn zoon die hem daarbij had geholpen, en hare voedster, de moeder van haar zoogbroeder Anubis, waren dadelijk na hare terugkomst van de tooveres en den bisschop in persoonlijke aanraking met haar gekomen. Deze drie waren het eerst door de pest aangetast. Zij waren naar de tent voor de zieken gebracht, de oude stoker en de voedster reeds als lijken. Maar had men met deze lieden de verschrikkelijke plaag ook het huis uitgejaagd? Zoo niet, dan kwamen zij aan de beurt, die zijzelve het als een sluipmoordenaar rondwarend monster in de armen had geworpen: eerst Heliodora en daarna hare moeder! Eigenlijk had zij deze twee voor moeten gaan, en wanneer de ziekte die anderen aangreep en de dood haar ten laatste in het graf stiet, dan bewees hij haar daarmede eene weldaad.
Zij was nog zoo jong en toch haatte zij het leven, dat haar niets meer opleverde dan vernedering, ontgoocheling en pijlschoten, die haar hart van uit den kerker tot in het binnenste troffen, en gruwzame doodsangst, die haar geen rust liet, bij dag noch bij nacht. Toen de arts kwam, om de zieken naar de tent in de woestijn te doen overbrengen, vertelde hij terloops, dat de rechters de dochter van Thomas ter dood hadden veroordeeld, en dat het volk zoowel als de senatoren besloten waren, niettegenstaande het verzet van den nieuwen bisschop, haar volgens oud gebruik als een offer in den stroom te werpen. Eerst morgen zou het lot van Orion beslist worden, doch het deed hem bij de Jacobietische rechters zeer veel kwaad, dat hij zich deze Melchietin tot vrouw had uitverkoren. Katharina had zich toen aan den leuningstoel harer moeder moeten vasthouden, om niet op de knieën te vallen, en met hoogroode wangen hoorde zij den arts uit, tot deze het geduld verloor en haar verliet, ontstemd over zulk een overmaat van vrouwelijke nieuwsgierigheid.
Ja "de andere" was nu voor de geheele wereld zijne bruid; doch zij was het alleen, om te sterven! Het was haar bij deze gedachte of een heete stroom in haar binnenste kookte en zij had luide willen schaterlachen en ieder om den hals vallen. Afschuwelijk, boosaardig leedvermaak was het, dat haar aangreep, maar dit gaf haar genot, heerlijk genot; het was eene bloem der hel, doch met glansrijke bladeren en een bedwelmende geur. Maar hare kleur verblindde en van de geur gevoelde zij weldra afkeer. Zij werd bang voor zichzelve, en toch had zij telkens weder willen juichen, wanneer de gedachte bij haar opkwam: "de andere moet sterven!" Hare moeder vreesde, dat hare dochter ook ziek zou worden, want hare oogen schitterden met zulk een vreemden glans; zij was zoo onrustig, zoo zenuwachtig opgewonden.
Sedert Heliodora de door merg en been gaande tijding van Orions en Paula's verloving, met onbegrijpelijke, zij het ook pijnlijke kalmte had aangehoord, was zij voor het heetbloedige meisje niet meer dan een zwak, nietsbeteekenend schepsel, dat hare opmerkzaamheid niet waard was. En om harentwil had zij iets gedaan, dat zoo sprekend op een moordaanslag geleek als de eene adder op de ander, had zij zelfs het leven harer eigene moeder in gevaar gebracht! Het was om radeloos te worden, om zichzelve met roeden te geeselen.
Toen vrouw Susanna haar dien avond een nachtkus gaf, klaagde zij over eene lichte pijn in den hals, en over hare lippen, die gezwollen waren, zoo zij dacht. Katharina hield haar staande, hoorde haar uit met eene bevende stem, bracht het licht bij haar mond en zocht met ingehouden adem op haar gelaat, haar hals en hare armen naar de vreeselijke vlekken. Doch zij kon er geene ontdekken, en vrouw Susanna lachte over hare angst en noemde Katharina haar goed, zorgzaam kind en waarschuwde haar, zich niet te bevreesd te maken, daar dit haar vatbaar maakte voor de ziekte. Dien nacht kon het meisje den slaap niet vatten. Het leedvermaak was verdwenen: alleen smartelijke gedachten en angstwekkende beelden beklemden haar wakende, en nog onverbiddelijker als zij indommelde. Bij het aanbreken van de schemering werd hare bezorgdheid over hare moeder zoo groot, dat zij opstond en tot haar ging. Maar Susanna sliep zoo vast, dat zij haar kind niet eens hoorde. Gerustgesteld ging Katharina heen, maar tegen den morgen gebeurde wat zij zoo gevreesd had--vrouw Susanna gevoelde zich niet meer in staat op te staan, had de koorts, en boven hare lippen, dezelfde lippen, waarmede zij haar verpeste lokken had gekust, vertoonden zich tusschen mond en neus inderdaad en onloochenbaar de eerste schrikkelijke vlekken.
De arts verscheen en verzekerde dat het de pest was. De villa werd van de buitenwereld afgesloten. De geneesheer en vrouw Susanna, die nog bij haar volle bewustzijn was, wenschten, drongen er ten sterkste op aan, bevolen zelfs dat Katharina naar de tuinmanswoning zou verhuizen; maar zij weigerde dit met onwrikbare trots en verklaarde liever te willen sterven dan van hare moeder te scheiden. In hare radeloosheid wierp zij zich over de kranke, om de roode vlekken aan haren mond te kussen en de pest zoo te doen overgaan in haar eigen bloed. Doch de arts trok haar met weerzin weg, en de zieke berispte haar met betraande oogen, waaruit tegelijk hare innige liefde sprak.
Van nu aan mocht zij de verpleging harer moeder op zich nemen. Twee nonnen stonden haar daarbij ter zijde en zeiden niet alleen tot de lijdende, maar ook tot elkander achter den rug der rijke weduwe, dat zij zulk eene zelfopofferende, liefdevolle dochter nog niet ontmoet hadden. Ook in tegenwoordigheid van bisschop Johannes, die zich niet ontzag de huizen der aangetasten binnen te gaan en hun te troosten, roemden zij de houding van Katharina, en de prelaat, die in het kwikstaartje tot hiertoe slechts een flink, vroolijk kind had gezien, bejegende haar met achting, knoopte met haar gesprekken aan als met eene volwassene, en beantwoordde uitvoerig en ernstig hare vragen, die grootendeels op Paula betrekking hadden.
Vol bewondering voor de zielegrootheid van Thomas' dochter vertelde de prelaat aan het meisje, hoe zij, om haar geliefde te redden, een misdrijf op zich genomen had, dat haar alle aanspraak op genade ontnam. De Damasceensche was wel is waar eene Melchietin, maar uit liefde de schuld van een ander op zich te laden, zoo iets dan mocht dit heeten Christus na te volgen.
Katharina haalde de schouders op, als wilde zij zeggen: "En vindt gij dat groot? Zou hetzelfde mij ook niet licht zijn gevallen?"
De priester merkte dit op en vermaande haar op vriendelijken toon, zich te wachten voor geestelijken hoogmoed, hoewel zij zich ook het recht had verworven met het zwaarste belast te worden en niet ophield een voorbeeld te geven van kinderlijke en christelijke liefde.
Daarop verwijderde hij zich, en Katharina, die elken lof op hare houding tegenover hare moeder, die door haar schuld op het ziekbed was geworpen, als eene kwellende beleediging beschouwde, waarover zij zich boos maakte, begon te meenen, dat zij dezen waardigen man bedrogen had. Doch het verwijt van geestelijken hoogmoed verdiende zij niet, want in dit stille vertrek, op welks drempel de dood stond, herinnerde zij zich telkens weder alle vreeselijke misdaden die zij begaan had, en bekende zij zich onophoudelijk, dat zij van alle zondaressen de grootste, de slechtste was.
Soms gevoelde zij behoefte, om aan een ander gemoed haar vertrouwen te schenken, aan bevriende oogen hare innerlijke ellende te toonen om er in te deelen. Den bisschop, den eerwaardigen priester, dien zij kende, had zij bijzonder gaarne alles bekend, en zich eene boete willen laten opleggen, hoe zwaarder hoe beter. Doch de schaamte over hetgeen zij begaan had hield haar daarvan terug, en nog stelliger, nadrukkelijker iets anders. De geestelijke, dat wist zij, zou van haar verlangen, met het oude leven te breken, de gevoelens en wenschen met wortel en tak uit hare ziel te rukken en een nieuw leven te beginnen. En daartoe was de tijd nog niet gekomen. Hare liefde was voor haar nog eene levensvraag, en de haat haar nog te dierbaar. Eerst als Paula, "de andere", haar vreeselijk vonnis had ondergaan; als zij, Katharina, met de oude gevoelens in het hart zich daaraan verkwikt had; als het haar gelukt was, Orion te toonen, dat hare liefde voor hem niet minder groot en sterk en zelfopofferend was geweest dan die van Thomas' dochter; als zij hem--wanneer dan ook, het zou en moest geschieden--zou hebben gedwongen te erkennen, dat hij haar smadelijk miskend en zich aan haar bezondigd had--dan, eerst dan wilde zij vrede maken met zichzelve, de kerk en haren Heiland, als het zijn moest den sluier aannemen en het overige van haar jonge leven als boetelinge in een klooster of in eene eenzame rotsspelonk in droefheid verslijten. Doch thans, nadat Paula, zijne bruid, dit groote voor hem gedaan had, ongezien, onopgemerkt, zonder dat hij er acht op sloeg, misschien door hem vergeten, een einde te maken aan hare liefde, zich in zichzelve terug te trekken, buiten zijn gezichtskring, dat ging alle menschelijke krachten te boven! Liever wilde zij dan te gronde gaan naar lichaam en ziel, liever in handen van den satan vallen en lijden in de hel, waaraan zij even vast geloofde als aan haar eigen bestaan.
Zoo ging zij voort hare moeder te plegen, zag zij hoe de roode vlekken zich uitbreidden over het geheele lichaam van de kranke, en de koorts, die haar sloopte, van dag tot dag, van uur tot uur in hevigheid toenam; hoorde zij met ontzetting en akelig welbehagen, waarvan zijzelve gruwde en waaraan zij zich toch overgaf, gewagen van de toebereidselen voor het offer der Nijlbruid; liet zij zich door den bisschop van Paula, haren stervenden vader en Orion vertellen; beefde zij voor de kleine Maria, die uit 's buurmans huis was verdwenen, tot zij te weten kwam, dat het kind de wijk had genomen, om het klooster te ontvluchten; vernam zij dagelijks, dat Heliodora, die met haar verpleegde naar de tuinmanswoning was verhuisd, nog van de pest verschoond bleef; smeekte zij in gebeden, die zij ook thans niet verzuimde 's avonds en 's morgens ten hemel te zenden, den lieven God en hare heiligen, om de jonge vrouw te bewaren, haar zelve niet tot eene moedermoordenares te maken, dat door haar verraad de eerwaardige Rufinus, dien zij had liefgehad, en met hem zoovele onschuldige menschen om het leven waren gekomen.
Zoo verliepen akelige dagen en nachten vol kwelling, en de door Katharina's schuld in den kerker gebrachte gevangenen, waren gelukkiger dan zij, ondanks het vreeselijke, dat hen bedreigde. Wat zijne geliefde boven het hoofd hing, kwelde Orion als ontelbare brandende wonden. Onherroepelijk naderde Paula's vreeselijk einde, waaraan hij bijna niet denken mocht. Overmorgen--de gevangenbewaarder, de senator Justinus, de bisschop hadden het hem in het geheim medegedeeld,--zou het huwelijksfeest zijner verloofde gevierd worden. Overmorgen wilden ellendige spottershanden de bruid optooien voor een schandelijk, doemwaardig comediespel, haar bekransen en uithuwelijken, niet met hem, den bruidegom dien zij lief had, maar met den Nijlstroom, het gevoelloos, doodend element.
Als een waanzinnige liep hij vaak door zijne cel op en neer, brak hij de snaren, als hij soms in het luitspel troost zocht; maar dan vernam hij uit het aangrenzend vertrek eene kalme, welmeenende stem, die van den rentmeester Nilus, die hem vermaande de hoop niet op te geven, op God te vertrouwen, zijn plicht en zijne taak niet te vergeten. Dan herstelde hij zich weder, verzamelde hij opnieuw zijne krachten en verdiepte zich geheel in zijn arbeid. Het was hem om 't even, of het dag of nacht was. De senator had voor olie en lampen gezorgd. Als vermoeienis hem overviel, genoot hij niet langer van den korten slaap op het harde leger, dan de natuur volstrekt eischte. Doch zoodra hij een weinig was uitgerust, verdiepte hij zich weder in zijne plannen en lijsten, voerde hij den schrijfstift, dacht hij na, teekende, rekende en overwoog. Zoodra er twijfelingen bij hem opkwamen en hij zijn eigen oordeel en geheugen niet vertrouwde, klopte hij aan den wand van het aangrenzend vertrek, en de verstandige, ervaren vriend was steeds bereid, hem naar zijn beste weten en inzicht te helpen. De senator deed een tocht naar Arsinoë, om hem het noodige over het meerland uit het archief aldaar te verschaffen, en zoo vorderde de arbeid en naderde het einde, deze versterkte en verhief zijn zinkenden moed, vervulde hem met vreugde, ziende dat het gelukte, deed hem menigmaal uren lang vergeten, wat anders wel in staat was, ook den moedigste tot vertwijfeling te brengen.
Zoo vaak de gevangenbewaarder, de senator, diens wakkere gemalin Martina, vrouw Johanna of ook de Griekin Eudoxia, aan wie de weduwe tweemaal toestond haar te vergezellen, hem bezochten, gaf hij haar eene mondelinge of schriftelijke mededeeling, hoever hij gevorderd was met de oplossing van het vraagstuk, voor Paula mede, en het gaf haar troost en innerlijke vreugde, hem bij zijn arbeid te volgen. Ook menig teeken van liefde, achting en bewondering sterkte de gevangene, wanneer haar moedig hart dreigde te bezwijken.