De nijlbruid

Part 54

Chapter 544,004 wordsPublic domain

Hier waren eenige regels onleesbaar geworden. Dan volgde het noodlottige, leesbare slot: "Hoe anders had ik gewaand dezen dag te zullen besluiten, die voor het grootste deel gewijd was aan het maken van toebereidselen voor de vlucht der nonnen, en het is mij eene vreugde geweest, voor de goede, onschuldige en onrechtvaardig vervolgde zusters het mijne te doen. Haar willen wij het beste toewenschen, en ons beiden op morgen een ongestoord wederzien en een afscheid, dat herinneringen bij ons achterlaat, waarop wij lang teren kunnen. Gelijk onder de Egyptenaars hij het was, wiens heengaan wij beiden betreuren zoo is het onder de Arabieren de voortreffelijke veldheer Amr...."

Hier eindigde de brief, aan welks slot bijna drie regels ontbraken.

Nadat de kadhi het tafeltje eenige oogenblikken in de hand had gewogen, sloeg hij zijne oogen weder op, liet zijn blik gaan over de in groote spanning wachtende vergadering en begon: "Ofschoon de aangeklaagde niet behoorde tot degenen, die oproerig tegen onze gewapende macht de handen hebben opgeheven, zoo blijkt toch onwederlegbaar uit het voorgelezene, dat hij niet alleen kennis heeft gedragen van de vlucht der nonnen, maar dat hij haar ook ijverig de behulpzame hand heeft geboden.--Wanneer hebt gij dit schrijven ontvangen, edele jonkvrouw!"

Paula vouwde de handen met kracht te zamen en antwoordde met gebogen hoofd en neergeslagen oogen: "Wanneer ik den brief ontvangen heb? Nooit, want de brief is van mijzelve. Ik heb hem geschreven."

"Gij?" vroeg de kadhi met verbazing.

"Hij werd door mij aan Orion gericht," antwoordde Paula.

"Door u aan hem? Doch hoe komt hij dan in uwe lessenaar?"

"Op zeer eenvoudige wijze," verklaarde zij, altijd nog met neergeslagen oogen. "Nadat ik den brief aan mijn bruidegom gericht had, wierp ik dien bij de andere tafeltjes, zoodra hij onnoodig was geworden; want hijzelf verscheen, en ik behoefde hem niet te laten lezen, wat men beter mondeling bespreekt."

Daarbij speelde een eigenaardig lachje om hare lippen; een luid gemompel ging door de zaal; Orion keek met klimmende gejaagdheid nu eens het meisje, dan weder den kadhi aan. Maar de zwarte vloog op, sloeg met zijn vuist op de tafel, dat het dreunde en riep: "Nietswaardige uitvluchten! Wie uwer laat zich hier door zulk eene ellendige vrouwenlist beetnemen?"

Horus Apollon, die weder tot bedaren was gekomen, wierp hem met groot leedvermaak een goedkeurenden blik toe, de rechters zagen elkander verlegen aan, doch toen de zwarte verder bleef doorrazen, legde de kadhi hem het zwijgen op en gaf het woord aan Orion, die met hoogroode wangen hem reeds voor de tweede maal het woord had gevraagd en nu, nauwelijks in staat de woorden uit te brengen, uitriep: "Neen, neen, Othman; neen, neen! Gelooft haar niet, heeren rechters. Niet zij.... ik, ik heb den brief...."

Maar Paula viel hem in de rede, zeggende: "Hij? Maar voelt gij het dan niet: hij wil mij redden en daarom alleen mijne schuld op zich laden! Uit edelmoedigheid, uit liefde zegt hij dit! Gelooft, gelooft hem niet! Laat u door hem niet misleiden!"

"Ik? Neen, zij, juist zij," ving Orion weder aan; doch voor hij verder kon gaan riep Paula hem toe, met fonkelende oogen, dat het eene verkeerde liefde moest heeten, die zichzelve uit valsche edelmoedigheid opofferde. En toen zij daarbij wederom de hand tegen hare borst drukte, om hem te smeeken zich stil te houden, zweeg hij plotseling en zonk, terwijl hij diep ontroerd de oogen ten hemel sloeg, op de bank der aangeklaagden neder.

Nu ging Paula voort, met een juichend gemoed: "Hij is tot eene betere overtuiging gekomen en laat de dwaze poging varen, om mijne schuld op zich te nemen. Gij ziet het, Othman, gij ziet het allen, waardige heeren! Wat ik voor de arme zusters gedaan heb, laat er mij ook voor boeten!"

"Uw wil geschiede," riep de oude met krijschende stem.

"Een helsch spinsel van leugens," bulderde de zwarte, "een bedrog zonder weerga! Maar ondanks het schild, waarmede deze vrouw u dekt, kom ik u toch aan den hals, verraderlijke knaap! Is het te gelooven, rechters, dat men een voltooiden brief, weken lang na geschreven te zijn, bij den schrijver vindt en niet bij hem aan wien hij werd gericht?"

De kadhi haalde de schouders op en antwoordde met kalme waardigheid: "Bedenk wel, Obada, dat wij deze jonkvrouw hebben veroordeeld op grond van een brief, die wij niet vonden bij den persoon aan wien hij gericht werd, maar bij zijn schrijver. Omtrent dat document rees bij u geen twijfel op. Het betaamt ons rechters met dezelfde maat te meten, Obada!"

Deze, op verzoenenden toon uitgesproken woorden en het doeltreffende ervan, werd door alle Arabieren met bijval vernomen, en de juwelier kon niet nalaten een luid "voortreffelijk" uit te roepen. Hij schoof echter, zoodra het hem over de lippen was gekomen, in een oogwenk uit het bereik van den arm van den zwarte. Deze had hem echter nauwelijks verstaan, want vol toorn betoogde hij, zonder den kadhi toe te laten hem in de rede te vallen, hoe smadelijk het was van mannen en rechters, zich door eene vrouw om den tuin te laten leiden, zich het hart te laten vermurwen door het comediespel van een paar verliefde gekken. Voorts toonde hij aan, hoe noodzakelijk het iederen muzelman moest voorkomen, hunne eigene veiligheid te verzekeren, door den aanlegger eener bloedige muiterij tegen de steunpilaren van het gezag streng te tuchtigen. Zijne welsprekende, vurige taal bleef niet zonder uitwerking, doch de christenen, die der Melchietin alle kwaad gunden, waren met haar dood voldaan, en wilden den zoon van den algemeen vereerden Mukaukas Georg deze daad, zelfs al had hij haar werkelijk begaan, gaarne vergeven. Nadat men het er over eens was geworden, dat hier onmogelijk viel uit te maken van welke hand het schrift op het tafeltje afkomstig was, en er over en weer nog veel was gesproken, begon het eigenlijk beraad.

Het duurde lang eer de rechters tot een besluit konden komen, en gedurende dien tijd zat Orion nu eens neer als ware hij reeds tot een pijnlijken dood veroordeeld, dan weder liet hij zijn blik samensmelten met dien der geliefde en bracht de hand aan het hart, als vreesde hij dat het barsten zou. Hij begreep haar volkomen en hare grootmoedigheid deed hem goed. Wel had hij over zich weten te verkrijgen, hare gave aan te nemen, maar hij was toch vast besloten, haar, als zij sterven moest, in den dood te volgen. Het "non dolet" [23] van Arria, dat zij haren geliefden Paetus had toegeroepen, toen zij zich den dolk in het hart stak, om hem voor te gaan in den dood, klonk hem voortdurend als in het oor. Doch hij bedacht ook, dat Paula misschien begenadigd zou worden, dat hij dan vrij zou zijn en een geheel leven voor zich zou hebben, om haar te danken.

Eindelijk, eindelijk verkondigde de kadhi de uitspraak van de rechters: het was onmogelijk Orion den dood schuldig te verklaren, en evenmin kon men besluiten het geloof aan zijne schuld onbepaald af te wijzen; het gerechtshof verklaarde zich dus onbevoegd, om in deze zaak een oordeel uit te spreken en droeg dit over aan den Kalief of zijn plaatsvervanger in Egypte, den veldheer Amr. Hij, de kadhi, zelf zou alleen gelasten den aangeklaagde gestreng gevangen te houden, opdat de straffende gerechtigheid de hand op hem zou kunnen leggen, indien het eindoordeel "schuldig" mocht luiden.

Toen de kadhi verkondigde, dat het beslissend oordeel werd overgelaten aan den Kalief of diens plaatsvervanger, riep de Wekil: "Ik, ik ben de plaatsvervanger van Omar!" Doch een eenstemmig, ontkennend gemompel der rechters wees deze opvatting stellig van de hand, en op voorstel van den kadhi werd besloten door verdubbeling van de kerkerwacht den jongeling te beveiligen voor elken eigenmachtigen aanslag van den Wekil, tegen wien reeds zware aanklachten op weg waren naar Medina. De zwarte verliet buiten zichzelven van woede, de grijsaard nieuwe aanslagen smedende tegen de Damasceensche, de gerechtszaal.

Zoodra Paula in hare cel terugkeerde, dacht de oude Betta dat zij genade had ontvangen, want hoe vroolijk, hoe trotsch, hoe opgewekt trad zij bij haar binnen! Het grootste gevaar was van haren geliefde afgewend, zij en hare liefde waren het, die hem hadden gered. Zij had zichzelve opgegeven, maar wat het lot ook over haar beschikte, voor hem lag het leven open, hem zou het vergund zijn, zijne heerlijke kracht te toonen, en dat hij het doen zou, doen in haren zin, daarvan was zij zeker.

Nog was zij niet aan het einde van haar verhaal omtrent het oordeel der rechters, toen de gevangenbewaarder een bezoek van den kadhi kwam aankondigen. Weldra trad deze bij haar binnen, en nadat zij hem hartelijk had dankgezegd en hij haar vriendelijk verzekerd had, dat hij zich schaamde, misschien de schande te moeten dragen van een misleid rechter te zijn, en dat nog wel als een gunst van het lot, bracht hij het gesprek op het eigenlijk doel van zijn bezoek. "In den brief," dus begon hij, "dien hij gisteren avond van zijn oom Haschim had ontvangen werd ook veel over haar gesproken. Zij had het hart van den ouden koopman gestolen, en de berichten, die deze omtrent haar vader had ingewonnen..."

Hier viel het meisje hem in de rede: "O heer, heer.... Zou eindelijk de wensch, het gebed mijns levens vervuld worden?"

"Uw vader, de edele Thomas, voor wien ook de muzelman het hoofd buigt," antwoordde Othman, "men heeft hem..." En nu berichtte hij, dat de held van Damascus zich inderdaad op den Sinaï teruggetrokken en daar als kluizenaar geleefd had, doch zij mocht zich aan geene ontijdige vreugde overgeven, want de bode had hem krank gevonden, vermagerd door een teringziekte, die uitging van zijne gewonde long, ja bijna stervende. Zijne dagen waren geteld...

"En ik, ik gevangen," zeide het meisje, bitter weenende. "Vastgehouden, tot niets in staat, buiten de mogelijkheid, om hem in de armen te snellen!"

Daarop vermaande hij haar opnieuw zich bedaard te houden, en vertelde op zijne zachte, kalme manier verder, dat reeds eergisteren een Nabateër bij hem gekomen was, om hem als het hoofd der justitie in Egypte te vragen, of een oud tegenstander der muzelmannen, een veldoverste, die in dienst van den Keizer en van het kruis tegen den Kalief en de halve maan had gestreden, krank, verwond, gebroken den Egyptischen bodem mocht betreden, zonder zich bloot te stellen aan het gevaar van door Arabische ambtenaren gevangen genomen te worden. Toen hij, Othman, vernomen had, dat deze man Thomas was, de held van Damascus, had hij volgaarne en gelijk hij wist in den geest van zijn heer, den Kalief, hem vrijheid en leven verzekerd. Heden morgen vroeg was haar vader te Fostat aangekomen, en hij had hem als gast in zijn huis opgenomen. Ja, Thomas stond aan den rand van het graf, maar de wensch, die hem bezielde, om zijne dochter, wie hij, op grond van een valsch gerucht, dat zij bij den moord van Abyla was omgekomen, reeds zoolang beweend had, nog eenmaal weder te zien, hield hem staande. Hij achtte het zijn plicht dezen wensch van een stervende te vervullen, en hij had den gevangenbewaarder bevolen het vertrek, dat aan hare cel grensde, voor hem in te richten met het huisraad, dat uit zijne woning onderweg was. De deur, die haar vertrek met het zijne verbond, zou geopend worden.

"En ik zal hem wederzien, hem weder bij mij hebben, met hem leven, hem de oogen sluiten, misschien met hem sterven!" riep Paula uit, daarbij de hand grijpende van den goedigen man en die dankbaar kussende.

Den muzelman schoten de tranen in de oogen, en hij verzocht haar niet hem, maar den barmhartigen, eenigen God te danken. Voor de zon onderging rustte het hoofd van de ter dood veroordeelde dochter aan de borst van den gewonden held, wiens einde nabij was, maar wiens onverzwakte geest en warm hart zoo gansch en al evenals zijn lief, eenig kind, de zaligheid van het wederzien genoten. Een nieuw, onbeschrijfelijk geluk woonde voor Paula binnen de sombere muren van den kerker, en nog dienzelfden dag ontving Orion door den bewaarder een brief, die hem de groeten overbracht van den vader zijner bruid. Toen hij de innige zegenbede las, die deze brief bevatte, was het hem als nam een onzichtbare hand den vloek, waarmede zijn eigen vader hem beladen had, voor altijd van hem weg. Eene wonderbare, blijmoedige rust, werkkracht en levenslust openbaarden zich in hem, en hij gunde zijn geest en zijn schrijfstift geen rust, voor de morgen schemerde.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Somber, met gefronst voorhoofd keerde de oude Horus Apollon uit de rechtzaal terug naar zijn nieuwe woning. Voor het landgoed van de weduwe Susanna zag hij eenige lieden staan, die schuw in den tuin gluurden en op het schoone woonhuis wezen. Evenals ontelbare menschengroepen, die hij vroeger ontmoette, riepen ook deze lieden hem woorden van hulde, dank en opwekking toe, en toen hij ook voor hen even boog en daarbij de richting volgde van hunne angstig bespiedende blikken, voer hem eene huivering door de leden; want boven de groote huispoort hing ter waarschuwing, als ware het een schandteeken, het zwarte bord, dat den voorbijgangers toeriep: "Blijft ver van dezen drempel! Hierachter woedt de menschenmoordende pest!"

De oude schuwde alles, wat hem aan den dood herinnerde, en hij rilde. Zoo dicht te wonen bij een broeinest der vreeselijke ziekte, dat was angstwekkend en gevaarlijk! Hoe kwam de ziekte in dit gezondste deel der stad, dat ook bij het woeden van de laatste pestziekte verschoond was gebleven?

Een dienaar van den raad, dien hij staande hield, vertelde hem, dat de slaven, die gewoon waren voor het bad van vrouw Susanna te zorgen, vader en zoon, het eerst waren aangetast. Men had hen bij nacht heimelijk naar de ziekententen laten brengen; heden echter was de weduwe zelve ook aangetast. Om de wijk voor verdere besmetting te bewaren, bewaakte men thans dit terrein van alle zijden.

"Doe het streng, zeer streng; laat geen rat de deur uit," riep de oude en reed verder.

Het was later geworden dan gisteren, het etensuur moest reeds aangebroken zijn, en toen hij na een oogenblik rust aanstalten maakte, om zich met hulp van zijn dienaar voor den gemeenschappelijken maaltijd te wasschen en te reinigen, trad eene lamme huisslavin bij hem binnen en zette een blad met dampende schoteltjes op het tafeltje naast den divan neder. Wat had dat te beteekenen? En voor hij het nog vragen kon vernam hij, dat de vrouwen verlangden voortaan alleen te spijzigen. Men zou hem op zijne kamer bedienen.

Wederom vertoonde zich eene roode vlek op zijne wangen, en na een oogenblik nadenkens riep hij zijn slaaf toe: "De ezel voor!" en tot het meisje: "Waar is uwe meesteres?"

"Met den goudsmid Gamaliël in het viridarium, doch zij zal zoo dadelijk aan tafel gaan."

"Zonder den gast? Ik versta de bedoeling!" prevelde de oude, greep naar zijn hoed en liep de dienstmaagd voorbij de kamer uit. In de voorzaal kwam hij Gamaliël tegen, wien eene slavin juist den staf overhandigde. De grijsaard vermoedde, dat de juwelier alleen gekomen was, om de vrouwen voor hem te waarschuwen, en zonder hem met een blik te verwaardigen, begaf hij zich naar het eetvertrek. Daar vond hij Pulcheria en Maria weenende geknield liggen voor vrouw Johanna, die insgelijks tranen vergoot. Hij vermoedde, wie die tranen golden, en vervuld van de begeerte, om het onrechtmatige aan te toonen van de beschuldiging, dat hij als spion dit huis was binnengedrongen, sprak hij de weduwe aan.

Deze had gehuiverd, toen zij hem zag binnenkomen, thans wees zij hem echter met uitgestrekten vinger de deur, en toen hij toch bleef staan, om zijne verdediging te beginnen, sneed zij hem met het woord af, door luide en met nadruk te zeggen: "Niet verder, heer! Dit huis blijft van nu aan voor u gesloten! De band, die ons verbond, hebt gijzelf verscheurd! Verstoor niet langer onzen vrede! Trek weer daarheen, vanwaar gij gekomen zijt!"

De grijsaard beproefde nog eens te spreken, doch de weduwe stond op, riep de meisjes toe: "Komt, mijne kinderen!" ging hen haastig voor naar het aangrenzend vertrek, en trok de deur achter zich dicht.

Horus Apollon bleef alleen op den drempel staan. Hoe oud hij ook was, zulk eene smaadheid was hem nog nooit aangedaan, doch hij schreef haar niet op rekening van haar, die hem de deur had gewezen, maar op de reeds meer dan overladene van de Damasceensche, en toen hij op zijn witten ezel naar huis reed, hield hij telkens stil, om tot de voorbijgangers te spreken. In de eerstvolgende dagen stoorde hij zich niet aan de hitte van den dag, vroeg hij niet naar zijne behoeften, om het lichaam rust te gunnen en zijn geest bezig te houden met stillen arbeid, maar hij reed 's morgens, 's middags en 's avonds door de straten, ruide het volk op en trachtte het op listige wijze te overtuigen, dat het jammerlijk ten gronde zou gaan, wanneer het zich niet van het eenige door hem voorgeslagene redmiddel bediende. Bij elke zitting van den senaat was hij tegenwoordig; met vurige welsprekendheid hield hij de bouleuten aan zijne zijde, weerstreefde hij de bemoeiingen van den bisschop, en drong hij aan op de vaststelling van den dag voor het huwelijk van den Nijlstroom met zijn bruid.

Hij kende zijne Egyptenaars en hun hartstocht voor vroolijke, schitterende feesten. Het zijne: de echtvereeniging van den Nijlbruid met den geweldigen, rusteloozen gemaal, van wien het wel en wee des lands afhing, zou eene bloeiende oase worden in deze woestenij van nood en vertwijfeling. Wat hij nog wist uit de herinneringen zijner kindsche dagen van processies ter eere van Isis, wat hem uit zijn eigene aanschouwing en uit de verhalen zijns vaders nog bekend was van de aan deze godin en haar trias gewijde feesten, wat hij in boeken had gelezen over groote optochten en vertooningen in het heidensche Egypte, dat bracht hij in zijne voorstelling bijeen, dat schilderde hij den senaat en het volk af in levendige kleuren, dat raadde hij de bouleuten bij dit buitengewoon huwelijksfeest te herhalen. En ieder, wien Egyptisch bloed door de aderen vloeide hoorde hem opmerkzaam aan, vond welgevallen in zijne voorstellen en was zelf bereid, om alles aan te wenden ten einde den glans van dit feest te verhoogen, hetwelk ieder kon medevieren, hetzij door er een werkzaam deel aan te nemen, hetzij als toeschouwer. Duizenden leden gebrek, maar voor dit buitengewone huwelijksfeest waren er nog middelen en maakte de senaat geen bedenking wederom geld op te nemen.

"Ondergang of redding" was de leus, die Horus Apollon de Memphieten in den mond had gelegd. Ging alles te gronde, dan verzonken daarmede ook de bespaarde talenten; droeg het offer daarentegen vrucht, zegende de Nijl de zijnen met nieuwe welvaart, wat hadden stad en land dan naar eenige duizenden drachmen te vragen? De huwelijksdag werd dus bepaald. Geen volle twee weken na de veroordeeling van Paula, op het feest van den heilige Serapis, wilde men het wondervolle, reddende, gelukbelovende feest vieren. En hoe wist de oude, hoe wisten de rechters en bouleuten, die haar gezien hadden, de schoonheid van de bruid te schilderen! Hoe vurig fonkelden de oogen des grijsaards van haat, als hij haar beschreef! Geen minnend oog kon levendiger tintelen! Wat die patricische deerne hem ook had aangedaan, alles, alles zou zij boeten. En met zijne overwinning zou hij niet alleen die enkele vrouw, maar het geheele christengeloof, dat hij haatte, doodelijk treffen.

Maar ook de bisschop Johannes had niet stil gezeten. Dadelijk na zijn optreden tegen het besluit des volks, had hij een duif met een brief naar Opper-Egypte tot den patriarch uitgezonden, en Benjamins antwoord zou hem steunen, om nog krachtiger door te tasten. In de kerk, voor den senaat en zelfs op straat deed hij en met hem de geheele geestelijkheid al wat in zijn vermogen was, om het schandelijk plan van de raadsheeren en het volk te bestrijden; doch de hartstocht, dien de grijsaard aanblies, sloeg weldra in helderder vlammen op, dan de geloofstrouw, de gematigdheid en het verstandig inzicht, die hij en de zijnen moesten aanwakkeren. De wind blies met gelijke kracht van beide zijden, maar aan de zijne ontmoette hij slechts doovende kolen, aan de andere overvolle brandende schuren. De nood en de vertwijfeling hadden het geloof geschokt, de tucht ondermijnd, en zelfs de machtigste wapenen van de kerk: "vloek en zegen" bleken machteloos te zijn. Men wees den drenkelingen een drijvenden balk in de nabijheid, en daarom wilden zij niet langer op de reddingsboot wachten, die met goede roeiers aan de riemen en een ervaren stuurman aan het roer bemand, van verre naderde en verplicht was hen te redden.

Horus Apollon keerde niet meer in het huis van Rufinus terug. Weinige uren nadat de weduwe hem de deur gewezen had, kwamen zijne slaven om de voorwerpen weder weg te halen, die hem vergezelden, toen hij onder haar dak zijn intrek nam. Zijn lijfdienaar bracht tevens eene groote geslotene vaas met een brief aan vrouw Johanna van den volgenden inhoud: "Men zal niet richten, zonder te hooren. Toch hebt gij dit gedaan, maar ik ben op u niet verstoord. Philippus zal misschien, als hij terugkeert, de einden van het band weder opnemen en opnieuw vastknoopen, dat gij heden hebt doorgesneden. Ik zend u een deel van de artsenij, die hij mij bij het scheiden achterliet, om daarvan in geval van nood tegen de pest gebruik te maken. Eerst in de laatste dagen heeft hij hare werking proefhoudend bevonden. Moge de krankheid, die het aangrenzend huis heeft aangetast, het uwe verschoonen!"

Deze brief deed de weduwe genoegen, maar toen zij hem aan de haren voorlas, riep de kleine Maria: "En als iemand onzer ziek wordt, dan neme hij geen druppel van dit mengsel. Ik verzeker u, hij wil ons vergiftigen!"

Intusschen bleef vrouw Johanna erbij, dat de grijsaard, ondanks zijn onverklaarbaren haat tegen Paula, in den grond niet slecht was, en Pulcheria verzekerde van hare zijde, dat het stellig wel zoo zijn moest, omdat Philippus hem achtte. Als deze maar hier was geweest, zou alles zich anders hebben toegedragen en ten beste geschikt zijn.

Maria bleef met moeder en dochter samen tot het donker werd. Zij bracht het gesprek altijd weder op Paula, en toen in den namiddag de Nabateïsche bode zich bij haar aandiende en aan de vrouwen, ingevolge eene opdracht van de gevangene, het bericht bracht, dat hij haar vader in hare armen had gevoerd, begonnen de vrouwen weder voor haar te hopen, en Maria kon, zonder verdenking te wekken, onbewimpeld haar verlangen uitspreken, om te toonen hoe lief zij Paula had, daar het steeds naderend oogenblik van scheiding aanbrak. Eindelijk zeide zij, dat zij naar Eudoxia moest om onderricht te ontvangen; haar wachtten heden zeer moeielijke dingen; allen moesten aan haar denken en wenschen, dat alles haar goed gelukken mocht. Zij viel eerst de weduwe, vervolgens Pulcheria om den hals, en toen haar daarbij tranen in de oogen welden, vroeg zij, of zij niet een onbezonnen, dwaas kind was, maar niettegenstaande dat moesten zij haar gedenken en niet vergeten.

Op haar kamer gekomen sloot zij zich met de Griekin op, en nu knipte Eudoxia haar de schoone zachte lokken af. De opvoedster vergoot daarbij de eerste tranen, en dezen vloeiden nog overvloediger, toen zij Maria eene kleine amulet met een vlok uit het schaapsvel van Johannes den dooper, dat zij van hare moeder geërfd had, om den hals hing. Het was haar lief en heilig, zij had daarvan nooit willen scheiden, doch nu moest dit kleinood het kind beschermen en geluk aanbrengen. Had het haar dan zooveel zegen gebracht? Juist niet veel, maar zij geloofde toch in de heil en zegenbrengende kracht van deze reliquie. Eindelijk stond Maria met korte haren en als knaap gekleed voor haar. Welk een aardige, wonderschoone knaap was dat meisje! Eudoxia kon haar niet genoeg aanzien. Doch Maria was te aanminnig, te fijn voor een jongen, en zij moest haar raden den breedgeranden reishoed zeer ver in het gelaat te trekken, zoodra zij menschen zou ontmoeten, of haar gelaat zwart te maken.