Part 53
Doch nu riep Maria al wat zij aan overredingskracht en vleiende kunstmiddelen bezat ter hulp. Er was geen geschikter afgezant te vinden, en het gold toch Orions en Paula's leven. Was dan een rit over de bergen van zooveel beteekenis? Hoe goed verstond zij de kunst om haar paard te mennen, hoe weinig leed zij onder de hitte! Was zij niet meer dan eens van Memphis naar hunne goederen in het meerland gereden? En de trouwe Rustem was toch bij haar, en op den weg over de bergen, de veiligste in dit land, waren toch stations met gelegenheid tot verblijf voor vreemdelingen. En als zij den veldheer vonden, kon zij omtrent alles beter inlichtingen geven als eenig ander menschenkind op aarde. Maar de Griekin liet zich niet vermurwen, ofschoon zij moest toegeven, dat Maria's voornemen zoo onzinnig niet was, als het haar aanvankelijk toescheen.
De kleine liet haar niet verder spreken; zij herinnerde Eudoxia nog eens aan haar eed, en deelde haar zelfs in vertrouwen mede aan welk gevaar zij, Maria, zelve door dezen bodentocht ontkwam. Zij vertelde namelijk aan de Griekin welk eene ontmoeting zij had gehad met den prelaat, en hoe ook vrouw Johanna voor haar en hare toekomst bezorgd was. Ach het leven tusschen muren, achter slot en grendel scheen haar zoo schrikkelijk toe, en zij wist haar afschuw hiervan, hare begeerte naar vrijheid en een frisch, kalm, arbeidzaam leven onder menschen en vrienden, hare hoop dat de veldheer Amr, wanneer zij zich onder zijne hoede stelde, haar voor alles bewaren zou, zoo levendig, zoo warm en roerend te schilderen, dat de tegenspraak der Griekin verstomde, en de bedaagde jonkvrouw met de handen voor de in tranen badende oogen uitriep: "Het is verschrikkelijk, het is ongehoord, maar misschien is het toch het beste. Rijd den veldheer te gemoet, rijd maar weg!"
En toen het jonge schepseltje met zulk een warm, liefderijk gemoed en zooveel levenslust haar daarop om den hals vloog, verblijdde zij zich over hare zwakheid, want deze schoone, frissche, levenskrachtige menschenbloem mocht niet onder dwang en in gevangenschap wegkwijnen, maar moest gelukkig blijven om gelukkig te maken, moest tot vreugde van haar en alle goede menschen de volle schoonheid harer bladeren ontplooien. Eudoxia kende de weduwe en wist dat deze begrijpen zou, waarom zij het kind bijstond, namelijk, om haar van het grootste gevaar te redden, dat eene menschelijke ziel bedreigen kon, het gevaar om in voortdurenden strijd met zichzelven iets anders te moeten zijn dan hetgeen waartoe men door aanleg en neiging bestemd is. Onder een pijnlijke zucht gevoelde Eudoxia wat zijzelve, door het gruwzaam lot gedwongen, bij het gemis van de vrijheid en het gevoel van tevredenheid geworden was, zij, die eens een warmbloedig, jong meisje was geweest, vol van groote verwachtingen. Zij, de bekrompene opvoedster, gaf toe aan het zonderling en stout verlangen van een kind, hetwelk grootere vrouwenzielen bespot, veroordeeld, geweigerd zouden hebben.
Toen de dag was aangebroken verrichtte Eudoxia zelve, wat anders aan de kamenier wordt overgelaten; zij kapte Maria het haar, en daarbij sprak zij met haar en luisterde naar haar alsof in dezen nacht het kind tot een jonkvrouw was geworden. Vervolgens vergezelde zij hare leerlinge in den tuin, en zooveel dit mogelijk was bleef zij aan hare zijde. Vrouw Johanna en Pulcheria verwonderden zich bij het ontbijt over de houding, die zij tegenover Maria aannam, doch deze mishaagde haar niet, daar ook de oogen van de laatste schitterden van geluk.
Zonder tegenspraak liet de weduwe het meisje naar de stad gaan, om daar de geheimzinnige opdracht van haar oom te volvoeren. Rustem vergezelde haar, en wat het kind zoo vroolijk maakte kon wel niets anders dan geoorloofd en goed zijn. Orions kaarten en tabellen waren hem tijdig in de gevangenis toegezonden, en vóor de kleine met haar grooten geleider opbrak, keerde Gibbus met den brief van den gevangen jonkman aan den veldheer terug. Onderweg werd afgesproken, dat Maria tegen het aanbreken van den nacht in de herberg van Nesptah Rustem vinden zou. Nu er zooveel gebrek was aan voedsel en zooveel menschen stierven, kon men rijdieren van allerlei soort, met geleiders en knechts, te kust en te keur krijgen, en de Pers, die met deze aangelegenheid vertrouwd was, achtte het 't beste snelvoetige dromedarissen te huren, en eene kleine tent voor zijne jonge meesteres mede te nemen.
Bij de woning van den juwelier Gamaliël verzocht Maria hem te wachten, en de vroolijke goudsmid ontving haar met ongeveinsde blijdschap. Wat was er geworden van het huis van den grooten Mukaukas! Vuur had den zetel der gerechtigheid vernield, evenals de Egyptische steden, wien de profeet voor duizend jaren een gelijk oordeel had aangekondigd. Gamaliël wist in welk een groot gevaar Orion verkeerde en wat de edele jonkvrouw bedreigde, die hem eens den kostbaarsten van alle gesneden steenen geschonken en hem daarna een deel van haar vermogen toevertrouwd had. Het deed zijn hart goed althans een lid van het huis van zijn overleden beschermheer behouden voor zich te zien. Hij richtte tot Maria de eene deelnemende vraag na de andere, en zijne vrouw wilde haar dadelijk lekkere abrikozentaartjes brengen. Doch zij verzocht Gamaliël haar terstond een geheim onderhoud toe te staan, waarop de juwelier haar voorging naar zijne kleine werkplaats, en haar verzocht hem volkomen te vertrouwen. Wat de kleindochter van den Mukaukas Georg ooit van hem begeeren zou, dat was haar bij voorbaat reeds toegestaan.
Daarop bracht zij verlegen en blozende Orions ring, dien zij zorgvuldig verborgen had, te voorschijn, reikte dezen den jood toe en vroeg hem daarvoor te geven wat billijk was.
In de vaste overtuiging, dat de vriendelijke man haar onverwijld het eene goudstuk na het andere voor zou tellen, zag zij hem met hare heldere oogen vragend aan. Maar hij nam den ring niet eens van haar aan, bekeek die slechts met een vluchtigen blik en zeide daarop ernstig: "Neen, meisjelief; met kinderen doe ik geen zaken."
"Maar ik heb het geld noodig, Gamaliël," zeide zij dringend. "Ik moet het hebben!"
"Moeten," hernam hij lachend. "Dat is zeker een nagel, die door het hout gaat, maar stoot hij op ijzer, dan gaat hij meestal krom. Meen niet dat ik hard ben! Maar 'geld!' 'geld!' 'geld!' Van welk geld spreekt gij toch eigenlijk meisje? Wilt gij het mijne hebben voor brood en voor koeken, dat mij het waarschijnlijkst voorkomt, dan knijp ik mijne oogen toe en grijp in den buidel. Doch als ik mij niet bedrieg hebt gij bij den Griek Rufinus, wien het aan niets ontbreekt, een goed onderkomen gevonden, en ik heb zelfs een aardig sommetje geld in bewaring, dat uw grootvader een paar jaren geleden op rente gaf, met de opmerking, dat het eene erfenis was, die gij gekregen hadt van uwe peettante. De kwijtbrief staat op uw naam, en de geldnood waarin gij verkeert heeft dus veel van hetgeen anderen welstand noemen."
"Geldnood, neen, die heb ik niet," hernam Maria. "Maar het geld kan ik toch niet missen, en wanneer ikzelve wat bezit en gij hebt het daar in de kist, geef er mij dan zooveel van als ik noodig hebt."
"Wat gij noodig hebt?" zeide de juwelier lachend. "Ja, dat gaat zoo gauw niet, meisjelief. Eer zoo iets klaar komt, heeft men in Egypte veel tijd, veel papyrus en inkt noodig, eene groote rechtbank, zestien getuigen, een kurios..."
"Welnu, koop dan den ring! Gij zijt zoo'n vriendelijk man, Gamaliël. Doe het om mij genoegen te geven! Dat ik heden wil snoepen gelooft gijzelf niet."
"Neen, maar een week hartje wordt in zulk een moeielijken tijd, waarin velen hongerlijden, licht tot een andere dwaasheid gedrongen."
"Zeker niet! Koop den ring! En doet gij dit mij ten gevalle..."
"Dan is Gamaliël een schurk en een zwakhoofd in éen persoon. Herinnert gij u nog dien groenen smaragd? Dien kocht ik ook, en wat een fraaie geschiedenis heeft dat gegeven. Dat gaat niet met dien ring, meisjelief!"
Maria trok de hand terug, en de teleurstelling en de bekommering die uit hare groote betraande oogen spraken, waren zoo roerend en smartelijk, dat de jood op zijne eigene woorden terugkwam en ernstig maar hartelijk voortging. "Ik zou liever mijn eigen ouden kop tot een aanbeeld geven, dan u leed doen, lief kind. Adonai! ik zeg ook niet--waarom zou ik 't zeggen?--dat gij in elk geval zonder geld door dien Gamaliël zult worden weggezonden. Hij heeft het toch, en hoewel hij het gaarne ontvangt, hij geeft het ook niet ongaarne, als het te pas komt. Dien ring kan ik waarlijk niet koopen, maar daarom niet getreurd. Kijk mij eens goed aan, kleine jonkvrouw. Gij verlangt veel, en ik heb in mijn magazijn nog veel schooner dingen. Als gij daarin iets vindt, dat u vertrouwen kan inboezemen, kom dan rond voor de zaak uit, en zeg den man, op wien ook uw grootvader een klein beetje bouwde, in het oor: 'zooveel heb ik noodig, en daarvoor'--hoe hebt gij ook weer gezegd?--'daarvoor moet ik het hebben'!"
Maria las in het opgeruimde, volle gezicht van den jood iets, dat haar vertrouwen inboezemde, en in haar kinderlijk geloof aan het verbindende van den eed, liet zij een derden persoon, en ditmaal een lid van eene derde godsdienstige overtuiging, zweren niets te zullen verraden, terwijl zij zich verwonderde, dat het ook thans met het afnemen van een eed, waarin zij zich reeds vrijwel geoefend had, zoo gemakkelijk ging.--Ook volwassen lieden koopen zoo gaarne voor een goedkoopen eed het kostbaar geheim van een ander. Nadat zij zich verzekerd had van de stilzwijgendheid van den Israëliet, vertelde zij hem in vertrouwen, dat zij, ingevolge een opdracht van Orion, den veldheer een bode moest zenden, om hem en Paula nog tijdig van den dood te redden.
De goudsmid hoorde haar aandachtig aan, en reeds voor zij nog geheel geëindigd had, ging hij naar de ijzeren in den grond gemetselde kist, en brak hare mededeeling af door de vraag: "Hoeveel?" Daarop noemde zij de som, die Nilus had opgegeven, en nauwelijks was haar bericht ten einde, of de jood, die de handgreep waarmede hij zijne kist opende zelfs voor zijne vrouw geheim hield, riep haar toe: "Nu, kijk eens uit het venster, gij wonderbare afgezant en geldnemer, en als gij daar beneden in den hof niets ziet, denk dan, dat er iemand staan kan als de oude Gamaliël, die u bij het hoofd pakte en u een duchtigen kus gaf. En stel u dan ook voor, dat hij daarbij in stilte bij zichzelven dacht: God in den hemel, als mijn dochtertje, de kleine Ruth, eens worden mocht als de kleine Maria, het kleinkind van den rechtvaardigen Mukaukas!"
Daarop sprong de dikke, bewegelijke man, die op de knieën was gaan liggen, hijgende overeind, liet het deksel van de kist open, snelde naar het kind toe, dat reeds eenige oogenblikken uit het venster keek, drukte het van achteren een kus op de haren en zeide daarbij lachend: "Dat, klein geldneemstertje, dat zal mijne rente zijn. Maar verder naar buiten gekeken, tot ik u weder roep!"
Behendig ijlde hij vervolgens met zijne korte beenen naar de kist terug, veegde zijne oogen af, nam er een kleinen buidel met goud uit, waarvan de inhoud de verlangde som een weinig overtrof, sloot de kist weder dicht, zag daarbij met eene gemengde uitdrukking van wantrouwen en hartelijk welgevallen naar Maria en riep haar eindelijk bij zich. Hij schudde nu den buidel voor haar uit, telde het bedrag af, dat zij verlangde, stak de overgebleven goudstukken bij zich, gaf het kind het zakje en verzocht het toen, terwijl hij de kamer verliet, listig meesmuilend, zijn 'voorschot' weder in het zakje te tellen en op hem te wachten. Toen hij terugkwam was zij met het werk gereed en merkte schuchter op: "Er ontbreekt nog een goudstuk."
Gamaliël kruiste beide armen over de borst, sloeg zijn blik ten hemel en zeide: "God, welk een meisje! Daar is de solidus, kind! Laat een man van ervaring u zeggen: wat gij onderneemt, dat zal u gelukken! Gij weet wat gij doet, en als gij eens groot zijt en er een zal komen, om u te vrijen, dan zal hij goed ter markt gaan. En nu nog uwe handteekening, hier! Gij zijt nog wel niet mondig, en het blaadje is--God verhoede het ergste--is wel niet veel meer waard dan een blaadje, de inkt er onder begrepen, doch het is voor de orde."
Nu nam Maria de schrijfpen, en terwijl zij eerst vluchtig doorliep, wat Gamaliël geschreven had, riep deze wederom in warme geestvervoering uit: "Een meisje, een kind! En dat leest, dat onderzoekt, dat overtuigt zich, alvorens het zijne handteekening zet! God zegene u, kind! Kijk daar komen de taartjes, en gij zult ze proeven voor ge... gerechtige God! Een kind, dat zulke gewichtige zaken doet!"
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Terwijl Rustem, wien Maria het goud van den juwelier had toevertrouwd, voorbereidselen maakte tot de reis met het beleid van den geoefenden karavaanaanvoerder, en Maria met hare opvoedster de Perzische Mandane troostte en aan het verstand bracht, dat Rustems reis ten doel had Paula's leven te redden, had er in de gerechtszaal eene nieuwe zitting plaats.
Ditmaal was Orion de aangeklaagde. Nauwelijks was hij begonnen zich te verdiepen in de plannen en lijsten, die hij voor zijn arbeid behoefde, of men riep hem voor de balie. Het gerechtshof was als gisteren samengesteld. Onder de getuigen waren behalve Paula, de nieuwe bisschop Johannes, alsmede de juwelier Gamaliël verschenen welke laatste, terstond nadat Maria hem verlaten had, voor de rechtbank was geroepen. De aanklager beschuldigde den zoon van den Mukaukas, een kostbaren smaragd, die door zijn vader aan de kerk was vermaakt, ondanks de aanmaning van den patriarch, teruggehouden te hebben.
Orion nam zelf zijne verdediging op zich, herhaalde alles wat hij den kerkvorst zelven in de werkkamer zijns vaders tot zijne rechtvaardiging had gezegd, en verklaarde daarop, dat hij aan deze onaangename zaak spoedig een einde wilde maken door den steen terug te geven en dezen ter beschikking te stellen van de rechters. Hierop overhandigde hij den kadhi Paula's smaragd, en deze stelde dien weder aan den bisschop ter hand. Doch Johannes verklaarde zich nog niet bevredigd, maar las een schriftelijk getuigenis voor van de weduwe Susanna, die er bij was geweest toen de overleden Mukaukas Georg in tegenwoordigheid van zijn zoon al de juweelen, die het Perzisch tapijt bevatte, als een geschenk aan de kerk vermaakt had. Orion werd alzoo verdacht van eenig kleinood te hebben achtergehouden, en het zou zeer moeielijk zijn uit te maken, of de schoone steen daar op tafel dezelfde was waarop de kerk aanspraak maakte.
Dit alles werd met veel ijver voorgedragen en scheen eene vijandige gezindheid te verraden. Gehoorzaamheid en overtuiging dwongen den ijverigen prelaat deze houding aan te nemen, want dezelfde duivenpost, waarbij de patriarch hem tot bisschop had benoemd, deed hem het bevel toekomen, om de bestraffing van Orion door te zetten, die een doorn was in het vleesch van de Jacobietische kerk, een schurftig schaap, dat de gezonde dreigde aan te steken. Als de jonkman soms een smaragd uitleverde, moest men wel nauwkeurig onderzoeken of het de rechte was, dan wel een ondergeschoven steen. Dit was de reden waarom de bisschop zijn wantrouwen had uitgesproken, en hoewel dit onder de Arabische rechters een afkeurend gemompel deed ontstaan, vatte de kadhi den argwaan van den prelaat toch ernstig op, daarbij mededeelende, dat hij gisteren avond een brief van zijn oom, den koopman Haschim, uit Dschidda had ontvangen, waarin ook van den smaragd gewag werd gemaakt. Haschims zoon had den steen buiten zijn weten, voor hij naar Egypte op reis ging, gewogen, en hier was de juiste opgave van het gewicht. De juwelier Gamaliël was met een weegschaal hier ontboden en zou de zaak tot geruststelling van den bisschop onderzoeken.
Onverwijld ging de jood aan het werk, en de oude Horus Apollon, die in deze dingen uiterst bedreven was, kwam vlak bij hem staan, om elk zijner bewegingen met argwaan te bespieden. Alle aanwezigen verkeerden in de hoogste spanning; met koortsachtigen polsslag hingen Orion en Paula aan de handen en lippen van den juwelier, die na het eerste onderzoek den steen nog eenmaal woog. De derde weging volbracht de grijsaard met scherpen blik maar bevende vingers. Alle drie leverden dezelfde uitkomst; deze steen was enkele dourrakorrels zwaarder dan die, welke de zoon van den koopman had gewogen; toch verklaarde de juwelier, dat onder alle smaragden van de wereld geen reiner, vlekkeloozer en schooner steen gevonden kon worden.
Orion gevoelde zich verlicht en haalde ruimer adem, terwijl onder de rechters de vraag werd besproken, of de jonge Arabier zich aan eene onnauwkeurigheid had schuldig gemaakt, dan of hier inderdaad eene verwisseling had plaats gehad. Doch hieraan viel bezwaarlijk te denken, want deze moest tot nadeel van den aangeklaagde, tot voordeel van de kerk zijn. De bisschop, die billijk oordeelde, zeide nu dat het wantrouwen van den kerkvorst in dit geval toch te ver ging, en deed in deze aangelegenheid verder geen mond open. De Wekil Obada had zich bij de geheele behandeling van deze zaak het zwijgen opgelegd, doch de uitdagende, zegevierende blik, waarmede hij nu eens Paula dan weder Orion opnam van het hoofd tot de voeten, deden het ergste verwachten.
Nadat de aanklager den jongeling ook beschuldigd had van deelneming aan de veelbesproken bloedige vlucht der nonnen, verdedigde deze zijne onschuld en voerde als bewijs aan, dat hij zich gedurende den noodlottigen strijd tusschen de Arabieren en de beschermers der nonnen had bevonden in gezelschap van den veldheer Amr, gelijk deze zou bevestigen. Door eene ongehoorde daad van willekeur was hij, op eene bloote verdenking alleen, van zijne bezittingen en van zijne vrijheid beroofd, en hij vertrouwde allereerst op een rechtvaardig oordeel van zijne rechters en verder op de bescherming van zijn heer, den Kalief, die hem voldoening zou geven. Hij zag daarbij met vlammende oogen den Wekil aan; doch de zwarte wist ook nu zijne kalmte te bewaren en dit vermeerderde de bezorgdheid dergenen, die het wel met den jongeling meenden.
Obada, dit bleek uit alles, moest overtuigd zijn, dat hij zijn offer den strik zeker om den hals had geworpen, en weldra werd allen duidelijk, wat hem zoo gerust deed zijn. Nauwelijks toch had Orion zijne verdediging geëindigd, of hij stond op, overhandigde den kadhi met een duivelschen grijnslach het tafeltje, dat Horus Apollon hem gisteren had gegeven, noemde het een schrijven, door Orion aan de Damasceensche gericht en verzocht den kadhi er kennis van te nemen. De hitte had wel is waar veel van het schrift in het was uitgewischt, doch de meeste letters waren nog altijd leesbaar. De waardige grijsaard had ze reeds ontcijferd en zich bereid verklaard den rechters voor te lezen, wat de aangeklaagde, die zichzelven in zijne pleitrede als een onschuldige duif had voorgesteld, in zijne onschuld en zijn waarheidszin voor zijn schoone bruid had neergeschreven. Daarbij gaf hij den oude een wenk en ondersteunde hem, toen deze met moeite opstond. Doch de kadhi verzocht hem te wachten, liet zich door den tolk omtrent den inhoud van den brief onderrichten, en keerde zich, nadat deze met veel moeite zijn plicht had vervuld, niet tot den grijsaard maar tot Obada met de vraag, waar dit geschrift gevonden was.
"In den lessenaar van de Damasceensche," antwoordde de zwarte. "Mijn oude vriend hier heeft het ontdekt." Hij wees hierbij op Horus Apollon, die deze verklaring bevestigde door met het hoofd te knikken.
Nu stond de kadhi op, ging naar de jonkvrouw, die doodsbleek was geworden van schrik, toonde haar het tafeltje en vroeg of zij dit herkende als haar eigendom.
Nadat zij het voorwerp nauwkeurig had bekeken, antwoordde Paula met een blik op den oude, waaruit de diepste minachting en afschuw sprak: "Ja, heer, het is mijn eigendom. Deze onwaardige grijsaard nam het op eene schandelijk listige wijze uit mijne schrifturen."
Hier haperde hare stem een oogenblik, doch zij ging weldra voort, zich tot de rechters wendende: "Als er onder u iemand is, die hulpeloosheid en onschuld eerbiedigt en arglistigheid en slinksche streken veroordeelt, hij begeve zich naar de vrouw van Rufinus, over wier drempel die man daar is binnengeslopen als een bunzing in eene duiventil, binnengeslopen met geen ander doel dan om hartelijke gastvrijheid met voeten te treden, haar huis te doorsnuffelen en daaruit alles bij een te halen wat hem dienen kon voor zijn schandelijk doel, en hij waarschuwe deze aan zichzelve overgelatene vrouw voor den verraderlijken spion en dief."
Opeens hief de oude blazende van woede, niet in staat een woord te spreken, zijn mageren arm omhoog; de christelijke rechters fluisterden elkander hunne uiteenloopende meeningen toe, de jood Gamaliël schoof met zijn zwaar lichaam op de getuigenbank heen en weer, tikte onophoudelijk en onrustig met zijne vingertoppen op de borst, en zocht nu eens Paula's dan weder Orions oogen op zich te vestigen, om aan te duiden dat hij de man was, die vrouw Rufinus zou waarschuwen. Doch een vuistslag van den Wekil, die onverwacht zijn schouder trof, bracht hem tot rust, en terwijl hij in stilte morrende de gekwetste plek wreef en het niet waagde den geweldenaar terecht te laten wijzen, overhandigde de kadhi aan den grijsaard het tafeltje en verzocht hem den brief voor te lezen.
Doch de vreeselijke aanklacht, die de gehate dochter van den patriciër hem in het aangezicht had geslingerd, waardoor zij aan zijne verhuizing naar de woning van Rufinus beweeggronden had toegeschreven, die in werkelijkheid hem vreemd waren geweest, hadden hem zoo in verwarring gebracht, zoo boos gemaakt, dat zijne oude, bovendien reeds moeielijk ademende longen hem den dienst weigerden. Die vrouw had hem een nieuw onrecht aangedaan, want met de vriendelijkste bedoelingen had hij bij de vrouwen zijn intrek genomen, en een toeval alleen had hem het tafeltje in handen gespeeld. Toch zou der weduwe van Rufinus nog heden ter oore komen, dat hij als een spion hare woning was binnengedrongen, en dan was het voor altijd uit met die kostelijke laatste dagen waarvan hij gedroomd had; zelfs zijn Philippus zou in staat zijn met hem te breken. En dat alles door toedoen van deze vrouw!--Hij kon geen woorden vinden om zijn gevoel uit te spreken, maar toen hij zich weder op de getuigenbank neerzette trof Paula een blik, zoo vol haat, zoo overvol van gif en woede, dat zij huiverde en tot de overtuiging kwam: deze man is bereid om zelf onder te gaan, ten einde mij ten val te brengen.
Doch de tolk begon reeds Orions brief te lezen en dezen voor de Arabieren te vertolken, en terwijl hij, stamelend en onder de verzekering, dat geen enkele letter duidelijk te herkennen was, zijn plicht vervulde, kreeg Paula geheel hare zelfbeheersching terug, en even nadat de hermeneut zijn werk voleindigd had was het of er een zonnestraal gleed over hare reine gelaatstrekken. Een schoone, grootsche, vreugdevolle gedachte moest in haar brein zijn opgekomen, en men kon het haar aanzien, dat het haar gelukte deze vast te houden en er zich geheel aan te wijden. Orion, die tegenover haar zat, merkte het wel op, maar hij begreep nog niet wat haar smeekende blik hem te zeggen had, wat zij van hem verlangde, toen zij de hand op de borst drukte en hem daarbij zoo veelbeteekenend in de oogen keek, dat het doordrong tot diep in zijn hart.
Thans zweeg de tolk, en wat hij gelezen had was op de rechters niet zonder uitwerking gebleven. Uit de welwillende trekken van den kadhi sprak ernstige bezorgdheid, en de inhoud van den brief scheen wel geschikt, om haar te wekken. Woordelijk luidde het schrijven aldus:
"Nadat ik lang tevergeefs op u gewacht heb, moet ik eindelijk besluiten om te vertrekken, en hoeveel had ik u nog te zeggen. Een schriftelijk vaarwel..."