De nijlbruid

Part 52

Chapter 524,075 wordsPublic domain

"Dan verwijlt hij zeker niet lang in Opper-Egypte, dan bespoedigt hij zijne reis of zendt een gevolmachtigde vooruit," hoorde men zeggen door den wand. "Hadden wij nu maar een betrouwbaar persoon, om hem tegemoet te zenden. Onze lieden zijn naar alle windstreken verstrooid, en hier thans naar hen te zoeken...."

Daar liet opeens Marias heldere kinderstem zich hooren: "Ik zorg voor den bode."

"Gij? Bedenk toch, meisje!" begon Orion te zeggen.

Zij gaf geen acht op zijne bezwaren, maar ging, zeker van hare zaak, met vuur voort: "Alles, alles zal hem bericht worden! Mag men hem ook toevertrouwen, wat ik van uwe deelneming aan de vlucht der nonnen heb vernomen?"

"Neen, in geen geval!" zeide de rentmeester en de jonkman tegelijk.

Maria besloot uit dezen uitroep, dat haar voorslag werd aangenomen, klapte in de handen en riep vol ijver en met vuurroode wangen: "Morgen gaat de bode op reis, verlaat u op mij! Ik voer dit zoo goed uit als de beste. Geef mij nu nauwkeurig den weg op, dien hij nemen moet. Griffel voor alle zekerheid de namen der stations hier op dit tafeltje.... Maar wacht, ik moet het eerst gelijk maken."

"Wat staat er op het was?" vroeg Orion. "Een groot hart met enkel rechthoeken er in. Dat beduidt?"

"Malligheid!" zeide het kind, een weinig beschaamd. "Ik teekende maar eens, hoe ik mijn hart verdeel onder hen die ik liefheb. De eene geheele helft behoort aan onze Paula, dit vierdedeel is het uwe, maar daar, daar"--en hier stiet zij met de stift in het was--"hier had ik ook den ouden een plaatsje gegund. Kom, geef het mij nu weder!"

Thans maakte zij met hare vlugge vingers het was glad en Orion teekende over dat uitgevlekte hart, het knutselwerk van een kind, dingen op, waarvan leven en dood van twee menschen afhingen. Hij deed het in goed vertrouwen op het geluk en de nauwgezetheid van zijne kleine bondgenoote. Morgen in alle vroegte zou zij voor den bode nog een brief aan den veldheer ontvangen.

"Maar een snelle rit--en Amr kiest altijd zijn weg over de bergen en Berenike--is duur," merkte de rentmeester op, "zelfs wanneer wij onze laatste goudstukken bijeenverzamelen, zullen zij nauwelijks toereikende zijn."

"Behoud ze, gij hebt ze hier noodig," haastte het kind zich te zeggen. "Maar neen.... daar zijn nog mijne paarlen, en de sieraden mijner moeder.... intusschen...."

"Van zulke kostbaarheden mag men niet scheiden, gij gouden hartje" zeide Orion tot haar.

"Ja wel zeker. Wat doe ik er mee? Maar dat mijner moeder heeft vrouw Johanna in bewaring."

"En gij aarzelt daarom te verzoeken?" vroeg de jongeling.

Vervolgens richtte hij zich tot den rentmeester, en toen deze de benoodigde som berekend had, trok Orion een kostbaren saffier van zijn vinger, gaf die aan Maria en verzocht haar dit edelgesteente aan hare pleegmoeder te overhandigen. De jood Gamaliël zou haar op dit onderpand zooveel voorschieten, als zij noodig had.

Maria stak het kleinood vroolijk bij zich, doch toen de wachter spoedig daarop verscheen, ging haar zalig gevoel plotseling tot even levendige droefheid over, want zij nam van Orion afscheid, als gold het eene scheiding voor het gansche leven.

In de naar Paula's cel voerende gang bleef de gevangenbewaarder plotseling staan, want er kwamen lieden langs de trap naar boven. Als het de zwarte Wekil eens was en hij op dit uur nog bezoek in de gevangenis vond! Maar neen twee lampen werden voor den bezoeker uitgedragen, en in haar schijnsel herkende haar geleider den presbyter Johannes, den nieuwen bisschop van Memphis, die reeds vroeger dikwerf hier kwam, om de gevangenen te troosten.

De begeerte om de bedreigde Melchietin te zien, had hem heden tot dit laat bezoek in den kerker genoopt. Maria's houding en kleeding verrieden hem, dat zij niet behoorde bij een der beambten van het huis, en zoodra hij vernomen had wie zij was, beet hij zijn geleider, een ouden diaken, dien hij altijd medenam, wanneer hij vrouwelijke gevangenen bezocht, in het oor: "Hier zal men haar vinden!" Nadat hij vervolgens vernomen had met wie het kind op dit late uur hierheen gekomen was, wendde hij zich weder tot zijn ambtsbroeder en zeide zacht: "De vrouw en dochter van Rufinus. Het is dus zoo. Ik heb die Grieken reeds lang in het oog. Jaarlijks maar eens of tweemaal in de kerk. Heimelijk Melchieten! Zij zijn het eens met de Damasceensche. En in zulk eene omgeving groeit de kleindochter van den Mukaukas op! Een gevaarlijk spel! Benjamin heeft weder goed gezien, zooals altijd." Vervolgens daalde zijne stem nog lager, terwijl hij vroeg: "Zouden wij haar niet dadelijk medenemen?" En toen de diaken hiertegen bedenkingen inbracht, antwoordde hij snel: "Gij hebt gelijk; het is voor het oogenblik voldoende haar verblijf te kennen."

Intusschen had de bewaarder Paula's cel geopend, en vóor de bisschop binnentrad, richtte hij eenige vriendelijke woorden tot het kind en vroeg of het soms niet naar zijne moeder verlangde, en op Maria's antwoord: "Ja, zeer dikwijls!" streek hij met zijne magere hand over de lokken van het meisje en zeide: "Dat dacht ik wel. Gij draagt eene schoone naam, kind, en evenals uwe moeder, zoo wijdt ook gij wellicht weldra uw leven aan de vrouw der vrouwen, met wier naam gij gedoopt zijt."

Daarop ging hij de cel binnen, met de kleine aan de hand, en terwijl Paula den geestelijke, die haar op zulk een laat uur kwam bezoeken, getroffen aanzag, herkende vrouw Johanna en Pulcheria in hem den moedigen priester, die zich zoo krachtig had verzet tegen den grijsaard en het misleide volk, en bogen diep en met eerbied. De bisschop merkte het op en leidde daaruit af, dat deze Griekinnen misschien toch tot zijne kerk behoorden. In elk geval kon men haar gerust nog eenige dagen in het bezit van het kind laten.

Nadat hij eenige vriendelijke woorden met de vrouwen had gewisseld, maakte de weduwe zich gereed, om afscheid te nemen en hem met de gevangene alleen te laten. Hierop ging de bisschop naar haar toe en zeide dat hij haar morgen of overmorgen een bezoek zou brengen; het gold het geluk van iemand, die hun beiden dierbaar was.

Vrouw Johanna, die meende dat hij Paula op het oog had, fluisterde hem in het oor: "Zij vermoedt nog niets van het afgrijselijke, waarmede het volk haar bedreigt. Als het zijn kan, bespaar haar dan, voor zij gaat slapen, die schrikkelijke tijding."

"Als het zijn kan!" herhaalde de geestelijke, en toen Maria hem bij het heengaan de hand kuste, trok hij haar tot zich en zeide: "Het christuskind en ieder christenkind behoort aan de moeder. Gij zijt bevoorrecht boven duizenden, Maria! De hemel heeft uw vader als martelaar tot zich genomen, en uwe moeder wijdde zich zelve aan den hemel. De weg is voor u afgebakend, mijn kind; denk er eens over na. Morgen, neen overmorgen kom ik, om u te leiden op dien nieuwen weg."

Vrouw Johanna verbleekte bij deze woorden, want nu eerst begreep zij wat de bisschop met zijn bezoek bij haar in het schild voerde, en aan den voet van den trap sloeg zij haar arm om het kind en vroeg op zachten toon: "Verlangt gij naar het klooster; zoudt gij ver van ons, evenals uwe moeder, alleen voor het heil uwer ziel als non willen leven, in die stille zaligheid, die Pul u meer dan eens geschilderd heeft?"

Doch het kind gaf op deze vraag een bepaald ontkennend antwoord. Toen vrouw Johanna daarbij bezorgd en verontrust het hoofd liet zinken, toonde Maria weder een vroolijk gezicht en riep haar toe: "Heb geen vrees lief moedertje! Voor overmorgen kan er nog veel veranderen. Laat de heer bisschop maar komen, ik zal het wel met hem uitmaken. O, gij kent mij nog niet! Als een lammetje ben ik bij u geweest te midden van alle onheilen en de ernstigste gebeurtenissen, doch er steekt nog heel wat anders in mij; gij zult er verbaasd van opzien!"

"Blijf liever, die gij zijt," sprak de weduwe.

"Altijd, altijd meer vervuld van liefde voor u en Pul. Maar ik ben een persoontje geworden van groot vertrouwen. Morgen vroeg heb ik iets gewichtigs voor Orion te doen. Iets--Rustem zal mij vergezellen--iets gewichtigs, zeer gewichtigs, moedertje! Maar wat het is, dat mag ik aan geen mensch verraden, niet eens aan u!"

Hier moest zij ophouden want de zware deur van de gevangenis werd knarsend voor hen geopend. Voor den bisschop werd zij eerst een paar uren later weder ontsloten, zoolang hield het gesprek met Paula hem in hare cel bezig. Op zijne vraag of zij eene orthodoxe Griekin was, eene Melchietin, zooals het volk zich uitdrukte, gaf zij een toestemmend antwoord, en voegde er bij dat, wanneer hij haar had opgezocht, om haar afvallig te maken van het geloof harer ouders, zijn gang tevergeefs geweest zou zijn.

Toch achtte zij in hem den christen, den priester, den geleerde, den man, wien haar gestorven oom onder alle geestelijken van zijne geloofsbelijdenis het meest had vereerd, en gaarne wilde zij hem openbaren, wat haar in het aangezicht van den naderenden dood op het hart lag.

Hij zag haar in het rein en kalm gelaat, en hoewel hij na haar eerste antwoord voornemens was geweest haar te bedreigen met het vreeselijk lot, dat hij op de markt getracht had van haar hoofd af te wenden, dacht hij thans aan de bede van de vriendelijke Grieksche vrouw en legde zich het stilzwijgen op. Tot bij middernacht liet hij zich vertellen wat geluk en ongeluk zij in haar jong leven had ondervonden, deed zijn scherpzinnige geest onderzoek naar haar zieleleven, verkwikte zijn vroom gemoed zich aan hare geestkracht en haar moed. Toen hij haar verlaten had en met zijn diaken naar huis wandelde, was het eerste woord, waarmede hij het stilzwijgen afbrak, dat hij langen tijd bewaard had: "Terwijl gij sliept, schonk God mij door dit kettersche kind dezer wereld eene hartverheffende ure."

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Nadat zich de deur der hooge gevangenismuur achter de vrouwen gesloten had, ging vrouw Johanna aan den arm harer dochter door de altijd nog heete, stille straten, terwijl Rustem haar met het meisje volgde. Het goede hart van den reus hing aan Maria, en vaak veegde hij met zijne groote hand de oogen af, toen zij hem duidelijk maakte wat dat schouwspel, waarvan hij op de markt getuige was geweest, te beduiden had gehad, en welk een vreeselijke dood Paula bedreigde. Van tijd tot tijd maakte hij onder dit verhaal zonderlinge geluiden, waardoor hij lucht gaf aan zijn toorn en zijne bezorgdheid; want hij zag tot zijne verpleegster op als tot een hooger wezen, en Mandane had ook gezegd, dat zij nooit zou vergeten, wat die voorname jonkvrouw voor haar gedaan had.

"Als ik," barstte Rustem eindelijk los, terwijl hij zijn verbazende vuist ophief, "als ik kon, ze zouden..."

De kleine zag daarbij verstandig en vragend tot hem op en zeide levendig: "Gij kunt, Rustem, ja, gij kunt!"

"Ik?" vroeg de Pers verbaasd, terwijl hij ongeloovig het hoofd schudde.

"Ja, gij, Rustem; juist gij! Wij hebben daar in de gevangenis eene afspraak gemaakt, en als gij maar een beetje goeden wil hebt, om ons daarbij te helpen..."

"Goeden wil," lachte de wakkere jonge man, terwijl hij op zijn borst sloeg. Daarop vervolgde hij in zijn eigenaardig gebroken Grieksch, dat echter zeer goed te verstaan was: "Huid en haar waag ik voor de jonkvrouw. Kom maar voor den dag met de zaak!"

Het kind omklemde met beide handen den arm van den grooten man, trok hem nader tot zich en zeide: "Wij wisten wel, dat gij een dankbaar hart hebt. Maar, ziet gij--" hier hield Maria op, om on geheel anderen toon te vragen: "Gelooft gij aan een God? Of wacht... Weet gij wat een heilige eed is? Kunt gij ook iets zweren? Ja, Ja," en nu richtte zij zich zoo hoog mogelijk op en vervolgde op plechtigen toon: "Zweer mij bij uwe bruid Mandane, en zoo waar gij gelooft, dat zij u liefheeft..."

"Maar, zieltje...."

"Zweer mij bij haar, dat gij dat wat nu komt aan niemand verraden zult, ook niet aan moeder Johanna en Pul, zelfs aan uwe Mandane alleen als het niet anders kan, en nadat zij u heilig beloofd heeft...."

"Maar wat dan? Ik begin waarlijk bang te worden; wat moet ik bezweren?"

"Niet te verraden, wat ik u thans zal toevertrouwen."

"Nu ja, kleine meesteres, dat kan ik belooven."

"Ah!" riep Maria met eene diepe, langgerekte ademhaling, waarop zij hem mededeelde, dat den veldheer Amr een betrouwbare bode moest te gemoet gezonden worden, om Paula intijds te kunnen redden. Hierop volgde de vraag of hij den weg kende over de bergen van Babylon naar het oude Berenike, en toen hij antwoordde, dat dit juist de laatste was, dien hij had afgelegd, dat die weg het dichtst bij de zee voerde, als men naar Dschidda en Medina wilde, herhaalde zij haar goedkeurend "Ah!", greep zijne hand, en zeide, terwijl zij met zijne groote vingers speelde, op vleienden maar toch dringenden toon: "En nu, goede, beste Rustem, nu is er maar een enkele betrouwbare bode in Memphis, doch die, ziet ge, heeft eene bruid en daarom zou hij liever trouwen en met haar naar zijn vaderland gaan, dan ons helpen, om het leven van de ongelukkige Paula te redden."

"Die vlegel!" bromde de Pers.

Maria begon te schaterlachen, herhalende: "Ja die vlegel!" Daarop vervolgde zij vroolijk: "Maar gij scheldt op uzelven, domme Rustem! Gij, gij zijt de bode, dien ik bedoel, de eenige eerlijke, trouwhartige dien ik in geheel den omtrek ken. Gij, gij moet den veldheer te gemoet gaan...."

"Ik?" vroeg de karavaanaanvoerder verschrikt, terwijl hij bleef stilstaan.

Doch Maria trok hem voort en zeide: "Kom vooruit, anders zullen zij daar voor ons iets merken; gij, ja, gij zult...."

"Maar kind, kind," haastte de Pers zich te zeggen op klagenden toon: "ik moet naar mijn heer terug, en ik, ziet ge, laat ons eerlijk zijn...."

"Gij wilt niet van uw meisje weg, al moet ook de vriendelijke jonkvrouw, die dag en nacht bij u gewaakt heeft, daarom prijsgegeven worden aan den dood, den afgrijselijksten en gruwzaamsten van allen. Voor dien andere, dien niemand verpleegd heeft, ja voor dien hebt gij dat 'vlegel' dadelijk bij de hand, maar voor u...."

"Bedaar toch! Hoor mij eerst aan, kleine meesteres!" zeide Rustem, haar het woord ontnemende, terwijl hij tegelijkertijd zijne hand uit de hare losmaakte. "Ik wilde nog wat wachten en Mandane heeft er zich reeds in moeten schikken, maar éen mensch kan niet alles. Rijden, koopwaren overbrengen, kameelknechts onder bedwang houden, een leger opslaan, dat kan ik, doch met groote heeren omgaan, met wenschen en smeekingen een man als den veldheer onder de oogen te komen, ziet gij, zieltje--al gold het, mijn eigen vader te redden--dat zou..."

"Maar wordt dit dan van u gevorderd?" vroeg de kleine. "Gij kunt zoo stom blijven als een visch, het spreken zal de zaak zijn van die u vergezelt."

"Dus zal nog een ander? Maar, groote Masdak!--Wees dan met dien eenen tevreden!"

"Moet ge mij dan telkens in de rede vallen?" liet het kind hier dadelijk op volgen: "Eerst hooren en dan tegenwerpingen maken! Die tweede bode dan is in het geheel geen mannelijke bode, maar eene van het vrouwelijke geslacht, en die--zet uwe ooren maar wijd open--die ben ik, ik die hier naast u ga. En wanneer gij nu nog eens blijft staan, dan denk ik dat ge mij wilt verraden. Kort en goed, zoo zeker als ik wensch Paula te redden, zoo stellig rijd ik den veldheer tegemoet. Weigert gij mij te vergezellen, dan ga ik alleen en beproef of niet de bultenaar Gibbus...."

Rustem had eenigen tijd noodig gehad na deze buitengewone verrassing, om tot bezinning te komen; eindelijk zeide hij: "Gij--gij.. En tot Berenike, en dat nog wel over de bergen.."

"Ja over de bergen," herhaalde zij, "en als het zijn moest ook door de wolken."

"Maar zoo iets is toch onmogelijk, nog nooit heeft men dit op aarde beleefd!" zeide de Pers op meewarigen toon. "Een meisje, zoo'n kleine jonkvrouw, als bode, geheel alleen met zulk een onbeholpen kerel als ik ben. Neen, neen, neen!"

"En nog honderdmaal neen en weder neen," ging het kind blijmoedig voort. "De jonkvrouw blijft natuurlijk te huis, maar een knaap zal u vergezellen, dien gij Marius zult noemen, in plaats van Maria."

"Een knaap? Ik dacht toch... Men raakt de kluts gansch en al kwijt!"

"Een knaap, die een meisje is en een jongen in één persoon," zeide Maria lachende. "Maar gij wilt alles zoo duidelijk: Als knaap verkleed zal ik u begeleiden, en als wij morgen opbreken, letwel, dan houdt ge mij voor uw eigen broeder."

"Uw eigen broeder! Welk een schrander kopje zijt ge! Gij weet het onmogelijke mogelijk te maken," zeide Rustem lachend, terwijl hij daarbij de kleine met welgevallen aanzag. Doch opeens werd hij weder geheel doordrongen van het ongehoorde van haar verlangen, en geen raad wetende riep hij: "Maar mijn heer, mijn meester! Waarlijk het gaat niet!"

"Juist om zijnentwil bewijst gij ons dezen dienst," antwoordde Maria gevat. "Hij is Paula's vriend en beschermer, en wanneer hij hoort wat gij voor haar gedaan hebt, zal hij u prijzen. Als gij ons echter in den steek laat, dan weet ik zeker..."

"Welnu?"

"Dat hij zegt: 'Ik had dien Rustem voor verstandiger en goedhartiger gehouden'."

"Zoo, meent gij dat hij dit zeggen zou?"

"Zoo waar als ons huis daar staat! Wij hebben geen tijd meer om te kibbelen, en het blijft er bij: wij reizen te zamen. Morgen vroeg zal ik u in den tuin vinden. Gij kunt aan uwe Mandane zeggen, dat eene gewichtige handelszaak u van hier roept."

"En vrouw Johanna?" vroeg de Pers. "Dat gij naar haar niet vraagt," zoo vervolgde hij op bedenkelijken en bezorgden toon: "en in vertrouwen haar alles mededeelt, kindlief, dat wil mij in het geheel niet bevallen."

"Maar zij zal alles weten, alleen niet dadelijk," antwoordde Maria, "en wanneer zij overmorgen te weten komt met welk doel ik haar verlaten heb en dat gij mij vergezelt, zal zij ons prijzen en zegenen. Ja, dat doet zij, zoo waar ik hoop, dat de lieve God ons op onze reis bijstaat."

Deze woorden, waaraan men hooren kon, dat zij uit den diepsten grond des harten kwamen, braken het laatste verzet van den Masdakiet--ter rechter tijd; want hunne wandeling was ten einde, en daarbij scheen het hun, als hadden zij den langen weg in weinig stappen afgelegd. Zij waren groepen van schreeuwende en twistende burgers vlak voorbijgegaan, en menige lijkstatie van een aan de pest bezweken doode was langs dezelfde straat met fakkellicht grafwaarts getrokken; doch dat alles was hun ontgaan. Eerst bij de tuindeur bemerkten zij, wat er rondom hen plaats greep. Daar vonden zij den hovenier Gibbus en het geheele dienstpersoneel, dat met bezorgdheid de zoo laat terugkeerende vrouwen opwachtte. Ook de Griekin Eudoxia zag hare komst met een kloppend hart te gemoet.

In huis werden zij door Horus Appollon ontvangen, doch vrouw Johanna en Pulcheria beantwoordden zijn groet met eene koele buiging en Maria keerde hem met opzet den rug toe. De grijsaard haalde mismoedig en spijtig de schouders op, en op zijn kamer prevelde hij: "Dat wijf! Zelfs de goede dagen, waarop ik voor het overige van mijn leven hoopte, zal ze mij bederven!"

De weduwe en hare dochter spraken in haar slaapvertrek nog lang over Maria. Zij had haar met zulk eene innigheid en teederheid goeden nacht gewenscht, als stond de scheiding reeds voor de deur. Arm kind! Het vermoedde voor welk een treurig lot de bisschop en misschien hare eigene moeder haar bestemd hadden. Doch Maria zag er niet uit alsof zij het ongeluk te gemoet ging. Eudoxia, die bij haar sliep, verheugde zich veeleer in haar blijmoedig uitzicht, alleen verwonderde het haar dat de kleine, die anders pleegde in te slapen, zoodra zij het hoofdje in de kussens had gedrukt, heden zoo lang wakker bleef. Onwillekeurig volgde de bejaarde Griekin, die door allerlei kleine kwalen geplaagd, altijd eerst laat insliep, iedere beweging van het kind.

Doch wat was dat? Voor de morgen aanbrak sprong Maria op eens uit bed, wierp een kleed om, en begaf zich met een nachtlicht naar het aangrenzend vertrek. Van daar viel een helder lichtschijnsel in het slaapvertrek; zij moest dus eene lamp hebben aangestoken en toen Eudoxia later de deur van het woonvertrek hoorde kraken, stond zij op en overschreed zacht den drempel. Juist kwam Maria terug; zij droeg nieuwe jongenskleederen in de hand, dezelfde, die Pulcheria en Eudoxia kort geleden als zondagskleedij gemaakt hadden voor den lammen tuinmansknaap. Al lachende trok de kleine het blauwe rokje aan, en nadat zij hare eigene kleederen in de kist had geworpen, zette zij zich aan tafel, om te schrijven. Het scheen wel dat Maria een moeielijk onderwerp te behandelen had, want nu eens staarde zij op het papyrusblad, terwijl zij met de hand langs het voorhoofd wreef, dan weder tuurde zij peinzend in de hoogte. Zij had reeds eenige volzinnen voltooid, toen zij plotseling opsprong, Eudoxias naam binnensmonds prevelde en daarop naar de slaapkamer ging.

Daar trad de Griekin haar te gemoet en nu wierp Maria zich aan hare borst, en vóor de opvoedster nog eene vraag kon doen, openbaarde zij haar geroepen te zijn, om iets groots en gewichtigs uit te voeren. Zij was juist van plan geweest haar te wekken, om haar tot hare vertrouwde te maken en om raad te vragen. Hoe beminnenswaardig en oprecht was deze mededeeling, en hoe bevallig was hare schuchterheid, ondanks de vurige ijver die haar bezielde.

De opvoedster gevoelde zich verteederd, de woorden van berisping bestierven op hare lippen, en voor de eerste maal beschouwde zij dit ouderlooze kind als haar eigen, was het haar als viel zijn geluk en zijn lijden met het hare te zamen. Zij, die haar leven lang slechts om zichzelve en haar eigen welzijn had gedacht, zij, die zich aan de opvoeding van Maria tot hiertoe had gewijd, omdat zij daarvoor onderhoud en salaris ontving, zij achtte zich thans in staat om voor dit kind zichzelve en alles wat zij bezat ten offer te brengen. Toen nu de kleine de armen om haar hals sloeg en smeekte haar niet te verraden, maar veeleer haar te helpen bij het goede werk, dat niet minder ten doel had dan Paula en Orion, de ongelukkigen wier leven bedreigd werd, te redden, begonnen hare anders droge oogen vochtig te worden, kuste zij de gloeiende wangen van Maria opnieuw en zeide haar, dat zij haar lief, lief dochtertje was.

Dat gaf Maria moed en met pathetische waardigheid, die de opvoedster de lippen tot een lachje deed plooien, nam zij Eudoxias bijbel van den lezenaar, legde die op de tafel en zeide, terwijl haar smeekend oog de Griekin vlak in het aangezicht zag: "Zweer mij--neen gij moet geheel ernstig blijven, want gij kunt u niets gewichtigers denken--zweer mij aan geene ziel te zullen verraden, ook niet aan moeder Johanna, wat ik u wil toevertrouwen."

Eudoxia beloofde dit, maar zij wilde geen eed afleggen. "Ja, ja, neen, neen," was volgens het gebod des Heeren de beste eed voor een christen. Maar Maria klemde zich aan haar vast, streek haar over de magere wangen, en verzekerde haar ten laatste niet te kunnen spreken, wanneer Eudoxia haar zin niet deed. Aan deze lieflijke vleierij kon de Griekin op dit uur geen weerstand bieden; zij duldde het dat Maria over hare zooveel oudere hand beschikte, en deze op den bijbel legde. Toen dit eenmaal geschied was, deed Eudoxia ook verder wat zij verlangde, en legde, hoewel gedwongen en met een levendig hoofdschudden, den eed af, die hare kweekelinge haar voorschreef. Daarop liet de opvoedster zich als uitgeput en verschrikt over hare eigene zwakheid op den divan neer, en de kleine maakte van hare overwinning gebruik, door dadelijk bij hare voeten neer te hurken en haar alles te vertellen wat zij wist van Paula en de gevaren, die haar en Orion bedreigden. Wetende sedert lang, hoe hoog de jonkman bij de Griekin stond aangeschreven, was zij daarbij slim genoeg, om het gevaar, waarin deze verkeerde, met levendige kleuren af te schilderen.

Tot hiertoe had Eudoxia niet opgehouden hare lokken te streelen en met alles wat zij zeide in te stemmen; maar toen zij hoorde dat Maria voornemens was zelve het werk van een bode op zich te nemen, stond zij onthutst op en verklaarde ten stelligste, dat zij zulk een waagstuk, zulk eene onzalige dwaasheid nooit kon goedkeuren.