De nijlbruid

Part 51

Chapter 513,967 wordsPublic domain

"Tot onzen Vader in den hemel," zoo ging de redenaar voort, "tot onzen goddelijken Heiland en zijne heilige kerk hebben wij als christenen allereerst ons gewend, om ons te helpen, en ik vraag u: heeft het ontbroken aan gebeden, aan kerkgangen, aan processiën, aan wijgeschenken? Neen, neen, mijne lieve medeburgers en burgeressen! Ieder uwer is mijn getuige--zeker niet!--Maar de hemel heeft zich blind en doof en stom getoond voor onze woorden, ja als verlamd... Neen, niet als verlamd; want hij is krachtig en haastig genoeg in de weer, om nieuw leed te voegen bij het oude. Wat menschelijke voorzichtigheid en verstand bedenken en in het werk stellen kan, daarvan is ook niets onbeproefd gelaten. De oude kunsten van toovenaars en magiërs en alchymisten, die menigmaal doel troffen, om de macht van booze geesten te breken, ook deze zijn gebleken bedriegelijk en onmachtig te zijn. Toen dachten wij aan onze groote, beroemde vaderen en voorvaderen, en wij herinnerden ons dat in ons midden een man leeft, die veel weet wat voor anderen verloren is gegaan in den loop der tijden. De wijsheid der voorvaderen heeft hij gedurende een langdurig leven zich eigen gemaakt, door dag en nacht rusteloos te arbeiden. Hij bezit den sleutel tot het schrift en de geheimen der ouden, en hij heeft ons medegedeeld van welk redmiddel de voorvaderen gebruik maakten, wanneer een dergelijk onheil hen bezocht zooals ons in deze gruwzame dagen. De grijsaard hier aan mijne zijde, de wijze en verstandige Horus Apollon, heeft ons dit geopenbaard. Ziet die eenvoudige rollen in zijne hand! Zij leeren ons, welk een wonder dat middel in vroeger tijd heeft uitgewerkt."

Hier belette een Memphiet den redenaar voort te gaan, door uit te roepen: "Heil Horus Apollon, onzen redder!" waarop duizenden hem navolgden en den oude hun bijval en dank te kennen gaven door luid geschreeuw. Deze boog bescheiden, wees op zijne smalle borst en zijne ingevallen mond en gaf dan door teekenen te verstaan, dat het stadshoofd de man was, die op zich had genomen het volk zijn raad mede te deelen.

Daarop ging Alexander aldus voort: "Groote gunsten, medeburgers en vrienden, zijn alleen voor groote gaven te koop. Dat wisten de ouden, en wanneer de stroom, waarvan, gelijk wij maar al te goed weten, het algemeen welzijn of de algemeene ellende hier te lande afhangt, niet wilde stijgen, en het uitblijven van het wassen onheilen na zich sleepte van allerlei aard, zoo brachten zij hem een offer, dat zij voor het edelste hielden van alles wat de aarde draagt: eene reine, schoone jonkvrouw. Wat wij verwacht hadden gebeurt: hiervan schrikt gij! Ik hoor u morren, zie uwe verbaasde gezichten, en hoe zou de ziel van een christen geen afschuw hebben van zulk een offer! Maar is het dan zoo vreemd? Hebben wij inderdaad ooit anders gehandeld? Wie van ons richt zijn gebed niet tot den heiligen Orion, hetzij tehuis, hetzij onder bijstand der priesters in de kerk, wanneer hij van onzen heerlijken stroom een gave verwacht? En dit jaar hebben wij, als altijd in den nacht van den druppel, onder gebeden tot hem een kistje met een menschelijken vinger in de golven geworpen [22]. Dit kleine offer moest het meer kostbare en grootere der heidenen vervangen; het werd gebracht en zijne noodzakelijkheid is nooit in twijfel getrokken, en ook de strengste en heiligste lichten der kerk, een Antonius en Athanasius, een Theophilus en Cyrillus, hebben niets daartegen weten in te brengen; onder hunne oogen is het jaar aan jaar aan de golven prijsgegeven. Een vinger in een kistje! Een armzalige plaatsvervanger voor het schoonste en reinste, dat God schiep onder de menschen. Kan het ons verwonderen, indien de heilige eindelijk dit jammerlijke vergoedingsmiddel versmaadt, afwijst en voor zijn Nijl eens weder begeert, wat hem vroeger ten deel viel?

"Maar zult gij vragen: welke moeder, welke vader is in onzen zelfzuchtigen tijd zoo gansch en al doordrongen van liefde voor zijn geboorteland, zijne gouw, zijne stad, dat hij zijn maagdelijke dochter voor het algemeen welzijn aan den dood in de golven zal overgeven? Welke dochter van ons volk zou bereid zijn voor het behoud van anderen, en voor haar eigen heil zonder tegenspraak uit dit leven te scheiden?--Doch maak u niet beangst! Vreest niet voor uwe aankomende meisjes in het vrouwenvertrek, die u lief zijn als uwe oogappels. Vreest niet voor uwe kleinkinderen, uwe zusters, uwe speelnooten, uwe bruiden! Reeds in de allervroegste tijden verbood eene strenge wet der vaderen, om menschen van Egyptisch bloed te offeren; het was enkel geoorloofd vreemden ten offer te brengen, of de zoodanigen die andere goden dienden dan de hunne. Datzelfde, medeburgers en geloofsgenooten, is ook u geoorloofd. Hoort nu aandachtig toe, gij allen! Schijnt het u niet toe als wenschte de voorzienigheid zelve ons te helpen, om eindelijk aan onzen gezegenden Nijl het offer te brengen, dat hem zoovele tientallen van jaren, ja zoovele eeuwen onthouden is? Ja, zij verlangt het, want dat offer is als door een wonder in handen gegeven. Heden hebben de rechters eene schoone, ongerepte jonkvrouw ter dood veroordeeld, om een misdrijf, dat haar niet verontreinigde. Zij is eene vreemdelinge, en bovendien eene Griekin, eene kettersche Melchietin.

"Dat grijpt u aan, dat wekt uwe zielen op tot dankbare vreugde, dat kan ik u aanzien. Maak u dan op, edele stroom, weldoener van dit land en dit volk, tot uw huwelijksfeest! De Jonkvrouw, de bruid, waarnaar gij verlangt, wij zullen haar voor u tooien, wij voeren haar in uwe armen, zij zal de uwe zijn!

"En gij, Memphieten, medeburgers, lotgenooten." en hierbij bukte de stadsoverste ver over het balkon naar de menigte, "wanneer ik u thans, om uwe toestemming bid, wanneer ik in naam van den senaat en van dezen grijsaard u vraag...."

Het geweldig ten hemel stijgend gejubel der verzamelde menigte belette den spreker verder te gaan en duizend stemmen riepen: "In den Nijl met de jonkvrouw!"--"De Melchietin wordt aan den stroom uitgehuwelijkt! Kransen voor den Nijlbruid, bloemen voor haar bruiloftsfeest!"--"Volgen wij de lessen der vaderen!"--"Heil den raadsman, heil den wijzen Horus Apollon. Heil onzen stadsoverste!"

Zoo schreeuwde en riep men vroolijk en met geestdrift door elkander. Alleen aan de noordzijde van de markt, waar de ledige tafels van de wisselaars stonden, die hun goud en zilver reeds lang in veiligheid hadden gebracht, verhief zich een afkeurend en dreigend gemompel.

De ademhaling van het kind, dat op den schouder van den Pers zat, was reeds lang zwaarder geworden. Het meende te weten wie die duivels hadden uitverkoren tot het schandelijk heidensch offer, en toen Maria zich neerboog tot vrouw Johanna, om zich te overtuigen of deze het afgrijselijk vermoeden deelde, zag zij de oogen van de weduwe en hare dochter in tranen baden. Zij wist genoeg en vroeg niet verder, want eene nieuwe gebeurtenis trok onverdeeld hare aandacht. Bij de tafels der wisselaars werd eene hand met een crucifix omhoog gestoken, en het kind zag, hoe zij zich met kracht en geregeld voortbewoog in de richting van de kurie. De menigte maakte plaats voor een persoon en het heilig teeken dat hij droeg, en het was Maria, als week het gedrang voor het voorwaartsgaande beeld van den gekruisigde naar beide zijden als de baren van de Schelfzee voor het vluchtende volk Gods.

Het gemompel aan de noordzijde van de markt werd sterker, het gejubel der menigte verloor in kracht, iedere stem scheen weg te sterven en nu besteeg een klein, gezet man, met eene edele, eerbiedwaardige houding, in bisschoppelijk gewaad, de treden van de trap en verdween eindelijk in het raadhuis. Op den vloed van zoo even volgde de ebbe, het geschreeuw veranderde in een ontevreden, vragend geprevel, en ook dat verstomde, toen de kleine man, die groot scheen door het crucifix dat hij omhoog hield, op het balkon verscheen, de borstwering naderde, en den arm met het beeld van den gekruisigde zoover mogelijk uitstrekte over de voorste rijen van het volk.

Daar ging de oude Horus Apollon met van toorn fonkelende oogen naar het hoofd der stad, en vorderde van dezen, dat hij den indringer het woord zou ontnemen. Doch de purperverver was door het indrukwekkend oog van den kleinen man getroffen, en met gebogen hoofd liet hij den bisschop begaan. Ook geen der bouleuten waagde het hem den weg te versperren, want ieder kende den vurigen, standvastigen, geleerden presbyter, die sedert gisteren de plaats had ingenomen van den gestorven bisschop Plotinos. Thans riep de nieuwe zielenherder, zoo luid hij kon, zijne weerspannige kudde het volgende toe:

"Ziet dezen gekruisigden en hoort zijn dienaar! Gij smacht naar het heil van Christus en gij wilt heidensche gruwelen bedrijven! Dat afgodisch gejubel, waardoor ik mij een weg baande tot uwe ooren, zal in jammergehuil veranderen, wanneer gij ze toestopt en doof maakt voor de woorden van zaligheid.

"Ja gij moogt morren! Mij zult gij toch niet tot zwijgen brengen, want uit mij spreekt de waarheid, die nooit verstomt! Voor ieder, die het nog niet weet, zij hier gezegd: de kromstaf van de gestorven Plotinos werd aan mij overgedragen. Ik wil dien gebruiken met zachtmoedigheid en goedheid, doch als het zijn moet, zal ik hem zwaaien als een zwaard en een geesel, tot gij uit wonden bloedt en uwe builen wrijft. Ziehier het beeld van uw verlosser in mijne rechterhand. Ik richt het op als een muur tusschen u en de heidensche gruweldaad, die gij in uwe verblinding hebt toegejuicht.

"Gij waanzinnigen en afvalligen! De harten omhoog en opgezien tot hem, die aan het kruis gestorven is, om u te redden. Waarlijk hij laat hen niet vergaan, die aan hem gelooven. Maar gij, waar is uw geloof? Omdat het nacht werd, huilt gij: 'het licht is uitgegaan!' Omdat gij krank zijt, meent gij: 'De arts kan niet helpen!' Welk eene lastertaal heb ik hier gehoord! 'De Heer', heet het 'is onmachtig, alsook zijne kerk! Tooverij, magie, eene heidensche gruweldaad moet ons redden?' Maar juist omdat gij niet op den waren redder en verlosser hoopt, maar op eene heidensche gruweldaad, op magie en tooverij, worden de straffen op gehoopt over uwe hoofden, en zoo zal het voortgaan--dat zie ik aankomen--tot gij geheel in het slijk verstikt en smachtend zoekt naar de eenige hand, die u oprichten kan. Datgene waarmede verblinde menschenkinderen beloven u van de ellende te redden, dat, dat is juist de bron van uw lijden, en hier sta ik, om deze bron te verstoppen en de bedding harer wateren af te graven. Gij wildet Moloch's dienaars worden en ik hoop u weder tot Christenen te maken. De jonkvrouw, die uwe woede in de diepte van den stroom wil storten, haar maakt de verheven kerk in hare barmhartigheid tot hare beschermelinge, want met haar lichamelijken dood brengt gij over u den dood uwer zielen. De heilige Orion keert met afschuw het gelaat van u af. Weg, weg met dat onzalige offer, weg van u die onzinnige wensch, en de handen die den tempel ontheiligen!"

"Legt die handen in den schoot, wringt ze samen in den gebede tot bloedens toe, tot ellende en pest de laatste van u ten grave heeft gesleept!" riep op eens de fijne, schrille stem van den grijsaard, die aan alle zijden werd gehoord. En ontelbaren uit de menigte op de markt gaven door luid geschreeuw hunne instemming te kennen.

De overste der stad, die tot hiertoe berouwvol en met gebogen hoofd den bisschop had aangehoord, kwam weder tot bezinning en riep in geestvervoering uit: "Het volk sterft, stad en land gaan te gronde, pest en verderf stijgen op uit den stroom. Toon ons een anderen weg tot redding, of laat ons den raad der vaderen volgen en dit laatste middel beproeven!"

Doch de kleine man richtte zich ernstig op in al zijne lengte, wees met zijne linkerhand op het crucifix en zeide met onverstoorbare kalmte: "Gelooft, hoopt, bidt!"

"Is dit dan niet geschied?" riep de stadsoverste weder uit.

"Maar u heeft geene stervende vrouw met gebroken oogen, u heeft geen reutelend kind..."

Thans verhief zich van beneden een nieuw gebrul, veel krachtiger en wilder dan te voren. Ieder wien de dood in huis had bezocht en in het hart had gegrepen, wiens tuinen en akkers verdord waren, wiens dadels stuk voor stuk van de boomen waren gevallen, verhief zijne stem en schreeuwde: "Het offer, het offer!"--"In den stroom met de jonkvrouw!"--"Heil onze redders, heil den wijzen Horus Apollon!"

Doch anderen riepen daartusschen: "Laat ons christenen blijven!"--"Heil den bisschop Johannes!"--"Ons eeuwig heil!"

Intusschen trachtte de prelaat opnieuw de aandacht van het volk tot zich te trekken, en daar hem dit niet gelukte, wendde hij zich andermaal tot den overste der stad, de bouleuten, de tubablazers, en eindelijk wist hij de laatsten te bewegen, een en andermaal en telkens luider de bazuinen te doen spreken. Doch ook dit geschal bleef zonder uitwerking, want op de markt waren enkele groepen handgemeen geraakt, en het geschreeuw en de strijd dreigde in een bloedig straatgevecht te ontaarden.

Beschut door den Masdakiet was het der vrouwen gelukt de markt te verlaten voor Arabische ruiters kwamen aandraven, om de strijdende menigte uit elkaar te jagen. Op het raadhuis verklaarde de bisschop Johannes aan de senatoren der stad, dat hij niets onbeproefd zou laten, om het onmenschelijk en onchristelijk offer eener jonkvrouw te verhinderen, al was zij een Melchietin en ter dood veroordeeld; heden nog zou hij eene duif met een brief naar den patriarch in Opper-Egypte zenden, ten einde diens beslissing te vragen. Toen Horus Apollon hierop terstond antwoordde, dat de vertegenwoordiger van den Kalief zijne toestemming tot het offer had gegeven, en dat men ook tegen den wil van de geestelijkheid aan den ondergang van het volk een einde zou maken, vloog de bisschop heftig op, en bedreigde allen die dit afschuwelijk plan hadden uitgedacht, met den vloek der kerk. Doch de grijsaard verzette zich wederom tegen hem met vurige welsprekendheid, de vertwijfelende bouleuten kozen zijne partij, en ten hoogste verstoord verliet de bisschop het raadhuis.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Voor de stille weduwe van Rufinus, die zich verre hield van het gewoel der samenleving, was er niets onverdragelijkers dan zulk eene volksoploop. De ontbonden hartstochten, het gejoel en de geringere volksklasse, waarmede men daarbij in aanraking kwam, kwetsten haar teeder gevoel, en bij de toespraak van den grijsaard had haar maar eene gedachte bezield, namelijk die van zoo spoedig mogelijk uit het gedrang te komen. Doch zoodra zij de zekerheid had gekregen, dat Paula de ongelukkige was, die haar vreeselijke huisgenoot aan het bijgeloof der menigte wilde prijsgeven, dacht zij niet meer aan terugkeeren, maar hield het zoolang mogelijk onder de volksmenigte uit, en liet zich eindelijk met de beide meisjes door Rustem naar de gevangenis brengen, ofschoon de weg daarheen door de drukste straten leidde. Was de tijding van het onuitsprekelijk verschrikkelijke, dat Paula bedreigde, reeds door de kerkermuren tot haar oor doorgedrongen, of zou het haar, Johanna nog vergund zijn de jonkvrouw, die door het noodlottig doodvonnis over haar geveld tot de uiterste wanhoop moest worden gebracht, daarop voor te bereiden en te troosten?

De gevangenbewaarder had gisteren haar wensch om Paula te zien zonder tegenspraak, ja gaarne ingewilligd, want de kadhi had hem bevolen haar evenals Orion met alle onderscheiding te behandelen, maar de bedreigingen van den Wekil noodzaakten hem vrouw Johanna thans af te wijzen. Terwijl hij echter met haar sprak, stak zijn kleine zoontje, waarmede Pulcheria reeds gisteren op hare aardige wijze gespeeld had, haar weder de handjes toe, zij nam het kindje op den arm, kuste het en bewees daarmede een weldaad aan drie harten tegelijk, en wel het meest aan de jonge moeder van het kind. Deze trok zich nu de vrouwen aan en wist haar man te bewegen, haar ook thans niet onverrichter zaken weg te zenden. De aardige Emau had onder de palmen bij de herberg harer ouders den levenslustigen Orion veel liever dan menig ander gast bediend, en haar man, die zijne wederhelft op echt Egyptische manier gehoorzaamde en tot hiertoe niet vrij van jaloezie was geweest, bewees den zoon van zijn weldoener nog blijmoediger elken dienst, sedert hij wist dat de schoone Damasceensche zijne bruid was.

In de groote zalen der misdadigers ging het heden, als altijd wanneer de rechters een doodsoordeel geveld hadden, bijzonder onstuimig toe, en de vrouwen sidderden, toen zij die ongelukkigen luide hooren juichen en brullen. Van al die schrille kreten kon niemand zeggen of zij haar oorsprong hadden te danken aan wilden overmoed dan aan gruwzame smart, en er was voor dit ontzettend geweld geen passender begeleiding te bedenken dan het gerammel der ketenen. Toen de vrouwen eindelijk aan Paula's cel waren gekomen, klopte haar hart zeer onrustig, want achter de deur die de wachter opende, moesten zij doodsangst en vertwijfeling vinden.

De gevangene stond aan het venster, drukte het voorhoofd tegen het ijzeren traliewerk en luisterde in het donker naar het luitspel van den geliefde, dat te midden van het gejoel der misdadigers klonk als klokgelui onder storm en onweer. Naast hare eenvoudige legerstede zat de voedster op een bankje en sliep met het spinrokken in haar schoot, en noch zij noch hare meesteres werden de binnentredenden gewaar. Een armzalig lampje verlichtte het kleine vertrek.

Maria wilde naar hare vriendin toevliegen, doch vrouw Johanna hield haar terug en riep Paula teeder, maar zacht bij den naam. Doch zij kreeg geen gehoor; zeker hielden smart en doodsangst de ziel van de veroordeelde gevangen. Nu verhief de weduwe haar stem luider en ditmaal keerde de ongelukkige zich om en slaakte tegelijk een kreet van blijdschap, ijlde naar de trouwe vriendinnen toe, die haar ook in den kerker wisten te vinden, en omhelsde eerst de weduwe, vervolgens Pulcheria en eindelijk het meisje met opgewekte teederheid. Toen vrouw Johanna haar hoofd tusschen de beide handen nam, om haar te kussen en te zien of het leed en de vrees voor den dood hare schoone trekken hadden veranderd, kwam er een zachte kreet van verwondering over hare lippen, want in plaats van een bleek en pijnlijk, zag zij een blijmoedig, rustig gelaat voor zich waaruit twee groote oogen haar helder en dankbaar aankeken.

Had men haar nog verzwegen, wat haar boven het hoofd hing? Maar neen, want zij begon dadelijk met de vraag, of de vriendinnen reeds van hare veroordeeling gehoord hadden? Zij vertelde nu, hoe het haar voor de rechters gegaan was, en hoe de vriend en pleegvader van haren goeden Philippus plotseling op onverklaarbare wijze als een verbitterd vijand tegen haar was opgestaan. De anderen konden nu hare tranen niet meer bedwingen, doch Paula troostte en bemoedigde haar en deelde haar mede, dat zij in den kadhi een vaderlijk vriend had gevonden, die haar beloofd had den Kalief genade voor haar te vragen.

Bij dit alles wist vrouw Johanna nauwelijks hoe zij zich bedaard zou houden. Dit meisje en hare heldenmoed onder zulk een onheil waren haar als een wonder. Heerlijk vertrouwen! Doch hoe gemakkelijk kon het bedrogen uitkomen, hoe onzeker was de grond, waarin zij het anker harer hoop had geslagen. Zelfs Maria scheen meer bezorgd dan de vriendin, en wierp zich weenende aan hare borst. En Paula beantwoordde hare teederheid, zocht Pulcheria gerust te stellen aangaande de schandelijke handelwijze van haar nieuwen grijzen huisgenoot en lachte de weduwe vriendelijk toe, toen deze haar vroeg, vanwaar zij die zelfbeheersching had onder zulk een groot ongeluk, zeggende, dat juist Johanna's voorbeeld haar geleerd had, het zwaarste geduldig te dragen. Zelfs in deze sombere uren vond zij meer stof tot danken dan tot klagen, ja een heerlijk geluk was er uit voortgekomen. Johanna en de meisjes herinnerden zich nu eerst dat zij bruid was, en wederom omhelsden zij elkander.

Daar klopte de bewaarder, waarop Paula zich bezon en fluisterend zeide: "Ik heb Orion iets te overhandigen, wat ik aan vreemde handen niet kan toevertrouwen; thans heb ik u, Maria, gij moet het hem overbrengen."

Daarop haalde zij den smaragd te voorschijn, gaf dien aan de kleine en droeg haar op dit kleinood haar oom te overhandigen, zoodra zij met hem alleen zou zijn. In het briefje, dat het juweel omgaf, verzocht zij den verloofde dit als zijn eigendom te beschouwen en daarmede de vordering van de kerk te voldoen.

De bewaarder was gemakkelijk over te halen, om het kind bij zijn oom te brengen. Hoe vroolijk en gelukkig vloog Maria hem vooruit, naar Orion toe, hoe groot was diens blijdschap, toen hij haar wederzag, en hoe dankbaar bracht hij dien smaragd aan zijne lippen! Maar toen zij haar oom toeriep, dat hare voorspelling nu toch uitkwam en Paula de zijne zou worden, rimpelde zich zijn voorhoofd, en in hoogen ernst uitte hij voor het kind de klacht, dat hij wat hem het liefst was op aarde wel gewonnen had, maar om het weder te verliezen.

"Doch de kadhi is uw vriend, en zal den Kalief genade vragen voor u beiden!" zeide de kleine.

"Maar daarentegen treedt plotseling een nieuwen vijand tegen ons op--Horus Apollon!"

"O, onze oude!" zeide het kind, tandenknarsend. "O, als gij eens wist, Orion! En dan onder éen dak met hem te wonen!"

"Gij?" vroeg de jonkman verbaasd.

"Ja, ik en Pul en moeder Johanna!" En nu vertelde Maria, hoe de oude in huis was gekomen. Door allerlei zinspelingen kwam Orion op het vermoeden, dat er iets gewichtigs voor hem verzwegen werd, en het kind kon eindelijk niet nalaten hem alles te openbaren, wat het gezien en gehoord had.

Thans kon hij niet langer rustig en bedaard blijven. Buiten zichzelven van toorn riep hij zijn geliefde bij haar naam en in hartstochtelijke woorden gaf hij zijn verlangen te kennen naar den terugkeer van den veldheer Amr, den eenigen man, die in dezen nood helpen kon. Op hem alleen was zijne hoop gebouwd. Hij had zich als een tweede vader jegens hem gedragen, en hem een moeielijk maar heerlijk vraagstuk voorgelegd.

"Waaraan gij u geheel en al gewijd hebt!" zeide het kind.

"Reeds op de reis," antwoordde Orion, "heb ik alles overwogen. Gisteren heb ik beproefd het eerste neder te schrijven, maar mij ontbrak het daarbij aan het voornaamste: de kaarten en de lijsten! Nilus heeft dat alles bij elkander gepakt, ik zou het hebben medegenomen op de vaart met de nonnen, en ik heb bevolen de documenten in het huis van Rufinus..."

"Om het bij ons te brengen?" viel het kind in, met van vreugde stralende oogen. "O, het is daar! Ik heb de geschriften zelf gezien, toen de kist werd leeg gemaakt voor den oude. Morgen, morgen vroeg zult gij alles hebben!"

Orion kuste het kind blijde en snel op het voorhoofd, sloeg vervolgens met zijne vuist tegen den wand zijner cel en zeide, nadat aan de andere zijde met knarsend geluid iets verschoven was: "Goede tijding, Nilus! De plannen en de lijsten zijn er weer; morgen heb ik ze!"

"Voortreffelijk!" antwoordde de droge stem van den rentmeester uit het aangrenzend vertrek. "Wij kunnen wel wat vertroostends gebruiken. Zoo even kreeg ik tot gezelschap iemand, die bij een oploop op de markt zich aan een Arabische ruiter vergrepen heeft. Deze vertelt ontzettende dingen!"

"Die mijne verloofde betreffen?"

"Helaas ja, heer!"

"Dan ben ik reeds op de hoogte," antwoordde de jonkman.

Nadat Orion en de rentmeester nog eenige woorden gewisseld hadden over het dolzinnige plan van den oude, ging Nilus aldus voort: "Mijn celgenoot vertelt ook dat de Arabieren, terwijl hij op hun wachtpost werd vastgehouden, gesproken hadden over een bode van den veldheer, die bericht gaf van diens aankomst te Medina, en bovendien, dat hij daar maar korten tijd dacht te vertoeven. Hij zou dus niet lang meer op zich laten wachten."

"Hij is dus reeds lang weg vóor de bode van den kadhi daar kan aankomen, om den Kalief het verzoek om genade te overhandigen. Op Amr, op hem alleen mogen wij hopen, en indien hij onderweg op de hoogte gebracht kon worden..."