Part 50
"Hij heeft onze verbintenis op zijn sterfbed gezegend," riep Orion hem toe, zonder hem te laten uitspreken.
"Heeft hij?" vroeg een ander Jacobiet met bitteren hoon. "Dan is de patriarch in zijn recht geweest, toen hij de geestelijkheid verbood zijn lijk te begeleiden. Moet men oud worden, om getuige te zijn van zulke schandalen?"
Deze woorden waren voor de ooren der twee gelukkigen als krekelgezang; zij gevoelden, zij bedachten alleen, wat deze zalige oogenblikken hun hadden geschonken, en vermoedden niet dat Paulas blijmoedige bekentenis hun doodvonnis inhield.
De toorn der Jacobieten bespoedigde van nu aan den gang van het rechtsgeding. Met welsprekendheid stelde de aanklager onder de Arabieren in het licht, aan hoevele muzelmannen de redding van de nonnen het leven had gekost, en hij las nogmaals den brief van Orion voor. Zijn christelijke ambtsbroeder trachtte te bewijzen, dat dit schrijven alleen betrekking kon hebben op de zoo listig in het werk gestelde vlucht der zusters, en nu deed zich iets nieuws voor, dat niemand had verwacht en een beslissenden invloed had op de verdere behandeling; de grijsaard viel den kadhi in de rede, om eene verklaring af te leggen.
Paula's vertrouwen, dat door de laatste sprekers geschokt was, begon weer te herleven; want zij hield zich zeker overtuigd dat de beproefde vriend en pleegvader van haar trouwen Philippus voor haar in de bres zou springen. Doch wat was dat?
Met een blik, welks vijandige gezindheid haar door merg en been drong, nam de oude haar hooge gestalte op en zeide daarop langzaam: "In den morgen, die volgde op de vlucht der nonnen, is de aangeklaagde in het Caecilia-klooster geweest en heeft daar de klok geluid. Weerspreek mij, trotsche dochter van een prefect, zoo gij kunt; doch laat mij u bij voorbaat zeggen, dat gij in dit geval mij dwingt tot nieuwe aanklachten."
Het meisje, door ontzetting aangegrepen, zag in hare verbeelding de weduwe van Rufinus en Pulcheria naast zich voor de rechters op de bank der arme zondaars zitten, zij voelde, dat zij met tegen te spreken de vrienden met zich in het verderf zou sleuren, en daarom bevestigde zij met bevende lippen de uitspraak van den grijsaard.
"En om welke reden hebt gij de klok geluid?" vroeg de kadhi.
"Om hen te dienen," antwoordde Paula, "die mijne geloofsgenooten zijn en die ik liefheb."
"Als aanlegster van eene als hoog verraad gebrandmerkte onderneming, die droop van bloed," riep de Wekil, "en met geen ander doel dan om ons, de beheerschers des lands, te misleiden."
Doch de kadhi gelastte hem te zwijgen en gaf het woord aan haar Jacobietischen advocaat. Deze had in de vroegte met haar gesproken en trad nu op Egyptische manier met een verdedigingsschrift voor haar op. Doch dit matte knutselwerk deed geen uitwerking, en hoewel de kadhi alles op den voorgrond stelde, wat tot hare rechtvaardiging kon strekken, werd toch het schuldig over haar uitgesproken.
Maar kon haar misdrijf met den dood gestraft worden? Het was uitgemaakt, dat zij bij de redding der nonnen de hand in het spel had gehad, doch niet minder zeker was het te bewijzen, dat zij gedurende den strijd op den Nijlarm ver van de zusters en hare verdedigers was geweest. Zij was toch eene vrouw, en hoe vergeeflijk scheen het, dat een vroom meisje geliefde geloofsgenooten bijstond, om de vervolging te ontgaan. De kadhi Othman bracht dit alles met welsprekendheid in het midden, en beval den Wekil streng en ernstig rustig te blijven, toen hij van de bank der getuigen af voor de doodstraf trachtte te spreken; en de menschlievende overredingskracht van den zachtmoedigen rechter won de harten der meeste muzelmannen. Paula's persoon maakte een machtigen indruk op hen, en niet minder de omstandigheid, dat hun dapperste en edelste vijand de vader van de aangeklaagde was geweest. Toen het eindelijk tot eene stemming kwam, geschiedde wat ongehoord mocht heeten, dat namelijk alle geloofsgenooten van de aangeklaagde, dat de Jacobietische christenen eenstemmig haar dood eischten, terwijl van de ongeloovigen onder de rechters maar éen met dit strenge vonnis instemde.
Het oordeel was geveld, en toen de Wekil Obada Orion voorbijkwam, die bleek en bijna buiten zichzelven in zijne cel teruggebracht werd, riep hij hem spottend toe in gebroken Grieksch: "Morgen komt de beurt aan u, zoon van den Mukaukas!"
Daar zweefde Orion het antwoord op de lippen: "Ook aan u komt ze, zoon van een slaaf!" Doch Paula stond tegenover hem en om hare vijand niet nog meer te verbitteren, gelukte hem thans, wat hem vroeger niet mogelijk zou zijn geweest. Zonder een woord te antwoorden, liet hij den Wekil en Horus Apollon voorbijgaan.
Zoodra de deur zich achter deze twee gesloten had, knikte de kadhi Orion met welgevallen toe en zeide: "Recht en wijs gehandeld, mijn vriend! De adelaar mag niet vergeten, dat het betaamt, zijne vleugels in de kooi anders uit te slaan dan tusschen de woestijn en den hemel."--Daarop gaf hij de wachters een wenk hem weg te leiden en hield zich op een afstand, toen de jonkman zijne bruid met hand en oogen een afscheidsgroet toewenkte.
Eindelijk ging de kadhi naar Paula toe, wier van heldenmoed getuigende kalmte bij de verkondiging van het doodvonnis zijne bewondering had gewekt, en zeide: "Het gerecht heeft in uw nadeel beslist, edele jonkvrouw, maar boven zijne uitspraak staat de genade van onzen heer, den Kalief en die van den barmhartigen God. Richt gij uw gebed tot Hem, tot genen zal ik met eenige vrienden mij wenden." Bescheiden sloeg hij hare dankbaarheid af, en toen men ook haar had weggebracht, riep hij de vrienden, die op hem wachten, in de beeldrijke taal van zijn volk toe: "Het hart doet mij pijn! Zulk een oordeel uit te spreken drukt neer als een gewicht van honderd pond; maar het kan niet zwaarder vallen den ganschen aardbol te torschen dan een Obada tot geloofsgenoot te hebben en hem te moeten gehoorzamen."
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Nauwelijks had de raadselachtige oude de rechtzaal met den Wekil verlaten, of hij verzocht dezen om een onderhoud. Onbeschaamd verdreef Obada nu den gevangenbewaarder met zijne vrouw en haar zuigeling uit hun vertrek, en liet zich hier door den grijsaard mededeelen welk een einde hij der ter dood veroordeelde had toegedacht. Het plan van den oude beviel den zwarte wel, doch het scheen hem in menig opzicht zoo gewaagd, dat het den grijsaard bezwaarlijk gelukt zou zijn hem er mede te doen instemmen, indien hij niet een gewichtige wederdienst had weten te noemen, dien hij Obada hoopte te kunnen bewijzen. Den Wekil moest er alles aan gelegen zijn stellig te kunnen volhouden, dat Orion de hand in het spel had gehad bij de vlucht der nonnen, en het toeval had den grijsaard een geschrift in handen gespeeld, dat dit boven alle bedenkingen scheen te verheffen.
Vroeg in de morgenkoelte was met zijne verhuizing naar de woning van Rufinus een begin gemaakt. Alleen de kostbaarste en gewichtigste schriftrollen waren tegelijk met hem overgebracht, en terwijl hij ze in een kleine lessenaar wegborg, dezelfde die Rufinus aan Paula in gebruik had gegeven, had Horus Apollon daarin het briefje gevonden, hetwelk de jonkman vluchtig had neergeschreven, toen hij, na lang te vergeefs gewacht te hebben op de geliefde, die met de kleine Maria bezig was, zich eindelijk gedwongen had gezien om heen te gaan, ten einde van den veldheer Amr afscheid te nemen. Dit wastafeltje waarvan het schrift sterk uitgewischt en ten deele geheel onleesbaar geworden was, moest de rechters van Orions schuld overtuigen, en zoo bezorgde de uitlevering van dit bewijsstuk den grijsaard de vergunning van Obada, om te bepalen op welke wijze de Damasceensche ter dood gebracht zou worden.
Toen beiden eindelijk de kamer van den gevangenbewaarder verlieten, wendde de zwarte zich nog eens tot dezen en snauwde hem toe, terwijl hij wees op zijne aardige vrouw met het kind aan hare borst, dat zij alle drie kinderen des doods zouden zijn, wanneer hij Orion veroorloofde zijne cel ook maar voor een oogenblik te verlaten. Hierop steeg hij te paard, terwijl de oude dadelijk naar de kurie reed, om den stadsoverste uit te noodigen heden avond eene zitting bijeen te roepen, waarna hij zijn nieuw verblijf opzocht. Daar vond hij zijne kamer zorgvuldig in schaduw gehouden en zoo koel, als het bij zulk eene hitte maar mogelijk was. Men had den grond met water besprenkeld, er stonden bloemen waar er maar eene geschikte plaats voor te vinden was, en de schriftrollen en andere voorwerpen, die voor hem gekomen waren, hadden reeds in kisten en kasten eene plaats gevonden. Nergens lag een stofje, overal snoof zijne neus behagelijk de heerlijkste geuren op.
Wel had hij een goeden ruil gedaan. In zijn gewonen, ouden leuningstoel gezeten wreef hij zich met welbehagen de magere handen, en toen de kleine Maria verscheen, om hem aan tafel te noodigen, had hij er plezier in met haar te gekscheren. Pulcheria moest hem uit het viridarium naar de eetkamer geleiden, en aan tafel liet hij het zich goed smaken. Zijn vaal, verschrompeld gelaat begon er werkelijk schooner uit te zien, terwijl hij zijn oog liet gaan over zijne vrouwelijke huisgenooten, waarvan alleen de Griekin Eudoxia ontbrak, omdat eene lichte ongesteldheid haar had doen besluiten op hare kamer te blijven. Hij had voor ieder een vriendelijk woord; opgeruimd en zonder het gevoel van dankbaarheid, dat hem vervulde, te verbergen, vergeleek hij zijn vroegeren toestand met den tegenwoordigen, en schilderde hij, met een ondeugenden blik op Pulcheria, hoe heerlijk het zijn zou als Philippus terugkeerde, om hen allen te zamen tot een echt en wezenlijk gesternte te maken; want iedere Egyptische ster had vijf stralen; de ouden hadden nooit eene andere gekend of in steen gegraveerd, ja zich van het sterreteeken zelfs bediend, om het getal vijf te schrijven.
"Maar dan," riep Maria, "dan zijn wij zoo ik hoop een ster met zes stralen, want dan is de arme Paula toch stellig ook weer bij ons."
"God geve het," zeide vrouw Johanna met een zucht.
Pulcheria vroeg den ouden man wat hem scheelde, want opeens veranderde zijn gelaat. De vroolijkheid van zooeven was verdwenen; de haarstoppels boven de oogen staken omhoog, en de saamgetrokken lippen bewogen zich krampachtig, toen hij eindelijk knorrig antwoordde: "Mij scheelt niets.. Intusschen, ik zeg u eens en voor altijd: deze naam stuit mij tegen de borst."
"Paula?" vroeg Maria verbaasd. "O, als gij wist..."
"Ik weet meer dan genoeg," haastte de grijsaard zich te zeggen.
"Gij zijt mij allen lief, ja gij allen; mijn oude hart gaat open in uw midden. Het bevalt mij bij u, ik houd veel van u, ik ben u dankbaar, elke vriendschapsdienst dien gij mij bewijst, doet mij goed, want die komt uit het hart. Kon ik alles maar spoedig en rijkelijk vergelden, het zou mij van vreugde verjongen! Gij moogt het gelooven, en ik zie u aan dat gij het doet. Doch," en nu trokken zich de wenkbrauwen weder samen, "doch wanneer ik dezen naam hoor noemen, en wanneer gij beproeft mij voor die vrouw te winnen, of mij met haar lof aan het hoofd te malen, dan, hoeveel leed ik hiermede ook mijzelven zou aandoen, dan ga ik terug naar de plaats vanwaar ik gekomen ben."
"Maar Horus, Horus! wat is dat?" riep vrouw Johanna ontsteld.
"Dat is," barstte de oude los, "dat zich alles in haar belichaamt wat ik in haar stand veracht en haat. Dat is, dat zij een koud, verraderlijk hart in de borst draagt, dat zij mij dagen en nachten heeft gekweld, in 't kort, dat ik liever verdoemd wilde zijn, om met klamme salamanders en koude slangen onder éen dak te leven...."
"Als met haar, als met Paula?" zeide Maria opeens, en daarbij vloog het levendige meisje op, hare oogen vonkelden en hare stem trilde van verontwaardiging, toen zij voortging: "En dat zegt gij niet alleen, dat meent gij in ernst? Is dat mogelijk?"
"Niet alleen mogelijk, maar zeker, klein hartediefje." hernam de oude, de hand naar haar uitstekende.
Maar zij week voor hem achteruit en zeide heftig: "Ik wil uw hartediefje niet zijn, wanneer gij zoo over haar spreekt. Wie zoo oud is als gij, moest rechtvaardig zijn! Gij kent haar niet, en wat gij van haar hart gezegd hebt..."
"Wees bedaard, meisje," zeide de weduwe.
De oude antwoordde echter met bijzonderen nadruk. "Dit hart, jonge wildzang, zal goed en nuttig zijn voor ons en allen, wanneer wij er niet meer aan denken, in goeden zoo min als in kwaden zin. Men heeft heden over haar recht gesproken en dit hart tot stilstand veroordeeld."
"Veroordeeld? Barmhartige hemel!" riep Pulcheria; en terwijl zij daarbij opvloog, zeide hare moeder: "Om Gods wil zwijg! Het is zonde met zulke dingen te spotten. Is het waar, is het mogelijk! Deze ellendigen, deze.... O, ik zie het u aan, het is zoo, ze hebben Paula veroordeeld."
"Gij zegt het," antwoordde Horus koel. "De Damasceensche zal terechtgesteld worden."
"En dat, dat zegt gij eerst nu?" zeide Pulcheria snikkende.
"En gij," voer Maria uit, "gij hebt daarbij kunnen schertsen en lachen. Gij hebt... Schande over u! Wanneer ge niet zoo'n zwakke stokoude grijsaard waart..."
Vrouw Johanna bracht andermaal het kind tot bedaren en vroeg, onder een vloed van tranen: "Men wil haar terechtstellen, haar onthoofden? Is er dan voor haar, die van dien onzaligen strijd even ver verwijderd is gebleven als wij, voor haar, de dochter van Thomas, geen genade?"
"Wacht maar, wacht!" antwoordde de grijsaard. "Wellicht heeft de hemel haar uitverkoren voor groote dingen. Zij kan bestemd zijn, om door haar dood een geheel land en volk te redden. Het zou toch mogelijk zijn..."
"Spreek duidelijk uit, wat gij op het hart hebt; ik huiver voor die orakelen," viel de weduwe hem in de rede.
Doch hij haalde de schouders op en zeide gelaten: "Wat wij vermoeden, weten wij daarom nog niet. De hemel heeft hier te beslissen. Wel ons allen: mij, haar, u, Pulcheria en ook den afwezigen Philippus, wanneer de godheid haar tot werktuig kiest! Maar wie vermag in het duister te zien? Als het u rust kan geven, Johanna, weet dan, dat de teerhartige kadhi en met hem zijne Arabische mederechters reeds uit haat tegen den Wekil, die ze allen in geest en wilskracht overtreft, niets onbeproefd zullen laten...."
"Om haar te redden?" haastte de weduwe zich te vragen.
"Morgen houden zij raad, of er een bode met eene bede om genade naar Medina gezonden zal worden," ging Horus Apollon met een hatelijk lachje voort. "Overmorgen krijgen zij geschil over de vraag, wie die bode zijn zal, en voor hij een voet in Arabië zet, is het lot van de veroordeelde beslist. De Wekil Obada rijdt sneller dan hij en deze heeft alle macht in handen, zoolang Amr ver van Egypte is. Men zegt, dat hij den stadhouderszoon niet luchten of zien kan, en om zijnentwil--wie weet het?--kan de Damasceensche als zijne bruid..."
"Zijne bruid?"
"Voor de rechters heeft zijzelve zich zoo genoemd en zichzelve gelukgewenscht als zijne verloofde."
"Paula en Orion?" juichte Pulcheria onder hare tranen, en klapte blijmoedig in de handen.
"Zij beiden," hernam de oude. "Gij hebt reden, om u te verheugen, mijn meisje. Wat hebt gijlieden toch teergevoelige harten! Let op de ervaring van den oude en zegent het lot, wanneer dit het paard verlamt van den bode des kadhis! Doch gij wilt niets hooren, wat als orakeltaal klinkt, en het is ook beter over iets anders te spreken..."
"Neen, neen," smeekte Johanna. "Waaraan zouden wij kunnen denken dan aan haar en hetgeen haar boven het hoofd hangt. O Horus, ik herken u niet meer. Wat heeft u dat arme, ons zoo dierbare, voortreffelijke meisje, dat door zulk een bitter ongeluk vervolgd wordt, toch gedaan? En bedenkt gij in het geheel niet, dat de rechters, die haar veroordeeld hebben, nu ook verder zullen onderzoeken, hoe Rufinus en wat wij allen..."
"Wat gij hebt uit te staan met dit waanzinnige reddingsplan?" vulde de grijsaard aan. "Het is mijne zaak dat te verhinderen. Zoo lang deze oude hersenen denken kunnen, deze mond spreken kan, zal u geen haar gedeerd worden."
"Heb dank daarvoor!" antwoordde Johanna. "Maar als gij dan zooveel macht hebt, gebruik haar dan, om Paula te redden. Gij weet hoe lief Paula ons allen is, hoe hoog uw Philippus haar schat."
"Ik bezit volstrekt geen macht en wil die ook niet hebben," antwoordde de oude op strengen toon.
"Maar Horus, Horus!--Kom kinderen!--Wij zouden een tweeden vader in u vinden, hebt gij beloofd; zoo toon dan, dat dit geen ijdel woord is, en laat u door ons bezweren."
De oude man stond, terwijl hij diep ademhaalde, zoo spoedig hij dit kon op; twee scherp afgeteekende roode vlekken kleurden zijne vale wangen, en met heesche stem riep hij uit: "Geen woord meer! Doet geen poging om mij te vermurwen! Val mij niet met weeklachten op het lijf. Genoeg, duizendmaal genoeg van dit alles! Gij hebt het gehoord en hoort het nu weder: De Damasceensche of ik, ik of zij! Kunt gij, wat er in de toekomst ook gebeure, het niet over u verkrijgen in mijne tegenwoordigheid over haar te zwijgen, dan--dan--dat bezweer ik u, en wat ik beloof dat houd ik--dan keer ik naar mijn oude hol terug, om droefgeestig en wederom eene teleurstelling rijker mijn bestaan voort te slepen of te sterven, zooals mijne godin het zal beschikken."
Daarop verliet hij het vertrek. De kleine Maria hief de tot vuist gebalde rechterhand dreigende op en riep hem na: "O, dat hij maar wegging, dat oude, harde, onrechtvaardige monster! Ach, dat ik een man ware!" Daarbij barstte zij uit in luid geween, en zonder naar de terechtwijzing van de weduwe te hooren, ging zij voort, zichzelve niet meer meester: "O, er is geen slechter mensch dan deze, moeder Johanna! Hij zou haar willen zien sterven, hij wenscht haar dood, ik voel dat hij dit wenschen kan! Hebt gij het gehoord Pul, hij zou er zich in verblijden, als het paard verlamde van den bode, die hare redding zou kunnen bewerken? En zij is nu de bruid van Orion,--ik had ze reeds zoolang voor elkander bestemd--en hem willen zij ook dooden. Maar zij zullen het niet, als er nog een rechtvaardig God in den hemel is. O dat ik... dat ik..."
Maar het hevig belette haar verder te gaan, en toen zij eenigermate tot rust was gekomen, smeekte zij Pulcheria en hare moeder, om haar naar Paula te brengen. Daar zij dezen wensch met haar deelden, begaven zij zich vóor het donker werd op weg naar de gevangenis. Hoe meer zij de markt naderden, die zij moesten oversteken, des te voller vonden zij de straten. Alles ging denzelfden weg uit, zij werden als door de menigte gedragen. Uit de richting van het marktplein kwam hun het gedruisch en geroep uit ontelbare monden te gemoet. Vrouw Johanna werd in het gedrang beangst voor het geweldig rumoer op het plein, en gaarne ware zij met hare beschermelingen omgekeerd, of had zij die plaats ontweken; maar alles bewoog zich daarheen, en het zou gemakkelijker zijn geweest tegen een gezwollen bergstroom op te zwemmen als weder naar huis te komen. Zij bereikten dan ook weldra de markt, en werden daar, van alle zijden opgedrongen, tot stilstand gedwongen.
De angst van de weduwe klom steeds meer. Hoe pijnlijk was het haar met de meisjes midden in zulk een volksoploop geraakt te zijn! Pulcheria hield haar stevig vast, en toen zij Maria gebood haar eene hand te geven, riep de kleine, die in dezen avontuurlijken tocht bijzonder behagen schepte: "Zie eens, moeder Johanna, daar staat onze Rustem, hij is toch de grootste van allen!"
"Hadden we hem maar bij ons!" zeide de weduwe met een zucht.
Daar rukte het kind zich van haar los, sloop behendig als een eekhoorn door den menschendrom en bereikte weldra den Masdakiet.
Deze had Memphis nog niet verlaten, want de eerste karavaan, waarbij hij zich met zijn wijfje zou kunnen aansluiten, brak eerst op na eenige dagen. De brave Pers en Maria waren goede vrienden, en zoodra hij hoorde, dat zijne weldoensters in vrees verkeerden, baande hij zich met het kind een weg tot haar, en de weduwe kwam tot verademing, toen hij haar aanbood bij haar te blijven en haar te beschermen.
Intusschen nam het gejoel en geschreeuw steeds toe. Aller hoofden en oogen waren naar het raadhuis gericht, want men scheen te verwachten dat daar iets groots, iets buitengewoons zou plaats hebben.
"Wat is er toch te doen?" vroeg Maria den Pers, terwijl zij hem aan het kleed trok. De reus boog zwijgend tot haar neder en tot hare vreugde stond zij een oogenblik later op zijne over de borst gekruiste armen, en zag, nadat zij zich eene zitplaats had gekozen op zijn breeden schouder, van dezen hoogen wachttoren over allen heen.
Vrouw Johanna legde angstig de handen op hare voetjes, maar zij riep haar uit de hoogte toe: "Moeder, Pul, ik vergis mij niet! Vóor de kurie staat de witte ezel van onzen oude, en daar doen zij het beest een krans, een olijf krans om den hals."
Thans klonk van het raadhuis bazuingeschal over de markt door de verstikkend heete, stoffige lucht, en plotseling werd het rondom stil en steeds stiller, en waar iemand zijn mond opende om te schreeuwen of te praten, kreeg hij een duw van zijn buurman, die hem tot zwijgen bracht.
De weduwe legde de hand vaster aan de enkels van Maria en vroeg, terwijl zij zich het zweet van het voorhoofd wischte: "Wat is er te doen?"
De kleine antwoordde haastig, zonder zich in het zien te laten storen: "Kijk maar naar het balkon van het raadhuis; daar staat het hoofd van de stad, de purperverver Alexander. Hij is vaak bij grootvader geweest en grootmoeder mocht zijne vrouw niet lijden. En daar naast hem, vlak naast hem--herkent gij hem niet?--dat is de oude Horus Apollon. Hij neemt zich juist den lauwerkrans van de pruik. Alexander wil spreken."
Opnieuw klonk het bazuingeschal, en terstond daarop hoorde men eene luide mannenstem uit de richting van het raadhuis. Het werd nu zoo stil, dat ook aan de weduwe en hare dochter maar weinig ontging van de toespraak, die nu volgde:
"Medeburgers, Memphieten, lotgenooten!" zoo begon de stadsoverste langzaam en met ver klinkende stem. "Gij kent ons gemeenschappelijk lijden. Er is geen leed, dat ons niet ten deel viel, en nog gruwzamer gebeurtenissen schijnen te dreigen."
De menigte gaf door oorverdoovend geschreeuw hare instemming te kennen, doch bazuingeschal vermaande weder tot rust, en de stadsoverste ging voort: "Wij, de senaat, de bouleuten der stad, wien gij hebt opgedragen, om voor uw welzijn te zorgen..."
Een woest gehuil belette den redenaar verder te gaan; men onderscheidde alleen de kreten: "Zorgt, doet uw plicht!"--"Gierigaards!"--"Houdt uw woord!"--"Redt ons van het verderf!"
Doch de bazuinen brachten de ontevredenen andermaal tot rust, en Alexander ging verder, ditmaal gejaagd en in een staat van de grootste opgewondenheid: "Hoort mij! Valt mij niet in de rede! De nood, de ellende treft onze hoofden zoo goed als de uwen. Mijn vrouw en mijn zoon zijn dezen nacht aan de pest gestorven!"
Ditmaal ging er slechts een zacht gemompel door de menigte, en alles werd vanzelf weder stil, toen de deftige man met zijn grauwe baard op het balkon de oogen afveegde en voortging: "Is er iemand onder u die ons wijzen kan op een verzuim--hij zij man, vrouw of kind--die heffe een klacht over ons aan bij God, bij onzen nieuwen heer, den Kalief, en bij uzelven, burgers van Memphis; maar thans niet, lotgenooten, thans niet! Staak thans uw schreeuwen en roepen, thans, nu er redding mogelijk is, moet gij naar mij hooren. Gij moet mij te kennen geven hoe gij denkt over het laatste uiterste redmiddel, dat ik u kom aanbevelen!"
"Hoort naar hem! Zwijgt! Weg die schreeuwers!" klonk het van alle zijden.