Part 49
Een der leden van den raad stelde voor het Caecilia-klooster of het ongebruikte en vervallen Odeum voor hen in te ruimen, doch Horus Apollon verklaarde zich hiertegen en zette duidelijk uiteen, dat zulk eene opeenhooping van zieken midden in de stad de gezonde burgers in gevaar zou brengen. Dat was ook de zienswijze van zijn vriend Philippus en deze had de handelwijze der vaderen, als de eenige ware aangeprezen. Waar plaatsten de ouden niet alleen hunne inrichtingen van liefdadigheid, maar ook de groote ruimten vorderende tempels en begraafplaatsen? Altijd in de woestijn, buiten de stad. Op de reuzensphinx bij de pyramiden had de groote Arrianus zelf deze versregels geschreven:
Eertijds schiepen de goden die schoon hier prijkende vormen, Wijselijk sparend het veld, vol van den vruchtbaren oogst.
Dit sparen van het vruchtbare veld heeft het jongere geslacht vergeten, en het begreep ook niet meer, hoe het de woestijn kon gebruiken. De dooden en verpestten mochten de levenden niet in gevaar brengen, en daarom moesten zij buiten de stad, op den woestijnbodem van den Necropolis ergens worden ondergebracht.
"Maar wij kunnen ze toch niet in den zonnegloed laten liggen," zeide de stadsoverste.
"En evenmin," voegde een ander erbij, "kan men in een ommezien een gebouw voor hen optrekken."
Daarop antwoordde Horus Apollon: "Wie zou zoo dwaas zijn het een of het ander te verlangen! Maar linnen en palen zijn in Memphis meer dan genoeg. Laat dadelijk in den Necropolis groote tenten opslaan, en onder deze beschutting, op kosten en onder toezicht van de stad allen verplegen, die door de ziekte worden aangetast. Vaardig drie of vier uit uw midden af, om deze opdracht te volbrengen, en in weinig uren is er een onderkomen gevonden voor die van hun huis beroofde kranken. Hoevele matrozen en scheepstimmerlieden slenteren er zonder arbeid langs den oever! Roep ze samen, en zet ze binnen een uur aan het werk!"
Dit voorstel vond bijval en een fabrikant van lijnwaad onder de bouleuten zeide: "Ik lever alles wat er noodig is," en een ander, die in denzelfden stof handel dreef en dit beroemde Egyptische fabrikaat overal heen zond, viel hem in de rede en verlangde voor zich en zijn huis de opdracht, omdat hij goedkooper leveren kon. Deze strijd zou de zitting tot het einde en misschien ook tot den volgenden dag in beslag hebben genomen, als het voorstel van Horus Apollon, om de leverantie tusschen beiden te verdeelen niet spoedig ware aangenomen. Het volk begroette de afkondiging van het besluit, dat er tenten voor de zieken in de woestijn zouden worden opgeslagen, met een bijvalskreet van honderden stemmen. Zij die de opdracht ontvingen, om het besluit uit te voeren, gingen terstond aan het werk, en in den volgenden nacht konden de van hun dak beroofden reeds onder de eerste groote tent geborgen worden.
Op dezelfde wijze loste de grijsaard nog eenige andere gewichtige vragen op, terwijl hij daarbij altijd zich beriep op de wijsheid der vaderen. Ten laatste nam hij het woord over de hoofdzaak, en hij deed het voorzichtig en met groot beleid. Alle wederwaardigheden van den laatsten tijd, zeide hij, wezen er op, dat de hemel vertoornd was op het ongelukkig land zijner vaderen. Als een teeken van zijn ongenoegen was een komeet gezonden, dat vreesaanjagend gesternte, dat met den dag nog toenam in dreigenden glans. Het stond niet in de macht van een mensch den Nijl te doen stijgen, maar de ouden--en nu luisterden de bouleuten met ingehouden adem--stonden in nauwere betrekking tot de geheimzinnige machten, die het leven der natuur besturen, dan de tegenwoordige menschen, onverschillig of ze leeken of priesters zijn. In die dagen was ieder dienaar der allerhoogste godheid tegelijk een kenner en onderzoeker der natuur. Wanneer Egypte door eene ramp werd bezocht als die van dit jaar, werd er een offer gebracht, een groot offer, waartegen het menschelijk gevoel en alles wat in ons is opkomt, maar dit had nimmer zijne uitwerking gemist. Hier waren de bewijsstukken, en daarbij wees hij op de schriftrollen in zijn schoot.
De vergaderden bewogen zich onrustig op hunne zetels en eerst riep het hoofd der stad en vervolgens riepen en vroegen ook de andere bouleuten de een na den ander: "En het offer?"--"Welk offer brachten zij?"--"Wat moet dat offer zijn?"
"Laat mij dit verzwijgen tot een volgenden keer," verzocht de grijsaard. "Wat zou het kunnen baten dit heden reeds te verkondigen? Eerst moet onderzocht worden, wat den goden welgevallig is."
"Maar wat is het? Spreek man!"--"Leg ons niet op de pijnbank!"--Zoo drong men van alle zijden op hem aan. Doch de grijsaard bleef onverbiddelijk, beloofde den raad zelf samen te roepen, zoodra de tijd daartoe gekomen was, en verlangde van den stadsoverste alleen, dat hij van het balkon zou afkondigen, dat Horus Apollon een offer wist, dat den Nijl kon bewegen eindelijk te wassen. Zoodra het gevonden was, zou men het volk zijne toestemming vragen. In vroeger eeuwen had het nooit zijne uitwerking gemist. Mannen, vrouwen en kinderen konden dus gerust naar huis gaan en geduldig, met nieuwe en gegronde hoop, de toekomst afwachten.
Deze afkondiging, waarbij het hoofd der stad niet verzuimde de wijsheid van den grijzen Horus Apollon te loven, deed eene verbazende uitwerking. Van nieuwe hoop vervuld jubelde de menigte, een "Heil! Heil!" weerklonk van alle zijden, en deze kreten golden niet enkel den grijsaard, die redding beloofde, maar ditmaal ook de bouleuten, de zorgzame vaders der stad, wien een loodzware last van het hart werd genomen. Wat de oude man voorhad, was zeker niet vroom en zuiver christelijk, maar had de macht van de kerk zich dan zoo werkzaam getoond? En nadat alle pogingen van die zijde schipbreuk hadden geleden, waren zijzelven reeds tot middelen afgedaald, die de priesters veroordeelden. Bezweringen en tooverij waren echt Egyptische kunsten, en waar het geloof niets uitrichtte, traden dezen, trad het bijgeloof in zijn recht. Toen men de lokken-Medea op het lijf was gevallen en gevangen had genomen, was het niet zoozeer geschied, om de wet te handhaven, maar veeleer, om hare geheime wetenschap ongemerkt voor het algemeen welzijn aan te wenden. In zulk een nood was geen middel te slecht, en hoewel de grijsaard zelf een afschuw had van dat wat hij aan de hand deed, van hunne toestemming was hij zeker, als het maar de gewenschte uitwerking deed. Was de nood eerst uit den weg geruimd, dan kon men de schuld, die men op zich geladen had, wel boeten; en de goede God was zoo barmhartig! De bisschop had anders ook zitting en stem onder de bouleuten, en nu had de loop der omstandigheden hun de noodzakelijkheid bespaard, om zijne tegenspraak te weerleggen.
Toen Horus Apollon weer op de markt verscheen, werd hij met algemeenen bijval en zoo dankbaar begroet, alsof het hem reeds gelukt was land en volk te redden. En wat had hij ondernomen! Hetgeen hij dacht te doen plaats hebben mocht gelukken of niet, te Memphis kon hij niet blijven, want in elk geval was het daar uit met zijne rust. Maar dat schrikte hem niet af, want voor de vrouwen was het misschien heilzamer, als hij haar verwijderde uit de gevaarlijke nabijheid van de Arabische hoofdstad, en zijn besluit, om met het gezin van Rufinus te vertrekken, stond bij hem vast. Ook voor zijn Philippus kon het niet anders dan goed zijn in een anderen bodem verplant te worden.
In het huis van Rufinus vernam hij welk lot Paula getroffen had. Voor het oogenblik stond zij hem dus niet meer in den weg, doch wanneer men haar morgen of overmorgen of over een maand vrijliet, was zij hem even hinderlijk als te voren. De aanslag tegen haar moest dus toch doorgezet worden. Zijne bijzondere denkbeelden zetten hem er toe aan, en welk eene voldoening, als het hem gelukte de Egyptische christenen tot de heidensche daad te brengen, die hij hen wilde doen uitvoeren. Werd Paula door de Arabieren ter dood veroordeeld, zoo kon dit aan de uitvoering van zijn plan slechts bevorderlijk zijn, en daarom was het nu van belang zich met den zwarten Wekil in betrekking te stellen; want van zijne toestemming hing alles af.
Vrouw Johanna en Pulcheria vonden hem zoo opgeruimd en vroolijk als nooit te voren. Het voorstel, om met zijn Philippus haar huisgenoot te worden, werd ook door de kleine Maria met levendige vreugde begroet, en de vrouwen geleidden hem reeds heden door het geheele huis en ondersteunden hem daarbij zorgvuldig en liefderijk. Alles wat hij zag, beviel hem uitermate; zoo sierlijk en netjes kon het er alleen daar uitzien waar vrouwenoogen alles bestuurden en op alles toezagen. De kamer van Rufinus op den beganen grond zou de zijne worden, terwijl men een dergelijk vertrek aan de andere zijde van het huis voor Philippus kon inrichten. De eetzaal, de ruime voorzaal en het viridarium bleven gemeen goed, en voor de vrouwen en de gasten waren op de bovenverdieping kamers genoeg. Hij zou hier zijn intrek nemen, zoodra hij een zeker iets vastgesteld had. Het moest wel iets verblijdends zijn, want als de oude man daarover sprak, bewogen zich zijne ingetrokken lippen vergenoegd heen en weer, en daarbij schenen zijne fonkelende oogen Pulcheria toe te roepen: "Ook voor u, lief kind, heb ik iets goeds in den zin."
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
In de nauwe, gloeiend heete gevangeniscel, die de beide vrouwen herbergde, doorleefde Paula een ontzettenden nacht. Zij kon den slaap niet vatten, en als het haar gelukte eindelijk de oogen te sluiten, werd zij door het geschreeuw en het gerammel der ketenen van de gevangenen in de groote kerkerzalen, en door den harden stap van een lotgenoot gestoord, die nog rusteloozer dan zij boven haar hoofd op en neer wandelde.
Arme deelgenoot in hetzelfde ongeluk! Was het martelende gewetensangst die hem heen en weer joeg, of was hij even onschuldig als zij, en was het zielsverlangen, zorg, liefde misschien die hem belette te slapen? Hij was geen gewoon misdadiger, want voor dezulken was er geen plaats in dit gedeelte van het gebouw, en omstreeks middernacht, toen het gedruisch in de groote zalen plotseling verstomd was, vernam zij uit zijne cel de zachte klank eener luit. En zóo kon enkel een meester het speeltuig hanteeren. Die vreemde gevangene ging haar niet aan, maar voor dit geschenk der tonen was zij hem dankbaar, want ze leidden hare gedachten en overleggingen af van haar eigen persoon en met klimmende aandacht luisterde zij naar zijn spel.
Blijde een voorwendsel te hebben, om de warme, harde legerstede te verlaten, sprong zij op en plaatste zich aan het met ijzeren staven geslotene eenige venster der cel. Daar hield de muziek op en er volgde een gesprek tusschen den gevangenbewaarder en haar lotgenoot. Wat was dat voor eene stem? Bedroog zij zich of hoorde zij goed? Haar hart hield bijna op te kloppen, terwijl zij verder luisterde. Ja, nu moest elke twijfel zwijgen: Orion was het en geen ander, die daar boven haar sprak. Daar noemde de gevangenbewaarder ook zijn naam, daar sprak hij over haar gestorven oom, en nu werd als op een gegeven teeken zachter gesproken. Zij hoorde wel fluisteren, maar kon den inhoud niet meer onderscheiden. Eindelijk hoorde zij overluid afscheidswoorden spreken, de deur van de cel boven haar viel in het slot en de voetstappen van den gevangene naderden het venster.
Zij drukte haar gelaat tegen de warme ijzeren staven, rekte zich uit, luisterde in de stilte van den nacht en riep, als zij geen geluid vernam, eerst zacht, dan harder: "Orion, Orion!" En van boven klonk terstond daarop haar naam terug.
Thans begroette zij hem en begon te vragen, hoe en sedert wanneer hij hier was gekomen. Maar reeds bij de eerste woorden legde hij haar het zwijgen op met een beslissend "stil!" waarop terstond een kort "let op!" volgde.
Vol verwachting luisterde zij door de traliestaven; de oogenblikken groeiden met langzamen slakkengang tot een vol half uur, tot eindelijk het luide "nu!" werd vernomen, waarop zij gewacht had. Eenige oogenblikken later hield zij een briefrolletje in de hand, dat aan eene met een stukje hout bezwaarde luitsnaar naar beneden was gelaten.
Er was noch licht, noch vuur in hare cel en de duisternis maakte het haar onmogelijk om te lezen. Zij riep dus naar boven: "donker!" en terstond daarop naar zijn voorbeeld: "let op!" Zoodra zij de beide schoonste rozen, die Pulcheria haar gebracht had, aan de snaar had bevestigd, zweefden ze op haar vroolijk "nu" naar boven.
Met eenige zachte accoorden, waarin zijn zielsverlangen en zijn hartstocht trilden, sprak hij zijn dank uit. Toen werd het weder stil, want de gevangenbewaarder had hem zooeven verboden, bij nacht te zingen en te spelen, en hij mocht van de welwillendheid van dezen man geen misbruik maken.
Paula legde zich te slapen neder met Orions brief in de hand, en toen zij voelde dat zij zou insluimeren, schoof zij het rolletje onder haar hoofdkussen en sliep spoedig daarop in. Toen beiden na zonsopgang ontwaakten, hadden zij van elkander gedroomd en begroetten zij vroolijk den dag.
Orion was buiten zichzelven geraakt van toorn, toen de kerkerdeur zich achter hem gesloten had. Hij had de ijzeren staven uit den muur willen rukken en de deur willen intrappen of uit hare hengels lichten. Er is voor een man geen smadelijker gevoel, niets wat meer zijne verontwaardiging wekt, dan zich als een schadelijk dier te zien afsluiten van de wereld, waartoe hij behoort en die hij noodig heeft, om ze te ontvangen, wat hem het leven levenswaard maakt, en wederkeerig anderen te vinden, die het goede kunnen genieten, dat hij doen en geven kan. Gisteren was de kerker in beider oog het voorportaal van de hel, zij waren der vertwijfeling nabij geweest en welke andere aandoeningen bezielden hen heden! Orion was door den eenen slag van het lot na den anderen getroffen; met welk een angstig en bekommerd gemoed had Paula zijn terugkeer te gemoet gezien, en hoe rustig was heden hare ziel, niettegenstaande zij in doodsgevaar verkeerde.
De legende verhaalt van de Heilige Caecilia, die midden uit den bruiloftsdans naar de folterplaats werd gevoerd, dat zij, terwijl zij de pijnen van den marteldood leed, in hare verbeelding met een onuitsprekelijk gevoel van zaligheid hemelsche muziek en streelende orgeltonen vernomen had; en hoe ontelbaar velen hebben hetzelfde ervaren! In den uitersten nood en het grootste gevaar vinden zij hooger geluk dan in den glans, de pracht en de vreugde van het luidruchtige leven; want hetgeen wij gelukzaligheid noemen, valt hen ten deel, onverschillig waar zij zijn en in welk een uitwendigen toestand zij verkeeren, die juist dat bereikbaar achten, waarnaar hunne ziel smacht met innig verlangen. Wat deze twee in lang niet geweest waren, namelijk: recht innerlijk gelukkig, dat werden zij in den kerker. Paula met zijn brief voor oogen, dien hij reeds was begonnen te schrijven in het huis van den kadhi, en waarin hij zijn geheele hart voor haar ontsloot; Orion in het bezit harer rozen waaraan hij hing met oog en hart, en die voor hem lagen, terwijl hij de volgende dichtregelen neerschreef, die de gedienstige kerkermeester gaarne aan haar overbracht. Zij luiden aldus:
"Zie, toen donker en duf mij de nacht omsloot van den kerker, 't Zonlicht zonk en mij niets bleef dan het sombere graf,
Nam ik de roos in mijn hand, en, op eens, uit de purperen bloemkelk Straalde een heerlijke glans, klaar als de zonnigste dag.
Liefde, zoo heet het gesternte, dat licht uit de geurende blaadren Rees, als uit deinende zee Foibos' verrijzende span.
Is ook 't koesterend vuur van het harte door minne bevangen Niet als de glimmende vlieg, welke in rozen verschuilt?
Toen ons de dag nog lichtte, wij leefden in zon en in vrijheid, Was bij het helderste licht, toch ons die glans te gering;
Doch nu vol van bedreiging de sombere nacht ons beschaduwt, Sterkt ons het vriendelijk licht, draagt het den zinkenden moed.
Dan, aan de zaden gelijk, ontkiemend in nachtlijken aardschoot, Zoo als uit 't sombere graf rijst de gevleugelde ziel,
Dus ook zie ik dat hier in het zwarte gewelf van den kerker, Schooner dan rozen der haag, bloeien de rozen der min."
En wanneer was Paula inderdaad gelukkiger geweest dan in de ure, toen zij dezen groet van den geliefde, deze eenvoudige kerkerbloem voor de eerste maal genoot? De oude Betta kon aan het hooren van deze verzen zich niet verzadigen, en zij weende van vreugde, niet over den inhoud, maar over de wonderbare verandering, die zij bij hare lieveling hadden uitgewerkt. Zij was nu weder een meisje dat het geluk uit de oogen straalde, gelijk weleer aan den Libanon, en toen Paula voor de in de rechtzaal vergaderde rechters verscheen, zagen deze haar verwonderd aan, want met zulk een glans van vreugde op het gelaat was nog nooit eene op dood of leven aangeklaagde vrouw voor de balie verschenen.
En toch stond het bedenkelijk met hare zaak, en de niet minder zachtmoedige dan rechtvaardige kadhi, die zelf lieve dochters bezat, werd pijnlijk aangedaan, toen hij zag welk eene ongegronde gerustheid de ziel van deze voortreffelijke jonkvrouw oogenschijnlijk vervulde. Ja, het stond bedenkelijk met hare zaak, want er lag een onwederlegbaar bewijsstuk op tafel, en de samenstelling van het gerechtshof, die streng volgens de wet had plaats gehad, was naar het scheen niet in haar voordeel. Hare zaak werd door evenveel Egyptenaars als Arabieren behandeld. De laatsgenoemden waren er bijgenomen, omdat door haar toedoen muzelmannen om het leven waren gekomen; als bewoonster van Memphis en als christin behoorde zij tot de jurisdictie van de eersten.
De kadhi leidde de rechtspraak, en de ervaring had hem geleerd, dat de Jacobietische rechters de rechtzaal binnentraden met het doodsoordeel in de plooien van hun mantel, zoodra de aangeklaagde tot de Melchietische geloofsbelijdenis behoorde. Wat hen tegen deze schoone jonkvrouw innam, wist hij niet, doch het was gemakkelijk te zien, dat zij der Damasceensche kwalijk gezind waren, en wanneer zij het "schuldig" over haar uitspraken en ook maar éen Arabier met hen medestemde, was het lot van de jonkvrouw beslist. En wat wilde die in het wit gekleede grijsaard op de bank der getuigen, de oude, geleerde Horus Apollon, met de verklaring, die hij wenschte af te leggen? De blikken waarmede hij de Damasceensche opnam lieten niets goeds voor haar verwachten.
Het was drukkend, ondragelijk heet in de zaal! Ieder gevoelde zich bezwaard, en ondanks het gewicht dezer beraadslaging, bleef zij toch menigmaal steken, om dan daarna weder met onbetamelijken spoed te worden voortgezet. De aangeklaagde zelve scheen gelukkig geheel frisch te zijn, en niet onder den indruk te verkeeren van de hitte van dezen dag. Zoo weinig moeite het haar gekost had, bij het verhoor van den ruwen zwarte hare bewering vol te houden, dat zij geen deel had genomen aan de vlucht der nonnen, zoo moeilijk viel het haar tegenover de welwillende vragen van den kadhi Othman. Doch haar werd geene keus gelaten en het gelukte haar te bewijzen, dat zij, terwijl de Arabische krijgsknechten tusschen Athribis en Dumiat om het leven waren gekomen, Memphis en het huis van Rufinus niet verlaten had.
De kadhi trachtte deze omstandigheid terstond in haar voordeel aan te wenden, en de Wekil Obada, die veel met zijn grijzen buurman op de bank der getuigen te fluisteren had, liet hem gelaten doorspreken; doch zoodra hij geëindigd had stond Obada op en legde den brief, dien hij in Orions kamer had gevonden, voor de rechters neder. Deze was onloochenbaar van de hand des zoons van den stadhouder, was aan Paula gericht, en de slotzin: "Veroordeel mij daarom niet; uw schoonste en maar al te zeer gerechtvaardigde wensch, om aan uwe geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest," liet niet na, op de rechters een diepen indruk te maken. Paula antwoordde op de vraag van den kadhi, wat zij wist van dit schrijven, geheel overeenkomstig de waarheid, dat het haar geheel vreemd was; toch wilde zij niet loochenen, dat zij de zusters in het Caecilia-klooster, hare geloofsgenooten, steeds het beste toegewenscht en gehoopt had, dat het haar gelukken mocht heur goed recht tegen de vijandelijke aanslagen van den patriarch te verdedigen. Ook de gestorven Mukaukas en de Jacobietische raad van de stad hadden hare zienswijze gedeeld, en de Arabieren hadden den vrede der vrome krankenverpleegster nooit verstoord.
De kalmte en de kortheid, waarmede zij dit alles verklaarde, werkten gunstig, inzonderheid op de muzelmansche rechters, en de kadhi begon voor Paula te hopen. Hij beval nu Orion te roepen, die het best in staat was, om inlichting te geven omtrent de beteekenis van den door hem geschreven, maar niet verzonden brief.
De jonkman verscheen, en ofschoon hij en Paula zich geweld aandeden, om op deze plaats volkomen bedaard te blijven, zag ieder toch duidelijk, hoe het wederzien beiden ontroerde. Horus Apollon hield de oogen strak op Orion gericht, dien hij hier voor het eerst zag, en zijn gelaatstrekken verkregen daarbij een steeds somberder en onheilspellender aanzien.
De jongeling erkende den brief geschreven te hebben, doch, evenals Paula had gezegd, zag de inhoud alleen op het gevaar, hetwelk de nonnen reeds lang van de zijde van den patriarch bedreigd had. Den bijstand, dien hij in dit schrijven aan de dochter van Thomas toezegde, zou hij haar ten gevalle later en te zijner tijd gaarne en vol ijver aan de zusters hebben verleend, en wel met hulp van den stadhouder Amr, die, gelijk hijzelf zou kunnen bevestigen, de zienswijze zijns vaders deelde omtrent het goed recht der nonnen.
De oude op de getuigenbank mompelde luid genoeg, om door de rechters verstaan te worden: "Handig, zeer handig!" en de zwarte naast hem begon overluid te lachen en riep: "Dat noem ik op een sluwe manier zijn leven te verlengen! Weest gewaarschuwd, heeren rechters! Deze twee spelen éen spel en zijn nauw aan elkander verbonden. Het bewijs daarvan is in mijne handen: die jonkman heeft het vermogen van Thomas' dochter belegd, als ware het reeds zijn eigen, en verder...."
Hier viel Paula hem in de rede. Zij wist niet wat die kwalijk gezinde man verder in het midden kon brengen, doch zeker was het iets ergerlijks. Daar stond Orion tegenover haar, juist zooals zij hem in hare verbeelding had gezien in aandoenlijke uren, die haar thans voor den geest kwamen, en zij gevoelde, hoe zijn blik haar vol verrukking aanzag. Hier tot hem te gaan en hem te zeggen, wat zij te midden van dezen strijd tusschen leven en dood gevoelde, dat scheen onmogelijk, en toen nu de Wekil voor de rechters begon te ontsluieren, wat haar en den geliefde alleen aanging, drong al wat in haar was die onthulling te voorkomen, en den vriend in deze beslissende ure toe te staan wat zij hem eens kleinmoedig had geweigerd. Blijmoedig gestemd en met schitterende oogen viel zij dus den zwarte in de rede en riep: "Zwijg man! Gij verspilt woorden voor niet. Wat gij arglistig tracht te bewijzen, dat beken ik zelf trotsch en dankbaar. Hoort het gij allen: de zoon van den Mukaukas Georg is mijn verloofde."
Bij deze woorden zocht haar oog dat van Orion; zij vond het en weder genoten beiden te midden van het hoogste gevaar een oogenblik van het reinste en hoogste geluk; en in Paula's oogen blonken tranen van de dankbaarste ontroering, toen Orion uitriep: "Wat de hoogste zaligheid mijns levens uitmaakt, hebt gij uit haar eigen mond vernomen. De edele dochter van Thomas is mijne bruid!"
Daar ging een gemompel door de rijen der Jacobietische rechters. Sommigen hadden tot hiertoe, tengevolge der drukkende hitte, half zitten te dommelen en het hoofd op de borst laten zinken; thans waren zij allen opeens zoo wakker en helder, als had een koude waterstraal hen getroffen. "Uw vader, jonge man," riep er een, "hebt gij schandelijk vergeten! Wat zou hij wel gezegd hebben van deze bloedschande? Want wat anders is het verbond met deze Melchietin, eene dochter dergenen, die twee uwer broeders tot martelaars maakten? O, als de gestorvene...."