De nijlbruid

Part 45

Chapter 453,838 wordsPublic domain

Met de nieuwsgierigheid en de begeerlijkheid van een kind doorliep hij de eene kamer na de andere, betastte hij alles, onderzocht hij de zachtheid der kussens, gluurde hij in schriftrollen, die hij niet verstond, wierp hij ze weldra weer weg, rook hij in de kamer van de gestorvene aan de reukwaters en artsenijen, waarvan zij zich bediend had, knarste hij van genoegen met de tanden, toen hij in hare kist kostbare sieraden en gemunt goud vond, stak hij den schoonsten diamanten ring aan de reeds overladene vingers, en doorzocht hij ten laatste met den grootsten ijver de vertrekken, die Orion bewoond had. Zijn tolk, die Grieksch kon lezen, moest daarbij ieder geschrift dat gevonden werd overzetten, wanneer het geen gedichten bevatte. Onder het luisteren krabde en trok hij met geheel onkundige hand aan de snaren van 's jonkmans lier, goot hij van den zalfolie, die de fijne jongeheer gebruikte, op zijne hand en besmeerde daarmede zijn baard. Voor den blanken, zilveren spiegel van Orion trok hij onophoudelijk allerlei gezichten.

Tot zijn verdriet kon hij onder al de grootere en kleinere zaken, die hier overal stonden, niets vinden wat grond tot verdenking kon geven. Reeds maakte hij zich gereed om heen te gaan, toen hij in eene mand bij de schrijftafel eenige weggeworpen schrijftafeltjes opmerkte. Terstond wees hij den tolk daarop, en hoe weinig leesbaars er ook op het diptychon [17] stond, het was in het oog van den zwarte van het hoogste gewicht, want het luidde:

"Orion, zoon van Georg--aan Paula, de dochter van Thomas!"

"Gij hebt reeds vernomen, dat het mij onmogelijk is geworden aan de redding der nonnen deel te nemen. Beoordeel mij daarom niet verkeerd! Uw goede en maar al te billijke wensch, om uwe geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest...."

Van hier af waren de in was gegrifde teekens met opzet uitgewischt, en er was bijna geen enkel woord meer te ontcijferen, ja, er volgden nog maar zoo weinig regels, dat men moest aannemen, dat deze brief nooit voltooid was geworden. En zoo was het inderdaad. Ofschoon dit stuk den Wekil niets aan de hand deed, waarmede hij Orion zou kunnen belasten, zoo was er toch wel eene beschuldiging aan vast te knoopen. Want de dochter van Thomas had zeker deel gehad aan de onderneming, die zoovele wakkere muzelmannen het leven had gekost, en de zwarte wist door den wisselaars in Fostat, dat zij in nauwe betrekking stond tot den zoon van den Mukaukas, en hem het beheer over haar vermogen had toevertrouwd. Beiden moesten als verbondenen in deze zaak terecht gesteld worden, en Orion werd in elk geval door dit schrijven aangewezen als de persoon, die van het plan kennis had gedragen.

De bisschop Plotinos van Memphis, op wiens verlangen de vervolgers waren uitgezonden, moest aanvullen wat de jonkvrouw mocht verzwijgen. Hij was terstond, na het plan tot ontvoering te hebben aangegeven, den patriarch achterna gereisd en eerst gisteren ochtend uit Opper-Egypte teruggekeerd. Hier te Memphis had hij den Wekil twee aanklachten van den kerkvorst tegen Orion doen toekomen; de eene betrof de vlucht der nonnen, de andere het achterhouden van een kostbaren smaragd, die de kerk toekwam. Beide beschuldigingen hadden Obada den moed gegeven, om beslag te leggen op de bezittingen van den jonkman, daar de bittere vorm van de aanklacht des patriarchs hem deed inzien, dat hij in Benjamin een bondgenoot bezat. Paula moest dus gevangen genomen worden en hij twijfelde niet of hare verklaringen zouden Orion op eene of andere wijze bezwaren. Het liefst zou hij haar dadelijk verhoord hebben, maar hij had heden nog andere dingen te doen.

Het onderzoek van het rentmeesterskantoor nam den meesten tijd in beslag. Dit werd aangevangen onder leiding van Nilus, die daarvan aan het hoofd stond. Alles wat de beambte, als bewijzen van erfenis en eigendom, als koop- en pachtcontracten, kadasters en dergelijke aanwees, alsmede de groote voorhandene sommen in goud en zilver werden terstond op ossenwagens en op kameelen geladen en onder veilig geleide over den stroom gebracht. De akten en documenten uit vroeger tijd, het familie-archief en wat daarmede samenhing liet de zwarte daarentegen onaangeroerd. Hij was zeker een onvermoeid man, want ofschoon hij met dit werk den ganschen dag bezig was, gunde hij zich geene verademing, ja hij liet zich niet eens eene bete broods of een verfrisschenden dronk brengen. Hoe later het werd op den dag, des te meer vroeg hij naar den bisschop, en telkens op ongeduldiger en boozer toon. Hij had zich tot den patriarch moeten begeven, maar waar bleef Plotinos? Gevoelig als alle lieden, die van niets tot iets zijn geworden, beschouwde hij diens uitblijven als eene daad van persoonlijke minachting.

Doch de herder der gemeente van Memphis was geen hoogmoedig prelaat, maar een bescheiden, vroom man. Zijn opperhoofd, de patriarch, had hem in Opper-Egypte gewichtige boodschappen toevertrouwd aan den veldheer Amr of diens plaatsvervanger, en toch liet hij den Wekil tevergeefs op zich wachten, en zond hem ook geen boodschap. Zijne oude huishoudster zond in den namiddag echter den akoluth [18], die hem persoonlijk diende, naar Philippus. Haar anders zoo sterke en wakkere heer had zich gisteren, terwijl het nog helderen dag was, naar bed begeven en was niet weder opgestaan. Zijn lichaam gloeide, hij had een hevige dorst en scheen niet recht te weten waar hij zich bevond en wat hem omgaf. Plotinos had altijd beweerd, dat het gebed de beste medicijn was voor den christen; toen echter zijn arm lichaam zoo schrikkelijk heet was geworden, had de huishoudster den arts ontboden, doch de bode was met het bericht teruggekomen, dat Philippus op reis was gegaan.

En zoo was het inderdaad: een brief van den ouden Haschim had hem genoopt Memphis te verlaten. De zoon van den koopman, wien het ongeluk had getroffen, werd maar niet beter. Het scheen dat inwendige deelen van het lichaam waren aangedaan, en dat zijn leven in gevaar verkeerde. De beangstigde vader bezwoer met vurige gebeden den arts, in wiens bekwaamheden hij het grootste vertrouwen had leeren stellen, naar Dschidda te komen, den kranke te onderzoeken en zijne genezing te beproeven. Bovendien liet hij den karavaanaanvoerder Rustem verzoeken weder tot hem te komen, zoodra zijne gezondheid het veroorloofde.

Dit schrijven, dat met een groet aan Paula sloot, wier vader hij met allen ijver liet opsporen, had Philippus diep geschokt. Hoe kon hij in dezen tijd van pest en ellende Memphis verlaten? En vrouw Johanna en hare dochter? Van den anderen kant wilde hij om Paula's wil weg, ver van hier weg; en hoe gaarne zou hij alles beproeven om den zoon van dien wakkeren grijsaard te behouden! Desniettemin zou hij gebleven zijn, wanneer zijn oude vriend zich niet zeer onverwacht aan de zijde van Haschim gesteld en hem bezworen had de reis te ondernemen. Het was zijn plicht en ook zijn verlangen voor de vrouwen in het huis van Rufinus te waken. Philippus' helper kon bij vele kranken zijne plaats vervangen en de anderen zouden ook zonder hem wel sterven, daar hij toch zelf verzekerd had, dat er geen deugdelijk middel tegen de pest bestond. Bovendien had Philippus nog de overtuiging uitgesproken, dat hij de verloren rust in Paula's nabijheid niet weer kon vinden. Nu bood zich de gelegenheid aan, om op eene niet in het oog loopende wijze op de vlucht te gaan, en tegelijk een degelijk werk der barmhartigheid te verrichten. Philippus had zich laten gezeggen en was weinige uren later met zeer gemengde aandoeningen op reis gegaan.

De oude Horus Appollon deed al zeer weinig, om het zichzelven gemakkelijk te maken, doch in éen opzicht zorgde hij goed voor zijn persoon. Het loopen viel hem zwaar, en daar hij in de avondschemering gaarne de vrije lucht inademde en later nu en dan de sterrewacht bezocht, hield hij er voor zich een ezel op na, een best exemplaar van het edelst ras. Hij ontzag zich niet voor zulk een beest een hoogen prijs te betalen, als het maar in alle opzichten aan zijne wenschen voldeed, dat wilde zeggen sterk, niet nukkig, volgzaam en licht van kleur was. Zijn vader en grootvader, de Isispriesters, hadden steeds op witte ezels gereden, en daarom deed hij het ook. In de laatste heete weken was hij zelden buiten gekomen en ook heden wachtte hij het uur van zonsondergang af, om zijne belofte te houden. In sneeuwwit linnen gekleed, met nieuwe sandalen aan de voeten, frisch geschoren, op de wijze der vaderen door eene net geordende, lange pruik alsmede door een scherm voor de brandende stralen der ondergaande zon beschut, besteeg hij, overtuigd dat hij voor den uiterlijken mensch al het mogelijke gedaan had, den fraaien, witten ezel, en zijn Ethiopiër draafde te voet achter hem aan.

Het was nog helder toen hij voor het huis van Rufinus stil hield. Zoo gejaagd had zijn oud hart in lang niet geklopt. "'t Is of ik eene bruid ga zoeken," zeide hij tot zichzelven met fijnen spot. Nu, het geldt dan ook een verbond te sluiten voor het nog overige deel des levens. "Men moest," verweet hij zich, "althans de nieuwsgierigheid met de haren en tanden verliezen!" Maar zij was nog voorhanden, en hij kon zich niet verheelen, dat hij in spanning was over het uiterlijk van de vrouw, die hij haatte zonder haar ooit gezien te hebben, omdat zij de dochter was van een prefect en patriciër en zijn Philippus ongelukkig maakte.

Terwijl hij afsteeg geleidde een jong, sierlijk gekleed meisje eene oudere vrouw in kostbare, maar eenvoudige kleedij in den tuin. Dat moest het kwikstaartje en Orions Byzantijnsche vriendin zijn. Dat trof slecht, zooveel vrouwen tegelijk! Hare tegenwoordigheid kon den eenzamen onderzoeker, die het verkeer met vrouwen ontwend was, maar hinderen en zijn plannen verstoren. Doch wat kon hij er aan doen? Die bezoeksters zagen er bovendien zoo kwaad niet uit. Het kwikstaartje was een allersnoezigst, klein meisje, ook zonder hare millioenen veel te goed voor den onzinnigen stadhouderszoon. De matrone had een innemend, goed gezicht, juist zooals Philippus het beschreven had. Doch, en dit bedierf alles, in dit gezelschap kon hij niet spreken over den dood van den armen Rufinus en dus ook niet over hetgeen hij voor had, en zoo had hij dus voor niets, geheel voor niets zooveel stof geslikt en zooveel hitte verdragen. Morgen moest dit alles tot zijne ergernis voor de tweedemaal genoten worden!

De eersten, die hij ontmoette was een aardig jong paartje: de Masdakiet en Mandane. Hij behoefde niet te vragen, zij moesten het zijn, hij ging dus naar hen toe, deelde Rustem den wensch zijns meesters mede en bood hem in Philippus naam aan, hem het reisgeld voor te schieten; doch de karavaanaanvoerder sloeg op zijne mouw, waarin een aardig sommetje aan goudstukken geborgen was, en zeide vroolijk: "Alles reeds voorhanden, ook voor twee reizigers naar het oosten!--Mijne bruid, met uw welnemen!--De tijd is gekomen, mijn duifje, wij moeten weg, op reis naar het vaderland!"

De groote jonkman zeide dat met zijne basstem zoo gelukkig, zoo uitgelaten vroolijk, en het schoone meisje zag daarbij zoo blijmoedig, zoo verliefd, zoo innig dankbaar naar hem op, dat de grijsaard zelf recht vergenoegd gestemd werd. Hij die in elk verschijnsel een voorteeken zag, hield deze ontmoeting voor een goed "omen" bij zijne intrede in dit huis, dat misschien, zijn tehuis zou worden. En even gelukkig als zijn bezoek begonnen was, ging het nu verder, want de weduwe van Rufinus en hare dochter ontvingen hem uiterst vriendelijk. Pulcheria haalde dadelijk vaders leuningstoel voor hem naar voren en schoof hem een kussen in den rug. Dat alles ging zoo stil, zoo natuurlijk, zoo hartelijk in zijn werk, dat het zijn oud gemoed verkwikte, en hij erkennen moest, dat een mensch bijna te veel goeds genoot, wanneer hem dagelijks en uur aan uur zulke verrassingen werden aangeboden.

Hij zeide tot het meisje een vriendelijk, schertsend woordje over hare goede zorg, en de matrone uit Konstantinopel vatte die scherts dadelijk op. Zij had hem op zijn fraaien ezel zien zitten, roemde het dier en wilde niet gelooven, dat hij zelf al boven de tachtig was. Zijne mededeeling dat Philippus op reis was gegaan, vernamen allen met leedwezen; hem deed het genoegen waar te nemen, dat Pulcheria bij dit bericht niet weinig verschrikte en zich daarop verlegen terugtrok. Wat had dat meisje een lief, onschuldig, goed en daarbij bevallig gezicht! Dat zou, dat moest zijn dochtertje worden, en midden in het gesprek met anderen, onder de kleine aardigheden van Katharina en de vriendelijke vragen van de matrone en vrouw Johanna, zag hij in zijne verbeelding zijn Philippus en dat lieve schepseltje als man en vrouw, en bij en met hen aardige kleine kindertjes, die rondom hem speelden. Hij was gekomen, om te troosten en te beklagen, en nu viel hem hier zulk een vroolijke ure ten deel als hij in lang niet had genoten.

Hij was met de anderen in het viridarium ontvangen, dat thans door verschillende lampen werd verlicht, en van tijd tot tijd keek hij naar de deuren, die op deze middenruimte van het huis uitkwamen, en maakte daarbij voor zichzelven een plan ten aanzien van de bestemming, die verschillende vertrekken later zouden ontvangen. Daar hoorde hij achter zich zachte voetstappen; de matrone stond op, het kwikstaartje snelde de binnentredende te gemoet en terstond daarop verscheen, zoodat ook hij haar zag, de hooge gestalte eener in rouwgewaad gekleede jonkvrouw. Met deftige waardigheid begroette zij de matrone, wisselde met Pulcheria en vrouw Johanna een blik van hartelijke en medelijdende verstandhouding, en toen deze laatste haar den naam noemde van den grijsaard, ging zij naar hem toe en reikte hem de hand, eene marmerblanke, koude, slanke echte patriciërshand.

Ja, schoon, buitengewoon schoon was deze vrouw! Eene dergelijke herinnerde hij zich nauwelijks ooit gezien te hebben. Waarlijk een onberispelijk meesterstuk des scheppers, eene verschijning, om als een ongenaakbare godin de aanbidding te vragen van gehoorzame vereerders; maar op de zijne behoefde zij niet te rekenen, want in deze marmeren trekken, wier bleekheid het zwarte gewaad nog beter deed uitkomen, lag niets wat hem aantrok. Uit deze trotsche oogen kwam geen verwarmend licht te voorschijn, onder dezen schoon gewelfden boezem kon geen vriendelijk, liefhebbend hart kloppen. Bij haar handdruk had hij gerild en hare verschijning scheen hem eene verlammende en verkleumende uitwerking te hebben op alle aanwezigen.

Inderdaad vergiste hij zich hierin niet. Men had Paula geroepen, om de senatorsvrouw en Katharina te begroeten. De laatste, dacht zij, was alleen uit nieuwsgierigheid gekomen, en al wat Heliodora betrof, stootte haar reeds dadelijk af. Zij had haar vertrouwen in het kwikstaartje verloren, want eergisteren was de akoluth, die in persoonlijken dienst stond bij den bisschop van Memphis, en wiens kind Rufinus van een voeteuvel had hersteld, bij vrouw Johanna geweest, om haar voor Katharina te waarschuwen, die zijn meester voor een paar weken een gewichtig geheim had verraden, dat betrekking had op haar echtgenoot, en Plotinos aanleiding had gegeven, om terstond naar Fostat te gaan. Het viel wel hard eene "vriendin" van zoo iets te verdenken, maar zij alleen, die gelijk zijzelve erkende, zoo gaarne in den aangrenzenden hof beluisterde wat in dezen tuin gesproken werd en geene andere kon den bisschop hebben geopenbaard, welk plan er voor de nonnen beraamd werd. De stellige mededeelingen van den akoluth lieten geen twijfel over. Paula's ziel was niet geneigd, om kwaad van den naaste te denken, doch onder zulke omstandigheden kon hare openhartige, voor geene onwaarheid vatbare natuur het niet over zich verkrijgen de kleine anders dan koel te bejegenen, en hoe meer Katharina zich met teederheid aan Paula zocht op te dringen, des te kouder wees Paula haar af.

De grijsaard zag dit alles en de wijze waarop de Damasceensche zich hier voordeed, hield hij voor haar aard en haar eigenaardig karakter. Hij zag in haar den hoogmoed van den patriciër, de zelfzuchtige ongevoeligheid en de krenkende teugellooze trots van die gehate kliek, die zich alles laat voorstaan op den adeldom der geboorte, als belichaamd, als in vleesch en bloed voor zich staan. Gelijk de geheele soort, zoo verachtte hij dit toonbeeld ervan; en zijne boosheid vertiendubbelde, als hij bedacht wat deze koude sirene den zoon naar zijn hart had doen lijden, wat zij hem zelf nog aandoen kon, wanneer zijn lievelingsplan door haar onuitvoerbaar werd. Liever ware hij in zijne laatste dagen eenzaam en zelfs van Philippus gescheiden gebleven, dan dat hij met die vrouw tafel, huis en leven had gedeeld, zij die daar weder de hartelijke gemeende liefkoozingen dier aardige, kinderlijk onschuldige, kleine Katharina met hinderlijke, ijskoude zelfverheffing afwees. Bij het zien van die vrouw zouden de beten hem bij den maaltijd in de keel blijven steken; zelfs het hooren van den voornamen toon harer stem in een aangrenzend vertrek, zou hem den lust tot den arbeid benemen, de druk van hare koele hand bij den nachtgroet hem den slaap bederven.

Ook thans werd hare tegenwoordigheid hem ondragelijk, zij was hem eene uitdaging, eene beleediging, en had hij vroeger den wensch gekoesterd haar uit de nabijheid van zich en zijn lieveling te verwijderen, of als het zijn moest met geweld te werpen, die begeerte beheerschte hem nu geheel en al. Verstoord en spijtig nam hij van de vrouwen afscheid, maar Paula verwaardigde hij opzettelijk niet met een blik, toen zij, nadat hij was opgestaan, naar hem toeging om een vriendelijk woord tot hem te spreken en hem te toonen, hoe hoog zij zijn pleegzoon vereerde. Pulcheria begeleidde hem naar den tuin en hij beloofde haar morgen of overmorgen weder te komen, doch dan moest zij zorgen, dat hij haar met hare moeder alleen vond; want hij had geen lust, om zich dien hoogmoed en eigenwaan der Damasceensche ten tweedemale "onder den neus wrijven" te laten. Pulcherias poging, om hare vriendin te verdedigen, wees hij verdrietig af en met verwenschingen op zijne oude lippen draafde hij naar huis.

Intusschen was vrouw Martina op hare vertrouwelijke, gemoedelijke manier Paula genaderd. Zij had vroeger eens hare ouders te Konstantinopel ontmoet en wist met hartelijke warmte over dezen te praten. Dat brak dan ook bij de jonkvrouw het ijs, en toen vrouw Martina met waardeering en deelneming gewaagde van Orion, haren "grooten Sesostris", en hoe hij te Konstantinopel algemeen geacht en bemind werd, en welke ongelukken hem sedert hadden getroffen, gevoelde zij zich tot de oudere vrouw zoo zeer getrokken, dat zij elke achterhoudendheid liet varen, zoodat het gesprek tusschen deze nieuwe kennissen steeds levendiger, inniger en vriendschappelijker werd. Bij het opbreken gevoelden beiden, dat zij door verder verkeer met elkander slechts winnen konden.--Toen Paula bij het afscheid werd weggeroepen, verliet zij het viridarium met deze warme woorden, die alleen tot vrouw Martina gericht waren: "Tot wederziens; doch aan mij, de jongere voegt het natuurlijk, u op te zoeken!"

"Welk een meisje!" zeide de matrone, na haar vertrek. "Waarlijk, zij is de waardige dochter van een voortreffelijken vader! En hare moeder? O vrouw Johanna, een lieflijker wezen is deze ellendige aarde zelden tot sieraad geweest. Helaas, zij moest zoo vroeg heengaan; zij was maar bestemd om eene wijle te bloeien!" Vervolgens wendde zij zich tot Katharina en vervolgde, haar vriendelijk dreigende: "Hoe valsch heeft uw boos tongetje mij toch dit meisje beschreven! Men spreekt wel eens van zilveren kernen in gouden schaal, maar bij deze zijn beide van goud. Ik ken mijne menschen! En gij, gij beiden... hemelsche Vader... ik weet al, wat u arm katje, de oogen beneveld heeft. Zooals ieder wenscht te zien, zoo ziet het er ten slotte uit. Ik wed, vrouw Johanna, dat gij mijne zienswijze deelt, namelijk, dat deze Paula een door en door edel schepsel is, ja een 'edel'! Dat is een hoogdravend woord, en lieve God, hoe zelden kan men het gebruiken! Het ligt mij anders ook niet op de lippen, maar voor die jonkvrouw weet ik geen ander, en voor haar schaadt het niet!"

"Zeker niet!" antwoordde zij, tot wie de vraag gericht werd, uit volle overtuiging; doch vrouw Martina slaakte een stillen zucht en dacht: "Arme Heliodora! Ronduit gezegd: mijn 'groote Sesostris' en Paula, dat zou eerst recht een paar zijn. Doch, om Godswil, wat moet men dan met dat arme, verliefde, ongelukkige wijfje beginnen?!"

Dat vloog haar opeens door het brein, terwijl Katharina zich trachtte te rechtvaardigen en betuigde, dat zij Paula's groote eigenschappen wel erkende, maar dat deze zoo trotsch kon zijn, zoo vreeselijk trotsch! Zij had zoo straks vrouw Martina zelve daarvan een proefje te smaken gegeven.

Pulcheria viel haar in de rede, om met nadruk de partij van hare vriendin op te nemen. Doch zij kwam niet ver, want in de voorzaal verhieven zich luide mannenstemmen, en plotseling stormde de voedster Perpetua naar binnen en riep met den schrik op het gelaat, zonder op de vreemde bezoeksters acht te geven: "O, o vrouw Johanna! Dit nieuwe, ontzettende ongeluk! Daar zijn die Arabische duivels teruggekomen, en met hen de tolk en een schrijver.--Men heeft ze gezonden--barmhartige Heiland, hoe is het mogelijk?--en zij brengen een bevel tot gevangenneming; en mijn arm kind moet met hen mede, mede naar de gevangenis, de gansche stad door te voet naar de gevangenis!"

Snikkende sloeg de trouwe, oude vrouw de handen voor het gelaat, en een vreeselijke schrik maakte zich van allen meester.

Vrouw Johanna verliet zwijgende en bleek het viridarium en de matrone riep: "Een allerverschrikkelijkst, een ellendig land! Mijn God, thans vergrijpen zij zich zelfs aan de vrouwen.... Kinderen, kinderen--geef mij een stoel! Ik word zoo wee!--In de gevangenis! Dit heerlijke, eenige schepsel over de straat gesleept, naar de gevangenis! Wanneer het bevel tot inhechtenisneming er is, dan--dan moet zij in den kerker, daarvoor kan geen engel haar bewaren. Maar deze edele, wonderschoone jonkvrouw door de stad te laten slepen, als ware zij eene erbarmelijke dievegge, dat, neen, dat is niet te dulden! Wat de eene vrouw voor de andere doen kan, dat ten minste mag niet verzuimd worden, zoolang ik nog hier ben en op mijne twee beenen sta! Katharina, kind, begrijpt ge dan niet? Wat staat ge daar nog en gaapt mij aan, als ware ik een gevederde aap? Waartoe vreten uwe dikke paarden de haver! Nu, begrijpt gij het nog niet? Dadelijk, dadelijk vliegt gij naar de overzij, en laat den grooten, gesloten wagen, waarin men mij afgehaald heeft, inspannen en den tuin binnen rijden!--Thans gaat haar eindelijk een licht op! En nu de voeten en armen gerept!"

Daarop klapte zij in de handen, als wilde zij kippen van een tuinbed jagen, en het kwikstaartje moest volgen. Vervolgens tastte zij naar haar buidel en toen zij dien vond, zeide zij geruststellend: "Goddank! Thans kan ik met die ongeloovige schurken praten! Deze taal"--en daarbij liet zij de goudstukken rammelen,--"verstaan zij allen! Kom, vrouwtje, waar schuilen die rekels?"

De wereldtaal van de matrone deed de gewenschte uitwerking, want de aanvoerder der veiligheidswacht liet zich met behulp van den tolk overhalen, om Paula in een wagen naar de gevangenis te brengen, beloofde haar aldaar een goed verblijf te bezorgen, en vergunde de oude Betta, die met heete tranen er op stond, de gevangene in den kerker te volgen.