De nijlbruid

Part 40

Chapter 403,751 wordsPublic domain

Het begon nu te dagen en de oostelijke hemel verfde zich bloedig rood, als wilde hij vooruit verkondigen, dat deze morgen bestemd was om een geweldigen strijd en gapende wonden te zien. Het zaad van het kwikstaartje begon te kiemen. De Wekil had op uitnoodiging van den bisschop eene bende ruiters de nonnen achterna gezonden met het bevel, de vluchtelingen naar Memphis terug te voeren en die haar begeleidden gevangen te nemen. Daar de boot de tolwachten ongemerkt voorbijgekomen was, hadden de ruiters zich moeten verdeelen, om ook langs den anderen Nijloever te zoeken. Twaalf ruiters waren den Phatmetischen arm gevolgd en deze waren naar alle berekening voldoende, om een paar dozijn vrouwen en een hand vol matrozen, die waarschijnlijk wel geen pogingen zouden doen, om zich te verweren, gevangen te nemen. De Wekil had geen kennis gedragen van de aanwezigheid van den werfopzichter en de zijnen. De vervolgers waren omstreeks den middag van den vorigen dag opgebroken en hadden een paar uren voor het aanlichten van den dag het schip in het gezicht gekregen. Doch hun aanvoerder achtte het raadzaam den aanval eerst te ondernemen bij helderen zonneschijn, opdat niemand ontvluchten mocht. Hij en zijne lieden waren Arabieren en goed bekend met de richting van den Nijlarm, dien zij volgen moesten, doch niet nauwkeurig met de eigenaardigheden ervan.

Zoodra de morgenster was ondergegaan, verrichtten de muzelmannen hun ochtendgebed en kwamen daarna achter de papyrusboschjes te voorschijn. Hun aanvoerder bracht de handen als spreekbuis aan den mond en riep de afvarenden toe, dat de boot moest stilhouden. Hij kwam op last van den stadhouder en had bevel gekregen die naar Fostat terug te voeren. De vluchtende schenen hem inderdaad te willen gehoorzamen, want de roeiers hielden de riemen in. De kapitein had in den spreker den aanvoerder van de veiligheidsbeambten in Fostat herkend, een streng man, en eerst nu werd het hem duidelijk in welk eene levensgevaarlijke onderneming hij zich had gestoken. Gewoon, om zich naar de bevelen der overheid te voegen, hare beambten wel te misleiden, maar haar zoo min als het noodlot te weerstaan, verklaarde hij het voor waanzinnig, om weerstand te bieden; er bleef niets anders over dan zich te onderwerpen.

Doch Rufinus weersprak hem levendig en bracht hem aan het verstand, dat dezelfde straf hem wachtte, hetzij hij de wapenen neerlegde of zich verweerde; en de oude opzichter van de werf riep vol vuur hem toe: "wij hebben uw boot gebouwd en ik ken u, Setnau; gij zult geen Judas voor ons worden en wilt gij het toch zijn, dan vloeit hier op dit dek christenbloed, voor wij de ongeloovigen de tanden toonen."

Doldriftig, terwijl zijn zuidelijk bloed begon te koken, sloeg de kapitein zich tegen borst en voorhoofd, schold zichzelven een bedrogene, een verloren man, en beklaagde zijne arme vrouw en kinderen. Doch Rufinus maakte aan dat razen een einde; hij had met de abdis gesproken en drukte den ongelukkigen man op het hart, dat hij van de ongeloovigen in geen geval genade had te wachten, maar dat hij gemakkelijk op christelijken bodem voor zich en de zijnen een goed en zeker heenkomen kon vinden. De abdis beloofde hem, dat zij hem en zijne familie mede zou nemen op het zeeschip en aan land zetten, waar hij het begeerde.

Setnau dacht aan zijn broeder op Cyprus; doch het gold thans zijn huis en tuin in Dumiat, waar thans aan een vijftal palmboomen de vruchten rijpten, het gold, zijne nieuwe en stevige Nijlboot, waarmede hij voor zich en de zijnen het brood verdiende, op te geven, en toen hij dit den grijsaard voorhield, biggelden bittere tranen langs zijne bruine wangen. Doch Rufinus verklaarde dat hij, wanneer het gelukte de nonnen te redden, op schadeloosstelling aanspraak had. Hij kon dan zelf de waarde van zijn have en goed opgeven, en men zou hem alle verlies uit den kloosterschat, die in de zware kist aan boord was, niet alleen vergoeden, maar hem bovendien nog eene mooie som uitbetalen voor al wat hij had doorstaan.

Hierop wisselde Setnau een veelbeteekenenden blik met zijn broeder, die ongehuwd was, en nadat hem was toegezegd, dat ook deze eene plaats op het zeeschip zou ontvangen, gaf hij den ouden man zijne rechterhand. Daarop schudde hij zijne leden als had hij wat af te werpen dat hem knelde, duwde het lederen kapje op zijn geschoren hoofd vermetel opzij, richtte zich in al zijne lengte op en riep den Arabier, die hem en andere Egyptenaars toch reeds meer dan eens met kwetsenden trots bejegend had, op hoonenden toon toe, dat als hij iets van hem hebben wilde, hij het kon komen halen.

Het geduld der muzelmannen was al lang uitgeput, en na deze uitdaging gaf de aanvoerder den zijnen een wenk en sprong hen vooruit in het water. Maar weldra zonken de voorste paarden zoo diep in het slib, dat het verder gaan onmogelijk bleek en het teeken moest worden gegeven om terug te keeren. Daarbij steigerde een weerspannig paard en zijn ruiter stikte in den modder. De verdedigers van het schip zagen hunne vijanden met levendige gebaren raad houden, en de kapitein sprak de vrees uit, dat zij het plan om de boot te nemen opgaven, maar naar Dumiat rijden en hen daar, vereenigd met de Arabische bevolking van die plaats, de vlucht afsnijden zouden. Doch hij had niet gerekend met den krijgsmanstrots dezer mannen, die in ontelbare veldslagen gansch andere hinderpalen te boven waren gekomen. De boot moest veroverd, die er in waren moesten gevangen genomen en gestraft worden.

Van het schip zag men hoe zes ruiters, en onder hen de bevelhebber, van hunne paarden stegen en ze aan elkander koppelden, om daarna met hunne slagbijlen drie hooge palmen te vellen, terwijl de vijf anderen naar het zuiden draafden. Deze moesten zeker om het moeras heengaan, om op een gunstiger plek den stroom over te steken, ten einde het schip van de westzijde aan te vallen, terwijl de vijf anderen op de palmstammen van de oostzijde zouden naderen. Aan den rechter, oostelijken oever van den rivierarm, waar de Arabieren het vlot maakten, lag droog akkerland, waardoor de weg naar Dumiat liep; aan den anderen oever in de nabijheid waarvan het schip lag, breidde het moeras zich zeer ver uit. Eene onafzienbare wildernis van papyrusriet en biezen, dat de droogte en de zonnehitte van dit jaar tot stroo hadden verdroogd, bedekte hier den op de meeste plaatsen uitgedroogden en harden moerasgrond, en toen er uit het noordoosten een krachtige morgenwind opstak, kwam de kapitein op een gelukkigen inval. Door deze verdorde en verschroeide plantenmassa hadden zich de vijf tegen hem afgezonden ruiters een weg te banen. Bracht men vuur in dat stroo langs een zijkanaal, dat de vlammen verhinderde zich noordwaarts uit te breiden, dan dreef de wind den ruiters de rook in het aangezicht. Zij mochten van geluk spreken, als zij niet stikten of gedwongen werden in den stroom te springen, terwijl zij reddeloos verloren waren, wanneer de vlammen hen bij het moeras bereikten.

Zoodra nu de scherpe oogen van den stuurman uit den top van den mast de Arabieren een eind verder zuidwaarts den stroom zagen doorwaden, werd het riet op verschillende plaatsen in brandgestoken en de vlammen grepen snel en wild om zich heen. De morgenwind dreef ze zuidwaarts, tegelijk met grijze rookwolken waarover de stralen der rijzende zon een stroom van licht uitgoten. Als reusachtige gele en roode hagedissen kropen, joegen en kronkelden zich de vlammen over den drogen bodem, schoten hier op, en zonken daar neer. Zonder flikkering bij helderen dag verslonden zij vraatzuchtig wat zij bereikten, en teekenden den weg dien zij gegaan waren af door witachtig stof. Hun adem verhoogde de hitte van den dag, die langzamerhand den middag naderde, en ofschoon de rook, door den wind voortgezweept, naar het zuiden dreef, zoo dwarrelden toch enkele wolkjes over de boot en benauwden de borst van de nonnen en hare beschermers.

Een groot Nijlschip kwam van Dumiat de rivier op en zag den smalle waterweg door het andere versperd. De kapitein was een bloedverwant van Setnau, en toen deze hem toeriep, dat het hier een strijd gold met Arabische roovers, volgde deze zijn raad, wendde zijn vaartuig met groote moeite en ging bij het naaste vlek voor anker, ten einde andere van het noorden komende booten te waarschuwen, om niet in dit gevaarlijk avontuur bekneld te raken. Die van het zuiden kwamen afdrijven werden vooreerst door den rook en het vuur teruggehouden.

De zes krijgslieden op den oosterlijken oever zagen met woede en ontzetting den steeds toenemenden vuurgloed; doch zij hadden de palmstammen reeds aan elkaar gebonden, en maakten zich gereed met behulp van dit vlot de onbeschaamde weerspannigen de verdiende tuchtiging te doen ondergaan. Maar dezen hadden ook niet stil gezeten. Ieder man aan boord voerde wapenen en een der scheepstimmerlieden was met een matroos uitgezonden om door het riet te sluipen, verder noordwaarts den vloed over te steken, en als de Arabieren den aanval begonnen hunne paarden af te maken, of zoo een mocht beproeven langs den eenigen weg naar Dumiat te ontkomen, dezen van het paard te halen.

Daar hingen de zes aan het luchtig saamgevoegde vlot, waarop hunne bogen en pijlkokers lagen. Zij stuwden het voor zich uit en het bleek hun op het watervlak te kunnen dragen, terwijl hunne voeten den slikkigen bodem maar even aanraakten. Het waren allen echte krijgers, echte zonen der woestijn en van hun volk, kerels als had de natuur, toen zij hen schiep, aan haar meesterwerk onder de gevleugelde schepselen, den adelaar, gedacht. Scherp van blik, stevig en toch fijn van beenderen, zonder overvloedige vleeschvorming aan de gespierde ledematen, met bruine, scherp besneden, karakteristieke aangezichten, waarbij niet enkel de gebogen neus aan den koning der vogels herinnerde, bezaten zij ook den moed en den bloedigen strijdlust en roofzucht van den adelaar. De magere, gespierde linkerarm van ieder klemde zich vast aan het vlot, en met het ronde schild in de rechterhand vingen zij, zoodra zij de boot op een schot afstand genaderd waren, de pijlen op, die van daar hun werden toegezonden. Woedend knarsten zij met hunne witte tanden, en ook het kleinste ontging niet aan hun valkenoog. Zij waren uitgegaan om te vallen, ook wanneer het schip in plaats van met een twintigtal matrozen en handwerkslieden, door vijftig Egyptische soldaten verdedigd werd. Het moedige hart gevoelde zich door het pantserhemd, de schrandere sneldenkende kop door den metalen helm beschut, en met minachting en vreugde bemerkten zij, hoe de pijlen met een matten klank op hunne schilden afstieten. Het was de begeerten hunner ziel den dood te brengen; den dood te ondergaan, daarvoor beefden zij niet terug, want in het geopende paradijs zag hunne gloeiende verbeeldingskracht weelderige vrouwen, die hen met wijd uitgespreide armen en volle bokalen de vervulling beloofden van al hunne wenschen.

Hun scherp oor verstond het zacht gefluister, waarmede de aanvoerder zijne bevelen gaf, en toen zij ter zijde van het schip gekomen waren, klemde éen zich vast aan het open venster van de kajuit, snel als de wind sprong de aanvoerder op zijn schouder en vandaar op het dek van het schip, nadat hij een matroos, die een bijl tegen hem zwaaide, met een lans had doorboord. Een tweede Arabier volgde hem op den voet, twee blanke kromsabels glinsterden in de zon, de schrille kreten van het woedend krijgsgeschreeuw der muzelmannen doortrilden de lucht, en als eerste offer van hun grimmigen strijdlust viel de kapitein, met een wijdgeopende wond over voorhoofd en aangezicht, achterover op den grond. Doch een oogenblik later stortte een zware ra op het hoofd van den aanvoerder der muzelmannen neer en bracht hem ten val. De stuurman had in zijne woede met dit wapen zijn gewonden broeder gewroken.

Een akelig geschreeuw, vermengd met het gegil en gejammer der vrouwen, vervulde het schip. De tweede muzelman verbreidde met den moed en de kracht der vertwijfeling den dood om zich heen, en het gelukte nog drie zijner strijdgenooten de boot te beklimmen; den laatste stieten de aangevallenen in het water. Van de scheepstimmerlieden waren reeds twee, van de matrozen vijf gevallen. Rufinus had zich bij den kapitein neergezet, die hevig bloedde, maar misschien nog te redden was. Hij legde linnen strooken over de groote, gapende wonden van den man, die zoo straks nog bezorgd over vrouw en kind had gesproken, en dien hij voor de zijnen behouden wilde. Daar suisde een sabelhouw op hemzelven neder en uit zijn achterhoofd en rug stroomde het donkere bloed. Doch ook zijn moordenaar ontging de wraak niet; de oude opzichter van de werf velde hem met zijne zware bijl.

Aan den oostelijken oever van den stroom maakten de uitgezonden boden de paarden van de Arabieren af, om te verhinderen dat een die ontkomen mocht naar Fostat zou vluchten of verder naar Dumiat rijden, om het gebeurde te verraden.

Aan boord van het schip werd het stiller en stiller. Alle vijf de Arabieren lagen op het dek en de woedende matrozen maakten de gewonden onder hen zonder erbarmen af. Een matroos, die in den mast was gevlucht, had gezien dat de vijf andere ruiters, om het vuur te ontkomen, juist ter plaatse van het moeras in den stroom gesprongen en in het water verdwenen waren. Zoo had van de muzelmannen zelfs niet één zich kunnen redden, die het lot en de poëzie zoo gaarne sparen, om de schrikkelijke tijding te verkondigen.

Langzamerhand waagden de vrouwen zich weder op het dek. Zij die geoefend waren in de verpleging van kranken en gewonden schaarden zich rondom de lijders en openden de artsenijkisten. Terwijl onder leiding van den stuurman de vaart werd voortgezet, hadden allen handen vol werk, en daar zij zich ijverig aan dezen arbeid wijdden, verdroegen zij gemakkelijker de hitte van den dag. De lijken van de vijf muzelmannen en acht christenen, waaronder zich twee der Grieksche scheepstimmerlieden bevonden, werden in de nabijheid van een dorp, van elkander gescheiden, aan den oever neergelegd, en de abdis gaf den eenen een tafeltje in de hand, waarop zij de woorden had geschreven: "Acht christenen, die uit noodweer als beschermers van vrome vervolgden, dapper strijdende den dood hebben gevonden. Bidt voor hen en begraaft hen, alsmede die anderen, die hen, gehoorzaam aan het bevel van hun aanvoerder, het leven hebben benomen."

Nadat Rufinus, wiens hoofd in den schoot van den hovenier rustte, die hem met het scherm der abdis voor den zonnebrand beschutte, weder tot bezinning was gekomen en rondgezien had, zeide hij met een blik op den scheepskapitein, die naast hem lag zacht in zichzelven: "Ik had ook eene vrouw en een lief kind te huis, en toch.... Hoe smartelijk is dat! Het geeft niet of men zich aftobt, om zulk eene smart te lenigen. Het eenige hier beneden wat werkelijk bestaat, is niet de vreugde het is de smart, de ellendige lichamelijke smart, en wanneer het bovendien daarbinnen dan nog bijt en brandt.... Water, een teug water.... Hoe goed zou ik het nu kunnen hebben bij mijne Johanna in onze schaduwrijke woning.... En toch, toch..... heelen, redden, onverschillig, wie hulp behoeft.... Nog een teug.... wijn en water, wanneer het mag, eerwaarde vrouw!"

De abdis had bij de hand wat hij begeerde, bracht hem den beker aan den mond, sprak hem vele hartelijke, vertroostende woorden van dankbaarheid toe en vroeg hem wat zij, als zij ontkwamen, voor hem en de zijnen doen kon.

"Heb de mijnen lief," zeide hij zacht. "Pul zal nu zeker in het klooster willen. Maar zij mag haar moeder niet verlaten. Johanna, Johanna..."

Meermalen herhaalde hij dien naam, alsof die welluidende klank zijn oor en zijn hart streelde. Vervolgens schudde hij herhaaldelijk zijne leden en prevelde: "Brrr! zoo'n koude huivering af en toe.... dat deugt niet.... Die houw in mijn rug, die... Aan mijn hoofd doet het wel meer pijn, maar die andere... 't Is leelijk, dat het links aankwam... Neen, het is goed zoo; want had hij--zat het daar rechts, zoo... dan kon ik niet schrijven, en ik wil, ik moet voor... het te laat is. Een tafeltje en een schrijfstift! Dadelijk, dadelijk.... En als ik geschreven heb, waardige vrouw, dan sluit gij het tafeltje goed, heel goed weg. Dat belooft gij mij! Alleen hij mag het lezen, voor wien het bestemd is.... Gij Gibbus! hoort gij, mijn Gibbus? Het is voor Philippus, den arts Philippus, dien zult gij het brengen! Die droom van de roos op uw bult.... Uit de ellende hier op aarde--verklaar ik het goed?--wassen vrede en vreugde daarboven. Alzoo voor Philippus! En dan; te Dumiat woont mijn oude schoolvriend, de arts Christodorus. Gij brengt mijn lijk bij hem, Gibbus! Gij luistert toch? Hij moet het in een kist met zand doen, om het voor bederf te bewaren, en te Alexandrië naast mijne moeder begraven. Dan kunnen Johanna en het kind.... dan kunnen ze mij bezoeken. Ik laat niet veel na. Wat dat alles kost...."

"Dat is mijne zaak, de zaak van het klooster!" zeide de abdis.

"Zoo erg is het nog niet gesteld," zeide de oude met een glimlach. "Wat mij aangaat, dat betaal ik; het uwe behoort aan de armen, waardige vrouw. Gij vindt hier in het taschje meer dan gij noodig hebt, Gibbus! Maar nu.... spoedig, spoedig.... het tafeltje!"

Toen hij het met de stift in de hand hield, dacht hij eerst een tijdlang na en schreef toen met bevende vingers en met inspanning van al zijne krachten. Hoe groot zijne smart was, kon men zien aan zijn saamgetrokken mond en zijne pijnlijke blikken. Doch hij liet zich daardoor niet afleiden, hoe vaak de hovenier en de abdis hem ook baden de stift uit de hand te leggen. Eindelijk haalde hij vrijer adem, sloot het dubbele tafeltje, overhandigde het aan de abdis en zeide: "Zoo... Goed wegsluiten! Aan den arts Philippus. Aan hem alleen eigenhandig; hoort ge, Gibbus?"

Thans verloor hij zijn bewustzijn, doch nadat men zijn voorhoofd en de wonden opnieuw verfrischt had, kwam hij weder bij en prevelde zacht: "Ik heb van Johanna en het arme kind gedroomd. Zij brachten mij een komisch masker. Wat zou dat wel beduiden? Dat ik mijn geheele leven een nar was, omdat ik voor het leed van anderen mijzelven en de mijnen vergat? Neen, neen! 'Zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen,'--als dat zoo ware, dan zou dwaasheid het ware en rechte zijn.--Ik, ik.... mijn wil, het doel waaraan mijn leven gewijd was...."

Hier bleef hij steken, daarna richtte hij zich plotseling in de hoogte, sloeg de heldere oogen naar boven en riep luide en blijmoedig: "O gij, mijn barmhartige Heiland! Ja, ja! Thans zie ik het in.... Dank, dank!.... Wat ik heb nagestreefd, waarvoor ik heb geleefd, daarvoor, o mijn Verlosser, die de liefde zelve zijt, daarvoor laat gij--o hoe genadig is dat, hoe doet het mij goed!--daarvoor laat ge mij sterven."

Wederom verloor hij zijn bewustzijn; zijn hoofd begon heeter te gloeien, zijn keel te rochelen, en over zijne droge lippen, die zorgvuldige vrouwenhanden vaak bevochtigden kwamen telkens de namen dergenen, die hij het meest lief had en onder hen ook die van Paula. Op de vijfde namiddagure viel hij in den schoot van den bultenaar en had uitgeleden. Een vriendelijk lachje breidde zich over zijne trekken uit en het stille gelaat van den man, die zooveel had rondgezworven, geleek in den dood dat van een kind.

Den hovenier was het, als had hij zijn eigen vader verloren en zijne radde tong bleef stom, tot hij met de geredde zusters te Dumiat kwam, en den laatsten wensch van zijn heer vervulde.

Het zeeschip der nonnen nam ook den verwonden bootskapitein Setnau, zijne vrouw, zijne kinderen, zijn broeder, den stuurman en de in leven gebleven scheepstimmerlieden aan boord.

Terzelfder ure, dat Rufinus de oogen sloot, verscheen de veiligheidswacht van Memphis onder aanvoering van bisschop Plotinos, en legde in naam van den patriarch Benjamin en van de Jacobietische kerk beslag op het Melchietisch Caecilia-klooster en al de bezittingen van de zusters-ziekenverpleegsters. Den volgenden morgen reisde de bisschop naar Opper-Egypte af, om den kerkvorst van zijn wedervaren bericht te geven.

NEGENDE HOOFDSTUK.

De arts Philippus stond haastig op van de rustbank, waarop hij naast zijn ouden vriend het ontbijt had gebruikt. Voor den grijsaard stond nog een half gevuld bord; hij had de spijzen minder haastig verslonden dan de ander, en met een afkeurenden blik zag hij den man aan die zooveel spoed maakte, dat hij den gemengden wijn staande door zijn keel goot, bij het genot waarvan hij vroeger, na het einde van den maaltijd, gaarne met Horus Apollon wat gepraat of een ernstig gesprek gevoerd had. Dat was voor den grijsaard altijd de aangenaamste ure van den dag geweest, maar thans gunde Philippus zich zelfs des avonds bij het hoofdmaal nauwelijks den tijd, om zich behoorlijk te verzadigen.

Ongetwijfeld werd niet alleen zijne, maar ook de krachtsinspanning van alle andere artsen in dezen tijd gevorderd. Bijna drie weken waren er verloopen sedert de verjaging der nonnen, en de ontzettende hitte van dezen zomer was sedert nog toegenomen. In plaats van te stijgen, daalde de stroom nog altijd lager; de uit Aethiopië komende duivenboden, die men dagelijks met verlangen en spanning te gemoet zag, wisten ook niets te melden van eene zwelling der wateren op den bovenloop van den stroom. Het bijna stilstaande, brakke water aan den oever begon thans door zijne onwelriekende uitdampingen zeer schadelijk te worden voor de gezondheid der geheele bevolking, inzonderheid in de nabijheid daarvan vertoonde de vloed eene roodachtige kleur, en het anders zoo reine, smakelijke water in de leidingen was van allerlei plantaardige bestanddeelen en vreemde lichamen bezwangerd, vuil en walchelijk om te drinken. De geringe lieden gaven zich gewoonlijk de moeite niet om het te zuiveren, en de meesten hunner werden aangetast door een nog onbekende, doodelijke, aanstekelijke ziekte. Het aantal offers nam toe met den dag en de groei van de komeet hield gelijken tred met de stijgende ellende van de stad. Ieder bracht het luchtverschijnsel in verband met dezen zomergloed, het uitblijven van den Nijl-was en het verschijnen van de pest. Over deze omstandigheid hadden de arts en zijn grijze vriend soms harde woorden met elkander; want Philippus wilde aan het gesternte geen invloed toekennen op het menschelijk leven, terwijl Horus Apollon er aan geloofde, en zijne zienswijze door eene lange reeks van voorbeelden wist te bekrachtigen. Voor zijn tegenstander hadden die voorbeelden geen kracht van bewijs; hij verlangde deugdelijke gronden, doch evenals iedereen zoo leefde ook hij onder den invloed van den angst voor eene aanstaande schrikkelijke gebeurtenis, die de aarde en de menschheid bedreigde.