Part 39
De moeder van den zwaar bestraften luisteraar, Katharina's voedster, was bij hem. Het kwikstaartje vergezeld van hare kamenier had hem opgezocht en zou zich gaarne vergewischt hebben of het haar zoogbroeder gelukt was, vóor zijn val iets af te luisteren. Doch de arme knaap was zoo zwak en leed zooveel pijn, dat zij geen moed vond, om hem met vragen te kwellen. Haar gang uit Samaritaansche barmhartigheid zou echter niet onbeloond blijven, want Orion met zulk een schoone, voorname vrouw te zien komen uit Paulas vroegere kamer, dat was iets buitengewoons, waarvoor het wel der moeite waard was de oogen wijd te open te doen. Zij zou gaarne tweemaal den weg naar het stadhouderlijk paleis hebben afgelegd, al ware het enkel om de kleederen en sieraden van deze uit den hemel gevallene vreemdelinge te zien. Zoo iets raakte in Memphis zelden verdwaald. Of niet deze bevallige, voorname dame eigenlijk de "andere" was en niet Paula? Kon Orion niet evengoed met de Damasceensche zijn spel gedreven hebben, als vroeger met haar? Daar in die kamer moest een zalig wederzien zijn gevierd, dat verried elke trek van het heiligen gelaat der blonde schoone. O die Orion! Zij had hem kunnen verworgen, doch het deed haar genoegen, dat er buiten haar nog anderen, en wel zulke edele en aanvallige anderen waren, die hij bedroog.
"Hij blijft!" had Heliodora reeds van den drempel de matrone toegeroepen, en deze had den jonkman de hand toegestoken met een innig: "Dat God het u loone!"
Zij verheugde zich ook over het gelukkig uitzicht van hare nicht; doch bij dit alles waren de oogen van de levendige vrouw toch overal, en toen zij Katharina opmerkte, die nieuwsgierig was blijven staan, wendde zij zich tot haar, begroette haar vriendelijk en vroeg Orion: "Eene zuster, of wel het nichtje, van wie gij ons verteld hebt?"
Hierop sprak de jonkman Katharina toe en maakte haar met zijne gasten bekend. Zij vertelde harerzijds wat haar hierheen had gebracht en deed het op zoo allerliefste en hartelijk medelijdende wijze--want zij was haar zoogbroeder en speelnoot oprecht genegen--dat zij der matrone en Heliodora zeer goed beviel en deze de hoop uitspraken haar recht dikwijls weer te zien. Nadat zij zich verwijderd had, zeide vrouw Martina: "Een bekoorlijk popje! Frisch en rein, als pas uit den dop gekropen, flink en netjes; en wat babbelt zij aardig!"
"En bovendien de rijkste erfdochter van Memphis, misschien wel van geheel Egypte," voegde Orion er bij. Daar hij echter bespeurde dat Heliodora bij deze opmerking de oogen bedroefd neersloeg, ging hij lachend voort: "mijne moeder had ons voor elkander bestemd, doch wij verschillen te veel in lengte, en passen ook overigens niet bij elkander."
Hierop nam hij afscheid van de vrouwen, begaf zich naar Nilus en gaf hem kennis van zijn besluit. Het verzoek om zijn uitblijven bij Rufinus te verontschuldigen en de dochter van Thomas voor hem te groeten, alsmede aan haar de beweegredenen duidelijk uit een te zetten, die hem terug hielden, had tot uitwerking, dat de stille, bescheidene man buiten zichzelven raakte van vreugde en zich veroorloofde Orion als een zoon te omarmen.
Tot omstreeks middernacht bleef de jonge gastheer met zijne gasten bijeen, en toen vrouw Martina hare beschermelinge den volgenden morgen een weinig vermoeid doch stil gelukkig wederzag, kon zij haar mededeelen, dat de mannen den Nijl reeds waren overgegaan, en waarschijnlijk met den stadhouder reeds alles in orde hadden gebracht. Doch groot was hare teleurstelling toen beiden na eenigen tijd terugkeerden en haar mededeelden, dat Amr na de wapenschouwing bij Heliopolis, in plaats van naar Fostat terug te keeren, regelrecht naar Alexandrië was gegaan. Daar moest hij nog gedurende eenige dagen verwijlen, waarna hij zich naar Medina zou begeven. Er bleef nu voor den senator niets anders over dan hem onverwijld na te reizen, en Orion bood zich vrijwillig aan hem daarheen te vergezellen.
Heliodoras vluchtige poging om hem terug te houden, leed schipbreuk op zijn ernstig en standvastig besluit. Deze reis moest echter alleen dienen om zijne eigene zwakheid en deze schoone vrouw te ontvluchten, die niets meer voor hem zijn kon en mocht. In den vroegen morgen had hij tijd gevonden om Paula te schrijven, maar hij had meer dan éen half voltooiden brief weggeworpen, voor hij de rechte woorden had gevonden. Ze zeiden haar, dat hij haar en haar alleen liefhad, en terwijl hij ze in het was grifte, had hij met ontevredenheid over zijn eigen gedrag gevoeld, dat zijn hart inderdaad aan Paula behoorde, was het besluit in hem gerijpt aan zijne betrekking tot Heliodora een einde te maken, en zich niet eerder aan zijne geliefde te vertoonen, vóór het hem gelukt was den band voor altijd te verscheuren, die hem aan de jonge weduwe verbond.
De vrouwen hadden de reizigers naar den wagen gebracht, en toen zij met gebogen hoofden, als verslagene krijgslieden, in de groote voorzaal terugkeerden, ontmoetten zij daar het kwikstaartje met hare kamenier. Martina wilde het meisje tegenhouden en overreden mede te gaan naar haar verblijf; doch Katharina voldeed niet aan haar verlangen en scheen groote haast te hebben. Zij kwam van haren zoogbroeder Anubis, die heden minder pijn had dan gisteren en haar, zoo goed het gaan wilde had medegedeeld wat hij vernomen had. Dat zij naar het noorden zouden vluchten, stond bij haar vast; doch hij had het reisdoel van de zusters of niet goed verstaan of vergeten. Zijne moeder en verpleegster waren buiten de kamer gezonden, en toen had het dankbare kwikstaartje zich over hem heen gebogen, zijn aardigen kop een weinig opgeheven en hem twee zulke hartelijke kussen gegeven, dat de arme jongen er waarlijk angstig van was geworden. Toen hij zich weder alleen met zijne moeder bevond, gevoelde hij zich gaandeweg beter, en de herinnering aan het onuitsprekelijk geluk, dat hem wedervaren was, had de groote smarten, die hij om Katharinas wil leed, meer en meer gelenigd.
Het kwikstaartje keerde niet terstond naar haar moeder terug, maar begaf zich onverwijld naar den bisschop van Memphis, dien zij alles vertelde wat zij vernomen had omtrent de bewoonsters van het Caecilia-klooster, en wat men voor haar gedaan had. De zachtaardige Plotinos geraakte bij deze mededeeling zeer in toorn, begaf zich, zoodra zij hem verlaten had, naar Fostat, om de hulp van den stadhouder, en daar deze afwezig was, van zijn Wekil in te roepen, ten einde te bewerken dat deze de vluchtende nonnen zou vervolgen.
Toen Katharina op haar kamer alleen was, zeide zij stil tevreden tot zichzelve, dat zij nu iets op het getouw had gezet, dat Orion zoowel als Paula de vreugde van menigen dag bederven, ja zoo zij hoopte voor beiden noodlottig worden zou.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De rentmeester Nilus had zich van zijn opdracht goed gekweten, en Rufinus moest toegeven, dat Orion het zijne gedaan en de voorbereidingen voor deze onderneming zoo voorzichtig en offervaardig had uitgevoerd, dat zijne persoonlijke medewerking niet onontbeerlijk scheen. Onder deze omstandigheden kon hij den jongeling nauwelijks euvel duiden, dat hij zijn persoon ter beschikking stelde voor zijne Byzantijnsche vrienden, maar zijn uitblijven verontrustte hem toch en maakte hem gejaagd, minder om der wille van zich zelven en de goede zaak als om Paula. Want het was noch hem noch zijne vrouw verborgen gebleven, hoe haar hart tot den jonkman werd getrokken. Vrouw Johanna ging het uitblijven van den jongen man nog nader ter harte dan hem, ja zij had het liefst haar man geheel teruggehouden van de onderneming, welker gevaren thans voor haar angstig gemoed vertiendubbeld werden. Maar zij wist dat zij eerder den Nijl kon doen terugvloeien, dan hem afbrengen van de belofte, die hij der abdis had gegeven, en zoo dwong zij zichzelve althans oogenschijnlijk kalm te blijven. In Paulas tegenwoordigheid verklaarde Rufinus, dat Orions uitblijven gerechtvaardigd was en roemde zeer de vrijgevigheid waarmede hij voor de Nijlboot en het zeeschip gezorgd, en de uitstekende mannen die hij in zijne plaats gesteld had. Pulcheria verblijdde zich in de onderneming haars vaders en het liefst ware zij meegegaan, om hem te helpen hare dierbare nonnen te redden. De opzichter van de werf was niet enkel met zijne zonen, maar met nog drie andere Grieksche geloofsgenooten en handwerksgezellen verschenen, die bij den lagen waterstand, waardoor de scheepvaart thans zeer beperkt was, zonder werk rondliepen. Gaarne namen zij deel aan zulk eene goede zaak, die bovendien beloofde winstgevend te zijn, daar Orion den ouden meester rijkelijk van geld had voorzien.
Met de koelte, die na zonsondergang inviel, was er verbetering gekomen in Paulas toestand. Zij begreep waarlijk niet wat zij van Orions uitblijven te denken had. Nu eens maakte zij zich angstig, dan weder verheugde zij zich, want misschien bleef hij bewaard voor groote gevaren. Zij had hem in de eerste dagen na zijn terugkeer uit Konstantinopel de goedheid en de gastvrijheid van het senatorenpaar hooren roemen, terwijl de Mukaukas, wien alle herinneringen aan de hoofdstad dierbaar bleven, met hem instemde. Het moest hem lief zijn juist aan deze vrienden zijn bijstand te verleenen, en Nilus, die haar van ganscher harte was toegedaan, had bijzonderen nadruk gelegd op Orions groet aan haar. Mogelijk kwam hij morgen, en hoe meer zij terugdacht aan zijn woord, dat hij vriendelijk vertrouwen nog nimmer bedrogen had, des te levendiger gevoelde zij zich gedrongen om, in strijd met den raad der abdis elke bedenking te laten varen de neiging haars harten te volgen en vol vertrouwen en zaligheid reeds nu de zijne te worden.
De afnemende maan was nog niet opgegaan en de nacht duister, toen de nonnen begonnen op te breken. De groote Nijlboot kon, bij den lagen stand van den stroom, alleen op tamelijken afstand van den oever, bij den kloostertuin landen, en de zusters, die zich verkleed hadden als Egyptische boerinnen, moesten een voor een aan boord gebracht worden. Men wilde de abdis het laatst door het slikkige oeverwater dragen en de oude opzichter van de werf had zich voorbehouden haar dezen dienst te bewijzen. Vrouw Johanna, Pulcheria, de voedster en ook de orthodoxe Grieksche opvoedster Eudoxia stonden rondom haar, terwijl zij Paula bij het geven van den afscheidskus toefluisterde: "God zegene u, mijn kind! Hij blijft nu bij u en dus zal het dubbel noodig zijn aan uwe belofte indachtig te zijn," en toen Paula haar fluisterende antwoordde: "Ik ben hem in de eerste plaats vriendelijk vertrouwen schuldig," hernam de abdis: "En aan uzelve standvastigheid en voorzichtigheid."
Rufinus bleef het laatst aan den oever staan, terwijl zijne vrouw en dochter hem omarmden. "Neem een voorbeeld aan dit arme kind!" zeide de grijsaard tot zijne gade, terwijl hij haar innig aan zijn hart drukte. "Zoo waarachtig de mensch de maatstaf is aller dingen, oudje, zoo zeker moet het ditmaal best met mij afloopen, wanneer de eeuwige liefde daarboven niet sluimert. Tot wederziens, allerbeste vrouw, en wanneer uw dwazen man eenig kwaad overkomt, erken dan altijd dat hij het zich op den hals haalde, om een paar dozijn onschuldige menschen voor het ergste te vrijwaren. In elk geval blijf ik op den weg, dien ik mij heb aangewezen. Maar waarom is mijn Philippus niet hier bij het afscheid?"
Vrouw Johanna begon bitter te weenen en zeide: "Dat, ook dat is zoo treurig! Hoe komt het, dat hij zoo van ons vervreemdt en juist nu?--Ach man, als gij mij lief hebt, neem dan Gibbus mede op reis?"
"Ja, heer, neem mij mede," voegde de gebochelde hovenier er bij. "Tegen den tijd dat wij terug zijn stijgt de Nijl zeker en intusschen kunnen de bloemen ook zonder mijne hulp verdorren. Ik heb heden nacht gedroomd, dat gij een roos hadt afgebroken van den bult hierachter. Zij zat er midden op als de knop op het deksel van een pot. Dat heeft wat te beteekenen, en laat ge mij achter, wat wordt er dan van de roos, dat wil zeggen, wat goeds kan ik dan voor u doen?"
"Draag dan, wat mij betreft, uw zonderling bloembed mede op het schip," zeide de oude lachend. "Zijt gij nu tevreden, Johanna?"
Nu omarmde hij haar en Pulcheria nog eens, en toen hem daarbij eene traan uit het oog zijner vrouw op de hand viel, blies hij haar in het oor: "Gij zijt de roos van mijn leven geweest, en zonder deze geen heerlijk eden, geen paradijs."
De groote Nijlboot stak van wal naar de diepere bedding van den stroom en de duisternis onttrok hen weldra aan de oogen der achterblijvende vrouwen. Het gelui der kloosterklok klonk de vluchtelingen achterna, het waren Pulcheria en Paula die deze in beweging brachten.
Geen windje woei er, zelfs het kleine zeil van het stroomafwaartsvarende Nijlschip kon niet uitgezet worden, maar de matrozen haalden de riemen aan met alle kracht en zoo gleed het schip al verder en verder naar het noorden. De ervaren kapitein stond met een boom op de plecht van de boot, om de diepte te peilen; zijn ervaren broeder zat aan het roer. Het wenden van de boot ging moeielijk bij dezen lagen waterstand, en ook de beste kenner van den stroom kon gemakkelijk op onbekende ondiepten stooten, ontstaan door nieuw slik, dat bij den geringen waterafvoer zich had vastgezet. Toen de maan nauwelijks was opgegaan, zat het vaartuig dan ook eenige stadiën onder Fostat vast, en de matrozen moesten te water, om het onder luid gezang, met inspanning van al hunne krachten weer los te wringen en vlot te krijgen. Zulk een oponthoud volgde meermalen tot zij te Letopolis waren gekomen, waar zij bij de verdeeling van den stroom, zoo mogelijk ongemerkt, de tolwachters voorbij moesten. Tegen alle verwachting bleef het groote vaartuig onzichtbaar in de nevels, die vóor zonsopgang van het watervlak opstegen. Zoowel de kapitein als de manschappen, schreven dit toe aan de voorbidding van de vrome zusters, en met nieuwen moed bezield stuurden zij het schip in den Phatmetischen Nijlarm.
Bij helder daglicht waren de ondiepten gemakkelijk te ontwijken, maar hoe smal was de waterader, die anders in deze maand zoo verbazend kon zwellen! De boschjes van papyrusriet aan den zoom van het stroombed stonden hier en daar op drogen bodem en hun spichtig groen was voor een deel in geelachtig stroo veranderd. Het weeke oeverslib was tot eene steenachtige massa verhard, en een witachtige stof werd daarover gestrooid door den zachten westenwind, die begon op te steken, zoodat men een zeil kon spannen. Op vele plaatsen was de grond gebarsten en diepe spleten liepen er door de zwartachtige oppervlakte, die als dorstige kelen ten hemel gaapten, begeerig naar drenking. De schepraderen stonden op drogen bodem bezijden den stroom, die zich uit hunne nabijheid had teruggetrokken en de akkers, die nog kort geleden door hen begoten waren zagen er uit als de dorschvloer, waarop men de vruchten dorscht, die zij gedragen hebben. De dorpen en palmboschjes waren gehuld in een dichten damp, waardoor de heete zonnestralen schitterden met geelachtigen glans, en de wandelaars op de hooge dammen langs den oever, sleepten met gebogen hoofden hunne voeten voort door het zware stof van den weg.
De zon goot meedoogenloos haar brandenden gloed van den wolkenloozen hemel uit over de aarde, den stroom en de vluchtende nonnen, die witte doeken over hunne hoofden hadden uitgespreid en in doffe gevoelloosheid haar verder lot afwachtten. De aarden kruik met Nijlwater ging van de eene hand in de andere over, doch hoe meer zij dronken, des te hooger steeg het onaangenaam gevoel en het verlangen naar nieuwe verfrissching. Op het etensuur keerden de schotels bijna onaangeroerd naar de kleine kajuit terug. De abdis en Rufinus zochten de zusters moed in te spreken, doch in den namiddag werd ook de grijze abdis door een flauwte overvallen. In de kleine, bedompte kajuit, waarin zij zich terugtrok, was het echter nog minder uit te houden dan op het dek. Zoo verliep een lange, pijnlijke dag, de heetste die de matrozen zich konden herinneren. Nochtans leden dezen er het minst onder, hoewel zij met wonderbare volharding van den vroegen morgen tot den laten avond aan de riemen zaten.
Eindelijk volgde de avond op deze schrikkelijke namiddaguren. Toen zich even voor zonsondergang een koeler windje verhief en de voorhoofden verfrischte, waarop de zweetdroppels parelden, ontwaakten de neergedrukte en gemartelde vrouwen tot een nieuw leven. Dat pijnlijk gevoel van het oogenblik had hen zoo beheerscht, dat zij onvatbaar waren voor vrees of hoop en geheel buiten staat, om over de toekomst te peinzen. Maar thans begonnen zij te denken aan den langen weg, dien zij hunne vervolgers vooruit waren. De avondmaaltijd smaakte de hongerenden, de abdis onderhield zich vriendelijk met den wakkeren opzichter van den scheepstimmerwerf en begon met Rufinus een ernstig gesprek aan te knoopen over Paula en Orion. De wensch van de oude vrouw, om Orion een proeftijd op te leggen, wilde den ouden heer niet bevallen. Aan de zijde van zulk een geliefde zou hij ook zonder dat de degelijke jonkman toonen te zijn, waarvoor hij hem hield, ondanks zijn wegblijven.
De gebochelde hovenier bracht met zijne grappen de jongere nonnen aan het lachen, en na den maaltijd vereenigden de zusters zich tot een gemeenschappelijk gebed. Ook de roeiers gevoelden zich krachtiger en levenslustiger, en het was goed dat maar enkele onder de Grieksche nonnen Egyptisch verstonden, want een grappenmaker onder de matrozen begon een liedje te zingen op de schoonheid van zijn liefje, dat niet voor vrouwenooren gemaakt was.
Al pratende dachten de zusters aan die zij achterlieten en menigeen sprak vol hoop over het wederzien, dat hun in het vaderland wachtte, maar eene oudere non verbood hun dit; want het was zondig, Gods genade vooruit te loopen, en waar men zijne hulp nog zoo noodig had, te spreken, als had hij haar in zijne barmhartigheid reeds verleend. Zij moesten beangst zijn en bidden, want zijzelve wist bij ervaring dat een dreigend onheil dan alleen ten beste wordt gekeerd, wanneer men er zeer voor gevreesd heeft. Daarop begon eene andere zuster te berekenen, of de vervolgers haar te voet of te paard zouden inhalen, en daar dit laatste haar zeer mogelijk voorkwam, klopte hare harten weder beangst.
Doch daar ging de maan op en wat zich aan den zoom van den Nijlarm verhief en zich in de gladde watervlakte weerspiegelde, nam weder bepaalde vormen aan, en verloor daardoor het schrikaanjagende, dat de gemoederen beklemde. Hoe verder zij voeren, des te dichter schenen de papyrusboschjes langs den oever. Duizenden vogelen nestelden daarin, maar zij sliepen allen, en eene diepe, tastbare duisternis was zwijgend over het landschap uitgespreid. Als een reuzenlotus, te midden van kleine, geurige lotusbloemen, die zij in glinsterende blankheid nog overtrof, dreef het spiegelbeeld van de maan over het donkere water. Het schip liet een lichtende streep achter zich, en na elken riemslag schitterde het op den vloed en de zachte lichtstralen weerspiegelden in glinsterende druppels. In de donzige pluimen van de toppen der slanke papyrusstengels speelde het schijnsel der maan, een dunne sluier als van fijn violet zilverbrokaat omhuifde de boomen, en dagschuwe uilen vlogen met gelijkmatigen, onhoorbaren vleugelslag van den eenen top naar den ander.
De betoovering van dezen nacht bij maneschijn greep ook de zielen der nonnen aan. Zij staakten hare gesprekken; doch toen zuster Martha, de jonge nachtegaal van het klooster, een vroom gezang aanhief, volgden de anderen haar ongenoodigd. De schertsende liederen der matrozen verstomden, en zacht als het wandelend maanlicht omzweefden het stil voortglijdende schip de psalmen en hymnen der maagdelijke zusters, die de hulp des Allerhoogsten inriepen. Urenlang en, wijl de komeet aan den hemel stond, met bijzonderen ijver, gaven zij zich over aan de geruststellende zielsverheffende vreugde van het zingen; doch langzamerhand verloren die stemmen haar kracht, en zacht, droomerig vermoeid ging met den stillen loop van den stroom haar vreedzaam lied zeewaarts. Ieder zag voor zich of richtte het oog dweepend nu eens ten hemel, dan weder naar het tintelende water en de lotusbloemen aan zijne oppervlakte. Niemand lette op den oever, ook de mannen niet, die door het zacht gezang in slaap waren gewiegd of meer droomden dan waakten.
De blik van den kapitein was op het bed van den stroom gericht, toch bespeurde hij, toen de morgen niet ver meer was, aan den oostelijken oever van tijd tot tijd bliksemende lichtstralen achter de rietboschjes; toch was het of er nu en dan in het riet iets ruischte en knakte. Zou er een jakhals in de dichte massa der woekerplanten zijn gebroken, om het nest van een watervogel te overvallen, of zocht een hyena zich door de rietstengels baan te breken? Die flikkerlichten, dat knakken en nu weer die doffe slagen op den harden grond, dat alles volgde de boot in dezen nacht als een haar onheilbrengende, lichtende en hoorbare schaduw.
Opeens verschrikte de aanvoerder en richtte hij zijn blik naar het oosten. Wat was dat? Misschien weidde er eene kudde runderen op de akkers achter het riet, mogelijk waren het twee stieren, die met de horens tegen elkaar stieten. De vloed was zoo laag en zijne oevers zoo hoog, dat men volstrekt niet kon waarnemen wat daar gebeurde. Maar eene schelle stem riep hem en de gebochelde hovenier zeide op gedempten toon: "Dáar, dáar... daar flikkert het weer, en... ik wil mijn eigen neus opeten, als dat niet... daar weder... Barmhartige God, ik vergis mij niet; het is paardengetrappel! En daar... dat was hinniken. Ik ken het... daar begint het in het oosten te dagen. Bij alle heiligen, wij worden vervolgd!"
De kapitein zag met inspanning van al zijne zintuigen in de richting van het oosten, en nadat hij een tijd lang gezwegen had, zeide hij op zeer beslisten toon: "Ja!"
"Zoo stelt de vogelaar een net voor een zwerm kwartels," zeide de hovenier met een zucht; doch de ander gaf hem knorrig door een teeken te verstaan, dat hij zwijgen zou en tuurde opmerkzaam rond. Daarna beval hij den bultenaar Rufinus en de werklieden te wekken, en de nonnen in de kajuit te brengen.
"Zij zullen zich daar voelen als ingelegde dadels, die men in doozen naar Rome stuurt," prevelde de hovenier in zichzelven, terwijl hij Rufinus ging opzoeken. "Arme zielen, haar heilige moge ze voor stikken bewaren! En ik, in waarheid, als vrouw Johanna niet zulk een trouwe ziel was op twee beenen, en ik niet gezworen had bij mijn meester te blijven, dan sprong ik nu in het water, om een tijdlang de gastvrijheid van de flamingos en ooievaars in het riet te genieten. Men moet zichzelven kunnen vernederen!"
Terwijl hij zijn last volbracht, overlegde de kapitein met zijn broeder aan het roer. Er was in de nabijheid geen brug en dat was goed. Als die ruiters daar ginds vervolgers waren, dan moesten zij door het water, om bij hen te komen, en nauwelijks drie stadiën stroomafwaarts werd het rivierbed breeder en vloeide de stroom door eene moerassige streek. Het eenige diepe vaarwater was aan den westelijken oever, en mannen te paard, die daar heen komen wilden, stelden zich bloot aan het gevaar om in het slib weg te zinken. Gelukte het hen tot zoo ver te komen, dan was er veel gewonnen. Moedig en op ernstige dingen voorbereid, spoorde de schipper de matrozen aan om alle krachten in te spannen, en weldra dreef het vaartuig dicht langs den westelijken oever van den vloed en was van de oostelijke door eene breede uitgestrektheid slib gescheiden.