De nijlbruid

Part 38

Chapter 383,823 wordsPublic domain

Zij droogde daarbij hare oogen af en tegelijk de zweetpaarlen op haar voorhoofd, en haar gemaal voegde de betuiging van zijne deelneming over den dood van den Mukaukas bij de hare. Het was een aangenaam, vroolijk paar, die Justinus met zijne Martina: twee menschen, die zich zoo recht te huis gevoelden in hun grooten, door erfenis verkregen welstand, en die, ofschoon van hooge geboorte, nooit met hun adeldom te koop behoefden te loopen, daar hun die in de oogen van groot en klein toekwam. Zij hadden zich het recht veroverd, om in de stijve vormen van de deftigste gezelschappen natuurlijke menschen te blijven, en wie den vrijen toon van hun huis niet beviel, die konden wegblijven. Hij, zonder eerzucht, senator ingevolge zijne bezitting en zijn naam, was er steeds op bedacht van deze schijnbare waardigheid nooit een ander gebruik te maken, dan om bevoorrechte dienaars van het huis betrekkingen of de zijnen bij feestelijke gelegenheden goede plaatsen te bezorgen, en toonde zich overigens een gastvrij heer, een vriend zijner vrienden, die even gaarne prettig leefde als leven liet. Martina was eene doodgoede matrone, die nooit aanspraak had gemaakt op schoonheid, maar om wier hand toch velen hadden gedongen. Sedert lang vond dit echtpaar het nergens heerlijker dan in de hoofdstad of op hunne villa aan den Bosphorus, en het versmaadde daarom het genot van andere voorname en rijke personen, om baden te bezoeken of nu en dan op reis te gaan. Zij vonden er hun genoegen in het goede vrienden in hun huis aangenaam te maken; en aan de zoodanigen was nooit gebrek, vooral ook omdat zij, die aan het Byzantijnsche hof den rug moede hadden gebogen, in hun ongedwongen kring bijzonder behagen schepten.

De jeugd koos Martina gaarne tot haar vertrouwde en ook Heliodora, de weduwe van haar eigen neef, was met haar harteleed tot haar gekomen; zij toch had Orion in hun huis leeren kennen. Heliodora was de lieveling van het oude paar, maar hoog, hooger dan zij, stond in beider achting de jongere broeder van haar gestorven gemaal. Deze was bestemd geweest hun erfgenaam te worden, doch zij hadden hem twee jaren lang beweend, daar de tijding tot hen gekomen was, dat Narses die als tribuun onder de keizerlijke ruiters had gestaan, in den strijd tegen de ongeloovigen was gevallen. Intusschen was niemand in staat nadere zekerheid te geven van zijn dood, tot hunne onvermoeide nasporingen aan het licht hadden gebracht, dat hij door de Saracenen gevangen was genomen, en in Arabië als slaaf diende. Door Orion en zijn gestorven vader hadden zij de bevestiging van deze tijding en weinige uren na de afreis van den jongen Egyptenaar een met bevende hand geschreven brief van den verlorene ontvangen, waarin hij hun smeekte zijne verlossing door Amr, den stadhouder van Egypte, te bewerken. Het bejaarde paar was nu op reis gegaan en Heliodora had het hare er toe bijgebracht om hen tot dezen stap te bewegen. Haar verlangen naar Orion, wien zij een vol jaar had toebehoord met al de toewijding van een teeder gemoed, was sedert zijn vertrek van uur tot uur toegenomen, en zij had dit der matrone niet verheeld. Deze hield het weder voor haar plicht het arme, minzieke kind bij te staan, want Heliodora had haar echtgenoot, den neef van den senator, tot aan zijn einde met roerende trouw en zorgvuldigheid verpleegd, en bovendien was zij, Martina, het geweest, die den jongen Egyptenaar, die "het haar gedaan had," de gelegenheid had aangeboden om de jonge weduwe te ontmoeten. Die twee wáren immers voor elkander geschapen, en te koppelen was haar grootste genot. Maar in dit geval hadden alleen de harten, niet de handen elkander gevonden, en het was voor Martina eindelijk zeer pijnlijk geworden, als zij Orion en Heliodora door de geheele wereld en met alle recht een verloofd paar hoorde noemen.

Eens had zij den jongen Egyptenaar op hare innemende manier recht ernstig aangesproken en ten antwoord ontvangen, dat zijn vader, een Jacobiet, hem nooit zou vergunnen met eene vrouw van eene andere geloofsbelijdenis te huwen. Daar had zij toen weinig tegen kunnen inbrengen; doch zij had vaak gedacht, als ik Heliodora maar eens aan den ouden Mukaukas voorstellen kon, dan zou hij, dien zij jaren geleden in de hoofdstad had gekend als de schoone jonge vriend van aanminnige vrouwen, zijn tegenstand wel hebben opgegeven. Haar lieveling bezat inderdaad alles, wat in een vaderhart de oprechte wensch kon doen opkomen haar met zijn zoon te verbinden. Zij was van goeden huize, de weduwe van een aanzienlijk man, rijk, pas twee-en-twintig jaren oud, en bezat eene schoonheid, die oud en jong in verrukking moest brengen. Martina meende geen lieftalliger, zachter schepseltje te kennen. Hare groote, smachtende oogen, ze noemde ze "biddende", moesten een steen vermurwen, en haar blond, licht golvend haar was zoo zacht als haar gemoed. Daarbij kwam hare gevulde, buigzame gestalte, en de wijze waarop zij zich wist te kleeden, te zingen en de luit te tokkelen! Niet zonder reden trachtte al wat jong en voornaam was te Konstantinopel hare gunst te verwerven. Kon de oude Mukaukas haar maar eens hooren lachen! Er was niets vroolijkers te bedenken dan dit gelach, dat helderder klonk dan eene klok. Zij stond in geestes-ontwikkeling nu juist niet bijzonder hoog, maar evenmin kon men haar onnoozel noemen. Al te verstandige vrouwen vielen niet altijd in den smaak van iedereen.

Toen tot de reis naar Egypte besloten werd, stond het van te voren bij Martina vast, Heliodora mede te nemen en in Memphis de plagerij, die hare lieveling op ieders tong had gebracht, tot ernst te doen worden. Toen zij nu te Alexandrië vernam, dat de Mukaukas Georg inmiddels gestorven was, hield zij het spel voor gewonnen. En nu waren zij te Memphis, nu zat Orion voor haar en nu noodigde de jonge man haar en haar geheele gevolg dat uit een twintigtal personen bestond, bij zich in zijn huis. Het sprak vanzelf dat de reizigers aan dezen eisch van het gastrecht gaarne gevolg gaven, en er werden terstond toebereidselen gemaakt tot de verhuizing.

Justinus vertelde wat hem bewogen had naar Egypte te gaan en verzocht Orion om zijne hulp. De jonkman had den neef des senators als een der schitterendste en beminnenswaardigste jongelieden in de hoofdstad gekend, en het deed hem oprecht leed, de vrienden te moeten mededeelen dat de man, die de bevrijding van den gevangene gemakkelijk bewerken kon, overmorgen naar Medina dacht te vertrekken, terwijl hijzelf zich gedwongen zag nog hedenavond voor onbepaalden tijd op reis te gaan. Hij bemerkte, hoe deze zeer stellig uitgesprokene verzekering het oude paar teleurstelde en bedroefde, en op aandringen van den senator deelde hij hem en zijne gemalin onder het zegel der gestrengste geheimhouding mede, wat hem van hier riep en welk een gevaarlijk waagstuk hij op zich had genomen te volbrengen. Hij had zijn verhaal begonnen in de overtuiging, dat zijne orthodoxe gasten er mede ingenomen zouden zijn, maar tot zijne verbazing keurden beiden zijn voornemen af, en dat, gelijk zij verzekerden, niet alleen om hun zelven en de hulp die zij van hem verwachtten.

De senator maakte hem opmerkzaam, dat hij het natuurlijk hoofd was der Egyptische bevolking van zijn vaderland en dat hij door zulk een onderneming zijn gezag ondermijnde bij hen, wier leiding hem toekwam als de zoon van zijn vader. Zijne eerzucht moest hem voorschrijven naar die leiding te streven, en in plaats van den patriarch door zulk een avontuur in het aangezicht te slaan, was het zijn plicht, hand aan hand met den prelaat, wiens macht hij veel te gering schatte, zijne geloofsgenooten een dragelijk bestaan te bezorgen in dit door de muzelmannen veroverde land.

Paulas naam werd in dit gesprek niet genoemd, doch Orion dacht aan haar en bleef standvastig bij zijn besluit, ofschoon eene stem in zijn binnenste zich er heftig tegen verzette. Om echter de vrienden te toonen hoeveel er hem aan gelegen was hun welgevallig te zijn, sloeg hij hun voor terstond met Justinus den stroom over te gaan en zijne zaak den stadhouder Amr voor te dragen. Een blik naar buiten deed hem zien, dat er voor zonsondergang nog ongeveer anderhalf uur moest verloopen. De rit met zijn snelvoetige Pannonische rossen behoefde niet meer tijd in beslag te nemen, en gedurende zijne afwezigheid met Justinus kon de verhuizing plaats hebben. Reeds hielden vrachtwagens uit het stadhouderlijk paleis voor de herberg stil, en andere wagens waren later besteld, om de lieve gasten naar hun nieuw verblijf te brengen.

De senator nam den voorslag van den jongeling aan, en terwijl beide mannen zich verwijderden, riep mevrouw Martina Orion achterna: "Mijn senator zal u onderweg wel bewerken, en wanneer gij zijn verstandig voorstel aanneemt, ontvangt gij daarna eene schoone belooning. De goudtalenten niet ontzien, oudje, tot de veldheer belooft voor de bevrijding van den jongen te zullen zorgen.--Luister naar mij, Orion, en laat die dwaze streek varen."

De zonneschijf was nog niet geheel achter de Lybische bergen verdwenen, toen het snuivende met wit schuim bedekte vierspan het stadhouderlijk hof weder binnenreed. De mannen hadden helaas niets uitgericht, want Amr hield eene wapenschouwing over de troepen tusschen Heliopolis en Oniou en werd eerst in den nacht of morgen vroeg terug verwacht. De verhuizing uit de herberg was afgeloopen, en men zag de blanke slaven van het senatorspaar reeds tusschen de bruine en zwarte van het stadhouderlijk huis. Vrouw Martina was in verrukking over haar nieuw verblijf, en over de prachtige haar ten deele onbekende bloemen, waarmede de lijdende huisvrouw de beide groote ontvangzalen als een welkomstgroet had laten opsieren, doch het mislukte bezoek in Fostat viel als honingdauw op hunne vroolijke stemming.

Orion, zeide zij, moest dit ongelukkig gesternte als een godsoordeel beschouwen. De hemel zelf verlangde, dat hij zijn avontuur zou opgeven en zich tevreden stellen met de voorbereiding van dat edele werk, dat ook zonder hem uitvoerbaar was, om een ander werk, waarbij zijne hulp dringend noodig was, alleen uit vriendschap ten einde te brengen. Hij echter gaf opnieuw zijn leedwezen te kennen, dat hij ondanks alles zich moest vasthouden aan zijn genomen besluit, en als Martina hem vroeg: "Ook wanneer mijn geschenk u bij uitnemendheid welgevallig is," antwoordde hij met een droevig hoofdknikje, als wilde hij zeggen, "helaas, ook dan!"

"Dat zullen we zien," hernam zij op luchtigen toon, waarna zij met ernst vervolgde: "Ieder mensch heeft iets eigenaardigs, wat zijn bijzonder karakter uitmaakt en wat hem goed staat: zoo hebt gij uw beminnenswaardig voorkomen, mijn zoon! Maar zoo vast op éen stuk te blijven staan, dat past niet voor u, dat staat u zoo vreemd, en is juist het tegendeel van hetgeen ik bij u beminnenswaardig noem. Wees u zelf, ook in dit geval!"

"Dat wil dus zeggen, zwak en bereid om in te willigen, inzonderheid wanneer goedhartige vrouwen..."

"Als oude vrienden u smeeken," verbeterde zij snel; doch voor zij verder ging, wendde zij zich tot haar gemaal en zeide: "Lieve God, man, kom eens hier aan het venster! Hebt gij ooit zulk een gloed van purper en goud aan den hemel gezien? Het is waarlijk als stonden die oude pyramiden en geheel Egypte in vlammen. Maar nu, groote Sesostris"--zoo noemde zij Orion, als zij goed in haar humeur was--"nu is de tijd gekomen, om u te laten zien wat ik voor u heb medegebracht. Eerst deze ring," en daarbij overhandigde zij hem een kostbaren armring, met gesneden steenen van oud-Griekschen arbeid bezet, "en dan--neen, neen, nog geen dank--en dan... Het ding is nogal groot, en bovendien... Volg mij maar." Met deze woorden liep zij uit de ontvangzaal naar het voorvertrek, ging hem tot aan de deur van de kamer vooruit, die eerst Paula en toen hemzelven gehuisvest had, opende die even, wenkte hem binnen te gaan, en schoof Orion met een vluchtig: "Ziedaar, daar hebt gij het" over den drempel.

Heliodora stond dicht bij het venster. De lichte weerschijn van de ondergaande zon omscheen hare slanke en toch gevulde lenige gestalte; hare smeekende oogen zagen hem met eerbiedige bewondering aan, en de over de borst gekruiste blanke armen gaven haar het aanzien van eene heilige, die met smachtend verlangen, in het vooruitzicht van onuitsprekelijke zaligheid, deemoedig een wonder wacht.

Ook vrouw Martinas oogen waren op hem gevestigd en zag, hoe hij bij den aanblik der jonge vrouw doodsbleek werd, hoe hij door een zeker, zij wist niet welk, gevoel aangegrepen hevig verschrikte en voor de met een krans van licht omgevene gestalte daar aan het venster terugtrad. Zulk een uitwerking had de goede matrone niet van deze verrassing verwacht. Behalve op het theater kon zij zich niet herinneren ooit een man gezien te hebben, die zoo door de liefde werd aangegrepen, want zij vermoedde niet dat het hem was als had zich plotseling een gapende afgrond voor zijne voeten geopend. Met eene behendigheid, die niemand van de matrone met haar zwaar, dik lichaam verwacht had, keerde vrouw Martina daarop haastig naar haar man terug, en riep hem reeds van den drempel toe: "Alles is goed, alles is in orde! Bij haar aanblik was het, als had de bliksem hem getroffen. Let op--daar wordt hier aan den Nijl nog bruiloft gevierd."

"Mijn zegen erop," antwoordde de senator, "maar bruiloft of geen bruiloft, als zij dien kostelijken jongen maar zoo van de wijs brengt, dat hij dit dolle avontuur uit zijn hoofd zet. Ik heb gezien dat ook die bruine kerels bij de Arabieren voor hem ter aarde buigen, en zoo iemand, dan overreedt hij den stadhouder voor Narses het zijne te doen. Hij mag, neen, hij mag niet weg! Gij hebt Heliodora toch op het hart gedrukt...."

"Dat zij hem vasthoudt?" zeide de matrone lachende. Ik zeg u, zij nagelt hem hier vast, als het zijn moet."

"Nu dat is goed!" hernam Justinus. "Maar vrouw, het past toch inderdaad niet, dat gij hen zoo aan elkaar opdringt, zou men kunnen zeggen. Eigenlijk zijt gij toch zoowat haar vrouwelijke mentor, hare moederlijke patrones."

"Lieve hemel!" antwoordde Martina. "In ons huis hebben zij ook geene getuigen genoodigd bij hunne samenkomsten. Eerst moet dat arme, verliefde volkje zich toch uitspreken en zich verblijden over het wederzien! Daarna kom ik wel tusschenbeide en dan ben ik weer in allen ernst de bezorgde moederlijke vriendin. Tinus, Tinus! Als het hier nog tot eene bruiloft komt, God weet of ik dan nog niet barrevoets eene bedevaart doe naar de heilige Agathe."

"En ik slechts op één schoen!" verzekerde de senator, "want--alles wat betamelijk is--dat gebabbel over Dora ging ten laatste de grenzen te buiten. Het ging niet langer, om die twee te zamen bij ons te zien. Maar nu... neen in ernst! Ga nu naar hen toe...."

"Dadelijk, dadelijk!" antwoordde de matrone. "Maar eerst nog even hier aan het venster! O die zon! Ja, nu is het te laat. Nog geen twee minuten geleden zag de gansche hemel er uit als mijne roode Syrische mantel. Nu ligt daaronder alles in het duister. Het huis, de tuin zijn mooi, en alles is oud en degelijk: juist zoo heb ik mij de bezitting van den rijken Mukaukas gedacht."

"Ik ook," hernam Justinus. "Maar nu zult gij gaan! Worden zij het eens, dan mag Dora van geluk spreken."

"Dat zou ik meenen!" zeide vrouw Martina. "Maar hare villa behoeft zij ook niet weg te stoppen, en daar zullen zij elken zomer wonen, dat zal ik doorzetten. Wanneer die arme, beste jongen, Narses, er het leven niet af brengt--want twee jaren als slaaf te dienen, dat wil wat zeggen--dan zou ik in staat zijn...."

"Het testament te veranderen? Dit is zoo kwaad niet: doch daarmede hebben we den tijd, nu moet ge terstond gaan!"

"Dadelijk, dadelijk! Men moet toch kunnen uitspreken. Ik voor mij zou niemand weten, dien ik liever in de plaats van Narses stelde...."

"Als Orion en Dora? Nu, mij goed, maar thans..."

"Misschien is het zondig zich een levende reeds onder de dooden te denken... De arme jongen mag in geen geval naar zijne ruiterij teruggezonden worden."

"In geen geval; maar Martina..."

"Morgen zal Orion den Arabier onze zaak eens na aan het hart leggen..."

"Als hij maar hier blijft!"

"Willen we wedden dat zij hem vasthoudt?"

"Dan zou ik wel een gek zijn!" zeide de senator lachend. "Krijg ik ooit iets van u als ik win? Maar thans, alle scherts ter zijde, thans gaat ge, om naar beiden te zien!"

Ditmaal volgde de matrone het bevel van haar gemaal, en zij had de weddenschap gewonnen, want waartoe Orion noch door den brief van zijne schoonzuster, noch door de vermanende stem van zijn kinderlijk geloof, noch door de trouwhartige waarschuwing van den eerlijken beambte, noch door de overtuigende beweegredenen van den senator te brengen was geweest, daartoe had de zoete vleierij van Heliodora hem verleid.

Hoe was de liefde in haar hart ontvlamd, toen zij had bemerkt dat haar aanblik hem zoo diep had geschokt; met welk een roerende hartelijkheid was zij in zijne armen gezonken; hoe ootmoedig en als verteerd door zoete smart en zalige vreugde was zij neergegleden aan zijne voeten, had zij zijne knieën omvat en hem met betraande, van dweepende vereering sprekende oogen gebeden haar heden niet te verlaten, ten minste nog tot morgen te blijven, om haar dan, als hij wilde, in het stof te vertreden. Nu, juist nu, van hem te scheiden, terwijl zij door smart en innig verlangen opgewonden, hem had weergevonden, om zich te zien prijsgeven aan een onzeker lot, dat zou haar einde, dat zou zeker haar dood zijn. En toen hij zich desniettemin trachtte te verzetten, was zij hem om den hals gevlogen, had zij zijn mond met brandende kussen gesloten en hem allerlei vleiende namen in het oor gefluisterd, die hem eens zoo dierbaar waren geweest.

Waarom had hij nooit ernstig beproefd haar tot de zijne te maken, waarom haar zoo snel vergeten? Omdat zij, die tegenover anderen hare waardigheid streng wist te bewaren, zich aan hem na enkele ontmoetingen zonder weerstand had overgegeven, als ware zij bedwelmd door eene magische betoovering. De licht verworven kostelijke buit was hem weldra toegeschenen van minder waarde te zijn. Maar heden deed juist dat zijn liefdegloed ontvlammen, wat hem toen had afgekoeld. Zoo wilde, zoo moest hij bemind worden, met geheele overgave, met een hart dat enkel aan hem en niet aan zichzelve dacht, dat voor vurige liefde niet anders vroeg dan liefde, dat zich niet angstig allerlei grenzen stelde en vreemden bijstand inriep, om zich voor hem te beveiligen. Deze schoone, jonge vrouw, die een en al hartstocht, het banvonnis der samenleving, leed en smart op zich genomen had om zijnentwil, van wien zij wist dat hij haar verlaten had, omdat hij haar voor God en de menschen nooit tot de zijne kon maken, ja die vrouw wist lief te hebben, en het beurde hem op, hem die in menige ure aan zichzelven begon te twijfelen, zoo vereerd, zoo--hij kon het zich niet ontveinzen--zoo 'vergood' te worden. En hoe aanminnig, hoe recht vrouwelijk bleef zij bij dit alles! Die smeekende oogen die hem te Konstantinopel verveeld hadden, omdat zij altijd dezelfde roerende uitdrukking vertoonden, wanneer zij vol angst tot zijne ziel riepen haar niet te verlaten, die verleidelijke oogopslag, waarmede zij weleer hem verzocht haar den mantel om te hangen, waarmede zij hem het eerst had aangetrokken, dat alles was thans weder nieuw voor hem en oefende de vroegere tooverkracht op hem uit.

In deze oogenblikken van teeder samenzijn had hij beloofd, ten minste in overweging te nemen, of hij zich niet los kon maken van de verplichtingen die hij had aangegaan. Doch nauwelijks was dit gebeurd, of de herinnering aan Paula werd weder in hem wakker en eene innerlijke stem riep hem toe, dat zij tot eene hoogere menschensoort behoorde dan deze zich overgevende, zwakke, hem geheel onderdanige vrouw, dat zij zijne opkomst, Heliodora zijne ondergang beteekende. Eindelijk was het hem gelukt zich uit de omhelzing der wedergevondene los te maken, en na zijne eerste schrede uit dezen roes in het werkelijke leven had hij als een ontwakende rond gezien, en was het hem als had een booze geest den spot met hem gedreven, dat juist Paulas kamer het tooneel was geweest van deze wederontmoeting en zijne zwakheid.

Haar vraag naar het witte hondje, dat zij hem tot een aandenken had medegegeven, deed hem weder denken aan dien onzaligen smaragd, die een tegengeschenk daarvan had moeten zijn, en toen hij om het antwoord te ontwijken vertelde, dat hij, indachtig aan hare liefhebberij voor zeldzame juweelen, haar een bijzonder schoonen steen had toegezonden, waarover hij nog nader met haar spreken moest, gaf zij hare vreugde en hare dankbaarheid op zulk eene kinderlijk aandoenlijke wijze lucht, wist zij zoo welsprekend partij te trekken van zijn welgevallen in hare teedere aanhankelijkheid, ten einde hem te overtuigen van de noodzakelijkheid om te blijven, dat hij zelf daaraan begon te gelooven en haar zin deed. Hoe meer dit besluit met zijne eigene wenschen overeen kwam, des te gemakkelijker viel het hem er gronden voor te vinden. De oude Rufinus had hem niet meer noodig, en had hij, Orion, ook reden om zich te schamen over zijne wankelmoedigheid, zoo mocht hij van den anderen kant toch zeggen, dat hij ondankbaar en onvriendelijk zou handelen tegen zijne goede vrienden, wanneer hij hen in den steek liet, juist nu hij hen van nut kon zijn. Het zou er bij de nonnen op twee beschermende armen meer of minder niet aankomen, terwijl de gevangen Narses, zonder zijne voorspraak bij den veldheer, licht kon bezwijken, alvorens het gelukte hem los te koopen. In elk geval was het meer dan tijd een vast besluit te nemen. Neen, hij kon heden niet weg! Het was beslist! Rufinus moest terstond in kennis gesteld worden van zijn veranderd besluit. Het scheen hem thans niet mogelijk zich tot schrijven te zetten; de rentmeester moest in zijn naam spreken, en hij wist wel hoe gaarne en met hoeveel ernst Nilus zich van die taak kwijten zou.

Heliodora klapte in de handen, en juist toen vrouw Martina aan de deur klopte, traden beiden de helderverlichte voorzaal binnen. Haar gelaat straalde van geluk, en in hare kostbare, nieuwmodische, zorgvuldig gekozen kleederen zag zij er zoo aanvallig en, niettegenstaande zij slechts van middelbare grootte was, zoo vorstelijk prachtig uit, dat zij ook in de hoofdstad de bewondering der mannen en de afgunst der vrouwen zou hebben gewekt; hij was blijkbaar opgeruimd, maar om zijne lippen speelde toch een ernstig lachje.

Nog had hij de deur niet gesloten, toen hij voor het vertrek, dat aan Paulas vroegere kamer grensde, twee vrouwelijke wezens opmerkte, die, terwijl vrouw Martina bij hare nicht aanklopte, de voorzaal binnengekomen waren. Het was de kleine Katharina en hare kamenier. Men had den jongen Anubis, nadat hij van het dak was gevallen hier ondergebracht, en niettegenstaande dit gedeelte van het huis voor de voorname gasten was ingericht, was de arts Philippus niet te bewegen geweest de overbrenging van den kranke, die volstrekt rust noodig had, naar de benedenverdieping toe te staan.