Part 37
"Ja, mijn kind, ja," antwoordde de grijze abdis. "Alles te dulden, alles te verdragen is de plicht der ware liefde en ook de uwe; doch eerst dan zult gij uzelve en hem door den onverbrekelijksten aller banden laten binden, wanneer hij die wankelde een wandelaar is geworden, die met vasten stap voorwaarts schrijdt. Volg elk zijner schreden, sta hem met trouwe zorg ter zijde, twijfel niet aan hem als hij zich anders voordoet dan gij had verwacht, tracht met een vroom gemoed hem de genade waardig te doen worden, maar geef hem niet overijld, niet nu reeds het jawoord."
Paula voegde zich niet gewillig naar deze vermaning, maar het kwaad door Orion begaan, vervulde de abdis met groot wantrouwen. Zulk een groot zondaar, wien de vloek eens vaders had getroffen had naar hare overtuiging zich uit de wereld moeten terugtrekken, smachtende naar genade en jagende naar de wedergeboorte in plaats van aan de zijde van zulk eene bevoorrechte jonkvrouw als Paula, waaraan hij zoo innig gehecht was, de zaligheid te zoeken, die zij enkel gunde aan hare geloofsgenooten, aan wier wandel geen smet kleefde. Ja hoe gaarne had zij, die na eene stormachtige jeugd midden in de wereld eerst in het klooster zielsrust en waarachtig geluk had gevonden, het dierbaar kind der vriendin als reine bruid van Christus aan hare zijde gezien, misschien als hare opvolgster in de betrekking van abdis! Het vele verdriet, dat zij zelf door de lichtzinnigheid van trouwelooze mannen had ondervonden, had zij hare lieveling willen besparen, en daarom was zij geen duimbreed afgeweken van den inhoud van haar goeden raad en niet moede geworden de jonkvrouw met nadruk hoewel liefderijk op het hart te drukken, dat zij zich daarnaar moest gedragen. Eindelijk had Paula van haar afscheid genomen met de belofte, dat zij niet eer eene verloving met Orion zou aangaan, vóor hij uit Dumiat was teruggekeerd en de abdis haar schriftelijk had medegedeeld, welk oordeel zij zich over hem gevormd had op de aanstaande vlucht.
Zooveel tranen als bij dit onderhoud had de jonkvrouw, die zooveel geestkracht bezat, niet geweend sedert de noodlottige mis van Abyla, waarbij zij haar vader en broeder had verloren, en met een zeer beweend gelaat en hevige hoofdpijn was zij op den gloeiend heeten middag door de brandende zon weergekeerd naar het huis van Rufinus en hare oude Betta. Deze had er zeer op aangedrongen dat Paula wat zou gaan liggen, en toen zij geen gehoor vond, had zij haar tenminste overgehaald het hoofd te verkoelen met water zoo frisch als het bij zulk eene hitte te vinden was, en zich het haar door hare vaardige hand opnieuw te laten opmaken. Hare overleden moeder vond bij deze middelen altijd baat, als zij hoofdpijn had.
Toen Paula eindelijk op een schaduwrijk plekje van den tuin tegenover den geliefde stond, zagen beiden elkander schuchter en vreemd aan. Hij was bleek en blijkbaar ontstemd, en hare rood bekreten oogen en het gerimpeld voorhoofd, dat klopte en stak van pijn, droegen er niet toe bij zijne stemming te verbeteren. Het stond aan haar zich te verontschuldigen, en toen hij na zijn groet haar niet dadelijk toesprak, zeide zij dan ook op zachten, innig smeekenden toon: "Vergeef mij, dat ik zoo laat kom. Hoe lang hebt gij wel niet moeten wachten! Maar het afscheid van mijne beste vriendin en tweede moeder heeft mij zoo diep ontroerd, en was treuriger dan ik zeggen kan. Toen ik terugkwam wist ik van de hevige hoofdpijn niet, waar ik het zoeken zou, en thans.... Hoe gansch anders heb ik heden morgen vroeg gehoopt u te zullen ontmoeten!"
"Reeds gisteren," zeide hij somber, "bleef er geen tijd voor mij over.--En heden,--gij waart er bij toen Rufinus mij uitnoodigde--heden!--Ik maak geen hooge aanspraken, en mijn God, hoe zou ik dit durven doen tegenover u? Maar geldt het niet ook van mij afscheid te nemen, misschien voor altijd? Waarom moest aan eene vriendin zooveel van uw tijd en uwe kracht worden afgestaan, dat er maar een klein overschot bleef voor den vriend? Dat noem ik niet billijk verdeelen."
"Hoe zou ik het kunnen loochenen?" zeide zij droevig, "ja zeker, gij hebt gelijk, maar ik kon gisteren avond het kind, terwijl het zijne smart bij mij uitweende, niet terstond verlaten, en als gij wist hoe zeer ik verschrikte, en hoe pijnlijk mijn hart werd aangedaan, toen ik in plaats van u, een brief...."
"Ik moest naar den veldheer aan de overzijde," zeide Orion, haar in de rede vallende. "Dit avontuur dwingt mij hier veel achter te laten, en ik ben niet meer de meest vrije van alle vrijen van weleer. Gedurende dit pijnlijk ontbijt heb ik als op naalden gezeten. Maar spreken wij daarover niet meer. Met een hart vervuld van blijmoedige hoop kwam ik hierheen. En nu? Ziet gij, Paula, deze onderneming verscheurt voor mij meer banden, en laadt meer op mijne schouders dan gij u denken of weten kunt. Dat verklaar ik u later. Zij brengt mij in eene allergevaarlijkste verhouding, en om tegen alles bestand te zijn, om den frisschen moed, den blijden zin, die ik daarbij noodig heb, te bewaren, moet ik van éen ding zeker zijn, waarvoor ik zelfs nog gansch andere gevaren en moeiten als een vroolijk spel op mij zou kunnen nemen, moet ik weten..."
"Wilt gij weten," haastte zij zich te zeggen, "of mijn hart geheel en al zich voor uwe liefde heeft ontsloten..."
"Of ik," sprak hij met klimmende geestdrift, "trots al het zware lijden, dat deze arme ziel drukt, gelukkiger kan zijn dan de zaligen in den hemel. O, Paula, eenig aangebeden meisje, mag ik..."
"Gij moogt," hernam zij luide en uit den diepsten grond harer ziel. "Ik heb u lief, Orion, ik zal nooit, neen nooit meer ophouden u van ganscher harte lief te hebben."
Daar vloog hij naar haar toe, zichzelven niet meer meester omvatte hij haar met beide armen, drukte haar aan zijn hart, zonder acht te geven op de nabijheid van het huis, waar zoovele oogen hen konden zien, en overlaadde haar met vurige kussen, tot zij zich losmaakte uit zijne omarming en hem smeekend toeriep: "niet zoo, neen, bid ik u, niet zoo en nu nog niet."
"Nu, juist nu! Of wanneer anders?" vroeg hij onstuimig. "Doch hier, in dezen tuin, daar hebt gij gelijk in, hier is de plaats niet voor twee gelukkige menschenkinderen, die elkander gevonden hebben. Kom mede, ga mij voor in huis, zoek ons daar een plaatsje, waar wij ongezien en niet beluisterd alleen met ons geluk...."
"Neen, neen!" zeide zij gejaagd, terwijl zij met de hand streek over het pijnlijke voorhoofd. "Kom mede op de bank onder de sykomore, daar zitten we in de schaduw, daar kunt ge mij alles zeggen en daar zult gij ook nog eens hooren, hoe machtig de liefde mij heeft aangegrepen."
Teleurgesteld en verwonderd keek hij haar aan, doch zij liep naar de sykomore, zette zich daar neder en hij volgde haar langzaam. Zij gaf hem een vriendelijken wenk zich naast haar neer te zetten, doch hij bleef voor haar staan en zeide op doffen, treurigen toon: "Altijd dezelfde, altijd die kalmte en koelheid... Is dat het ware Paula? Is dat de machtige liefde waarvan gij spreekt? Moet dat het antwoord zijn op de smachtende kreet van een harte ontgloeid in hartstochtelijke liefde? Is dat alles wat liefde aan liefde betaalt, wat de bruid den bruidegom verschuldigd is, die op het punt is haar te verlaten?"
Zij zag hem hierop met grooten angst aan en zeide diep geroerd en innig: "O Orion, Orion! Hebt gij dan niet gehoord, gezien, gevoeld hoe zeer ik u liefheb? Gij moet het gevoelen, en is dit zoo, stel u dan daarmede tevreden. Gij, eenig geliefde, ik bezweer het u! Stel u er mede tevreden dat dit hart u behoort, dat uwe, ja uwe Paula--daar is zij, ik, ik ben het--aan niets denken, voor niets zorgen, bidden en smeeken wil dan voor u, ja voor u, thans mijn een en mijn alles."
"Nu, kom dan met mij," zeide hij driftig, "en sta den verloofde toe, waar hij recht op heeft!"
"Neen, neen, niet verloofde, nog niet!" riep zij smeekende uit den diepsten grond harer beangstigde ziel. "Ook in mijne aderen vloeit warm bloed, dat mij naar u doet smachten, ook ik verlang in uwe armen te snellen en mijn hoofd tegen het uwe te laten rusten, maar uwe bruid--heden, reeds heden mag en kan ik het niet worden!"
"En waarom niet? Laat mij weten waarom niet!" riep hij verstoord, terwijl hij zijne gebalde vuist tegen de borst drukte. "Waarom wilt gij mijne bruid niet zijn, als het waar is dat gij mij liefhebt? Waarom verzint gij deze nieuwe, afschuwelijke foltering?"
"Omdat de wijsheid mij geleerd heeft," hernam zij met jagenden boezem, snel en zacht, als vreesde zij hare eigene woorden te hooren, "omdat zij mij geleerd heeft dat de tijd daarvoor nog niet gekomen is. Ach, Orion, gij weet nog niet het verlangen, de wenschen te beteugelen, die in u branden; gij hebt al te spoedig vergeten, wat achter u, wat achter ons ligt, welk een berg er overschreden moest worden, tot wij zoover gekomen zijn dat wij elkander vinden, tot ik--ja liefste, ik moet het uitspreken--in staat ben u zonder boosheid of haat in het aangezicht te zien. Eene wonderbare geheimzinnige beschikking heeft het gewild, en ook gij hebt trouw het uwe daaraan toegebracht, dat alles geheel veranderd is, dat het zwarte nu wit is, dat de kille noordewind heeft plaats gemaakt voor een heeten wind uit het zuiden. Zoo wordt gif tot artsenij en vloek tot zegen! Uit hartstochtelijke haat is in dit dwaze hart eene even geweldige liefde ontstaan. Maar uwe bruid, uwe vrouw kan ik thans nog niet zijn. Noem het wat mij terughoudt lauwheid, noem het eene eigenzinnige bedenking, noem het zooals gij wilt. Ik noem het 'wijsheid' en prijs het, ofschoon het deze arme oogen ontelbare bittere tranen gekost heeft, alvorens hart en zin besloten waren zich te voegen naar de waarschuwende stem. En gij, houd vast aan dit éene: wat er ook gebeure, dit hart zal aan niemand anders behooren--ik ben de uwe met lijf en ziel!--Uwe bruid wil ik eerst worden als ik met even blijmoedig vertrouwen als warme liefde u mag toeroepen: 'Gij zijt overwinnaar gebleven, neem mij tot u, ik ben de uwe!' Dan zult gij voelen en erkennen, dat Paulas liefde niet koeler, niet zwakker is... O God, Orion, leer, leer mij verstaan! Gij moet het leeren om mijnent- en om uwentwil! Mijn hoofd, genadige hemel, mijn hoofd!"
Zij liet het hoofd zinken en drukte de beide handen tegen haar gloeiend voorhoofd, maar hij legde bleek en huiverend de rechterhand op haar schouder en zeide op afgemeten, drogen toon, als ware zijn stem van haar klank beroofd: "De ingewijden verlangen dat hunne leerlingen proeven ondergaan, alvorens zij de toegang verleenen tot het mysterie. Wel zijn wij in Egypte, maar het komt mij toch vreemd voor, als dit op de liefde wordt toegepast. Maar dat alles komt niet uit uzelve. Wat gij 'wijsheid' noemt, is de stem der abdis uit het klooster daarginds!"
"De stem der bezonnenheid," hernam Paula zacht. "Het verlangen des harten had deze luide overstemd, en ik dank het aan die vriendin."
"Wat dankt gij haar?" vroeg de jonkman, diep verontwaardigd. "Om dezen nietswaardigen dienst moest gij haar verwenschen, gelijk ik thans doe. Kent zij mij eenigermate? Heeft zij ooit een woord uit dezen mond vernomen? Als die neuswijze, die oververstandige beheerscheres der nonnen wist hoe het er hier binnen uitziet, zou zij u anders hebben geraden. Reeds als kind heeft men mij door vertrouwen en liefde er toe gebracht het moeielijkste te volbrengen. Wat ik ook misdreven heb, welwillend vertrouwen heb ik nooit geschonden. En wat u betreft, gij wijze en bezonnene, zoo had ik, zalig door uwe liefde en alleen op uwe goedkeuring bedacht, trotsch en gelukkig, dat ik ook uw laatsten twijfel had overwonnen, voor u zon en sterren uit den hemel kunnen halen en elke beproeving lachend in het aangezicht durven zien.--Maar zoo, zoo! In plaats van mij te verheffen vernedert gij mij, stelt ge mij voor mijzelven aan den schandpaal! Eén met u zou ik u vooruit zijn geijld naar de sferen des lichts, waar de volmaaktheid woont; maar zoo, zoo?--Welk eene taak, uwe koele liefde door goede daden als met olijfboomenhout er toe te brengen om in vlam te geraken! Welk eene bezigheid voor een man, zich voor zijne geliefde te onderwerpen aan een proef! Dat is eene foltering, die mij tegen de borst stuit, mij beleedigt, die ik niet kan verdragen, waartegen alles hier binnen in verzet komt, waarvan gij zult en moet afzien, wanneer het waar is wat ge mij zegt, dat gij mij lief hebt!"
"Ik heb u lief, ja ik heb u lief!" riep zij buiten zichzelve van aandoening, terwijl zij zijne handen greep. "Misschien hebt gij gelijk. Ik ... mijn God, wat zal ik doen?--Vorder thans geen ja of neen! Ik ben niet in staat om over het eenvoudigste te denken! Gij ziet het, hoe ik lijd!"
"Dat zie ik," antwoordde hij, terwijl hij medelijdend het oog sloeg op haar bleek gelaat en zag hoe smartelijk zij het voorhoofd fronsde, "en omdat het dan zoo zijn moet: tot heden avond! Zoek nu wat rust en zorg voor uwe gezondheid,--maar dan..."
"Dan, gedurende de vaart, op de vlucht," zeide Paula, "herhaalt gij voor de abdis, wat gij mij zoo even hebt gezegd. Zij is eene voortreffelijke vrouw; zij zal u leeren liefhebben en begrijpen, dat weet ik. Ook het woord geeft zij u zeker terug..."
"Welk woord?"
"Dat ik haar gaf, niet eer de uwe te zullen worden..."
"Voor dat ik de proef van de oningewijden heb doorstaan?" zeide Orion gramstorig de schouders ophalend. "Ga nu wat rusten, ga! Wat de schoonste ure van ons leven had moeten zijn, dat heeft eene vreemde gemaakt tot eene droevige en onzalige. Gij zijt van uzelve, ik ben van mij zelven niet zeker. Wat wij hier thans nog verder spreken, daaruit kan voor u zoo min als voor mij iets goeds voortkomen. Ga wat rusten, en vergeet in den slaap uwe smart. Wat mij betreft, ik wil trachten te vergeten, ik wil... O, als gij wist hoe het hier binnen uitziet! Vaarwel, tot een vriendelijker en gelukkiger weerzien, ofschoon ik er nauwelijks op durf hopen."
Hierop keerde hij haar ijlings den rug toe, zij echter liep hem klagende na: "Orion, vergeet het niet, Orion, gij weet dat ik u liefheb!"
Doch hij hoorde haar niet meer, en liep zonder in het huis van Rufinus terug te keeren, met haastige schreden de straat op.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Inwendig diep beleedigd, viel Orion te huis gekomen op den divan neder. Zij had gezegd, dat haar hart hem toebehoorde, doch wat was dat voor een armzalige, koele liefde, die niets vergunde voor zij zich van alle zijden verzekerd zag! En hoe had Paula aan eene derde kunnen toestaan, om zich te plaatsen tusschen hen beiden, en haar handelingen en gevoelens te besturen? Wat tusschen hen was voorgevallen, moest zij aan die derde verraden hebben. Voor deze hem vijandig gezinde Melchietische non wilde, zou hij... het was om zijn verstand te verliezen.... Doch hij kon niet terug, hij had zich tegenover den waardigen grijsaard en tegenover haar tot dit onzinnig avontuur verplicht. In plaats van de edele, trotsche beheerscheres van zijn gansche wezen zag hij in zijne verbeelding thans eene in tranen badende, onzelfstandige, koelhartige vrouw.
Daar lagen de kaarten en plannen, die hij zich door Nilus op zijn kamer had laten brengen, om ze te bestudeeren voor de taak, die de edele Amr hem had opgedragen, en toen zijn blik er op viel, sloeg hij met zijn vuist tegen den wand, sprong hij op en liep als een bezetene in dezelfde kamer op en neer, die door haar stil leven was gewijd. Daar stond nog hare luit, die hijzelf opnieuw besnaard en gestemd had. Om wat tot rust te komen, nam hij die op, greep naar het plectrum en begon te spelen. Doch het instrument was slecht, zij had zich met een armzalig ding tevreden gesteld. Hij wierp het op het rustbed en nam zijn eigen speeltuig ter hand, een geschenk van Heliodora. Hoe verstond zij de kunst om aan deze luit schoone en weeke tonen te ontlokken! Ook nu gaven hare snaren een heerlijken klank, langzamerhand begon hij er behagen in te scheppen, en de muziek bracht, gelijk zoo vaak gebeurt, zijn onstuimig gemoed tot rust. Gevoelvol en roerend klonk zijn spel, doch menigmaal greep hij zoo heftig in de snaren, dat hun geweldig trillen en ruischen deed denken aan de weeklachten en kreten van eene vertwijfelende ziel.
Daar sprong opeens, te midden van dit hartstochtelijk spel, met dreunenden knal de kam op den bodem der luit, en op hetzelfde oogenblik opende de secretaris, die hem in de hoofdstad vergezeld had, in vroolijke opgewondenheid de deur en riep hem reeds op den drempel toe: "Heer, denk eens aan! Daar komt een bode uit de herberg van Sostratus en brengt u dit tafeltje over, het is open en ik heb het gelezen. Begrijp eens, het is nauwelijks te gelooven! De senator Justinus met zijne edele gemalin, de aanzienlijke matrone Martina, zij zijn hier, hier te Memphis, en zij laten u uitnoodigen om hen te bezoeken, ten einde gewichtige dingen met hen te bespreken. Heden nacht zijn zij aangekomen, zeide de bode, en nu... Welk eene vreugde! Wat hebt gij niet in hun paleis genoten! Kunnen wij hen in de herberg laten? Zoolang er nog gastvrijheid in de wereld is, zou dit zonde zijn!"
"Onmogelijk, volstrekt onmogelijk!" zeide Orion, die de luit uit de hand had geworpen en nu zelf het tafeltje bekeek. "Waarachtig hij is het, zijn eigen handschrift! En juist die twee, die zoo moeielijk te bewegen waren om zich te verplaatsen, zijn in Egypte, hier te Memphis! Bij Zeus"--zoo zwoeren de christelijke jongelieden van hooger stand te Alexandrië en Konstantinopel nog altijd--"bij Zeus, ik ben hun verschuldigd ze hier als vorsten te ontvangen! Wacht! Gij zegt natuurlijk aan den bode, dat ik terstond zal komen, en laat het nieuwe Pannonische vierspan voor den zilveren wagen zetten. Ik ga naar mijne moeder, doch dat kan nog wachten. Gij beveelt Sebek terstond de gastenverdieping, vanwaar de kranken nu gelukkig verdwenen zijn, voor de aanzienlijke gasten in orde te laten brengen. Mijne tegenwoordige kamer worde er bij genomen en ik ga naar mijn vroeger verblijf terug. Zij hebben zeker een groot gevolg. Twintig, dertig slaven moeten aan het werk, want op zijn langst binnen twee uren moet alles gereed zijn. De beide zalen moeten bijzonder fraai gemeubeld worden. Wat er ook ontbreekt, Sebek kan zonder bedenking over alles beschikken, wat in het stadhouderlijk paleis is. Justinus hier in Egypte!--Doch maak nu voort! Neen wacht even, hier neem die geschriften en plannen,--of neen, zij zijn te zwaar voor u. Overhandig ze aan een slaaf en laat ze naar Rufinus brengen, die ze bewaren moet tot ik kom. Zeg hem, dat ik er onderweg gebruik van wilde maken; dan weet hij het wel."
De secretaris vloog de kamer uit, en Orion liet zich snel de haren ordenen en zijn treurgewaad in nieuwe plooien leggen, waarop hij zich naar zijne moeder begaf. Zij had dikwijls en veel van de hartelijke ontvangst gehoord, die haar zoon en in vroegeren tijd haar gestorven echtgenoot in het huis van den senator ten deel was gevallen, en zij vond dus dat het vanzelf sprak de zoogenaamde gastenverdieping, waartoe ook Paulas gewezen kamer behoorde, voor de reizigers in te ruimen; doch zijzelve verlangde beschouwd te worden als te zeer lijdende, om zich met de gasten bezig te houden. Zij gaf vervolgens Orion den raad om zijne reis te verschuiven, ten einde zich geheel aan de vrienden te kunnen wijden; hij verklaarde echter, dat hij zich door hen niet kon laten terughouden. Men kon zich geheel verlaten op Sebek en de overste-huishoudster, en de keizer zelf ontsloeg een kranke van de verplichtingen eener gastvrouw. Zij zou evenwel het edele paar wel toestaan, haar hunne opwachting te maken, doch ook dit sloeg vrouw Neforis af, het was voldoende als de gasten dagelijks in haar naam en met hare groete uitgelezen vruchten en bloemen en ten laatste kostelijke geschenken ontvingen.
Orion oordeelde dit plan harer waardig en weldra rende hij met zijne Pannoniërs den hof uit. Bij de haven ontmoette hij den kapitein van het schip dat hij gehuurd had, hield hem haastig twee vingers voor en deze gaf door herhaald hoofdknikken te kennen, dat hij de beteekenis van dezen wenk: "twee uren voor middernacht wordt gij verwacht," verstaan had. Het zien van den door de zon verbranden schipper en het vooruitzicht voorname vrienden hunne goedheid te kunnen vergelden, wekte hem weder op, en hoezeer het hem leed deed juist deze gasten te moeten verlaten, zoo begonnen de gevaren die hem wachtten toch weder zijne zenuwen te prikkelen. Het zou hem niet zwaar vallen de abdis onderweg voor zich te winnen, en Paula zou hij misschien heden avond nog tot rede brengen. Justinus en zijne vrouw waren ook Melchieten, en hij wist dat zij, die hij hoogschatte, met zijn plan zeker ingenomen zouden zijn, als hij hen in zijn vertrouwen nam.
De herberg van Sostratus, een verbazend groot, vierkant gebouw, dat een ruimen hof omsloot, was de voornaamste en grootste van de stad. De oostzijde was naar de straat en den Nijl gekeerd en bevatte de beste vertrekken van het huis, die de senator met zijne gemalin en die hem vergezelden sedert den afgeloopen nacht bewoonden. Het geratel van het vierspan lokte Justinus naar het venster, en zoodra hij Orion herkende, zwaaide hij met een tafellaken, dat hij dadelijk had gegrepen, in de straat, riep hem een vroolijk "welkom" toe, en ging daarna snel in het vertrek terug.
"Daar is hij," zeide hij tot zijne gade, die slechts met de noodzakelijkste kleedingstukken bedekt op een rustbed lag, zich door een knaap wat koelte toe liet waaien, en van tijd tot tijd een beker met vruchtensap aan de droge lippen bracht.
"Wel komaan, dat is goed!" antwoordde de matrone en beval hare kamenier zoo spoedig mogelijk een overkleed, maar het dunste dat zij vinden kon, te brengen. Vervolgens richtte zij zich tot een zeer lieftallig vrouwelijk wezen, dat reeds bij den eersten roep van Justinus van den divan was opgesprongen, en vroeg: "Wilt gij, dat hij u hier dadelijk zal vinden, mijn hartje, of laat gij ons liever eerst met hem spreken en hem vertellen, dat wij u hebben medegetroond?"
"Dat zal wel het beste zijn," antwoordde zij tot wie de vraag werd gericht, met eene welluidende stem. Zij haalde diep adem, alvorens zij angstvallig vervolgde: "Wat zal hij nu van mij denken? Men wordt oud, maar die dwaasheid, die dwaasheid..."
"Neemt toe!" zeide de matrone lachende, "of wordt zij met de jaren minder? Doch daar zal hij reeds zijn."
De jonge vrouw vloog naar eene zijdeur, waarachter zij verdween. Vrouw Martina zag haar na, en terwijl zij met den vinger haar gemaal in de richting wees, zeide zij: "Zij laat de deur op een kiertje staan. Lieve God, bij deze hitte ook nog verliefd zijn, eene griezelige gedachte!"
Daar ging de deur open en nu volgde eene allerhartelijkste begroeting. Men kon het den jonkman en dit bejaarde paar aanzien, dat zij zich innig verheugden over dit wederzien.
Toen Justinus Orion omarmde riep de matrone: "Mij ook een kus!" en nadat de jonkman spoedig en blijde aan haar wensch had voldaan, klaagde zij zuchtende: "O mensch, o menschenkind, groote Sesostris! Hoe is uw beroemde voorvader in staat geweest onder zulk eene zon groote dingen tot stand te brengen! Wat mij betreft, ik verga, ik smelt hier als boter; doch wat doet men al niet voor die men liefheeft!--Maar Syra, Syra! Om godswil nog zoo'n kleinigheid, dat er als een kleedingstuk uitziet. Hoe verstandig zijn toch de modes der Afrikaansche boeren, die wij onderweg meermalen hebben ontmoet! Wanneer zij een doekje dragen van een vinger of drie breed, dan meenen zij al zeer net aangekleed te zijn.--Maar ga nu zitten, zitten hier aan mijne voeten! Een stoel voor den heer, Argos, dan wat wijn, en het water in zulk eene vochtige, aarden kruik, en zoo koel als straks. Manlief, ik vind dat de jongen er nog aardiger uitziet. Maar lieve God, dat rouwgewaad! Hoe treurig staat het hem! Arme, arme jongen; wij hebben het reeds te Alexandrië gehoord!"