De nijlbruid

Part 28

Chapter 284,049 wordsPublic domain

De tegenwoordigheid van dezen man van wiens onvrije geboorte--in het oog van den aanzienlijken jonkman iets om hem te minachten--van wiens wilde dapperheid en groote scherpzinnigheid hij gehoord had, beangstigde hem, en al verstond hij niet wat Obada sprak, er lag toch in den toon zijner woorden iets wat hem het bloed naar het hoofd deed stijgen en hem meer dan eens aanleiding gaf de tanden op elkaar te klemmen. Hoe meer de houding en de taal van den veldheer hem weldadig aandeden en innamen voor zijn persoon, des te meer afkeer kreeg hij van zijn onbehagelijken plaatsvervanger, en hij voelde dat hij zich vollediger en vrijer zou hebben uitgesproken, menige vraag doeltreffender zou hebben beantwoord, als hij met Amr alleen was geweest. In den beginne liet de veldheer Orion vertellen van zijn verblijf te Konstantinopel en van zijn vader, en scheen met bijzonder genoegen naar de mededeelingen van den jonkman te luisteren, tot Obada hem opeens in de rede viel om een vraag tot zijn meester te richten. Deze beantwoordde haar snel in het Arabisch en gaf weldra aan het gesprek eene andere wending. De Wekil had gewenscht te weten, waarom Amr den Egyptischen melkbaard zoo lang liet zwetsen eer de hoofdzaak was behandeld, waarom hij hem geroepen had, waarop de veldheer geantwoord had, dat hij meent het meest onderhoudend te zijn, wien men gelegenheid geeft om zichzelven te hooren spreken; overigens was de jonge man goed op de hoogte en wat hij vertelde was bovendien gewichtig.

Terwijl de muzelmannen zich geheel van het drinken onthielden, werd Orion op den voortreffelijksten wijn onthaald, doch hij dronk weinig, en toen Amr eindelijk over de begrafenis zijns vaders begon te spreken, aan de vijandelijke houding van den patriarch herinnerde en erbij voegde, dat hij dezen heden morgen gesproken en zich verwonderd had, hoe hij zoo lijnrecht tegenover zijn gestorven geloofsgenoot had kunnen staan, die toch vroeger zijn vriend was geweest, nam Orion het woord. Hij zette den veldheer duidelijk uiteen waarom de patriarch eene zoo in het oogvallende vijandschap tegen zijn overleden vader had aan den dag gelegd, die wijd en zijd was opgemerkt. Benjamin was er thans alles aan gelegen voor de oogen der overige christenen zich te zuiveren van het verwijt, dat hij een land, hetwelk den godsdienst van den Heiland aanhing, had overgeleverd aan hen, die de christenen "ongeloovigen" noemen; daarom had hij het erop toegelegd zijn vader voor te stellen als den man wien eenig en alleen de schuld trof van zijn geboortegrond aan de muzelmannen in handen te hebben gespeeld.

"Juist, juist, dat begrijp ik," gaf Amr den jongeling ten antwoord; en toen deze vervolgens mededeelde, dat het wegens het Cæcilia-klooster,--welks goed recht de patriarch had willen bestrijden door aan een oud, maar duidelijk document eene verkeerde uitlegging te geven--tusschen den kerkvorst en den afgestorvene tot een openbare vredebreuk was gekomen, wisselde de veldheer ras een blik met den Wekil, en vroeg Orion: "Maar gij? Zijt gij voornemens u geduldig te laten welgevallen wat deze onrustige grijsaard, die u zoowel als uw vader kwalijk gezind is, tegen u en het aandenken van den waardigen Mukaukas verkiest te doen?"

"In geenen deele," antwoordde de jonkman trotsch.

"Dat is goed," riep de veldheer, "dat had ik van u verwacht, doch leer mij de wapenen kennen, waarmede gij, als Christen, den slimmen en invloedrijken man denkt te trotseeren, aan wien gij u zoo als ik weet--en dat niet alleen ten aanzien van het heil uwer zielen, op genade of ongenade hebt overgegeven."

"Ik ken ze zelf nog niet," antwoordde Orion, en keek voor zich toen zijn oog den honenden blik van den Wekil ontmoette.

Maar Amr stond op, ging naar hem toe en zeide: "Gij zult ook tevergeefs daarnaar zoeken, jonge vriend! En al vondt gij ze, toch zoudt gij ze niet kunnen gebruiken. Het is gemakkelijker op eene verlatene vrouw, een aal of een vliegenden vogel los te slaan, dan op die buigzame, zwakke, ongewapende langrokken, die liefde en vrede in den mond dragen, hunne weerloosheid en lichamelijke onmacht als schild gebruiken en met onzichtbare, vergiftige pijlen ieder treffen, op wien zij het voorzien hebben. En tot de zoodanigen behoort gij in de eerste plaats, zoon van den Mukaukas; ik weet het en raad u op uwe hoede te zijn. Denkt gij er echter werkelijk over den smaad der nagedachtenis uws vaders aangedaan mannelijk te wreken, dan kunt gij spoedig uw doel bereiken, hoewel altijd onder eene voorwaarde."

"Wijs mij het middel aan!" zeide Orion, en zijne oogen schoten vuur.

"Kort en goed: word de onze!"

"Daarvoor ben ik hier gekomen. Mijn geest en mijn arm zullen van heden af behooren aan hen die mijn vaderland beheerschen, aan u, aan ons gemeenschappelijk opperhoofd, den Kalief."

"Ja salam! [12] Goed zoo!" riep Amr, terwijl hij zijne hand op Orions schouder legde. "Er is geen God buiten God; en de uwe is de onze, want hij heeft geen tweede naast zich. Gij zult als geloovig muzelman weinig hebben prijs te geven, want uw Heer Jezus Christus rekenen wij mede onder de geloovigen, en dat de laatste en de hoogste onder hen Mohammed is, de ware profeet Gods, onze Heer Mohammed, moet gij, moet ieder erkennen, die niet met opzet de oogen sluit voor de gebeurtenissen, die onder zijne aanvoering en in zijn naam gebeurd zijn. Uw eigen vader heeft toegestemd...."

"Mijn vader?"

"Hij heeft moeten toegeven, dat wij ernstiger, dieper, met meer geestdrift van ons geloof doordrongen zijn dan gij, al zijne eigene geloofsgenooten."

"Dat weet ik."

"En toen ik hem vertelde, hoe ik bevolen had in onze nieuwe moskee den lezenaar van den koranvoorlezer weg te laten, omdat deze zoodra hij die plaats beklimt boven de andere biddenden staat, heeft de vreugde over deze mededeeling den vermoeiden man opgefrischt en hem bewogen tot eene luide bijvalsbetuiging. Wij muzelmannen--dat was de beteekenis van mijn bevel--willen allen gelijk zijn voor den eeuwigen, barmhartigen God; de leider der gebeden mag zich boven de anderen zelfs geen hoofdlengte verheffen, en de leer van den profeet toont ieder den weg tot de vreugde van het paradijs; wij hebben om haar te vinden, geen menschelijke gidsen noodig. Het geloof, onze wil ten goede, onze daden, en geen sleutel in de hand eens priesters openen of sluiten voor ons den hemel. Als een der onzen kan geen Benjamin u de vreugde der aarde vergallen, kan geen patriarch u en uw vader het recht op de zaligheid ontzeggen. Gij hebt eene goede keuze gedaan, jonkman! Geef mij uwe hand, mijn nieuwe geloofsbroeder!"

Daarop stak hij Orion in blijde ontroering zijne rechterhand toe. Doch deze nam haar niet aan, maar deed een schrede achterwaarts en zeide bezorgd: "Versta mij niet verkeerd, groote veldheer, hier is mijne hand en ik ken geen hooger eer dan haar in de uwe te leggen, daarmede op uw bevel het zwaard te zwaaien, haar te gebruiken in den dienst van u en van mijn heer, den Kalief; maar ik mag de trouw aan mijn geloof niet breken!"

"Zoo laat u dan door Benjamin vertreden!" sprak Amr teleurgesteld en met weerzin, terwijl hij eene minachtende beweging met de hand maakte en zich tot den Wekil wendde, om dezen op een honenden uitroep schouderophalend antwoord te geven.

Orion zag beiden zwijgend en besluiteloos aan, doch weldra kwam hij weder geheel tot zichzelven en zeide op den toon eener bescheidene en dringende bede: "Luister naar mij, heer, en wijs niet af, wat ik in staat ben u aan te bieden. Wat kan de overgang tot uw geloof mij anders aanbrengen dan voordeel? En toch weersta ik deze groote verzoeking, maar evenals mijn geloof zal ik ook mijn woord aan u weten te houden."

"Tot de priester u dwingt het te breken," haastte de muzelman zich er schamper bij te voegen.

"Neen, neen!" zeide Orion. "Ik weet dat Benjamin mijn vijand is; doch ik heb een dierbaren vader verloren en geloof aan een wederzien hiernamaals."

"Ik ook!" hernam de muzelman, "en er is maar éen paradijs en éene hel, gelijk er maar éen God is."

"Hoe komt gij aan die zekerheid?"

"Door mijn geloof!"

"Vergeef mij dan wanneer ik aan het mijne vasthoud en mijn vader in dien hemel hoop weer te zien..."

"Die, zooals gij dwazen meent, geene andere zielen opneemt dan de uwe! En als die hemel nu eens enkel openstaat voor het onsterfelijk deel der muzelmannen en voor de christenen gesloten blijft? Wat weet gij dan wel van het paradijs? Ik ken uwe heilige geschriften: staat het daarin geschreven? De algoede God heeft onzen profeet vergund een blik daarin te slaan, en wat hem gegeven werd dáar te zien heeft hij zoo geschilderd, als had de Allerhoogste zelf de schrijfstift bestuurd. De muzelman weet wat hij van zijn hemel te wachten heeft... Gij, gij--uw hel, die kent gij; het valt uw priesters gemakkelijker te vloeken dan te zegenen! Wie maar een haar breed afwijkt van hunne leer, hem duwen zij aanstonds naar de plaats der verdoemden: mij, de mijnen, de Grieksche christenen en in de eerste plaats--geloof mij, jonkman--uw vader en u!"

"Wist ik maar dat ik hem daar zou wedervinden!" riep Orion uit, terwijl hij zich op de borst sloeg. "Het zou mij waarlijk niet afschrikken hem daar te volgen. Ik moet hem wedervinden, weerzien, al ware het in de hel?"

Bij deze woorden barstte de Wekil in luid gelach uit. Toen de veldheer hem hierover zijne ontevredenheid betuigde, weerlegde de andere hem, en nu ontspon zich tusschen beiden eene levendige woordenwisseling.

De hoon van den zwarte had Orions toorn gewekt, en alles wat in hem was, dreef hem aan om den onbeschaamden spotter het zwijgen op te leggen. Doch met inspanning van al zijne wilskracht hield hij zich in, tot Amr zich weder tot hem wendde en op een toon van gezag maar niet onvriendelijk zeide: "Deze scherpzinnige man spreekt een vermoeden uit, dat ook bij mij is opgekomen. Een jong, wereldschgezind christen als gij geeft geluk en welzijn hier op aarde niet gemakkelijk prijs voor de onzekere vreugde van uw paradijs; en als gij het toch doet en alles wat een man het dierbaarst moet zijn: eer, tijdelijke bezittingen, een ruim veld van werkzaamheid en wraak over uwe vijanden afwijst om de ziel van een afgestorvene aan gene zijde des grafs weer te ontmoeten, dan moeten hiervoor bijzondere gronden bestaan. Tracht uzelve gerust te stellen en geloof mijne verzekering, dat gij mij bevalt en in mij een ijverig beschermer, een stilzwijgend vriend zult vinden, wanneer gij mij open en naar waarheid de beweegreden van uw besluit blootlegt. Er is ook voor mij veel aan gelegen onze ontmoeting te maken tot eene vruchtbare voor ons beiden. Stel dus vertrouwen in den ouderen man, die een vriend van uw vader was, en spreek!"

"In geen geval in tegenwoordigheid van dezen man," antwoordde Orion met bevende stem. "Hij, die geen Grieksch heet te verstaan, volgt elk mijner woorden met loerende oogen, ja hij heeft het durven wagen mij uit te lachen, hij..."

"Hij is even verstandig als dapper en mijn Wekil," dus wees Amr hem terecht. "Gij zult hem moeten gehoorzamen, wanneer gij een der onzen wilt worden, en--vergeet dit niet jonkman--ik heb u laten roepen, om u voorwaarden te stellen, niet om ze mij te laten voorschrijven. Ik schenk u gehoor als heer van dit land, als plaatsvervanger van Omar, uw en mijn Kalief."

"Zoo bid ik u mij te laten gaan; want voor dien man daar blijven mijn hart en mijne lippen gesloten; ik voel dat hij mijn vijand is."

"Pas op, dat hij het niet wordt!" zeide de veldheer, terwijl Obada met minachting de schouders ophaalde.

Orion begreep zijn gebaar, doch hoewel het hem ook ditmaal gelukte zijne tegenwoordigheid van geest te bewaren, was hij toch niet zeker meer van zichzelven, en daarom boog hij, zonder op den Wekil acht te geven, eerbiedig en diep voor den stadhouder, en verzocht voor heden hem te laten gaan.

Amr, wien de houding van Obada niet ontgaan was, en die te fijngevoelig was om niet te begrijpen wat er bij den jonkman omging, hield hem wel niet terug, maar veranderde van toon en werd opnieuw weder de voorkomende gastheer. Ja hij noodigde Orion zelfs uit, daar het reeds laat geworden was, den nacht onder zijn dak door te brengen. Doch Orion sloeg deze uitnoodiging hoffelijk af, en toen hij eindelijk heenging--andermaal zonder den Wekil een blik waardig te achten--deed Amr hem uitgeleide naar de voorzaal. Hier greep hij de hand van den jonkman en zeide hem op zachten, vermanenden toon, doch vol oprechte vaderlijke deelneming: "Neem u in acht voor dien zwarte, wien gij mannelijk maar niet verstandig hebt getoond, dat gij hem doorziet. Wat mij betreft, ik meen het waarlijk goed met u."

"Dat geloof ik, dat weet ik," antwoordde Orion, wiens gekwetst gevoel weldadig werd aangedaan door den warmen, diepen toon waarop de edele Arabier hem toesprak, als drupte er balsem in zijne ziel. "En nu wij alleen zijn, vertrouw ik u gaarne alles toe. Ik, heer, ik--mijn vader--gij hebt hem gekend. In bittere verbolgenheid is hij--heeft hij zijn eenigen zoon, voor hij de oogen sloot, den zegen onthouden."

De herinnering aan die verschrikkelijke ure zijns levens greep hem zoo zeer aan, dat hij eenige oogenblikken niet spreken kon; maar weldra ging hij weder voort: "Eene enkele daad van misdadige lichtzinnigheid had den stervende in toorn doen ontsteken, doch onder mijn leed en berouw dacht ik na over het leven dat achter mij lag en bevond, dat het ijdel geweest was. Wanneer ik nu hierheen gekomen ben met een vol gemoed en in blij vertrouwen, om u alles wat ik aan geestes- en lichaamsgaven bezit te kunnen aanbieden, dan geschiedde dit, heer, omdat ik grootsche, verheven, moeilijke, als het zijn moet onmogelijke daden wensch te verrichten, omdat ik in een woord verlang nuttig werkzaam te zijn..."

Amr liet hem niet verder gaan; hij legde zijn gespierden arm op den schouder van den jonkman en zeide: "En omdat gij de ziel van uw gestorven vader, dien rechtschapen man, toonen wilt dat gij door een lichtvaardigen jongensstreek toch zijn zegen niet onwaardig zijt geworden, omdat gij door wakkere daden hem dwingen wilt de ontevredenheid in goedkeuring, de minachting in achting te verkeeren..."

"Ja, ja, daarom, heer, juist daarom!" viel Orion met groote geestdrift den veldheer in de rede.

Maar deze gaf hem dadelijk een wenk om wat zachter te spreken, als vreesde hij dat iemand die hen beluisterde, hun gesprek op zou vangen, en haastig fluisterde hij hem toe op een toon van warme toegenegenheid: "En ik, ja ik zal uw helper zijn bij uw loffelijk streven. O, hoe doet ge mij denken aan den zoon mijns harten, die gestruikeld was als gij, en wien het vergund was alles, meer dan alles op het slachtveld door den dood, den heldendood voor zijn geloof te boeten! Reken op mij, en laat wat gij u hebt voorgenomen tot daad worden. In mij hebt gij een helper gevonden. Ga thans, weldra zult gij weder van mij hooren. Nog eens: terg den zwarte niet, neem u voor hem in acht, en als gij hem weer ontmoet, toom dan uw trots in en neem den schijn aan, als zaagt gij hem voor de eerste maal."

Daarbij zag hij Orion aan met een weemoedigen blik, als deed het zien van dezen jonkman eene dierbare herinnering in zijne ziel ontwaken, hij kuste hem op het voorhoofd en zoodra de zoon van den Mukaukas de voorzaal verlaten had, schoof hij het zware gordijn, dat deze van de eetzaal scheidde haastig terug. Enkele schreden daarachter vond hij den Wekil, die bezig scheen te zijn met den bandelier van zijn zwaard, en riep dezen verstoord toe: "Ge luistert! Man van geest, man van de daad, een held in den slag en in den raad, een leeuw, een slang en een pad tegelijk; wanneer zult gij eindelijk al dat erbarmelijke en kleine uit uwe ziel rukken? Wees wat gij geworden zijt, niet wat gij waart, en herinner hem die u groot gemaakt heeft niet dagelijks, dat gij uit een slavin zijt geboren."

"Heer!" sprak de man, dien daar de les werd gelezen, knarsetandend, terwijl het wit zijner oogen akelig afstak bij zijn donker gelaat.

Doch Amr belette hem verder te gaan, liet zich niet van zijn stuk brengen en vervolgde op streng vermanenden toon: "Ge hebt u tegenover dezen jonkman als een gek, als een potsenmaker op de jaarmarkt, als een onzinnige aangesteld."

"Naar de hel met hem!" riep Obada. "Ik haat dat gouden gelukskind!"

"Nijdigaard! Terg hem niet! Alles kan verkeeren en er zou een dag kunnen komen, waarop gij reden hadt hem te vreezen."

"Hem?" schreeuwde de andere. "Als een mug druk ik dien speelpop in elkaar. Hij zal het ondervinden."

"Eerst gij, en dan hij!" zeide Amr, dreigend. "Van u beiden is hij voor ons van de meeste beteekenis, hij, het gelukskind, die speelpop! Hebt gij het gehoord? Hebt gij het verstaan? Als gij hem éen haar krenkt, kost u dat neus en ooren! Vergeet geen oogenblik, dat gij enkel leeft, ten onrechte leeft, omdat twee paar lippen tot heden gesloten blijven! Gij kent ze. De vindingrijke kop blijft niet langer op uw hals, als het hun behaagt. Houdt hem vast, man; gij hebt er maar éen op het spel te zetten! Het was noodig, mijnheer de Wekil, u hieraan weder eens te herinneren!"

De zwarte steende bij het hooren dezer woorden als een gewond dier en bracht met moeite en doffe stem deze woorden uit: "Zoo beloont men bewezen diensten; zoo dankt de muzelman zijn geloofsgenoot, om der wille van een christenhond!"

"Dank hebt gij ontvangen, meer dan genoeg," antwoordde Amr op kalmen toon. "Gij weet wat gij beloofd hebt, eer ik u, roover, terwille van uw helder hoofd en uw zwaard tot mijn Wekil heb gemaakt; gij weet wat ik vergeten moest eer ik het deed, niet om uwentwil, maar voor de groote zaak van den Islam. Verlangt ge te blijven die ge zijt, geef dan uwe onstuimige driften prijs! Zijt gij daartoe niet bij machte, dan zend ik u liever heden dan morgen naar het leger, en maakt gij het te erg, gebonden en met het doodsoordeel in den gordel naar Medina terug."

Onder deze woorden stiet de zwarte doffe geluiden uit; de veldheer ging echter ongestoord voort: "Waarom gij dezen jongeling haat? Een kind kan het doorzien. In den zoon en erfgenaam van den Mukaukas Georg ziet gij den toekomstigen Mukaukas, terwijl gij den waanzinnigen wensch koestert om zelf Mukaukas te worden."

"En waarom moet die wensch waanzinnig zijn?" riep de ander met eene krijschende stem, terwijl zijne lippen brandden. "U er buiten gelaten--wie is hier verstandiger en sterker dan ik?"

"Misschien geen muzelman; doch een Egyptenaar, een christen, en niet gij of een ander geloovige zal den gestorvene in zijn ambt opvolgen. Dit vordert de wijsheid en--zoo luidt het bevel van den Kalief."

"En gebiedt deze ook den schoongelokten aap zijne millioenen te laten?"

"Verlangt gij daarnaar, onverzadelijke gierigaard, naar dat geld? Drukt u nog niet zwaar genoeg, wat gij door hebzucht hebt bijeengeschraapt! Goud, altijd meer goud, dat is het doel, het walglijk doel uwer wenschen! Een vet hapje, die grondbezittingen van den Mukaukas, zijne talenten goud, zijne edelgesteenten, slaven en paarden; dat vind ik ook! Maar den barmhartigen God zij dank, wij zijn geen dieven en roovers!"

"Wie heeft de millioenen te voorschijn gehaald, die de Egyptenaar Petrus onder den waterbak had verstopt, en hem zelven in het gras doen bijten?"

"Ik, ik! Maar alleen, zooals gij weet, om ze naar Medina te zenden. Petrus had ze voor ons verborgen, eer wij hem terecht stelden; de Mukaukas daarentegen en zijn zoon hebben alles wat zij bezitten aangegeven tot op den laatsten dinar en den uitersten akker lands; zij hebben de belasting stipt betaald, en dus blijft het hunne hun eigendom, gelijk voor mij en u ons zwaard, ons paard, onze vrouw. Waar zet uw nimmer verzadigde ziel u toch toe aan?--De hand van den dolkgreep!--Geen koperstuk van hen daar ginds zal in uw hongerigen muil vallen, zoowaar helpe mij de Almachtige! Gij werpt den zoon van den Mukaukas niet andermaal een boozen blik toe! Stel mijn geduld niet op te zware proef, anders,--houd uw kop maar vast!--anders hebt gij hem weldra voor uwe voeten te zoeken. Wat ik daar zeide is gezegd. Goeden nacht voor heden! Morgen vroeg zet gij in den divan uiteen, wat gij ontworpen hebt ten aanzien van de nieuwe landindeeling. Mij wil dit plan in zijn geheel en in zijne deelen niet best bevallen, en ik zal ook nog andere ontwerpen laten uitwerken."

Hierop keerde de veldheer den Wekil den rug toe, en zoodra de deur zich achter hem gesloten had balde Obada de vuist, en dreigde woedend zijn heer en bedwinger, die tot hiertoe verzwegen had, dat hij een deel van eene bezending goud had gestolen, die Amr hem bevolen had naar Medina te geleiden, en liep toen driftig, hijgend en snuivend op en neer, tot de slaven kwamen om het tafelgereedschap weg te ruimen.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Terwijl maan en sterren den nachtelijken hemel verhelderden nam Orion den terugweg aan. Hij hield het hoofd fier opgericht, zoo vroolijk en vol hoop als bij dezen rit had hij zich niet gevoeld sedert dat watertochtje met Paula. Aan gene zijde van de schipbrug stuurde hij zijn paard niet rechtstreeks naar het stadhouderlijk paleis, de frissche nachtlucht deed hem zoo goed, zijn hart was zoo ruim, dat hij zich niet dadelijk in een eng vertrek kon opsluiten. Met nieuwe geestdrift bezield en van eene zwaren last bevrijd reed hij in snellen draf naar het huis waar zijne geliefde gehuisvest was, en hij stelde zich voor hoe verheugd zij zijn zou bij het bericht, dat hij in Amr een helper bij de verwezenlijking zijner plannen, ja, misschien een vriend gevonden had.

De veldheer, dien zijn vader zoo hoogschatte om zijn edel gemoed, zijn verstand en zijne rechtvaardigheid was ook in zijn oog het ideaal van een voortreffelijk man, en als hij hem vergeleek met de voorname beambten en bevelhebbers over de troepen, die hij aan het Byzantijnsche hof had gezien, moest hij glimlachen. Zij allen stonden tot dezen waardigen en toch levenslustigen en deelnemenden man in verhouding als de oude stijve godenbeelden zijner voorvaderen tot de edele gestalten der Grieksche kunst. Thans zegende hij het aandenken zijns vaders, die zijn geboortegrond bevrijd had van de heerschappij van dit ontaard gebroed. Heden, dit wist hij zeker, zou de afgestorvene, wiens beeld hem zoo levendig voor den geest stond, over hem tevreden zijn, en dat gaf hem een gevoel van geluk dat hij wilde vasthouden en nog verhoogen door hetgeen hij verder zou overleggen en uitrichten. "Het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," deze tooverspreuk uit een zoo dierbaren mond, zou hem houden op den goeden weg en hoe spoedig hoopte hij, zeker van zijne zaak, op mannelijke daden te kunnen wijzen, die hem voor zichzelven het recht gaven, om het lot van de edelste der vrouwen aan het zijne te verbinden!

Van zulke gedachten vervuld, was hij aan het huis van Rufinus gekomen. De vensters van het hoekvertrek op de bovenste verdieping, waarvan twee in de Nijlstraat, twee op den stroom uitzagen, waren verlicht. Hij wist niet juist welke kamers Paula bewoonde, maar hij keek toch naar boven in het onzeker vermoeden, dat dit licht bij haar nog zoo laat brandde, en de vrouwelijke gestalte, die thans zich vertoonde aan de door het maanlicht beschenen vensteropening, zeide hem dat hij zich niet had bedrogen, want hij herkende in haar Paula's voedster Perpetua. De hoefslag had haar uit nieuwsgierigheid naar het venster doen gaan, doch zij scheen hem bij het matte licht niet te herkennen. Langzaam reed hij voorbij en toen hij spoedig daarop omkeerde en opkeek, in de hoop ditmaal zijne geliefde aan het venster te zullen vinden, zag hij niemand meer. Maar hij merkte eene lange donkere schaduw op, die zich van de eene zijde van het vertrek naar de andere bewoog en die noch van de voedster, noch van hare slanke meesteres afkomstig kon zijn. Het moest de schaduw zijn van een bijzonder lang man, en terwijl hij stilhield en verontrust door allerlei pijnlijke gewaarwordingen nog eens naar boven keek, herkende hij duidelijk den arts Philippus.