De nijlbruid

Part 26

Chapter 263,973 wordsPublic domain

In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde, omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden, daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de weer; want ieder meende door dezen dienstijver ter wille van den patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend, maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en klein, alleen niet op hare dochter.

Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de trap opvloog die naar hare kamer geleidde: "Orion zal weldra komen, vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden, want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht."

Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwen en eene schare van halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend, want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer.

Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels, en de man, waarom het haar vooral te doen was. Zoo schoon was Orion haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad, waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen, deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn overvloedig thans ongekruld haar hing in rijke kunstelooze golvingen langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien, en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in 's buurmans huis tusschen Paula en Orion te werpen.

Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen, vlinders, bijen en kevers, wier gegons zij niet hoorde en die de bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen zeker, want er vertoonde zich niet éen, geen enkele brak met zijn tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog liet de slaapdronken voerman zijn "brrr!" hooren.

Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere, kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken, en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen.

Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden, gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte, en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch, en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip, want terwijl zij de medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de wagen verliet den tuin.

"Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe," dacht Katharina. "Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!"

Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiter te paard leidde het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde, prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: "Hij neemt haar dus in elk geval niet dadelijk mee."

Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet, ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet verloren. En hij?--Als een betooverde zag hij zijne geleidster aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen.

Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond, dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de heg onmerkbaar voortsloop.

"Ik heb u zooveel te danken," waren de eerste woorden, die zij uit Orions mond opving, "dat ik schroom u nog één ding te vragen; maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de kinderhand van Maria mij geslagen heeft, doch wat haar daartoe bewoog was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u."

"Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?" vroeg Paula. "Deze wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen..."

"Alleen?" vroeg Orion.

"Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil."

"Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk kunnen verlaten. En--dit moet ik er bijvoegen--mijne moeder ontwijkt het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet doet en telkens opnieuw beangstigt."

"Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?"

"Bedenk toch eens," zeide Orion met een zucht, "wat mijne arme moeder voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan, door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis."

"Dan moet men haar daaruit verwijderen," zeide Paula bewogen. "Zend haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en vertroostende geesten."

"Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen...."

"Doe dat!" haastte Paula zich te zeggen. "Hebt gij Pulcheria, de dochter van mijn waardigen gastheer gezien?"

"Ja, een eigenaardig lieftallig meisje."

"Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel."

"En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten."

Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er bij, op een toon van zacht verwijt: "Ook Katharina hebben de laatste dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen."

"Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich af," antwoordde de ander. "Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel, en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar spreken wij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen, wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!"

De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan, thans sloegen de beluisterden een pad in dat, maar even door enkele boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten, waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel.

Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik, want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen, wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus, de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan den muzelmanschen wisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd.

Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar, ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen, en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen van den rentmeester altijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion, want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting, had men haar met Orion alleen gelaten.

Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had.

Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn eigenaardigen diepen toon gezegd: "Ziedaar uw eigendom! Neem het aan, en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!"

Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te gering is voor hem die haar ontvangt.

Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de hand uitgestoken, en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een groot monarch aan een harer voorouders had geschonken, en zij was blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure had bereid.--Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen, dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over hem geveld had, was honderd-, ja duizendmaal te hard geweest! Alleen een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit, als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker, dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn!