Part 25
Doch zijne vrouw stak dreigende den vinger tegen hem op en zeide: "hebt gij ook misschien een geheime bochel, manlief? Zoo'n fraai gedraaid antwoord..."
"Hij ziet zijne kreupelen de kunst af," schertste Paula. "Maar nu komt gij aan de beurt, vriend Philippus. Uwe redeneering was die van een bedaagden wijze, en heeft mij--om der wille van Rufinus zeg ik niet 'overtuigd', maar 'meegesleept'. Ik ben u eerbied schuldig, en toch zou ik willen weten hoeveel jaren gij...."
"Ik zal weldra mijn een-en-dertigste intreden," zeide de arts, nog voor zij haar vraag voleindigd had.
"Dat is een eerlijk antwoord," zeide vrouw Johanna, lachende. "Op uw leeftijd klemt men zich gaarne aan het twintigste jaar vast."
"Waarom?" vroeg Pulcheria.
"Ach, daarom," antwoordde de moeder. "Er zijn meisjes die een dertiger voor ouder aanzien dan hem lief is."
"Domme schepsels," hernam Pul. "Zij zullen bezwaarlijk een jonkman vinden, die beminnelijker is dan onze vader, en wanneer Philippus, ja gij Philippus, tien of twintig jaren ouder waart dan negen-en-twintig, meent gij dat dit u minder verstandig en goed kon maken?"
"En minder leelijk in geen geval," voegde de arts erbij.
Daarop zeide Pulcheria knorrig, als hadden die woorden haar gekrenkt: "Gij zijt in het geheel niet leelijk! Wie u daarvoor uitgeeft, heeft in het geheel geene oogen! Gij zeidet het ook alleen om te hooren, dat gij een deftig man zijt."
Terwijl het gevoelige meisje aldus den vriend tegen zichzelve verdedigde, streek Paula haar over de gouden haren en zeide tot den arts: "Pulcheria's vader heeft gelijk. Zij weet de menschen met den waren maatstaf te meten. Vergeet dit niet, Philippus! Verder... Houd mij de vraag ten goede, maar moet het niet mijne verwondering wekken, dat een een-en-dertiger en een zeventiger te gelijkertijd de hoogeschool hebben bezocht?--Het duurt nog lang eer de maan, die zoo helder en blank daar voorttrekt, verduisterd wordt. Ook gij Rufinus zijt zulk een wereldreiziger geweest, en wanneer gij mij een groot genoegen wilt doen, dan vertelt gij ons iets uit uw leven, en hoe gij hier te Memphis gekomen zijt."
"Zijn levensloop?" zeide vrouw Johanna. "Wanneer hij ons die vertellen wil van het begin tot het einde met alle bijzonderheden, dan verloopt de geheele nacht en wordt morgen ons ontbijt nog koud. Hij heeft een leven gehad als dat van den avontuurlijken Odusseus. Doch verhaal een en ander, man! Gij weet, wij luisteren met het grootste genot."
"Mij roept mijn plicht," zeide de arts, en nadat hij van de anderen vriendelijk afscheid genomen en Paula meer afgemeten dan in de laatste dagen vaarwel gezegd had, begon Rufinus aldus:
"Ik ben in Alexandrië geboren, in een tijd toen handel en nijverheid er nog bloeiden. Mijn vader was een wapensmid en in zijne werkplaats arbeidden wel tweehonderd slaven en vrijen. Hij had veel van het beste erts noodig en dat ontving hij gewoonlijk uit Brittannië over Massilia. Eens geleidde hijzelf het schip van zijn handelsvriend naar het verre eiland, en daar leerde hij mijne moeder kennen. Haar goudblond haar, dat onze Pul geërfd heeft, moet hem bekoord hebben, en daar de schoone vreemdeling--want mijn vader was een man zooals er weinigen meer zijn--haar goed beviel, werd zij om zijnentwil christin en volgde hem bereidwillig. Zij hebben er beiden nooit berouw over gehad, want ofschoon zij eene stille vrouw was, die het Grieksch tot aan hare laatste ure sprak als eene vreemde, zeide de oude man toch vaak, dat zij zijn beste raadgeefster was. Daarbij bezat zij zulk een gevoelig gemoed, dat zij geen schepsel kon zien lijden, en hoe ijverig zij ook aan den haard en aan den weefstoel dagelijks bezig en op haar plaats was, zoo kon zij toch geen hoen, geen gans, geen varken zien slachten. Haar hart--moet ik zeggen 'helaas' of 'goddank'?--heb ik geërfd. Ik had nog twee oudere broeders, die mijn vader moesten helpen en later de zaak zouden voortzetten. Toen ik tien jaren oud was, moest ik een beroep kiezen. Mijne moeder had gaarne een geestelijke van mij gemaakt, en ik zou het met vreugde geworden zijn, maar mijn vader stemde hierin niet toe, en daar wij een oom hadden die rhetor was en met zijn ambt veel geld verdiende, leende mijn vader het oor aan zijn voorslag, om mij voor dit beroep op te leiden. Zoo ging ik dan van den eenen leermeester tot den anderen en kwam in de school goed vooruit.
"Tot mijn twintigste jaar woonde ik altijd bij mijne ouders, en gedurende mijne veelvuldige vrije uren kon ik doen en laten wat mij het best aanstond, en dat waren, als het niet te voornaam klinkt, louter geneeskundige zaken. Als twaalfjarige knaap was ik het eerst begonnen mij daaraan te wijden, en wel door een toeval. Ik liep natuurlijk gaarne in de werkplaatsen rond, en daar was eene ekster, een potsierlijk beest, dat mijne medelijdende moeder opgevoed had. Het dier kon 'jij domkop', mijn naam en nog andere woorden roepen, en hield veel van lawaai; want waar de smeden en slotenmakers het drukst hamerden en vijlden, daar fladderde het 't liefst heen en weer, en waar het zich neerzette bij een aambeeld, keek het onder al dat kloppen, knarsen en slijpen altijd vroolijk rond. Jarenlang was het dier zijne gezelligheid goed bekomen, maar op zekeren dag geraakte het in een schroefbank beklemd en zijn linkerpootje brak. Dat arme beestje!"
De oude bukte even, om heimelijk zijne oogen af te vegen, en ging toen opnieuw voort: "De ekster viel op zijn rug en zag mij zoo medelijdend aan, dat ik den blaasbalgtrekker, die hem uit medelijden den genadeslag wilde geven, de tang uit de handen rukte, het beestje voorzichtig aangreep en mij voornam het te genezen. Toen heb ik de ekster op mijne kamer aan een kunstig bedacht toestelletje bevestigd, opdat zij zich stil zou houden en zich geen pijn zou doen; ik heb het pootje gezet, de gewonden einden in mijn mond verwarmd en bevochtigd, en kleine houtjes als spalkjes daarom bevestigd. En ziedaar, het pootje genas waarlijk, het beestje werd gezond, fladderde als vroeger in de werkplaats rond, en als ik mij vertoonde vloog het op mijn schouder en pikte met zijn spits snaveltje mij voorzichtig in het haar. Van dat oogenblik af zou ik gaarne de hoenders in den hof de pooten gebroken hebben om ze te genezen; doch ik kwam op een ander denkbeeld. Ik ging naar de barbiers en zeide hen, dat wie een vogel, een hond of eene kat met gebroken leden had, die mocht ze bij mij brengen, ik verklaarde mij bereid ze om niet te heelen, dat konden ze aan hunne klanten vertellen. Reeds den volgenden dag bracht men mij een patiënt, een zwarten jachthond met gele vlekken boven de oogen, dien eene afgedwaalde lans een poot verbrijzeld had; ik zie dat beest nog voor mij! Op dezen volgden andere gevederde en viervoetige kranken, en zoo was dan mijn heelmeesterswerk begonnen. Die lijdende vogels, die daar aan de boomen hangen, dank ik weder aan mijne bondgenooten, de barbiers. Met viervoeters houd ik mij thans slechts bij uitzondering bezig. De lamme kinderen, die gij als helpers in den tuin ziet, behooren aan arme ouders, voor wie de wondarts te duur is. Die vroolijke krullebol die u onlangs de roos bracht, mag over weinige dagen naar huis gaan. Maar wij moeten naar mijne jeugd terug!
"De hoogere beweeggronden, die aan mijn leven deze richting gaven, hebben zich eerst later na mijn twintigste jaar en nadat ik de hoogeschool reeds achter mij had, bij mij doen gelden, ja door hunne kracht ben ik eerst aangegrepen, nadat mijn oom mij reeds menige gelegenheid had verschaft om mij in mijn vak te oefenen. Zonder ijdelheid mag ik zeggen, dat mijne voordrachten de lieden bevielen, en ofschoon ik een afkeer had van gezwollenheid en bloemrijk gezwets werd ik toch niet uitgefloten. Hoewel de ouders zich verblijdden als ik uit Nikou, Arsinoë of uit andere plaatsjes in de provincie met lauwerkransen en goudstukken terugkeerde, was ik in mijne eigene oogen altijd een bedrieger. Doch om mijn vader waagde ik het niet een ander beroep te kiezen, ofschoon het mij al meer en meer tegen de borst stuitte lieden hemelhoog te verheffen, die ik noch liefhad noch achtte, en tranen van ontroering te schreien, terwijl ik bereid geweest zou zijn hartelijk te lachen.
"Vrije tijd had ik in overvloed, en daar het mij niet aan moed ontbrak en ik zeer gehecht was aan onze Grieksche geloofsbelijdenis, was ik er altijd bij als er verschillende geloofsgenooten met elkander in opstand kwamen en handgemeen werden. Gewoonlijk liep het af met builen en schrammen, doch soms werden ook de zwaarden getrokken. Eens waren duizenden tegen duizenden in strijd geraakt, en de prefect had de troepen--allemaal Grieken--laten uitrukken, om de rust met geweld te herstellen. Dit gaf eene slachting, waarbij wel duizend vielen. Ik kan u dit niet schilderen. Zulke dingen gebeurden niet zelden en vaak richtten de woede en hebzucht der menigte, waarachter maar al te dikwijls de overheid en de creaturen van den aartsbisschop stonden, zich tegen de joden. Wat ik dan aanschouwen moest is zoo akelig, zoo afgrijselijk, dat de tong weigert het te vertellen. Maar die arme joodsche moeder, wier man door ellendige rekels--nog wel onze geloofsgenooten--werd vermoord, die haar huis hadden leeggeplunderd en daarna door een zwaargewapende bij de haren over den grond werd gesleurd, terwijl een bloeddorstige kerel haar zuigeling voor hare oogen bij de voetjes nam en den schedel tegen den muur verpletterde, gelijk men een natten doek tegen een paal uitslaat--die schoone jonge vrouw en haar kind heb ik nooit vergeten, en niet zelden verschijnen ze mij bij nacht in den droom.
"Dat alles heb ik beleefd, en met afgrijzen zag ik, een schepsel Gods, een redelijk wezen zijn medemensch verscheuren, vervolgen, diep ongelukkig maken. En waarom? Barmhartige Heiland, waarom? Alleen uit haat, alleen--zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is--voortgezweept door eene gruwzame begeerte om zijn naaste, die niet wilde zijn wat hij was, ja den naaste, die het waagde voor zichzelven iets te zijn, te schaden, te krenken en leed te doen. En deze woestelingen, deze legers die zich schaarden onder de banier der onbarmhartigheid, der vernielingswoede, van den bloeddorst, waren christenen, gedoopt in den naam van hem die gebood den vijand te vergeven, die de liefde had uitgebreid van huis en stad en stal over de menschheid, die de echtbreekster uit het stof ophief, die de kinderen in zijne armen nam en zich meer wilde verheugen over éen zondaar die zich bekeert dan over negen-en-negentig rechtvaardigen! Bloed wilden zij zien, bloed, en was dan niet de leer van hem, op de belijdenis waarvan zij zich verhieven, gesproten uit het bloed van den man, die zijn leven had opgeofferd voor alle menschen, gelijk de lotusbloem zich verheft uit het helder water van het marmeren bekken? En zij die in de eerste plaats zulk eene leer der barmhartigheid door woord en daad moesten verkondigen en verdedigen: de patriarch, de bisschop, de presbyter en de diaken, zij hitsten de volkswoede aan, in plaats van der menigte het beeld te toonen van den goeden herder, die het afgedwaalde schaap opheft en vriendelijk naar de kudde terugdraagt.
"De eeuw waarin ik leefde scheen mij de jammerlijkste van alle eeuwen en zij is het ook, zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen; want in dezen tijd is de liefde veranderd in haat, barmhartigheid in onverbiddelijke gevoelloosheid. Niet alleen de tronen der wereldlijke vorsten, ook die der geestelijke gezagvoerders dropen van het bloed van den naaste. Keizer en bisschop gaven het voorbeeld, het volk en de leek deden het hun na. Evenals de grooten, de mannen van het zwaard, zoo ook de kleinen, zoo ook de vreedzamen, die zochten naar geestelijke goederen. Wat ik als man op straat zag gebeuren, dat had ik als knaap en jongeling reeds op de lagere en hoogere scholen waargenomen. Elke leer had hare aanhangers, en wie het met Cnejus eens was, die haatte Cajus en deze sprak en schreef op zijn beurt met geen ander doel dan om Cnejus te benadeelen, te vernederen, te kwellen. Elk tracht met den meesten ijver de fouten van zijn evenmensch aan te toonen en hem aan den schandpaal te binden, vooral wanneer deze voor grooter werd gehouden dan hij, of dreigde hem boven het hoofd te wassen. Hoort de meisjes aan de bron en de vrouwen bij het spinnewiel! Alleen hij is zeker bijval te zullen vinden, die van andere mannen en vrouwen wat kwaads kan vertellen. Wie vraagt naar den lof van zijn naaste? Wie over het geluk van een ander hoort spreken wordt zijn benijder.
"Haat, overal haat! Overal de wil, de wensch, de hartstocht om een ander te bedroeven en ten val te brengen, in plaats van hem op te heffen, voort te helpen, te genezen! Dat is de geest van mijn tijd en alles wat in mij is verhief zich daartegen met heiligen toorn, en ik zwoer anders te zullen zijn en te handelen, en geen ander doel te willen nastreven dan den ongelukkige bij te staan, den ellendige te helpen, tot mij te trekken allen die een voorwerp waren van onbillijke bespotting, bij mijn naaste recht te maken wat krom, heel wat gebroken is, balsem te gieten in wonden en ze te genezen, ja te genezen!
"Gode zij dank, het is mij gelukt althans voor een deel die gelofte te houden, en al paarde ik later aan mijn ijverig streven ook zekere grillen en eene zonderlinge begeerte tot onderzoek, het groote levensdoel waarover ik u sprak heb ik eerst onafgebroken in het oog gehouden, nadat mijn vader gestorven was en mijn oom mij zijn aanzienlijk vermogen had nagelaten. Toen hing ik den rhetorsmantel aan den kapstok, doorreisde het westen en het oosten om het land te zoeken, waar liefde de menschen aan elkander verbindt, en haat als eene krankheid wordt beschouwd. Maar--zoo waarlijk de mensch de maatstaf is aller dingen--tot heden is alle moeite om dat land te vinden vruchteloos geweest. Inmiddels heb ik mijn huis zoo ingericht, dat het een burcht der liefde is geworden. Daar waait eene lucht waarin de haat niet kan tieren en in de kiem verstikt.
"Maar ondanks dit alles ben ik geen heilige geworden, en hoeveel dwaasheden, hoeveel onrecht heb ik begaan; hoeveel geld en goed, dat ik misschien beter voor de mijnen had kunnen bewaren, is mij door de vingers gegleden, hoewel meerendeels bij het vervullen van plichten die ik voor de edelste hield. Wilt gij 't wel gelooven, Paula? Vergeef den ouden man, als hij de dochter van Thomas zoo vaderlijk toespreekt. Nauwelijks vijf jaren na mijn huwelijk met deze mijne beste vrouw, spoedig nadat wij onzen eenigen kleinen zoon verloren hadden, heb ik haar en mijn dochtertje, deze Pul, verlaten, voor meer dan twee jaren verlaten, om zonder opgeroepen te zijn, geheel vrijwillig keizer Heraclius te volgen in den krijg tegen de Perzen, die mij niets in den weg gelegd hadden. Trouwens ik ging niet als krijgsknecht, maar als een leergierige wondarts. Eerlijk gezegd, schepte ik evenzeer behagen in het zien en behandelen van breuken, wonden en verminkingen bij menigte en in het groot, als in het betoonen van mijne mildheid. Met een gebroken doch redelijk samengelapt been keerde ik tot de mijnen terug, weinige jaren later echter kon ik het niet langer op dezelfde plaats uithouden. De trekvogel haalde vrouw en kind uit de rust van huis en tuin, en sleepte ze mee naar de hoogeschool. De echtgenoot, de vader, de grijskop maakte een wonderlijk figuur onder die jonge metgezellen, die de lessen en verklaringen van den leeraar volgden. Maar zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is, in vlijt en ijver stond ik bij niemand hunner achter, hoewel menigeen mij in geest en gave verre overtrof, en onze Philippus muntte uit boven allen. Ziedaar de reden, edele Paula, waarom de grijsaard en de man in den bloei zijner jaren studiegenooten zijn, doch de oude buigt zich heden nog gaarne voor den jongeren kunstbroeder, die van denzelfden geest bezield is. Recht maken, troosten, heelen dat is ook het doel van zijn leven, en vaak lust het mij oudje, die het doel van Philippus zooveel eerder dan hij heb nagestreefd, mij zijn leerling te noemen."
Hier zweeg Rufinus en stond op, ook de Damasceensche verhief zich van haar zetel, drukte hem hartelijk de hand en zeide: "Ware ik een man, ik sloot mij bij u beiden aan. Doch het is ook aan eene vrouw geoorloofd, zooals Philippus mij leerde, in uw geest te werken. En thans verzoek ik u nog, en gij zult mij deze gunst niet weigeren, mij nooit anders dan Paula te noemen. Zoo gelukkig als ik thans ben bij u, had ik niet gedacht mij nog ooit weder te zullen gevoelen. Mijn hart wordt hier frisch en gezond. Vrouw Johanna, wees gij mij tot eene moeder! Ik heb een besten vader verloren, en tot ik hem wedervind zult gij Rufinus zijn plaats bekleeden."
"Gaarne, volgaarne!" riep de oude man, greep hare beide handen en ging daarna opgewekt voort: "Daarvoor verzoek ik u echter, dat gij onze Pul als eene jongere zuster aanneemt. Maak gij van het schuchtere, menschenschuwe schepseltje een jonkvrouw naar uw voorbeeld.--Maar kom, kinderen, spoedig den blik naar den hemel gericht, want daar begint, zooals de oude heidenen van dit land zeiden, als de maan verduisterde, Typhon reeds in de gedaante van een everzwijn het Horus-oog te verslinden. Ziet hoe de schaduw de blanke schijf bedekt! Als de vaderen dit zagen maakten zij geweld; zij schudden het sistrum met zijne metalen ringen, zij trommelden, bliezen, tierden en raasden, om den booze vrees aan te jagen en hem te verdrijven. Voor vierhonderd jaren zal dat hier voor het laatst gebeurd zijn, en heden--trekt de hoofddoeken wat vaster aan en volgt mij naar den stroom--heden maken christenen zich bespottelijk door hetzelfde te doen. In welk christelijk land ik ook geweest ben, overal heb ik hetzelfde schouwspel aangetroffen. Onze heilige godsdienst heeft het geloof der heidenen vernietigd, maar hun bijgeloof bleef leven en is door de voegen en naden in onze gebruiken binnengedrongen. Daar trekken ze heen met den bisschop aan het hoofd, en hoe luide overstemt het gejammer der vrouwen en het huilen der mannen het gezang der geestelijkheid. Hoort maar! Ook die liederen klinken zoo klaaglijk en zoo hartstochtelijk smeekend, als voerde de oude Typhon nog in zijn schild de maan te verslinden, en als stond de wereld het grootste onheil te wachten. Ja--zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen--die beangstigde schepsels daar beneden zijn geesteskrank, en hoe kan men hen vergeven, die het wagen christenen, ja christenen, met de overblijfselen van heidensche dwaasheid bang te maken en hun geestelijk oog te verblinden!"
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een heftig of onvriendelijk woord.
Sedert Orion's kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke, bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna's mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op, tegen welker hoogte zij angstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen, waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte, moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds bij elkander?
Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit 'misschien' martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam kon zijn, zich midden onder de krokodillen van den Nijl werpen zou. De jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen, die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes, en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbed en elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen.
Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben, en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van 's buurmans huis dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter rechter tijd op de plaats te zijn.