De nijlbruid

Part 23

Chapter 234,078 wordsPublic domain

Op den namiddag na den dood van den Mukaukas was zij met hare moeder naar het stadhouderlijk paleis gegaan, om met de vrienden te treuren. Zij had eerst naar Maria gevraagd, maar was niet bij haar toegelaten, omdat zij nog met de koorts te bed lag. Daarop had zij in het koele vertrek willen gaan, waar zij de stem harer moeder hoorde. Naar den toon te oordeelen was deze niet droevig gestemd, maar hevig opgewonden en toornig, zoodat zij het minder passend had geoordeeld de kamer binnen te gaan, waarom zij zich naar de opene zuilengaanderij aan de Nijlzijde had begeven. Voor geen prijs verlangde zij een ontmoeting met Orion, waarvoor zij zeer bevreesd was. Zoodra zij echter naar buiten kwam, waar het nog helder was, had zij hem daar gevonden. Maar hoe? Hij zat daar geheel in zichzelven verdiept, in een zwart rouwgewaad, en met het hoofd voorovergebogen in zijne handen. Hij had hare komst in de gaanderij niet opgemerkt, maar zij had diep medelijden met hem gevoeld; want hoewel het nog heet was, beefde hij over al zijn leden, en scheen er telkens eene huivering door zijn gansche lichaam te gaan. Toen had zij hem bij den naam geroepen om hem te troosten, waarop hij van schrik was ineengekrompen en opgesprongen. Hij had zijn verwilderde haren uit het aangezicht gestreken en zag er zoo bleek, zoo vol vertwijfeling uit, dat zij weder bang voor hem geworden was en voor niets ter wereld de vertroostende woorden zou hebben willen uitspreken, die zij reeds bedacht had. Zoo hadden zij een tijdlang geen woord tot elkander gesproken, eindelijk had hij als met geweld al zijne krachten verzameld, was hij langzaam en met een plechtige waardigheid, zooals niemand zeker te voren bij hem had opgemerkt naar haar toegekomen, had zijne hand op haar schouder gelegd, haar een poos aangestaard met zijne rood bekreten oogen en daarna met een diepen zucht de woorden geuit: "Rampzalig kind!"

Dat klonk haar nog in de ooren, hij was van het hoofd tot de voeten geheel anders geweest dan vroeger, alsof hij haar vreemd was. Ook zijn stem klonk zonderling, veel dieper dan anders, toen hij op vasten, kalmen toon had gezegd: "Kind, kind, wellicht heb ik velen in mijn leven onbedacht leed gedaan, doch gij, gij hebt zeker het ergste van mij ondervonden, want ik heb u, onschuldige, trouwe ziel, tot mijn medeschuldige gemaakt. De groote zonde die wij begaan hebben, komt alleen voor mijne rekening, en om harentwil ben ik gekastijd, is mij een straf opgelegd, voor honderden, voor duizenden te zwaar om te dragen!"

"Daarop," zoo ging Katharina voort, "bedekte hij zijn gelaat weder met beide handen, wierp hij zich op de rustbank, steunde en zuchtte. Weldra sprong hij andermaal op en riep zoo hartstochtelijk en luid, als moest ik het van angst en medelijden besterven: 'Vergeef mij, als gij kunt, vergeef mij gansch en al! Dat moet gij doen! Ik kan niet zonder die vergiffenis!'--Ik wilde toen naar hem toesnellen, hem omarmen en alles vergeven, want ik had zoo zielsmedelijden met zijne bittere smart; doch hij wees mij zonder hardheid of ruwheid maar ernstig terug en zeide, dat het uit was met liefde en verloving tusschen ons. Ik was jong, en het zou mij wel gelukken hem te vergeten, hij wilde een trouw vriend blijven voor mij en mijne moeder; en hoe zwaarder het zijn mocht wat wij van hem verlangden, met des te meer vreugde zou hij ons dienen.

"Ik wilde hem antwoorden, maar haastig hield hij mij tegen om op ernstigen, stelligen toon te vervolgen; 'Hoe zeer gij ook verdient bemind te worden, ik kan u niet liefhebben zooals gij het waardig zijt; want--het is mijn plicht u dit te zeggen--want ik heb eene andere groote liefde in 't hart, mijne eerste en mijne laatste, en al heb ik ook eens in mijn leven mij als een onwaardige gedragen, ik wil dit niet andermaal doen. Liever wil ik uw toorn op mij laden en u en mijzelven in deze ure pijn doen, dan dit onrecht nog langer voort te zetten en u en die andere te bedriegen!'

"Toen kon ik mij niet langer inhouden en diep ontroerd vroeg ik: Paula? Doch hij bleef mij het antwoord schuldig, boog naar mij over, raakte mijn voorhoofd aan met zijne lippen, zooals zijn vader mij menigmaal gekust had, en liep toen snel den tuin in.

"Daarop kwam mijne moeder, rood als een papaver en hijgende naar mij toe, greep zwijgend mijn hand, trok mij achter haar in den wagen en zeide daar, buiten zichzelve van boosheid--de toorn belette haar zelfs te weenen--welk een smaad, welk eene ongehoorde behandeling, hoe zal ik den moed hebben om u, onschuldig offerlam, te vertellen....?

"En zoo zou zij zijn voortgegaan; ik liet haar echter niet uitspreken, maar zeide terstond dat ik alles wist, waarbij het mij gelukte volmaakt kalm te blijven. Te huis gekomen doorleefden wij pijnlijke uren, en toen gisteren na de opening van het testament Nilus tot ons kwam en mij het fraaie gouden doosje met de turkooizen en paarlen overhandigde, dat mij altijd zoo had aangetrokken en daarbij vertelde dat de goede Mukaukas Georg het in zijn uitersten wil met eigen hand bestemd had voor mij, zijne vroolijke kleine Katharina, stond moeder erop, hoezeer ik ook bedelde en smeekte, dat ik het niet aannemen maar vrouw Neforis terugzenden zou. Ik kom natuurlijk niet meer in het stadhouderlijk paleis; ja, mijne moeder spreekt ervan Memphis te willen verlaten, om zich te Konstantinopel te vestigen of in eene andere stad waar christenen heerschappij voeren. Ons goed en keurig ingericht huis moet dan zeker weggeschonken worden, maar onze heerlijk aangelegde uitgestrekte tuin zou men aan boeren kunnen verkoopen, zegt moeder. Met het schoone paleis van Memnon is het anderhalf jaar geleden ook zoo gegaan. Van den hof hebben zij een korenveld gemaakt, en de prachtige benedenzalen met dat mozaïek en het beeldwerk zijn thans smerige koe- en schaapstallen geworden, en in de vertrekken van Hathor en Dorothea worden nu zwijnen gemest. Lieve God, die beide meisjes zijn mijne beste vriendinnen geweest. Met Maria mag ik niet meer verkeeren; moeder geeft geen mensch een vriendelijk woord, ook mij ternauwernood, en mijne oude voedster is zoo doof als een kwartel.

"Ben ik niet een arm, verlaten schepsel? En als gij, gij mij nu ook terugwijst, wie is er dan in Memphis met wie ik vertrouwelijk spreken kan? Maar, niet waar, zoo hard zult gij niet zijn? Lang zal het ook niet duren want mijne moeder meent het ernstig met het heengaan. Gij zijt ook ouder en zooveel ernstiger en verstandiger dan ik..."

"Ik wil heel goed voor u zijn, mijn kind; maar tracht u bij Pulcheria aan te sluiten!"

"Zeer gaarne! Doch mijn moeder! Ik zou wel met mijzelve tevreden zijn, wanneer niet... Gij hebt gehoord hoe Orion toen in de laan tot mij gesproken heeft. Hij moet mij toch wel hebben mogen lijden! Wat gaf hij mij toen aardige, teedere namen! Ach God, zoo kan toch geen mensch jegens een ander zijn, als hij niet van hem weten wil. Hij is zelf zoo rijk, mijn vermogen alleen kan hem toch niet aangelokt hebben. En ziet hij er zoo uit, alsof hij zich een meisje door zijne moeder klakkeloos zou laten opdringen? Hij is goed voor mij geweest, altijd geloof ik, maar later heeft hij gedacht aan de hooge plaats, die hij toch moest innemen, en mij daarvoor te klein, te kinderachtig geoordeeld. Ach, wat heeft die ongelukkige kleinheid mij al tranen gekost! Het kwikstaartje ben ik, en dat zal ik blijven; uwe oude gastheer heeft mij ook al zoo genoemd, en wanneer een heer als Orion zich een statiger vrouw wenscht, dan kan ik hem dit niet euvel duiden. Die andere, die hij meent meer te kunnen liefhebben dan mij is zeker groot, schoon, van vorstelijke gestalte als gij, en dikwijls heb ik het mijzelve gezegd, dat zijne toekomstige gemalin er moest uitzien als gij. Tusschen hem en mij is nu alles voorbij en ik wil het gelaten dragen, maar ik moet daarbij kunnen denken dat hij mij toch hij zijn terugkeer aanvallig en innemend heeft gevonden en in zijn binnenste toch iets voor mij gevoeld heeft. Zoo is het, ja zoo is het ook geweest! Doch toen heeft hij die andere gezien en met haar kon ik mij niet meten. Zij was geheel en al de vrouw die hij behoefde, en die andere, Paula, zijt gij, ja gij, zeer zeker, eene inwendige stem zegt het mij. Ziet gij, ge moogt mij gelooven, dat doet mij wel leed, maar het kan mij ook verblijden. Ieder ander meisje, waaraan hij de hand reikt, zou ik kunnen haten, maar wanneer gij die andere zijt, en gij zijne vrouw wordt..."

"Dwaasheid," zeide Paula opeens op vasten toon. "Bedenk eens wel, heeft Orion, toen hij u tot meineed verleidde, getoond mijn vriend te zijn, of wel mijn bitterste, onverzoenlijkste vijand?"

"Ja, toen voor de rechters ongetwijfeld!" antwoordde de kleine, nadenkend het hoofdje latende zinken. Doch weldra richtte zij het weer op, keek Paula vast en met fonkelende oogen in het aangezicht en sprak ronduit zonder aarzelen: "En gij? Ondanks alles wat gij zegt is hij zoo schoon, zoo verstandig, zoo mannelijk, dat het bijna niet anders kan of: gij hebt hem lief!"

Daarop liet Paula den arm los, waarmede zij Katharina hield omvat en antwoordde openhartig: "Tot heden, bij de begrafenis, heb ik hem gehaat en verafschuwd, maar bij het graf zijns vaders is hij mij toegeschenen een ander mensch te zijn geworden, en het viel mij gemakkelijk hem hierbinnen in stilte te vergeven."

"Derhalve hebt gij hem niet lief?" vroeg Katharina, terwijl zij met hare kleine vingers stevig den gevulden arm van de jonkvrouw greep.

Paula voelde hoe ijzig koud hare hand was en verschrikte.

De maan was sedert lang opgegaan, de sterren begonnen hooger en hooger te stijgen en met een kort "kom!" stond zij op en zeide: "Het zal wel geen uur van middernacht meer zijn; uwe moeder zal bezorgd over u worden."

"Een uur voor middernacht!" herhaalde de kleine verschrikt. "Goede God, wal zal moeder knorren. Zij zit zeker nog evenals elken avond met bisschop Plotinos aan het schaakspel. Vaarwel dan voor heden! Door de heg ben ik het spoedigst te huis!"

"Neen," zeide Paula bepaald, haar terughoudende; "gij zijt geen kind meer, gij zijt eene jonkvrouw, en moet dat voelen en toonen. In plaats van door de doornen te sluipen, gaat gij door de deur naar huis. Ik geleid u met Rufinus en verklaar daar aan uwe moeder..."

"Neen, neen!" riep Katharina haastig en angstig. "Zij is even boos op u als op de anderen en heeft mij nog juist gisteren verboden..."

"Mij op te zoeken?" vroeg Paula. "Zij gelooft..."

"Om uwentwil heeft Orion... Ja, het liefst gaf zij u de schuld van alles. Maar nu ik met u gesproken heb... Ziet gij het licht daar? Dat komt uit haar woonvertrek." En voor Paula het beletten kon liep zij naar de heg en schoof behendig als eene wezel door de opening in de doornstruiken.

Paula zag de kleine met gemengde aandoeningen na, en ging toen spoedig naar huis en ter ruste. Het verhaal van Katharina weerde geruimen tijd den slaap van hare sponde, en het vermoeden, ja de zekerheid bijna dat zij het was, die eene "groote liefde" in het hart van Orion had gewekt, liet haar geruimen tijd geen rust. En als zij het werkelijk was? Ja, dan lag het in hare hand wraak te nemen op den misdadiger en hem alle smarten te laten doorworstelen, die hij hare arme ziel had doen lijden. Doch wie van beiden zou zulk eene straf dieper wonden slaan, hem of haar? Opende de mededeeling van de kleine ook niet voor haarzelve en haar smachtend gemoed eene wereld van zaligheid? Maar neen, neen! Zich door dezelfde hand, die haar zoo erbarmelijk had geslagen, ten hemel te laten heffen, zou zelfvernedering zijn, ontrouw jegens haarzelve.

Te midden van deze afwisselende gevoelens en gedachten overmande haar de slaap, en in den vroegen morgenstond had zij een droom, waaraan zij den ganschen dag met bange huivering bleef denken. Orion was haar tegemoet gereden, bleek als de dood, in donker rouwgewaad, stapvoets op zijn donker zwarten hengst, had haar die geen kracht had om te ontvluchten, zonder haar aan te zien of iets te vragen, als een kind in de hoogte getild, en vóor zich op den rug van het paard gezet. Zij had al hare krachten ingespannen om zich los te maken en weder op den grond te komen, maar hij had haar met beide armen als tusschen ijzeren klemmen vastgehouden en haar verzet gebroken. Al moest het haar het leven kosten, zij wilde zich aan deze omarming ontworstelen, maar hoe heftiger zij zich weerde, des te vaster en dichter trok de stomme, onbarmhartige ruiter haar tot zich. Voor hen stuwde de stroom zijne rimpelende wateren voort; Orion scheen dien niet op te merken en stuurde, zonder zijne lippen te bewegen, den hengst gelaten naar den oever. Radeloos van angst en ontzetting smeekte zij hem om den gang van het ros eene andere richting te geven, maar hij luisterde niet naar haar en dreef het dier kalm midden in den vloed. Toen klom haar angst tot het uiterste en terwijl het paard haar dieper en dieper in het water drong, sloeg zij de armen vrijwillig om den hals van den ruiter. Daarop week de doodskleur van zijn aangezicht, zijne wangen kleurden, zijne lippen zochten en vonden de hare; en zij gevoelde te midden van den gruwzaamsten doodsangst een bedwelmend genot, zooals zij nog nooit had ondervonden. Zij had zoo eeuwig in het verderf willen rijden, en het ging inderdaad al dieper en dieper in het water; zij gevoelde hoe het zijne en hare borst bereikte, maar zij stoorde er zich niet aan. Zij hadden nog geen woord gewisseld, maar opeens werd zij gedwongen het stilzwijgen te verbreken, en als moest het zoo zijn vroeg zij hem: "Ben ik die andere?" Daar braken van alle zijden de golven tegen hen los, het paard werd in een maalstroom getrokken, die met het dier, haar en Orion in de rondte draaide; een gierende windvlaag floot door de lucht, en terstond daarop riepen de schuimende golven, de bruisende maalstroom, de huilende orkaan, alles, alles rondom hen als uit éen mond een luid, alles overstemmend en verdoovend: "gij!" Alleen Orion bleef stom, en toen een draaikolk het ros greep en naar beneden trok, sleurde een golf haar van zijne borst, en zij zonk, zonk al dieper en stak hem smachtend de armen toe.

Op dit oogenblik ontwaakte zij, terwijl het angstzweet haar op het voorhoofd parelde, en hare voedster, die haar uit dezen angstigen droom gewekt had zeide hoofdschuddend tot haar: "Kind, kind, wat was dat? Gij hebt voortdurend, eerst in grooten angst en daarna teeder--ja geloof mij, teeder--den naam van Orion uitgesproken."

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

In de zindelijke vertrekken, die de vrouw van Rufinus had ingericht voor hare kranke gasten, heerschte op den middag de vreedzaamste rust. Door de zware groene gordijnen, die het zonlicht tegen hielden, drong een zachte schemering naar binnen en de verpleegsters hadden kort geleden den morgenmaaltijd gebruikt. Paula goot nieuwe druppels op het verband van den Masdakiet en Pul was in het aangrenzend vertrek met Mandane bezig, die zich stil, verstandig en zonder eenig spoor van waanzin aan de voorschriften van den arts onderwierp.

Paula verkeerde nog altijd onder den indruk van den afgeloopen nacht. Zulk een onrust had zich van haar meester gemaakt, dat zij geheel tegen haar gewoonte niet lang stil kon zitten, en als Pul bij haar kwam, om haar dit of dat te vertellen, luisterde zij zoo verstrooid en onverschillig toe, dat het bescheiden meisje uit vrees van haar te storen, zich terugtrok bij hare kranke en dus geduldig wachtte tot haar nieuwe afgod haar riep.

Thomas' dochter had inderdaad wel reden om zich eenigszins beangst te maken, want heden zou Orion, wanneer zij zich niet in alles bedroog, zich bij haar aanmelden, teneinde haar vermogen over te brengen, en terwijl zij gisteren op den terugweg van het kerkhof tot de overtuiging was gekomen, dat zij hem afwijzen moest en wilde, zoo had de groote ontroering, die het gevolg was van Katharina's verhaal en van haren droom, haar te meer in die overtuiging bevestigd. Hare voedster wachtte beneden op Orion en wel met de opdracht hem niet bij haar maar bij Rufinus te brengen, die volgaarne op zich had genomen als haar gevolmachtigde het geld, dat zij verwachtte, in ontvangst te nemen. Want de arts had Paula niet verzwegen, dat hij zijn vriend in het algemeen bekend had gemaakt met de omstandigheden, die haar hadden doen besluiten het paleis van den stadhouder te verlaten, en hem Orion doen kennen als een man, dien zij niet zonder grond ontweek.

Tegen de tweede ure na den middag klom Paula's onrust zoo zeer, dat zij nu en dan het ziekenvertrek, dat op den tuin uitzag, verliet om uit de vensters van de voorzaal een blik te werpen in de Nijlstraat; want hij kon evengoed van daar als van de andere zijde komen. Over de bewaring van hare bezitting dacht zij niet, maar de vraag kwam bij haar op, of zij niet te kort deed aan haar plicht, wanneer zij zich onttrok aan de aandoeningen, die met het persoonlijk ontvangen van den zoon haars ooms gepaard moesten gaan. Niemand was in staat haar in dit geval te raden, ook Perpetua niet, want zelfs eene moeder zou in deze aangelegenheid haar moeielijk hebben kunnen begrijpen. Zij herkende zichzelve ternauwernood, want tot dusverre had zij ook in de moeielijkste omstandigheden zonder lang overleg en alleen geleid door een innerlijke stem, die haar nooit bedroog, terstond geweten wat zij doen en laten moest, wat in een gegeven geval recht of onrecht was. Doch heden was zij in haar eigen oog gelijk een schommelend riet, een door den wind her- en derwaarts gedreven blad, en zoo vaak zij de tanden op elkaar klemde en de handen samenkneep om rustig na te denken, om kalm het "voor" en "tegen" te overwegen, dwaalden hare gedachten toch weder af. De herinnering aan haar droom, het beeld van Orion, zooals zij hem aan het graf zijns vaders had gezien, Katharina's verhaal van "die andere", en de vreeselijke straf die hij zou geleden hebben en zeker ook werkelijk geleden had, dat alles doorkruiste hare gedachten als vogelzwermen op den Nijl, wier vlucht haar vaak was als een fladderend gordijn tusschen haar oog en wat het zocht aan genen oever van den stroom.

In de derde namiddagure--zij was weder tot de kranken teruggekeerd--meende zij hoefslagen in den tuin te hooren en ijlde opnieuw naar het venster. Haar hart klopte niet heviger toen de hond van Hermonthis in dien rampzaligen nacht op haar en Hiram was toegevlogen, dan op dit oogenblik, daar zij het naderen van een ruiter vernam, wiens gedaante niet zichtbaar was door het struikgewas van den tuin. Dat moest Orion zijn; maar waarom sprong hij niet uit het zadel? Neen, hij was het niet, want zijne hooge gestalte zou zeker boven het niet al te hooge loof hebben uitgestoken. De vrienden van haar gastheer kende zij nog niet, misschien was het een van hen. Thans keerde het paard en sloeg het den weg in, die tot den hoofdingang leidde. Daar ging haar gastheer den aangekomene tegemoet en nu herkende zij niet Orion maar zijn kleinen schrijver, die zich uit het zadel liet glijden van een haar goed bekend muildier, de teugels aan een knaap toewierp, den oude heer iets overhandigde, zich op eene rustbank neervlijde en daar geeuwend zijne beenen lang uitstrekte. Terstond hierop zag zij Rufinus naar huis teruggaan.

Had Orion deze bode opgedragen haar over te brengen wat haar toekwam? Zij vond in deze manier van handelen iets beleedigends en het bloed vloog haar naar het hoofd. Doch hier was wel geen sprake van het overhandigen van haar vermogen, want haar gastheer droeg niets zwaars maar iets kleins in de hand, het geleek wel, ja waarlijk het was een rol. Daar kwam hij reeds de smalle trap op, en dadelijk vloog zij hem in het portaal tegemoet en bloosde daarbij over zichzelve, als deed ze onrecht.

De oude heer merkte het op en zeide, terwijl hij haar den briefrol overhandigde: "Gij behoeft niet bang te zijn, gij heldendochter! De jonge heer is niet zelf gekomen; hij schijnt het verkieslijker te vinden schriftelijk met u te onderhandelen, en zoo is het zeker voor beide partijen het best."

Paula knikte toestemmend, nam de rol in ontvangst, en keerde hem den rug toe, terwijl zij het koord uit het waszegel trok, want zij gevoelde dat zij bleek werd en dat hare vingers beefden.

"De bode wacht op antwoord," zeide Rufinus, voor zij begon te lezen. "Beneden sta ik elk oogenblik tot uw dienst gereed." Daarop verliet hij haar.

Paula ging in de ziekenkamer terug, en begon, leunende tegen de gordijnen voor de vensteropening, in de hoogste spanning te lezen:

"Orion, de zoon van den in God ontslapen Mukaukas Georg, brengt zijn groet aan zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas van Damascus.

"Menige brief aan u, die voor dezen geschreven werd, heb ik vernietigd." Paula haalde ongeloovig de schouders op en las dan verder: "Moge het mij in dit schrijven beter gelukken u te zeggen wat mij voor uw heil en het mijne onvermijdelijk schijnt. Ik wil verzoeken en raden te gelijk."

"Hij mij raden?" lispelde het meisje, terwijl zij de lip optrok en verder las: "Moge het aandenken aan den man, die u als een dochter liefhad, en op zijn sterfbed niets vuriger gewenscht zou hebben dan u--ofschoon hij afkeerig was van uw geloof--als dochter, als gemalin van zijn zoon te kunnen zegenen; moge de herinnering aan dezen rechtvaardige uw verbolgen en verontwaardigd gemoed tot bedaren brengen, opdat deze woorden van den armste der armen,--want dat ben ik thans Paula!--door u niet ongelezen blijven. Sta mij dit laatste toe, wat ik van u verzoek, ja om der wille mijns vaders vorder."

"Vorder?" herhaalde de jonkvrouw, en hare wangen gloeiden, er sprak onwil uit den opslag harer oogen, en hare beide handen grepen reeds de einden van het blad, als wilde zij het verscheuren. Doch de volgende woorden; "Vrees niet," hielden haar terug van deze overijlde daad. Zij streek het papyrus blad recht en las met toenemende opgewondenheid verder:

"Vrees niet, dat ik u naderen zal als een minnaar, als de man voor wien er maar éene op aarde zijn kan om lief te hebben en geene andere. En dat die eenige juist zij moest zijn, die ik zoo onuitsprekelijk zwaar beleedigd heb, tegen wie ik verwoeder, onbarmhartiger en met ergerlijker wapenen gestreden heb dan tegen een vijand onder mijn eigen geslacht!"

"Geene andere," prevelde de jonkvrouw in zichzelve, streek weder met de hand over haar voorhoofd, en rondom hare lippen speelde een trek van bevredigden trots toen zij verder las: "Ik zal u liefhebben, zoolang een ademtocht deze arme ongelukkige borst beweegt."

Wederom geraakte het papyrusblad in gevaar, doch het bleef ook ditmaal ongeschonden en Paula's trekken namen eene stille, vriendelijke uitdrukking aan, terwijl zij Orions duidelijk schrift verder las: "Doch ik ben mij bewust door eigene schuld alle aanspraak verbeurd te hebben op uwe achting, ja op uwe goede gezindheid jegens mij, en als de eeuwige liefde geen wonder wrocht in uw hart, het hoogste aardsch geluk voor altijd verspeeld te hebben. Gij zijt aan mij gewroken, want alleen om uwentwil--hoort gij het?--om uwentwil heeft mijn innig geliefde, stervende vader in maar al te zeer gerechtvaardigden toorn over den ellendige, die den rechterstoel zijns vaders had geschandvlekt, den zegen, dien hij reeds in al zijne volheid over mijn berouwvol hoofd had uitgesproken, in vloek veranderd."

Bij deze woorden verbleekte Paula. Dat was het dus waarover hij tot Katharina had gesproken, wat hem naar het uiterlijk, misschien ook innerlijk zoo wonderbaar veranderd had. En dit, ja dit droeg de stempel der waarheid, dit kon niet gelogen zijn, en om harentwil had de vloek van den vader het hoofd van den eigen zoon getroffen! Hoe was dit zoo gebeurd? Had de arts het niet opgemerkt of het voor haar verzwegen om het geheim van een ander te eerbiedigen? Arme, arme jonkman! Ja, zij moest hem spreken! Zij kon geene rustige ure hebben voor zij wist hoe haar oom, die teeder liefhebbende vader.... Maar verder, spoedig verder: