De nijlbruid

Part 22

Chapter 223,968 wordsPublic domain

De oude vrouw had volstrekt geen vrede met zulk eene begrafenis; want hoe geheel anders was het hier toegegaan dan gewoonlijk te Memphis geschiedde bij eene teraardebestelling! Er waren geen priesters bij geweest; terwijl anders de nabestaanden, gelijk overal gebruikelijk was, het stoffelijk overschot te voet volgden, had men hier een lijkstoet te paard, ruiters in rouwgewaad, en daaronder de zoon van den overledene! Een krekelgegons van kwajongens aan de groeve van zulk een doode, en dan dat onbetamelijk geschreeuw uit duizend kelen van de volksmenigte, waarvan haar trommelvlies bijna gesprongen was! Doch dit kon men de Memphieten nog vergeven, want het was geschied ter eere van den afgestorvene! Deze gedachte trof zelfs haar fijngevoelig hart en deed tranen in haar oogen wellen, maar het wekte ook haar wrevel op; want zij had geringer lieden met meer plechtigheid en met waardiger ceremoniën zien begraven, dan de groote, goede Mukaukas Georg, die zulk eene belangrijke schenking aan de kerk had gedaan. Ja, die Jakobieten! Zoo ondankbaar konden zij alleen handelen, zulk een wandaad kon alleen hun kettersch hoofd begaan! In het Caecilia-klooster wist ieder, van de abdis tot de jongste novice, dat de patriarch den bisschop door een brief per postduif verboden had zijne geestelijkheid aan de plechtigheid te doen deelnemen. De brave Plotinos was zeer verstoord over dit bevel, doch daar hij niet bij machte was zich hiertegen te verzetten, had hij den lijkstoet althans persoonlijk vergezeld en den presbyter Johannes niet verboden hem te volgen. De jonge heer Orion had er overigens niet uitgezien, als ware hij voornemens zulk eene beleediging van zijn vader ongestraft te laten. Doch wiens arm was zoo lang, dat die reikte aan den stoel van den patriarch? Tenzij... Doch dat was onmogelijk; bij de gedachte alleen voer haar een rilling door de leden. Maar toch... Hoe genadig had die groote veldheer van gene zijde met hem gesproken! Hemelsche vader, als hij maar niet als zoovele gewetenlooze Egyptenaars het heilige geloof afzwoer en de zondige leer van den Arabischen leugenprofeet aannam! Het was voor slechte mannen wel verlokkend een half dozijn vrouwen in huis te mogen nemen, zonder zich te bezondigen. Een heer als Orion kon ze wel onderhouden, want de abdis had gezegd, dat de groote Mukaukas door de geheele wereld wel voor een zeer rijk man was gehouden, maar dat het opperhoofd van de stad zelfs ongerust was over den ongehoord grooten omvang van zijne nalatenschap. Ja, ja, Gods wegen waren ondoorgrondelijk! Waarom begroef hij den een onder een gouden regen, terwijl hij aan duizenden armen te weinig gaf om hun honger te stillen?

Deze ontboezemingen namen een einde, toen de vrouwen te huis waren, en hier eerst kwam Paula's gemoed tot rust. Het moest uit zijn met den hartstocht, hetzij deze haat of liefde heette, die haar nog altijd wilde beheerschen; dan eerst zou zij de vrijheid en het stille geluk in het schoone verblijf, dat zij aan de zorg van den arts te danken had, recht genieten kunnen, wanneer alle betrekking tot Orion had opgehouden en de laatste band verscheurd was, die haar aan het stadhouderlijk paleis verbond. Kon zij meer begeeren dan het tegenwoordige haar aanbood? Zij was werkelijk eene vreedzame haven binnengeloopen, waar het haar aan niets ontbrak wat zij voor zich begeeren kon, na hetgeen Philippus haar zoo ernstig op het hart had gedrukt. Hier waren goede menschen, die haar begrepen, hier vond zij allerlei bezigheden, die voor hare krachten berekend waren en beantwoordden aan hare neigingen, en bovendien ruimschoots gelegenheid om liefde te betoonen en wederliefde te ontvangen. Voorts lag in de nabijheid het klooster, dat zij door eene schaduwrijke laan in weinige schreden bereiken kon, en waar zij onder hare eigene geloofsgenooten evenals in hare kindsheid dagelijks de godsdienstoefening kon bijwonen. Sedert lang verlangde zij naar zulke spijze voor haar gemoed, en hoe overvloedig wist de abdis, eene voorname patricische weduwe uit Konstantinopel, die hare ouders gekend had, haar die te geven! Hoe gaarne vertelde die levendige oude vrouw van de goedheid en vorstelijke schoonheid der jonggestorvene, waaraan zij het leven te danken had! Zij kon haar bedrukt gemoed ontlasten voor deze gevoelvolle matrone, die haar behandelde als eene dierbare dochter, op hoogen leeftijd haar geschonken.

En hare huisgenooten! Wat waren dat innig goede, merkwaardige en in hun soort veelbeteekenende menschen! Zij had er nooit van gedroomd, dat er hier op aarde nog zulke zonderlinge en tegelijk beminnelijke schepsels gevonden werden. Daar was vooreerst de oude Rufinus, het hoofd des huizes, een krachtige grijsaard met de frischheid der jeugd, die er met zijne lange sneeuwwitte, zijden hoofd- en baardharen uitzag half als de apostel Johannes in zijn ouderdom, en half als een in den krijgsdienst vergrijsd legeraanvoeder. Hoe beminnelijk was hij, hoe kinderlijk goed van hart, ondanks den barschen toon, die hij soms kon aannemen! Wanneer hij in zijn verkeer met mannen tot den strijd werd geprikkeld, toonde hij zich vroolijk en ondeugend, als zijne inzichten in tegenspraak waren met de hunne. Tevredener ziel, openhartiger gemoed had zij nog niet leeren kennen, en zij gevoelde wel hoe het juist dezen man verontrusten en kwellen moest, ten minste in éen opzicht dagelijks iets anders te moeten schijnen dan hij was. Ook hij behoorde tot hare kerk, liet zijne vrouw en dochter deelnemen aan de godsdienstoefening in het Caecilia-klooster, en moest toch den schijn aannemen van een Koptisch Christen te zijn, en het daarom voor lief nemen op zekere feestdagen met de zijnen de kerk der Jacobieten te bezoeken, wier leelijke eeredienst hem zeer tegen de borst stuitte.

Het vermogen van Rufinus was voldoende om hem en de zijnen in staat te stellen fatsoenlijk te leven; toch werkte hij op zijne manier van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Daar echter zijne bezigheden niet alleen niets inbrachten maar eischen deden aan zijne kas, begreep ieder dat hij een bemiddeld man moest zijn; en deze omstandigheid zou hem vervolging, verjaging en waarschijnlijk verbeurdverklaring zijner goederen op den hals gehaald hebben, als een der verspieders van den patriarch in hem een Melchiet herkend had. Hij moest dus voorzichtig zijn, en als de oude man maar een kooper voor zijn huis en tuin had kunnen vinden in eene stad, waar men tienmaal meer leegstaande dan bewoonde huizen zag, dan zou hij reeds lang zijn opgebroken, om voor zich en de zijnen een nieuw verblijf te zoeken. De arts Philippus had den vriend, wiens bekwaamheid en rijpe ervaring hij zeer waardeerde, uitgenoodigd naar Memphis te komen; hij toonde ook trouw zijn omgang op prijs te stellen, en beide mannen steunden elkander bij den arbeid.

De meeste oude lieden, die wat driftig zijn van aard maar wat minder snel van begrip, bedienen zich van stopwoorden, bij wijze van remschoen of rustpunt voor hunne gedachten. Zoo bediende Rufinus zich bij voorkeur van twee volzinnen, waarvan de eene luidde: "Zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen!" en de andere--met betrekking tot zijn huis--: "zoo waar ik van die rommelzoo verlost wilde zijn!" Maar 'die rommelzoo' bestond uit een goed gebouwd, zeer ruim woonhuis met een tuin, die alleen reeds wegens zijne ligging vlak aan den stroom in vroeger tijd zeer duur verkocht was. Hijzelf had trouwens, kort voor den inval der Arabieren in Egypte, huis en tuin voor een spotprijs overgenomen en nog wel--zoo spoedig veranderden de tijden--van een Jacobietisch christen, dien de toenmalige Melchietische patriarch Cyrus tot eene overhaaste vlucht had gedwongen, omdat het hem gelukt was de orthodoxe slaven in zijn dienst tot zijn geloof te bekeeren.

De gade van Rufinus, een teer, zwak vrouwtje met een smal eenigzins ingevallen gelaat, dat vroeger zeer aantrekkelijk en aanvallig geweest moest zijn, had wel voor zijne dochter kunnen doorgaan, en zij was ook werkelijk twintig jaren jonger dan hij. Men kon het haar aanzien, dat zij zeer veel beproevingen in het leven had gehad, maar dat zij ze geduldig gedragen en er haar voordeel mede gedaan had. De grootste zorgen en angsten had haar rustelooze echtvriend haar bereid, hoewel zij al hare krachten inspande om hem het leven aangenaam te maken. Zij wist elke hinderpaal, iedere ongeriefelijkheid voor hem uit den weg te ruimen, en met een buitengewoon instinct te gissen wat hem nuttig en aangenaam kon zijn of vreugde kon verschaffen. De arts beweerde dat de voorovergebogene houding van haar hoofd en de zoekende blik van hare levendige, zwarte oogen een gevolg ervan waren, dat zij altijd uitkeek naar den stroohalm, die Rufinus in gevaar kon brengen er zijn vereelten wandelaarsvoet aan te stooten.

Hare dochter Pulcheria werd, kortheidshalve, gewoonlijk Pul genoemd, wanneer de oude man niet den voorkeur gaf aan den titel van "het arme kind". In de verhouding van Rufinus tot zijne dochter lag iets medelijdends, want zelden zag hij haar aan zonder zich af te vragen, wat er van dat lieve wezentje wel worden moest, wanneer hij, die zooveel ouder was, de oogen sluiten en zijne Johanna hem zeker spoedig volgen zou; en Pulcheria, die hare moeder zoo voor haar vader zag zorgen, dat haar zelve niets voor hem te doen overbleef, beschouwde zich als het meest overbodige schepsel op aarde, dat ten allen tijde bereid was voor hare ouders, voor de abdis, voor haar geloof, voor den arts en thans ook voor Paula, ofschoon zij haar eerst sedert twee dagen kende, het leven op te offeren. Toch was zij een aardig, flink opgewassen meisje, met groote, schoone, opene oogen, waarin iets dweepends lag, terwijl hare prachtige, rossig blonde haren bijna haars gelijken niet hadden in Egypte. Haar vader was sedert lang bekend met haar wensch om in het Caecilia-klooster als novice en toekomstige krankenverpleegster te worden opgenomen, en hoewel hijzelf uit innerlijken drang zijn gansche leven aan zulk eene roeping wijdde, had hij haar verzoek reeds meer dan eenmaal bepaald afgewezen; want hij zou weldra verzameld worden tot zijne vaderen, en dan had moeder, zoolang zij hem overleefde, iemand anders noodig, om liefderijk te verplegen. Thans verlangde Pul echter minder dan vroeger om den sluier aan te nemen, want zij had in Paula iemand gevonden, in wier tegenwoordigheid zij zich recht klein moest gevoelen, tegen wie hare ziel, die naar het hoogste streefde en verlangde, zonder nijd, geheel bevredigd en in verrukking kon opzien. Bovendien waren er sedert eergisteren in haar eigen huis twee kranken opgenomen, die zeer verpleging behoefden, namelijk Rustem, de gewonde Masdakiet, en de Perzische slavin. Vrouw Neforis, die sedert de ontzettende ure, waarin haar gemaal den laatsten adem had uitgeblazen, als verpletterd was, zich uit het dagelijksch leven geheel had teruggetrokken en aan niets anders dacht dan aan den afgestorvene, had de verdere behandeling van de beide zieken buiten haar huis volgaarne aan den arts overgelaten.

Op denzelfden avond, dat Paula hier haar intrek had genomen, had de arts met zijne vrienden onderhandeld over de opname der nieuwe gasten. Toen Philippus begon te spreken over de vergoeding, die voor deze gastvrijheid betaald zou worden, had de oude Rufinus vol vuur geantwoord: "Zij zijn mij allen welkom. Als zij wonden hebben, zullen wij ze dwingen toe te groeien, is hun hoofd verdraaid, dan schroeven wij het weer recht, ziet het er donker uit in hunne zielen, dan zullen wij daarin een licht ontsteken. Als die schoone Damasceensche het bij ons voor lief wil nemen, mag zij met haar oudje hier blijven, zoolang het haar en ons behaagt. Wij hebben haar van harte welkom geheeten, maar daarom hoort ge, moet ons het vaarwel zeggen evengoed vrijstaan als haar. Men weet nooit wat men aan zulke voorname lui heeft, en zoo waar ik van deze rommelzoo verlost wilde zijn, zou het mij op een goeden dag wel eens in den zin kunnen komen, dit nest aan de uilen en jakhalzen over te laten en mijn wandelstaf op te nemen. Gij kent mij. Met die schadevergoeding zijn wij spoedig klaar. Daar achter de kranken een volle buidel hangt en de gezonde tienmaal meer bezit dan zij noodig heeft, mogen zij betalen. Bepaal gij het bedrag, maar maak het schappelijk--dat meen ik ernstig--voor de vrouwen. Gij weet waarvoor ik de mammon noodig heb, en het is ook goed als Johanna de zilverstukken voor de huishouding niet zoo angstvallig behoeft om te draaien. Waarschijnlijk zal de Damasceensche het aangenamer bij ons vinden, als zij het hare bijdraagt voor eten en drinken. Het is ook niet betamelijk dat de dochter van Thomas bij trekvogels als wij zijn iederen avond naar bed gaat met een: 'ik ben u zeer verplicht'. Als ieder het zijne inbrengt, dan staan wij op den voet van geven en ontvangen, en wanneer de een den ander een bijzonder bewijs van hartelijkheid geeft, dan behoeft dit niet onder 'dank je', ''t is u gegund' en zoo meer begraven te worden; het behoudt zijn waarde, en ieder geniet er van."

"Amen," had de arts geantwoord, en Paula was recht gelukkig geweest over de schikkingen van haar vriend.

Reeds den volgenden dag had zij zich een lid van dit huis gevoeld, waar zij toch uur aan uur dingen zag, die hare bevreemding moesten wekken.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Toen Paula na de begrafenis met Rufinus en de zijnen--de voedster was er niet toe te brengen met hare meesteres aan dezelfde tafel te eten--den maaltijd gebruikt had, ging zij met den ouden man en Pul in den tuin wandelen. De zon daalde reeds ter westerkim, doch hare laatste lichtstralen deden de kleuren der bloemen en den glans der metaalachtige bladeren der zuidelijke planten, voor zoover de zonnehitte en de droogte ze niet had doen verdorren, bijzonder goed uitkomen. Een bonte bultos en een ezel brachten het scheprad in beweging, waardoor het frissche water uit den Nijl werd uitgestort in een grooten waterbak, waaruit het weder werd overgebracht in kleine kanalen, die de verschillende perken bevochtigden. Dit werk vereischte thans zeer veel moeite, want de stroom was tot zulk een laag peil gedaald, dat het zelfs in den tijd van den laagsten waterstand bezorgdheid moest wekken. De verschillende ruigharige vogels, die met staafjes aan hunne pooten of droevig hangende koppen in kooien zaten, die aan hooge masten vrij in de lucht zweefden, om veilig te zijn voor de klauwen van katten en andere roofdieren, maakten zich gereed om te gaan slapen, en Rufinus sprak tot elk diertje een vriendelijk woordje, of floot het met de lippen een opwekkend wijsje toe. Aromatische geuren en echt landelijke stilte omzweefden den tuin, alles, zelfs de rug van den waterscheppenden neger en het wit en geel gevlekte vel van het rund glinsterden met een lichten goudglans, en door het schaduwrijke boschje van het Caecilia-klooster ruischte het reine gezang van het nonnenkoor.

Pul luisterde er aandachtig naar, terwijl zij het hoofd naar dien kant richtte en de armen over de borst kruiste; haar vader wees Paula op haar en zeide zacht: "Daarheen trekt haar hart. Zij mag altijd haar God voor oogen hebben, dat toch ligt in den aard der vrouw, doch hier onder ons moet de leuze zijn: uit liefde voor den Allerhoogste alles te zijn voor den naaste op aarde! Zou de rechtvaardige Vader in den hemel wel verlangen, dat te zijner eer de broeder den broeder, en in ons geval, het kind zijne ouders vergat?"

"Zeker niet," antwoordde Paula. "Wat mij betreft, ik werd alleen door de hoop op het wedervinden van mijn vader teruggehouden om den sluier aan te nemen, en evenals uwe Pulcheria heb ook ik vaak met verlangen gedacht aan den vrede des kloosters. Zie eens hoe vroom en in heilige verrukking uwe dochter daar staat! Welk een lieflijk en roerend gezicht! In mijn hart zag het er zoo donker en woest uit, doch hier onder u komt er helderheid, en zoo ergens dan vind ik hier weder wat ik daarginds verloor. Gelukkig kind! Is het niet, zooals zij daar staat in het avondlicht, als straalde die vrome zin die haar vervult van haar uit? Vreesde ik niet haar te storen en achtte ik mijzelve daartoe waardig, hoe gaarne vereenigde ik dan mijn gebed met het hare."

"Ongetwijfeld bekleedt gij daarin toch eene plaats," zeide de oude man, lachend. "Op dit oogenblik draagt hare heilige Caecilia zeer zeker uwe gelaatstrekken. Laten wij het haar vragen en gij zult het zien."

"Neen, laat haar!" bad zij blozende en trok Rufinus met zich voort naar eene andere zijde van den tuin.

Weldra waren zij gekomen bij de plaats, waar eene hooge heg van doornstruiken het grondgebied van Rufinus scheidde van dat der weduwe Susanna. Hier spitste de oude heer zijne ooren en zeide knorrig: "Zoo waar ik deze rommelzoo kwijt wilde zijn, daar snijden ze weer in mijne heg. Reeds gisteren avond heb ik een der slaven van hiernaast betrapt, terwijl hij bezig was in mijn struikgewas, maar ik kon dien zwarten rekel door de doornen niet pakken. Het zal een kijkgat moeten worden voor nieuwsgierigen en spionnen, want de patriarch weet zich ook van vrouwvolk te bedienen. Maar ik zal ze! Loop, bid ik u, voort, alsof gij niets gehoord en gezien hadt, inmiddels haal ik de zweep."

De oude man liep nu op een drafje weg en Paula wilde hem volgen; doch nauwelijks was hij verdwenen of zij werd door eene opening in de heg aangeroepen met eene hooge, vrouwelijke stem, en zoodra zij omkeek, vertoonde zich in de gisteren door eene manshand met geweld uit elkaar gerukte struiken een aardig meisjeskopje, als een portret door een groene krans omlijst. Ondanks de schemering herkende Paula dat gezichtje, en toen Katharina het krullekopje verder naar voren drong en haar smeekend toeriep: "Mag ik bij u komen en wilt gij mij hooren?" werd haar dit vriendelijk toegestaan.

Daarop wrong zich het kwikstaartje, zonder acht te geven op de hulpvaardige hand die Paula haar toestak, zoo behendig door de opening, dat men wel zien kon, het nog niet lang geleden moest zijn, zij bij het spelen met Maria geleerd had, zulke hindernissen te boven te komen. In een oogwenk stond zij weer op hare voetjes en breidde de armen uit om de jonkvrouw te omhelzen; doch zij liet ze dadelijk weer besluiteloos zinken en deed een paar schreden achterwaarts.

Paula zag hare verlegenheid; zij ging het meisje tegemoet, kuste haar op het voorhoofd en zeide op vroolijken toon: "Inbreekster! Waarom komt gij niet door de geopende deur? Daar komt mijn gastheer reeds met de Nijlpaardenzweep aan! Halt, wakkere Rufinus, halt; de bres die men in uwe bloeiende heg heeft gemaakt, bedreigt niet u maar mij met een aanval. Hier ziet gij de vijandelijke macht en het zou mij zeer verwonderen als gij uwe gebuur daarin niet zoudt herkennen?"

"Herkennen?" vroeg de oude heer, wiens toorn spoedig bezworen was. "Kennen wij elkaar, jonkvrouwtje, ja of neen? Het is eene openhartige vraag."

"Wel zeker!" zeide Katharina. "Van den muggentoren heb ik u honderdmaal gezien."

"Daarbij zult gij minder plezier gehad hebben dan ik, oude man, wanneer ik het geluk had u te ontmoeten. Een jaar zoowat geleden zijn wij het meest met elkander in aanraking gekomen. Ik had toen het genot u in mijn grooten perzikenboom te vinden, die zich heden nog verstout tot over uw tuin te groeien."

"Ik was toen nog een kind," hernam Katharina lachende, die zich zeer goed herinnerde hoe de oude heer met zijn mooi wit hoofd, waarnaar zij altijd met welgevallen keek, haar in zijn boom betrapt en haar met eene vriendelijke buiging toegeroepen had, dat zij het zich goed moest laten smaken.

"Een kind," herhaalde Rufinus. "Maar thans zijn wij jonkvrouw geworden en wagen we ons niet meer zoo hoog maar kruipen bescheiden door 's buurmans heg."

"Eigenlijk zijt gij elkaar dus vreemd?" vroeg Paula met verbazing. "Hebt gij ook Pulcheria nooit ontmoet, Katharina?"

"Of ik Pul ontmoet heb?" vroeg de andere. "O, ik zou haar zoo gaarne hebben toegesproken. Want men moet van haar houden, reeds op het gezicht. Ontelbare malen was ik op het punt, maar mijne moeder..."

"Nu, wat heeft uwe moeder tegen de buren?" vroeg Rufinus. "Wij zijn rustige lieden, zou ik meenen, die niemand iets in den weg leggen.

"Neen, neen, God beware! Maar, ziet ge, moeder heeft nu eenmaal hare eigene inzichten; gij zijt toch vreemdelingen, en daar men ulieden zoo zelden in de kerk ziet..."

"Daarom," hernam Rufinus lachend, "houdt zij ons natuurlijk voor goddelooze menschen. Zeg haar nu dat zij dwaalt, en als de dochter van Thomas uwe vriendin is en gij wilt haar bezoeken--maar fatsoenlijk door de deur en niet door de heg, want die wordt morgen dichtgevlochten--dan zult gij bevinden, dat wij veel te doen, veel te verplegen hebben: enkel arme creaturen met menschenhuid of met vel en veeren, zooals het uitkomt. Men dient toch ook den Heere God, wanneer men zijne schepselen, die Hij allen lief heeft, op zijne wijze het leven gemakkelijk maakt. Zeg dat aan uwe moeder, jonkvrouw kwikstaart, en kom dan maar dikwijls terug."

"Dank u vriendelijk! Maar oude heer, mag ik u eens vragen; hoe zijt gij die leelijke bijnaam te weten gekomen? Ik heb er een hekel aan."

"Van denzelfden," antwoordde Rufinus, "die u in het oor geblazen heeft dat mijne Pulcheria 'Pul' heet." Hierop maakte hij eene buiging en liet de meisjes alleen.

"Een beste oude heer," zeide Katharina. "O, ik weet precies hoe hij zijne dagen doorbrengt. En zijne aardige vrouw en die Pul, ik ken ze allen! Hoe dikwijls heb ik ze van daarginds beluisterd; ik zal u de plaats eens wijzen. Wij kunnen den geheelen tuin overzien, alleen niet wat nabij het klooster, aan gene zijde van het huis of daar achter die boomen gebeurt. Mijne moeder, ach, gij kent haar, als zij eens niet hebben wil.... Maar die Pul, weet ge, zou eene goede vriendin voor mij zijn."

"Zeer zeker," antwoordde Paula. "Een meisje van uw leeftijd moet grooter speelnooten kiezen dan de kleine Maria."

"O, van haar moogt gij niets zeggen!" zeide het kwikstaartje met warmte. "Wel is zij pas tien jaren oud, maar menig grooter meisje is lang niet zoo verstandig en rechtvaardig als zij; dat heb ik in deze laatste moeielijke dagen ondervonden."

"Maar, arm kind," zuchtte Paula, met de hand over Katharina's lokken strijkende.

Opeens en als vanzelf gaf Katharina in een smartelijk snikken aan haar gemoed lucht. Zij trachtte dit met alle geweld te onderdrukken, terwijl Paula haar hartelijk toesprak, maar het wilde haar niet gelukken. Het had haar zoo hevig aangegrepen, dat zij geen woord kon uitbrengen, totdat Paula haar bij eene rustbank bracht onder eene breedgetakte sykomore, haar met zacht geweld dwong zich naast haar neer te zetten, haar aan de borst drukte als een ziek kind en haar moed en vertrouwen insprak.

Talrijke vogels gingen in het dichte loofwerk boven hen ter ruste; uilen en vleermuizen begonnen hun nachtelijken rooftocht; het firmament tooide zich met gouden en zilveren sterren; uit het westelijk gedeelte der stad hoorde men het geblaf der jakhalzen, die in vervallen huizen een onderkomen hadden gevonden, en nu op buit uitgingen; de vochtige dauw begon in de lauwe avondlucht, zich neer te zetten op de bladeren, het gras en de bloemen; de bloesems der boomen geurden sterker dan overdag, en Paula gevoelde dat het tijd werd om eene beschutting te zoeken voor de dampen, die uit den ondiepen stroom opstegen. Doch zij wachtte geduldig tot de kleine alles in hare ziel had overgestort wat haar neerdrukte, waarover zij berouw gevoelde, wat ze meende niet meer goed te kunnen maken, en vervolgens wat haar was weervaren, wat dreigde haar hart te zullen breken, en wat zij nu toch onderdrukken en zich geheel uit het hoofd zetten wilde. Zij vertelde Paula, hoe Orion haar gevrijd had, hoe zij hem liefhad, hoe de jaloezie jegens haar heur arme hart had gemarteld, en hoe zij zich had laten verleiden om voor de rechters zulk een valsche getuigenis af te leggen. Vervolgens deelde zij Paula nog mede hoe Maria haar het eerst den afgrond had getoond, die voor hare voeten gaapte.