De nijlbruid

Part 21

Chapter 213,968 wordsPublic domain

Bij dien heftigen uitval van vertwijfeling ging Paula eenige schreden terug, maar dadelijk liep zij haar vriend weer tegemoet, en terwijl zij moedig zijne hand greep, zeide zij met warmte: "Niet zoo, Philippus, mijne lieve, trouwe, eenige vriend. De prachtige bloem die gij verlangt, noch ik, noch iemand kan u haar schenken. Ik bezit haar niet meer, want toen zij zich eens hier binnen had ontplooid, zijn er voeten gekomen die haar roekeloos vertraden. Smaad niet dat spiegelbeeld, noem u zelven geen grove gezel. Zooals gij zijt, zoo kan ook de beste, de schoonste trotsch zijn op uwe liefde. Ben ik niet reeds trotsch en zal ik het niet blijven op uwe vriendschap?"

"Vriendschap, vriendschap!" herhaalde hij heftig, zijne hand uit de hare rukkend. "Dit brandende, smachtende hart dorst naar gansch andere gevoelens! O vrouw, vrouw! Ik ken de ellendeling, die de bloem der bloemen in uw hart heeft vertreden, en ik dwaas ben zijn lofredenaar, zijn verdediger en--het koste wat het wil--zal het blijven, zoolang gij... Misschien schiet die prachtige bloem nieuwe wortels in den bodem van den haat, en ik, ongelukkige, die haar begoot, kan toezien."

Paula vatte nog eens beide handen van den arts en zeide in diepe smartelijke zielsangst: "Ik bid, ik bezweer u, ga zoo niet voort, hoe kan ik zonder mijzelve in gevaar te brengen van de grenzen der betamelijkheid te overschrijden, die het zedelijk gevoel eener jonkvrouw gebiedt te eerbiedigen; en hoe kan ik hier onder uwe bescherming in dagelijksche gemeenschap met u rustig leven, wanneer gij de grenzen niet ontziet, die eene trouwe, oprechte vriendschap afbakenen? Ik ben een verlaten meisje, en zou vertwijfelen en mijzelven prijsgeven, wanneer het geloof mij niet beschutte, dat ik mij op mijzelve verlaten kan. Vergenoeg u met hetgeen ik u thans kan aanbieden, en God zal u er voor beloonen! Laten wij beiden de achting waardig blijven, die wij, den hemel zij dank, met goed recht voor elkander gevoelen."

De arts boog zich bewogen tot haar neder, drukte, zichzelven bijna niet meester, de lippen op hare blanke en krachtige hand, terwijl Perpetua juist met den rentmeester de kamer binnen kwam.

De eerlijke beambte, een eenvoudig man, van middelbare grootte en nog niet oud, met een bleek, fijn, verstandig gelaat, waarin de zorgen, de zware arbeid en de last der verantwoordelijkheid diepe sporen hadden gegroefd, sloeg haastig een scherpen blik op beiden en legde daarna eene belangrijke som in goudstukken voor Paula neder. Zijn jonge meester zond dit geld overeenkomstig den wil van zijn overleden vader, om in de eerste behoeften te voorzien; het overige of grootste gedeelte van haar vermogen zou haar tegelijk met de afrekening uitbetaald worden, na de begrafenis van den Mukaukas. Wat het bedrag harer bezitting aanging, dit kon Nilus reeds nu ongeveer opgeven, en het bleek dat dit zoo groot was, dat Paula hare ooren niet gelooven kon. Zij zag zich nu gevrijwaard voor alle verdere zorgen, ja, zij was zoo welgesteld, dat zij in staat geweest zou zijn om in overdaad te leven.

De arts was getuige geweest van dit onderhoud, en het had zijn hart angstig doen kloppen. De gedachte had hem zoo gelukkig gemaakt, dat hij voor de arme wees Paula alles zou zijn en hij haar voor uitwendig gebrek zou hebben kunnen bewaren. Hij was bereid geweest alles op zich te nemen, om de Damasceensche een behoorlijk onderkomen te verschaffen en haar te voorzien van alles wat zij noodig kon hebben, en nu bleek het dat zijne beschermeling niet alleen voornamer, maar ook rijker was dan hij. Het was hem als had Orions bode hem van eene schoone levensvreugde beroofd; en nadat hij haar gebracht had bij haar wakkeren ouden gastheer en de zijnen, verliet hij met gebogen hoofd het huis van Rufinus. Toen de tijd kwam om zich ter ruste te begeven, mocht Perpetua hare lieve meesteres weder helpen ontkleeden. Doch Paula kon den slaap niet vatten, en toen zij den volgenden morgen zich bij hare nieuwe vrienden voegde, moest zij erkennen dat zoo ergens hier de plaats was, waar zij den verloren vrede terug kon vinden, dat zij echter nog veel zou hebben te worstelen en een langen weg moeten afleggen, voor zij dien bereiken kon.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Ter zelfder tijd als zij was Orion naar zijne vertrekken teruggekeerd. Naast aan de zijnen grensde de slaapkamer van de kleine Maria, die hij niet had wedergezien, sedert hij de plaats verliet, waar zijn vader gestorven was. Hij wist dat zij daar lag met de koorts, maar hij kon het niet over zich verkrijgen naar haar te vragen. Kwam de gedachte aan haar bij hem op, dan balde hij onwillekeurig de vuisten. Hij was getroffen tot in het diepst zijner ziel, buiten zichzelven en als tot twijfeling gebracht. Geene andere gedachten beheerschten hem dan deze dat hij de ongelukkigste was van alle menschen, dat de vloek zijns vaders hem had getroffen, dat het gebeurde met niets was goed te maken, dat eene ruwe, onafweerbare macht den trouwsten van zijn vrienden hem tot vijand had gemaakt en zóo van zijne zijde had weggescheurd, dat er geen mogelijkheid bestond hem nog te verzoenen, hem tot woorden van vergiffenis, tot een vriendelijken blik te bewegen. In zulk een stemming liep hij met versnelde schreden het groote vertrek op en neder, wierp zich nu eens van den divan op den grond en drukte dan weder zijn gloeiend aangezicht in het zachte kussen. Soms gelukte het hem te bidden, doch telkens hield hij weder op, want er was immers geen macht in hemel of op aarde, die dit gebroken oog weder kon openen, dit verstijfde hart weder kon doen kloppen, deze verlamde tong kon doen spreken, om hem, den verstootene dat te verleenen, waarnaar zijn ziel smachtte, zonder hetwelk hij meende te moeten bezwijken namelijk: vergiffenis van zijn vader, vergiffenis, vergiffenis!

Soms sloeg hij zich als een waanzinnige met de vuist tegen de borst en het voorhoofd, en slaakte daarbij kreten van angst, verwenschingen en bittere klachten. Omstreeks middernacht--er waren eerst twaalf uren verloopen sedert die vreeselijke gebeurtenis had plaats gegrepen, en toch kwam het hem voor als waren het even zoovele dagen geweest--wierp hij zich in het donkere rouwgewaad, dat hij van woede en vertwijfeling zich half van het lijf had gescheurd, op den divan neder en brak in zulk een luid snikken los, dat hijzelf er in de stilte van den nacht van schrikte, en aangegrepen door medelijden met en afkeer van zijn eigen grievend leed zich met het gelaat naar den wand keerde, om zijne oogen te onttrekken aan het volle reine maanlicht, dat hem enkel dingen toonde die hij niet zien wilde en die hem kwelden.

Eindelijk werd die zielemarteling hem ondragelijk. Zijn gemoed werd gepijnigd en als vaneen gereten, en de gedachte kwam bij hem op om zijn scherpste zwaard te grijpen, zich als een razende Ajax of een Cato daarin te storten en zoo aan deze duldelooze overweldigende pijniging een einde te maken. Opeens rees hij overeind, want de deur--het was geen zinsbedrog, geene begoocheling--de deur van zijn vertrek werd zacht geopend en eene witte, spookachtige gedaante bewoog zich met zachte onhoorbare schreden naar hem toe. Eene kille huivering voer door de leden van den anders zoo moedigen man, doch weldra herkende hij in die nachtelijke bezoekster de kleine Maria.

Zonder eenig geluid te geven naderde zij in het heldere maanlicht, maar barsch riep hij haar toe: "Wat moet dat? Wat wilt gij?"

Het kind verschrikte, bleef angstig staan, strekte de handen smeekend naar hem uit en stamelde daarbij schuchter: "Ik hoorde u steeds klagen. Arme, arme Orion! En ik ben het, die u dit alles heb aangedaan. Ik kon niet langer in bed blijven, ik--ja ik moest...."

Hier werd zij zoo bedroefd, dat zij niet verder kon gaan; doch Orion riep haar toe: "Nu, het is goed! Ga naar uwe kamer terug en slapen, ik wil trachten wat zachter te klagen."

Deze laatste woorden klonken wat minder hard, want hij bespeurde dat het kind, hoewel zelf ziek, hem op bloote voeten en in haar nachthemd, rillende van kou, aandoening en droefheid, had opgezocht. Maria bleef echter staan, schudde het hoofd en antwoordde, altijd nog zacht weenende: "Neen, neen, ik blijf hier en ga niet weg, nu ik weet dat gij... Ach God, vergeven kunt gij mij wel niet, maar ik moet het toch zeggen, ik moet..."

Daarop vloog zij, eene ingeving van het oogenblik volgende, recht naar hem toe, sloeg hare armen om zijn hals, drukte haar hoofd tegen het zijne en toen hij haar niet afweerde, kuste zij zijne wangen en zijn voorhoofd.

Er had een vreemde verandering bij hem plaats; hij wist niet wat er met hem gebeurde, maar het was hem als werd er iets in zijn binnenste week gemaakt en opgelost, en het waren niet enkel de heete tranen van het kind, het waren ook zijne eigene, die zijne oogen en zijn aangezicht bevochtigden.

Zoo verliepen er eenige oogenblikken van diepe stilte; eindelijk maakte hij de armen der kleine van zijn hals los en zeide: "Wat gloeien uwe handen en wangen, arm kind! Gij hebt de koorts; de koele nachtlucht stroomt binnen, en gij zult door dezen onzin nog verkouden worden."

Met moeite was hij zijne tranen meester geworden, en terwijl hij deze woorden uitbracht, sloeg hij het zwarte overkleed, dat hij afgeworpen had, zorgzaam over haar heen en zeide daarna vriendelijk: "Wees nu bedaard, ook ik zal trachten mijzelven te beheerschen. Gij hebt het zeker niet kwaad bedoeld en ik zal het u niet verwijten. Ga nu heen! Ge kunt zonder gevaar voor de trekking door de voorzaal gaan.--Nu, gaat ge?"

"Neen, neen," antwoordde zij ernstig. "Gij moet mij laten uitspreken, anders kan ik niet slapen. Ziet ge, ik heb er in 't geheel niet aan gedacht dat ik u leed zou doen, zulk een vreeselijk, zulk een schrikkelijk leed; neen zeker niet! Ik ben boos op u geweest, omdat gij--maar toen, ach, lieve Heiland! toen heb ik waarlijk in het geheel niet aan u, maar enkel aan die arme Paula gedacht. Gij weet niet half hoe goed zij is, en grootvader had haar zoo lief voor gij terugkwaamt, en daar lag hij en zou haast sterven, en ik wist dat hij Paula voor een dievegge, voor eene leugenaarster hield. Dat ik hem in zulk een dwaling, zulk eene ongerechtigheid de oogen zou zien sluiten, dat vond ik toen zoo afschuwelijk, zoo onverdragelijk, niet alleen om grootvader maar ook om Paula, dat ik--ach Orion, de barmhartige Heiland is mijn getuige--dat ik... En al had ik het moeten besterven ik kon toen niet anders; ik zou bezweken zijn als ik gezwegen had!"

"Misschien is het ook goed geweest dat gij gesproken hebt," zeide de jonkman, terwijl hij diep adem haalde. "Ziet gij, meisje; de arme broeder van uw gestorven vader is een verloren mensch en aan hem is niet veel gelegen; maar Paula, die duizendmaal beter is dan ik, aan haar is ten minste recht gedaan, en daar ik haar liefheb, meer dan gij u in uw klein hartje kunt voorstellen, wil ik gaarne weer goed op je zijn en je nog liever hebben dan vroeger. Dat is nu geen groote, geen edelmoedige daad, want ik heb liefde noodig, veel liefde, om het leven dragelijk te vinden. Ik dwaas heb de beste liefde verspeeld, en ik kan de uwe, arm, braaf kind, ik kan de uwe niet missen! Zoo, daar hebt ge mijne hand, geef mij ook nog een kus, en ga dan naar bed om te slapen."

Doch Maria wilde altijd nog maar niet gehoorzamen; zij dankte hem met warmte en vroeg daarna met heldere oogen: "Dus is het waar? Gij hebt Paula zoo lief?" Doch hier hield zij eensklaps op en zeide: "En de kleine Katharina..."

"Spreek daar niet over, kind," zeide hij met een zucht, "en neem er een les uit voor uzelve. Zie, in eene noodlottige ure heb ik lichtvaardig iets gedaan wat niet goed is, en om dat te verbergen, moest ik er wederom kwaad aan toevoegen, totdat de ongerechtigheden tot een berg waren opgestapeld, op mij neervielen en mij verpletterden. Thans ben ik de ongelukkigste der menschen, en ik zou wellicht de gelukkigste kunnen zijn. Door mijne eigene lichtzinnigheid, mijne eigene zwakheid en schuld heb ik mijn geheele leven bedorven, heb ik ook Paula verloren, die mij liever is dan alle menschen op aarde te zamen genomen. Ja, Maria, als zij de mijne was geworden, uw arme oom had een benijdenswaardig jonkman, een degelijk mensch, een groot man kunnen worden, die wat uitricht in de wereld; maar zoo? Weg is weg! Ga ter rust mijn kind, eerst als gij ouder zijt zult gij dit alles verstaan!"

"O ik versta het nu reeds, ja nu en veel beter misschien dan gij denkt," riep de tienjarige hem toe. "En wanneer gij Paula inderdaad zoo liefhebt, waarom zou zij uwe liefde niet beantwoorden? Gij zijt zoo schoon, gij kunt zooveel, ieder mag u gaarne lijden, en Paula zal wel weer goed op u worden, wanneer gij maar.... Zult gij niet boos op mij zijn als ik het u zeg?"

"Spreek maar gekkinnetje!"

"Zij kan u niets meer verwijten wanneer zij weet, hoe vreeselijk gij lijdt om harentwil en dat gij zoo innig goed zijt en maar eene enkele maal iets gedaan hebt--dat weet ge! Voor gij terugkwaamt heeft grootvader wel honderdmaal gezegd, hoeveel vreugde gij hem zijn leven lang bereid hebt, en nu, nu.. Gij zijt mijn oom en ik ben maar een dom schepseltje, maar ik weet toch dat het met u gaat als den verloren zoon uit den bijbel. Grootvader en gij zijt toornig van elkander gegaan."

"Hij heeft mij gevloekt," riep Orion op doffen toon.

"Neen, neen! Mij is geen van zijne woorden ontgaan. Alleen uw daad heeft hij veroordeeld met schrikkelijke woorden en u van zijn sterfbed weggejaagd."

"Welk onderscheid ligt daarin: vervloekt of verstooten?"

"O, een zeer groot onderscheid! Hij had reden om boos op u te zijn, maar de verloren zoon in den bijbel werd daarna de meest geliefde van zijn vader, zoodat hij een kalf voor hem liet slachten en hem alles vergaf, en zoo zal dan grootvader u ook in den hemel vergeven, wanneer gij weder zoo goed wordt als gij vroeger waart jegens hem en ons allen. En Paula zal u evenzeer vergeven; ik ken haar--gij zult het wel zien..... Katharina had u ook wel lief, maar zij.... Lieve God, zij is haast nog even kinderachtig als ik, en wanneer gij maar altijd vriendelijk tegen haar zijt, en zij wat moois van u ten geschenke ontvangt, zal zij zich wel troosten. Voor haar valsche getuigenis heeft zij toch zeker wel wat straf verdiend, doch uwe straf komt zeker niet in vergelijking met de hare."

De woorden uit den mond van een onschuldig kind vielen in den van smart doorploegden akker van 's jonkmans ziel als zaadkorrels, en waren als morgendauw voor zijn gemoed. Toen Maria reeds lang weder was ingeslapen dacht hij er nog altijd over na.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

De inzegening van het lijk van den Mukaukas Georg had den daarop volgenden dag plaats gehad. Sedert de geestelijkheid de voormalige heidensche balseming verboden had en in den tijd der Antonijnen ook de lijkenverbranding had opgehouden, moesten de gestorvenen spoedig na het overlijden ter aarde besteld worden; alleen de aanzienlijken werden een weinig gebalsemd en in kerken of kapellen bijgezet, waaraan zij schenkingen hadden gedaan. Overeenkomstig zijn uitersten wil moest het lijk van den Mukaukas Georg naar Alexandrië gebracht en aldaar in de kerk van den heiligen Johannes naast dat van zijn vader worden bijgezet, doch de duif die den brief had overgebracht, waarin den patriarch werd kennis gegeven van den dood des stadhouders, was teruggekomen met het bevel, dat er bezwaren bestonden om aan deze begeerte van den overledene te voldoen, en dat men zijn lijk voorloopig in het familiegraf te Memphis moest bijzetten.

Sedert menschenheugenis was daar zulk eene lijkstatie niet gezien. Zelfs de muzelmansche gouverneur van het land, de groote veldheer Amr, was met zijne voornaamste legeraanvoerders en burgerlijke beambten van genen oever van den Nijl overgekomen, om den hooggeschatten en rechtvaardigen stadhouder de laatste eer te bewijzen. Hunne gespierde bruine gestalten en schoone karakteristieke aangezichten, hunne gouden met edelsteenen bezette helmen en pantserhemden, afkomstig uit den krijgsbuit na den vernielenden strijd tegen het Perzische rijk en Syrië, hunne prachtige, kostbaar opgetuigde paarden en het gebiedende en trotsche van hunne houding hadden op de menigte een diepen indruk teweeggebracht. Statig en langzaam waren zij verschenen, om zich daarna te verwijderen als een onweerswolk door den stormwind voortgezweept. Van het kerkhof waren zij langs de Nijlstraat en vervolgens over de schipbrug teruggedraafd, zoodat de grond onder hen dreunde. Uit de witte stofwolken, die hen omgaven, kwamen oogverblindende, flikkerende bliksems te voorschijn, zoo vaak de zonnestralen hun gouden wapenrusting troffen. Ja, aan deze ruiters, van welken ieder wel een vorst geleek, kon het niet zwaar zijn gevallen de machtigste rijken der wereld te vernietigen.

Mannen zoowel als vrouwen, allen hadden deze ruiterij met zeker ontzag bewonderd en wel het meest de heldengestalte en het schoone, bruine, mannelijke gelaat van den veldheer Amr en den zoon van den afgestorvene, die op bevel van den Arabier van af het stadhouderlijk paleis aan zijne zijde reed, in een donker rouwgewaad op een gitzwarten, vurigen hengst. De schoone jongeling en de kloeke, krachtvolle man vormden een paar, waarvan de vrouwen ongaarne de oogen afwendden, want beiden deden in edele houding niet voor elkaar onder, beiden vertoonden dezelfde krachtige lichaamsbouw, beiden waren even geschikt om hunne vurige paarden in bedwang te houden, beiden schenen tot heerschen geboren. Op menig Memphiet maakte dat op een langen, prachtigen hals rustende hoofd van den beroemden overwinnaar in zoo vele veldslagen, zijn fijnbesneden gelaat met den adelaarsneus en de zwarte, fonkelende oogen een dieper indruk dan de meer gelijkmatige gelaatstrekken en dat schoone licht krullende haar van den stadhouderszoon, den laatsten spruit van het oudste en edelste geslacht in geheel Egypte.

Vast en gebiedend keek de Arabier recht voor zich uit en ook de blik van den jonkman dwaalde niet ter zijde af, alleen zag hij enkele malen om, ten einde de deelnemende menigte te overzien. Toen hij ook Paula ontdekte onder de vrouwen, die het lijk volgden, overtoog een glans van vreugde zijn bleek gelaat, en zijne wangen bloosden even. Het vooruit staren deed hem het voorhoofd rimpelen en gaf aan zijne trekken eene onheilspellende uitdrukking, zoodat menig Memphiet zacht tot zijn buurman zeide: "Uit dezen vroolijken, levenslustigen jongen heer zal zeker een streng gebieder groeien."

Wat hem hinderde was zijn begeleider zoo min als der menigte ontgaan. Hij alleen wist dat de patriarch het overbrengen van het stoffelijk overschot zijns vader naar Alexandrië verboden had; doch iedereen merkte op, dat bij deze buitengewone begrafenis het grootste gedeelte van de geestelijkheid van Memphis werd gemist. Alleen de bisschop Plotinos liep met den geleerden en moedigen presbyter Johannes en eenige koorknapen, die het crucifix droegen, psalm zingende vóor de door zes vurige paarden getrokken slede, waarop de kostbare sarcophaag naar oud gebruik naar het kerkhof werd gevoerd. Daar aangekomen stegen allen van hunne paarden, en knapen op bloote voeten in dienst van de Arabieren waren aanstonds bij de hand om de paarden te houden. De bisschop sprak aan het graf een warm woord van waardeering, waarna het magere en weinig plechtige gezang der koorknapen een armelijk figuur maakte. Doch nauwelijks was dit geëindigd of de menigte viel met duizenden stemmen in, en hief een klaagzang aan, die zoo luid en indrukwekkend over het kerkhof klonk, als nog nimmer op deze plaats was gehoord. De overige ceremoniën werden, daar de hiertoe noodige geestelijken niet verschenen waren, spoedig en onvolledig volbracht.

De veldheer Amr, wiens valkenoog niets ontging, merkte dadelijk op wat hier ontbrak, en riep Orion zoo luid en openlijk toe, dat het rondom gehoord kon worden: "De doode moet hier boeten voor hetgeen de levende als verstandig man ten beste voor zijn land hand aan hand met ons muzelmannen gedaan heeft."

"Op bevel van den patriarch," antwoordde Orion met bevende stem, terwijl de aderen op zijn voorhoofd van toorn hoog opzwollen. "Maar bij de ziel van mijn vader," en bij deze woorden balde hij de vuist, "als er een rechtvaardig God is, zal het Benjamin niet gelukken voor den braafsten aller braven de hemelpoort te sluiten."

"Wij dragen den sleutel tot den ingang van onzen hemel in onzen eigen gordel," antwoordde de veldheer, terwijl hij met zelfvoldoening lachend op zijne hooggewelfde borst sloeg en de jonkman met welgevallen aanzag. "Kom Zaterdag bij mij, jonge vriend, ik wil met u spreken! Tegen zonsondergang wacht ik u aan de overzijde in mijn huis. Als ik tegen donker nog niet terug ben, wil dan op mij wachten."

Daarbij greep Amr de manen van zijn hengst, waarbij Orion zich gereed maakte om hem te helpen, doch de vijftigjarige veldheer voorkwam hem, zwaaide zich behendig als een jongeling in het zadel en gaf daarmede aan de zijnen het teeken om op te breken.

Paula, die met vrouw Neforis het allernaast bij het open familiegraf had gestaan, was geen woord ontgaan van het kort gesprek tusschen beide mannen. Zooals hij daar gestaan had, doodsbleek, in kostbare, maar eenvoudige, lang afhangende rouwkleederen gehuld, door een heiligen mannelijken toorn aangegrepen, was het onmogelijk geweest niet te erkennen, dat de laatste dagen een verbazenden invloed hadden gehad op den afgedwaalden jonkman. Nadat Paula de bleeke, verslagene stadhoudersweduwe, die met droge oogen alles had aangezien, naar haren wagen had gebracht, en daarna met Perpetua alleen naar huis was gegaan, had haar het beeld van den schoonen, verontwaardigden jonkman, die den gespierden arm met die stevig gebalde vuist in de hoogte hief, steeds voor oogen gestaan. Het was haar niet ontgaan dat hij haar, die tegenover hem stond aan de geopende groeve, had opgemerkt, en het was haar gelukt zijn blik te ontwijken; maar haar zwak hart klopte daarbij zoo hevig, dat zij het nog voelde in hare borst, en het was haar niet gelukt geheel en onverdeeld aan de geliefde afgestorvene te denken.

Orion had tot dusverre noch haar vreedzaam verblijf opgezocht, noch ook een bode gezonden om haar te brengen wat haar toekwam; en zij vond dit natuurlijk, want niemand behoefde haar te zeggen wat er in deze dagen van hem gevorderd werd. Doch was zij vóor de begrafenis vast besloten geweest zijn bezoek af te wijzen, en had zij aan de voedster reeds volmacht gegeven haar goed uit zijne hand in ontvangst te nemen, zoo scheen haar zulk eene houding na de teraardebestelling van haar oom niet voegzaam meer; ja, bij de gedachte aan den ontslapene achtte zij het haar plicht Orion niet te weren, wanneer hij haar om vergeving kwam vragen. Ook nog iets anders was zij haar oom schuldig. Zij wilde het zijn, die zijn zoon in de geest van Philippus er op wees, dat het leven als een plicht, als een dienst moest worden opgevat. Opende hij zijn hart voor deze vermaning, dan... neen, ook dan moest alles uit zijn tusschen hen, uit als het vuur van een uitgebrande houtmijt, als de zeepbel die in de wind berst, als de toon die weggestorven is--uit, geheel uit. En de vermaning die zij hem, tot wien zij eens had opgezien, wilde geven? Wie gaf haar het recht hem dezen toe te dienen? Zag hij er niet uit als een man, die zijn leven uit eigen kracht weet te leiden en te besturen?--Haar hart dorstte naar hem, alles wat in haar was verlangde hem weder te zien, zijn stem weder te hooren, en deze begeerte, dit heimwee noemde zij plicht en bracht zij in verband met den dank, dien zij den afgestorvene verschuldigd was. Geheel door deze overwegingen en twijfelingen beheerscht, hoorde zij nauwelijks wat de spraakzame Perpetua zeide, die naast haar liep.