Part 16
Om in de gerechtzaal te komen kon men of door het huis gaan, of buiten om loopen. Gaf men de voorkeur aan den laatsten weg, dan moest men allereerst door den tuin, en Orion koos dezen. In tegenwoordigheid van de vrouwen had hij zich geweld aangedaan, om de onrust die hem vervulde meester te blijven, en nu voelde hij hoe de strijd, dien hij had aangebonden en waaruit hij zich niet meer terugtrekken kon noch wilde, hem al verder en verder dreef en hem dwong het jonge schepseltje, dat nu--de teerling rolde al--zijne vrouw moest worden, op den schandelijken weg mede te sleepen, dien hij was opgegaan. Toen hij zijne moeder beloofd had niet morgen maar overmorgen om Katharina's hand te zullen vragen, had hij gehoopt in dat tijdperk van uitstel hem toegestaan haar te kunnen bewijzen, dat de kleine toch niet de rechte vrouw voor hem was; en nu--welk een spot van het noodlot!--zag hij zich gedwongen, in alle opzichten juist het tegendeel te doen van datgene waartoe zijne neiging hem dreef. De vrouw die hij liefhad, ja nog altijd liefhad, hij bestreed haar als eene doodvijandin, en het meisje dat hem geheel onverschillig was, haar moest hij zijne hand reiken. Het was om krankzinnig te worden, maar het moest gebeuren, en met een herhaald "voorwaarts" besloot hij tot het schandelijk waagstuk, om het onervaren meisje aan zijn arm, zoo aan zich te verbinden, dat zij bereid was om zijnentwil onrecht te plegen. Zijn hart klopte of het springen moest, doch het was niet mogelijk langer te dralen of terug te treden; het gold, overwinnaar te blijven; dus voorwaarts, altijd voorwaarts!
Zoodra zij buiten het licht der lantaarnen in de schaduw waren gekomen greep hij, blijde dat de duisternis zijne trekken onzichtbaar maakte, de tengere rechterhand van de naast hem wandelende kleine met beide handen en drukte zijne lippen op hare teedere vingertoppen.
"Maar, Orion," zeide zij schuchter, doch liet hem begaan.
"Ik vorder wat mij rechtmatig toekomt, gij zonneschijn mijner ziel!" zeide hij op vleienden toon, "wanneer uw hartje zoo hevig klopt als het mijne, dan kunnen de moeders daarginds het hooren."
"Ja het klopt al," zeide zij gelukkig, terwijl zij het krullekopje opzij hield.
"Maar het mijne doet het toch sterker," antwoordde hij met een zucht, terwijl hij haar handje tegen zijne borst drukte. Hij kon het gerust wagen want het krampachtig kloppen van zijn hart dreigde hem te doen stikken.
Maar zij antwoordde blij te moe: "Ja, waarlijk, dat bonst..."
"Zij mogen het daar ginds ook vernemen," antwoordde hij met een gedwongen lachje. "Of uw moedertje niet reeds lang in onze harten gekeken heeft?"
"Natuurlijk," antwoordde zij zacht. "Zoo vroolijk als sedert uwe terugkomst heb ik haar zelden gezien."
"En gij, kleine tooveres?"
"Ik? Natuurlijk ben ik ook vroolijk geweest; zij waren het allen. En uwe ouders..."
"Neen, neen, Katharina! Ik wil weten wat gijzelve bij mijne terugkomst gevoeld hebt."
"Ach kom, hoe kan men zoo iets beschrijven?"
"Zou dat niet kunnen?" vroeg hij, haar arm vaster in den zijnen drukkende. Hij moest haar winnen, en zijne dichterlijke verbeeldingskracht hielp hem, om wat hij nooit gevoeld had met gloeiende verven te schilderen. Hij liet haar zoete liefde-woordjes hooren en zij geloofde hem gaarne. Op zijn wenk ging zij vertrouwelijk zitten op een houten bank in de oude laan, die naar de noordzijde van het huis leidde. Aan verschillende heesters bloeiden daar heerlijke bloemen, die de lucht vervulden met een zoeten, bedwelmenden geur. De maneschijn drong door de dichte kronen der sykomoren en deed flikkerende strepen en kringen van licht spelen over het loof, op de stammen der boomen en den donkeren grond. Het loofdak boven hunne hoofden had de hitte van den dag teruggehouden, zoodat de lucht nog altijd zwoel en drukkend was. Het was op deze plaats dat hij haar voor het eerst zijn eenig bruidje noemde en haar hartje in ketenen sloeg. In elk zijner gloeiende woorden trilde de onstuimige, bange gejaagdheid, die zijne ziel martelde, zoodat zij klonken als waren ze innig en oprecht gemeend.
De bloemengeur bedwelmde daarbij haar jong en onervaren gemoed en gewillig bood zij hem hare lippen tot een kus. Innig gelukkig gevoelde zij hier de eerste zaligheid eener jeugdige liefde die wederliefde vindt, levenslang zou zij met hem verbonden willen zijn. Doch reeds na eenige oogenblikken sprong hij op, verlangende aan de teedere minnekoozerij een einde te maken, die ook hem begon te betooveren en zeide luid en driftig: "O dat verwenschte rechtsgeding! Maar dat is het lot van den man! Zijn plicht roept en hij moet midden uit alle vreugde van het paradijs naar de aarde terugkeeren. Geef mij uw arm, gij mijne eenige, mijn alles!"
Katharina gehoorzaamde en liet zich als in een roes van blijdschap over het onverwacht geluk, dat haar wedervoer, door hem meetroonen. Zij hoorde echter vreemd op, toen hij haar zeide: "Na deze hemelsche zaligheid moeten wij aan de nuchterste van alle zaken denken. Hoe afkeerig ben ik van datgene waarom het nu te doen is; hoe geweldig stuit het mij tegen de borst. Gaarne zou ik voor Paula een vriend, een trouw beschermer zijn, in plaats van haar tegenstander!"
Bij deze woorden gevoelde hij hoe de linkerarm van het meisje op den zijnen zich onrustig bewoog, en dit was hem een prikkel om verder te gaan op den weg der misdaad. Katharina zelve wees hem de richting aan, die hij volgen moest om zijn doel te bereiken, en terwijl hij voortging om haar ijverzucht te doen ontvlammen terwijl hij Paulas schoon en edel voorkomen prees, verontschuldigde hij zich voor zijn geweten met deze drogreden, dat hij als bruidegom gerechtigd was zijne bruid te dwingen zijn geluk en zijne eer te redden. Toch had hij bij elk vleiend woord het gevoel als vernederde hij zichzelven, als beging hij daarmede tegen Paula een nieuw onrecht. Het viel hem maar al te gemakkelijk haar lof te verkondigen.
Doch terwijl hij dit deed met toenemende warmte, tikte zij hem op den arm en zeide half schertsend, half op ernstig verdrietigen toon: "O deze godin! Ben ik, of is zij uwe geliefde? Pas op dat ge mij niet jaloersch maakt, hoort ge!"
"Klein gekkinnetje!" antwoordde hij vroolijk, en om haar gerust te stellen liet hij erop volgen: "Zij is als de koele maan, en gij zijt de lichtende, verwarmende zon. Ja, Paula! wij willen haar overlaten aan een der Olympische goden of aan een aartsengel, maar ik zing den lof van mijn klein levenslustig meisje, dat met mij het leven genieten zal en al zijne vreugde."
"Ja, dat willen wij!" juichte zij, meenende den horizont harer toekomst in het glansrijkste zonlicht te aanschouwen.
"Goede hemel," dus brak hij als verrast dit onderhoud af. "Het licht schijnt al in die rampzalige rechtzaal. O de liefde, de liefde! Door hare betoovering hebben wij het doel van onzen gang vergeten. Zeg nu eens, schatje, weet gij nog precies hoe het halssieraad er uitzag, waarmede gij en Maria heden middag gespeeld hebt?"
"Het was zeer kunstig bewerkt, alleen hing in het midden een leelijk verbogen stuk bladgoud."
"Gij zijt ook eene kenster van kunstwerken! Hebt gij dan den keurig gesneden steen over het hoofd gezien, die in deze onaanzienlijke kas besloten was?"
"Neen, waarlijk niet!"
"Ja toch, klein wijsneusje!"
"Neen, mijn lieve!" en toen zij dit uitsprak, sloeg zij de oogen vroolijk op, als ware haar een waagstuk gelukt. "Wat gesneden steenen zijn weet ik zeer goed. Vader heeft eene groote verzameling ervan nagelaten, en moeder zegt dat zij volgens het testament mijn toekomstigen man zullen toebehooren."
"Dan zal ik u, mijn heerlijk juweel, in eene lijst van louter onyxen kunnen zetten."
"Neen, neen," antwoordde zij vroolijk, "geef mij later maar een kastje, want ik ben zulk een vluchtig ding. Doch het mag niet anders zijn, neen niet anders dan uw hart!"
"Deze goudsmidsarbeid is al verricht! Maar nu in ernst, kindjelief, wat aan Paulas halsketting hing was een onyx, en gij, kleine keurster van juweelen, hebt den steen slechts van achteren bezien; dáar heeft hij een rug zooals gij beschrijft, een eenvoudig hulsel van bladgoud!"
"Maar Orion!"
"Hebt ge mij lief, hartediefje, weerspreek mij dan niet verder. Later zal ik u altijd naar uw oordeel vragen, maar in dit geval kan mij uwe dwaling in groote moeielijkheden brengen en mij dwingen aan Paula toe te geven en haar tot mijne bondgenoote te maken.--Hier zijn wij er, maar blijven wij nog een oogenblik staan! En nu nog over dien steen. Ziet gij: wij kunnen beiden dwalen, ik zoowel als gij, maar ik geloof zeker gelijk te hebben, en wanneer gij in dit geval iets anders verklaart dan ik heb gedaan, dan sta ik als een leugenaar voor de rechters. Wij zijn nu toch bruid en bruidegom, dus één, geheel één, en wat een onzer treft of verheft, dat vereert of verlaagt tegelijk de andere. Zegt gij, die mij liefhebt en van wie de lieden al mompelen, dat gij eerlang als meesteres in dit paleis gebieden zult, iets anders dan ik, zoo zullen zij het zeker gelooven. Zie, gij zijt zoo door en door goed, maar nog te jong en te rein om alle eischen te begrijpen eener almachtige liefde, die alles gelooft en verdraagt. Als gij in dit geval niet gaarne aan mijn verlangen gehoor geeft, dan hebt gij mij zeker niet lief, zooals gij mij zoudt moeten liefhebben. En is het dan zoo iets moeilijks wat ik van u vraag? Ik wensch van u niet anders, dan dat gij voor de rechters zult verklaren, dat gij heden middag Paulas halsketting gezien hebt, en dat daaraan een gesneden steen hing, een onyx met Amor en Psyche. Verder niets!"
"Moet ik dat getuigen voor al die rechters?" vroeg Katharina met een bedenkelijk gezicht.
"Dat moet gij doen, vriendelijke engel!" hernam Orion teeder. "Zoudt gij het aardig vinden, als eene bruid hare geliefde de eerste bede knorrig weigerde, omdat zij er eenig bezwaar tegen heeft of meent alleen gelijk te hebben? Neen, neen, als er maar een vonkje liefde voor mij in uw hartje gloort, als gij mij niet dwingen wilt Paula te verzoeken, dat zij genade met mij zal hebben..."
"Maar waarom is het dan toch te doen? Wie kan er zooveel waarde aan hechten of een gesneden steen of een eenvoudig stuk bladgoud..."
"Dat zal u later alles omstandig verklaard worden," voegde hij haar haastig toe.
"Toe, doe het nu dadelijk..."
"Dat gaat niet; wij hebben het geduld der rechters reeds veel te lang op de proef gesteld. Er is geen oogenblik te verliezen!"
"Nu goed dan, maar ik zal van verlegenheid en schaamte bezwijken, wanneer ik voor de rechters een getuigenis afleg..."
"Dat waar is," zoo drong hij verder aan, "en waarmede gij mij toonen kunt, hoezeer ge mij liefhebt."
"Wat is dat verschrikkelijk!" zeide zij angstig. "Bind mij ten minste den sluier vast om het aangezicht. Al die gebaarde mannen..."
"Als de struisvogel," zeide Orion met een glimlach, terwijl hij aan haar verlangen voldeed. "Indien gij er werkelijk anders over denkt dan uw... hoe hebt gij daareven ook gezegd? Herhaal het nog eens!"
"Uw liefste!" zeide zij blozende en innig, terwijl zij Orion hielp haar den sluier dubbel voor het gezicht te binden, en zij weerde hem niet af, toen hij haar in het oor fluisterde: "Laat eens zien of een kus ook door zulk eene vermomming nog goed smaakt!--Kom nu, in weinige oogenblikken is alles gedaan."
Na deze woorden leidde hij haar snel het voorportaal van de rechtzaal binnen en verzocht haar een oogenblik te wachten. Aan de rechters deelde hij haastig mede, dat vrouw Susanna hem haar dochtertje slechts had toevertrouwd onder voorwaarde, dat hij haar onverwijld bij hare moeder zou terugbrengen, nadat zij hare verklaring als getuige had afgelegd. Vervolgens liet hij Paula roepen en noodigde haar uit zich neer te zetten.
Katharina was met loome schreden en een beklemd hart het voorportaal van de rechtzaal binnengegaan. Zij had zich menigmaal door kleine omwegen uit de verlegenheid weten te redden om eene berisping te ontgaan, maar zij had nog nooit ernstig gelogen, en nu begon alles in haar zich te verzetten tegen het voornemen om iets te verklaren wat stellig onwaar was. Maar kon het dan slecht zijn wat Orion, de edelste van alle mannen, de afgod van de gansche stad, zoo dringend van haar begeerde? Maakte de liefde, volgens zijne opvatting, het haar niet tot plicht om alles te doen, wat hem voor nadeel en schade kon bewaren? Wel-is-waar kwam dit haar niet geheel billijk voor, maar misschien begreep zij het nog niet genoeg, omdat zij zoo jong en onervaren was. Het beangstigde haar ook dat haar geliefde, wanneer zij tegen zijn wil handelde, gedwongen zou zijn met Paula een verbond aan te gaan. Aan zelfbewustzijn ontbrak het haar niet, en zij zeide tot zichzelve, dat zij voor geen meisje in Memphis behoefde onder te doen, alleen die schoone, trotsche, groote Damasceensche stond, dit gevoelde zij, verre boven haar, en zij kon niet vergeten hoe eergisteren, toen Paula met haren bruidegom in den tuin op en neder wandelde, de overste van Memphis had uitgeroepen: "Welk een buitengewoon mooi paar!" Vaak had zij gedacht, dat er geen schooner, minzamer, lieftalliger schepsel op aarde leefde dan de dochter van Thomas, en kon zij hunkeren naar een blik, een vriendelijk woord van haar. Maar sedert dat zeggen van den stadsoverste was zekere verbittering tegen Paula in hare ziel ontwaakt, die daarna van verschillende zijden rijkelijk voedsel had gekregen. Paula bejegende haar altijd als een kind, niet als een volwassen meisje, dat zij toch was. Waarom had zij heden middag haren bruidegom, want zoo mocht zij Orion thans noemen, willen opzoeken en haar van hem afhouden? En wat was de reden dat Orion, terwijl hij de bekentenis aflegde dat hij haar liefhad, telkens meer dan met warmte, met geestdrift van die jonkvrouw had gesproken? Neen voor deze verleidster moest zij op hare hoede zijn, en wanneer men sprak van een groot geluk dat haar weervaren was, Paula zou het haar zeker niet gunnen, want Katharina voelde en wist, dat deze haren geliefde met alles behalve onverschillige oogen aanzag. Zij bezat op de wereld geene andere vijandin dan Paula en van deze mededingster had hare liefde alles te vreezen. Opeens vroeg zij zich af, of het bladgoud dat zij gezien had toch niet een gesneden steen zou hebben kunnen zijn. Zij had immers de halsketen maar een oogenblik opmerkzaam bekeken? En waarom zou zij scherper hebben gezien dan de groote wonderschoone oogen van Orion?
Zeker, hij had gelijk, gelijk zooals altijd. De meeste gesneden steenen hadden eene ovale gedaante, en ovaal was ook dat ding waaromtrent zij getuigen moest. Het was van Orion niet te denken, dat hij iets leugenachtigs van haar verlangen zou. In elk geval was het de plicht zijner bruid om hem voor schande te behoeden en te verhinderen, dat hij een verbond zou sluiten met die schoone sirene. Zij wist wat zij te zeggen had en reeds wilde zij een gedeelte van den sluier losmaken, om Paula recht goed in het aangezicht te zien, toen Orion terugkeerde om haar naar de rechtzaal te voeren.
Tot zijne vreugde, ja tot zijne verbazing sprak Katharina hier zonder aarzelen uit, dat er heden middag een gesneden steen in Paulas halssieraad had gehangen, en toen men haar den onyx toonde en vroeg of zij zich dezen herinnerde, antwoordde zij kalm: "Deze kan het geweest zijn of ook niet; ik herinner mij alleen nog de ovale gouden achterzijde. Voor het overige liet deze jonkvrouw haar kleinood maar enkele oogenblikken in mijne handen."
Toen de rentmeester Nilus haar uitnoodigde, om de voorstelling van Amor en Psyche nader te bekijken en haar geheugen te scherpen, antwoordde zij ontwijkend: "Ik mag zulke heidensche voorstellingen niet; wij Jacobietische meisjes dragen andere sieraden."
Daar rees Paula op, en trad met een blik vol streng verwijt haar te gemoet, en nu verblijdde de kleine Katharina zich, dat zij op het denkbeeld was gekomen om zich het hoofd te bedekken met een dubbelen sluier. Maar de groote verlegenheid waarin zij gebracht werd door den scherpen blik der Damasceensche, duurde slechts kort, want toen deze haar waarschuwend toeriep: "Gij legt nadruk op uwe getuigenis, maar gij hebt niet minder dan ik der waarheid de eere te geven. Bedenk wat er van uwe uitspraak afhangt; dat bezweer ik u, kind," viel de kleine hare tegenpartij in de rede en zeide verstoord, met hartstochtelijke gejaagdheid: "Ik ben geen kind meer, ook niet voor u, en vóor ik spreek bedenk ik mij, zooals mij dat geleerd werd!"
Daarop wierp zij het kopje trotsch in den nek en herhaalde nog eens stellig: "Deze onyx heeft in het midden van de keten gehangen."
"Gij schandelijke leugenaartser!" riep de voedster, zichzelve niet meer meester, haar in het aangezicht.
Katharina verschrikte hevig en zag om, als had haar een adder gebeten naar haar die het gewaagd had haar zoo gruwelijk en onbeschaamd te beleedigen. Hulpeloos, terwijl zij op het punt was in tranen uit te barsten, keek haar oog naar bijstand rond, en zij behoefde niet lang op een wreker te wachten, want Orion gaf dadelijk bevel Perpetua wegens hare valsche verklaring naar de gevangenis te brengen, de Damasceensche te ontslaan, omdat zij niet had gezworen en alleen uit goede bedoeling een ongelooflijk verhaal had verdicht, en de kist weder naar hare kamer te dragen.
Daar trad de jonkvrouw nog eens voor de tafel, maakte den onyx van de keten los, wierp dien den jood Gamaliël toe, die hem opving, en zeide: "Dien schenk ik u, man! Misschien koopt de schurk, die hem aan mijn keten heeft gehangen, u dien weer af. Mijne grootmoeder heeft dit halssieraad van den heiligen keizer Theodosius ontvangen, en eer ik het verder door het geschenk van een ellendeling laat bezoedelen, werp ik zelve het in den Nijl. Op u arme, bedrogene rechters ben ik niet toornig, doch ik beklaag u! Mijn Hiram"--en hier wees zij op den vrijgelatene--"is een eerlijk man, dien ik met dankbare liefde gedenken zal tot in den dood; maar deze onrechtvaardige zoon van een rechtvaardigen vader, die daar...." Dit roepende wees zij op Orion; doch de jongeling ontnam haar het woord door haar toe te duwen: "Genoeg!"
Zij trachtte al hare krachten te verzamelen en zeide: "Ik zal doen wat gij verlangt, want uw geweten zal u honderdmaal herhalen, wat ik verzwijg. En nu nog een woord!" Daarop ging zij naar hem toe en fluisterde hem in het oor: "Ik heb de overwinning op mijzelve behaald, om het scherpste wapen tegen u ongebruikt te laten, overeenkomstig mijn gegeven woord. Wanneer gij niet de ellendigste zijt van alle ellendigen, gedenk dan het uwe en red Hiram!"
Een zwijgend hoofdknikken was zijn antwoord. Zij bleef op den drempel nog even staan en zeide tot Katharina: "U, kind, want meer zijt gij nog niet, u zal de zoon van den Mukaukas voor den dienst hem bewezen met onbeschrijfelijke smarten beloonen."
Met deze woorden verliet zij de zaal, besteeg met wankelende schreden de trap, en toen zij weder naast de legerstede van de arme waanzinnige neerzat, schonk de goede God haar den lenigenden balsem van te kunnen weenen. Haar vriend, de arts, vond haar weenende en stoorde haar niet, tot zij zelve hem bij haar riep en hem toevertrouwde, wat haar op dezen moeielijken dag overkomen was.
Orion en Katharina hadden hunne blijmoedige stemming verloren en begaven zich ernstig naar de zuilengaanderij terug. Toen zij onderweg bij hem op verklaring aandrong, waarom hij haar verleid had dit getuigenis af te leggen, troostte hij haar met een uitstel tot morgen. Zij vonden vrouw Susanna alleen, want zijne moeder was bij haar gemaal geroepen, wiens lijden was verergerd, en had de kleine Maria medegenomen. Nadat hij de weduwe begroet en haar met Katharina naar den wagen geleid had, keerde hij naar de rechtzaal terug.
Daar gekomen zette hij den rechters de geheele toedracht der zaak en alles wat tegen den vrijgelatene getuigde nog eens in een kort bestek uiteen. Daarop werd het oordeel geveld. De trouwe Hiram werd ter dood veroordeeld. Alleen de stem van den rentmeester Nilus had er zich tegen verklaard. Orion beval de voltrekking van het vonnis op te schorten en keerde niet weder in huis terug. Hij liet zijn wildsten hengst zadelen en reed geheel alleen de woestijn in. Hij had overwonnen, maar het was als ware hij bij die wedstrijd in het slijk geraakt en moest hij daarin stikken.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Wat de arts door Paula vernomen had van de gebeurtenissen in den afgeloopen dag, van Orions houding en het einde van het rechtsgeding, wekte in de hoogste mate zijne verontwaardiging, en zonder tegenspraak billijkte hij het besluit van het meisje om dit schandelijk rooversnest, dit huis van boosheid en bedrog, van bloode rechters en valsche getuigen te verlaten.
Het kwam nog niet tot een rustig gesprek tusschen hun beiden, want in het ziekenvertrek had Philippus weldra de handen vol. De Masdakiet Rustem, die tot dusverre bewusteloos had gelegen, was ingevolge een nieuw medicament uit zijne verdooving ontwaakt en verlangde onstuimig naar zijn meester Haschim. Toen deze niet verscheen en men hem zeide, dat hij eerst morgen verwacht kon worden, richtte de reus zich in zijne kussens op, hield de gespierde armen strak achterwaarts op de kanten van het bed, keek met verbijsterden blik links en rechts en schudde den grooten kop, waarvan men de haarlokken had weggesneden, als een getergde leeuw. Daarbij riep hij den arts met zijne ver klinkende borststem smadelijke woorden in zijne moedertaal toe, die niemand der aanwezigen verstond, en terwijl Philippus het verband opnieuw vruchteloos op de diepe wonde trachtte te bevestigen, liet Rustem plotseling de handen van het bed los, sloeg zijne armen om het lichaam van den arts en trachtte in zijne razernij, met het schuim op de lippen, hem neder te trekken. Brullende als een roofdier trok hij zijn tegenpartij heen en weer, maar ook thans verloor Philippus geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest, doch beval de non twee stevige slaven te halen.
Terwijl deze wegsnelde was Paula getuige van eene vreeselijke worsteling, want de arts had de polsen van den reus met zijne handen omkneld, en met eene kracht, die men wel den grooten, grof gebouwden, maar bezwaarlijk den eenigermate gebogen man van studie zou hebben toegeschreven, hield hij de handen van den Pers van zijne heupen verwijderd, wrong daarna zijne vingers tusschen die van Rustem, dwong hem in zijn kussen terug te zinken, zette de knie op zijne bronzen legerstede en bracht hem zóo onder zijne macht, dat de gewonde zich niet weder vermocht op te richten. Toch spande Rustem nog alle krachten in om zich van zijn tegenstander te bevrijden, maar deze was nu sterker dan hij, want het bloedverlies en de koorts hadden den aanvoerder der karavaan verzwakt.
Paula zag deze worsteling van de verstandige sterkte tegen de dierlijke kracht van een razenden reus bevend en met luid kloppend hart aan. Zij kon den vriend niet helpen, maar aan het hoofdeinde van het bed staande, volgde zij elk zijner bewegingen, en zag hoe hij den kolossalen man, voor wien haar oom uit kinderachtige vrees gesidderd had, gekluisterd hield. Zij moest zijne mannelijke schoonheid bewonderen, want zijne oogen straalden thans met vurigen glans, en het korte onderdeel van zijn aangezicht scheen langer te worden bij de geweldige inspanning waartoe hij zich dwong, en bracht dat gedeelte in harmonie met het groote voorhoofd en het overige van zijn gelaat. Innerlijk beefde zij voor hem, en zij meende in hem, wien zij vroeger alleen geacht had om zijn groot verstand, iets groots, iets van een held te zien.