De nijlbruid

Part 15

Chapter 153,809 wordsPublic domain

Het verschijnen van Paula maakte eindelijk aan dat op- en neerloopen van Orion een einde. Hij ontving haar met eene afgemetene buiging en verzocht haar plaats te nemen. Vervolgens noodigde hij Nilus uit haar mede te deelen wat uit het onderzoek en de behandeling van de zaak tot hiertoe was gebleken, en te vragen wat haar naar zijne meening en die der overige rechters had kunnen bewegen den gestolen smaragd voor den hare te verklaren. Hij zou het zooveel mogelijk aan anderen overlaten haar te verhooren, want zij wist maar al te goed in welke verhouding zij tot elkander stonden. Voor dat hij de rechtzaal binnenkwam, had zij hare verklaring van den diefstal door Perpetua aan den rentmeester Nilus laten mededeelen; hij--en hier verhief hij zijne stem--zou het passender gevonden hebben, en meer overeenkomstig de verwantschap die er tusschen hen bestond, wanneer zij hemzelven, Orion, had toevertrouwd, wat zij dacht ten gunste van den vrijgelatene te doen; dan zou het hem mogelijk zijn geweest haar te waarschuwen. Dit wegcijferen van zijn persoon bij hare handelingen moest hij beschouwen als een nieuw bewijs van haar afkeer, en de gevolgen ervan zou zij aan zichzelve te wijten hebben; want nu moest het rechtsgeding onverbiddelijk zijn loop hebben.

De toornige gloed zijner oogen verried haar wat zij van hem te wachten, en dat hij den kamp met haar aangenomen had. Zij hield zich overtuigd, volgens zijne opvatting de kort te voren gegeven belofte verbroken te hebben; doch zij had Perpetua geenszins opgedragen zich in deze aangelegenheid te mengen, zij had de voedster integendeel verzocht haar in het uiterste geval zelve de bewijzen te laten aanvoeren. Orion moest in den waan verkeeren, dat hem harerzijds een onrecht was aangedaan; maar zou hij daarom zichzelven zooverre kunnen vergeten, dat hij zijne bedreiging uitvoerde en een onschuldige, om alle verdenking van zich af te wenden, te gronde richtte, waarbij hij haar als valsche getuige zou brandmerken? Ja, ook voor dit uiterste schrikte hij niet terug! Zijn vlammend oog, zijne heftige gebaren, het geweldig hijgen van zijne borst, dit alles sprak het duidelijk genoeg uit. De strijd moest dus worden aanvaard. Liever ware zij op dit oogenblik gestorven, dan dat zij het zou hebben willen wagen hem door een woord van verontschuldiging zachter te stemmen. Zij voelde hoe zijn gemoed kookte, en zou zich aan zijne voeten hebben willen nederwerpen, om hem te smeeken toch tot bedaren te komen, ten einde zich te hoeden voor eene nieuwe misdaad; doch zij bewaarde hare trotsche waardigheid, en de blik waarmede zij den zijnen beantwoordde was niet minder toornig en uitdagend dan die van hem. Als twee jonge adelaars, die strijdlustig de veeren opsteken, de vleugels verder uitspreiden en de halzen rekken, stonden zij daar tegenover elkander, zij zeker van hare overwinning, in het bewustzijn van de rechtvaardigheid harer zaak, doch meer beangst voor hem dan voor zichzelven, hij bijna blind voor het eigen gevaar, maar als een gladiator, die in de arena tegenover zijn doodvijand staat, meer bedacht om dezen te vellen, dan om eigen lijf en leven te beschermen.

Terwijl de rentmeester haar mededeelde wat zij ten deele reeds wist, en daarop de verdenking herhaalde, dat zij zich had laten verleiden tot het geven van een valsch getuigenis om haar dienaar, die misschien uit liefde voor zijn verdwenen meester de inbraak had gewaagd, het leven te redden, zag zij meer naar Orion dan naar den redenaar. Deze laatste wees ten slotte op de kist, die tegelijk met Paula uit hare kamer in de zaal was gebracht, en gaf haar te kennen, dat de gezamenlijke rechters bereid waren alles aan te hooren en te onderzoeken, wat zij tot hare verdediging in het midden zou brengen.

Orions gejaagdheid bereikte thans haar toppunt. Hij voelde dat hij doodsbleek werd en kon niet meer geregeld denken. De rechters, de aangeklaagde, zijne vijandin, alles wat binnen de wanden van de groote rechtzaal besloten was, lag daar voor hem als in grauwe kronkelende nevels gehuld. Al wat hij zag scheen hem als met helder smaragdgroen gekleurd. Het haar, de aangezichten, de gestalten der aanwezigen, alles schemerde en glinsterde in dien groenachtigen glans. Toen Paula echter trotsch en met vasten tred naar de kist toeliep, een kleinen sleutel uit haar gewaad haalde, dezen aan een beambte overhandigde en daarna als eenig antwoord op de mededeeling van Nilus, ja, als ware dit reeds te veel van haar gevergd, met koele hoogheid zeide: "Open de kist!," toen zag hij weder dat glanzig bruine haar, den vurigen gloed harer blauwe oogen, de afwisselende bleekheid en blos harer wangen, het heldere gewaad, dat hare heerlijke gestalte in fraaie plooien omsloot, en haar zegepralenden glimlach. Hoe schoon, hoe begeerlijk was deze vrouw! Weldra zou zij onderliggen in den strijd met hem, maar deze overwinning zou hem te staan komen op het verlies van haar, en met haar van alles wat er reins en goeds zijner voorvaderen waardig in hem was. Eene stem in zijn binnenste riep het hem toe, maar hij bracht haar tot zwijgen met de voorwaartskreet van den agitator. Ja, vooruit tot het doel bereikt was, altijd voort over puin en steenen, door bloed en stof, tot zij den trotschen nek buigt, tot zij overwonnen en gebroken om genade smeekt.

Daar sprong het deksel van de kist open. Paula bukte zich, ze haalde de halsketen te voorschijn en vertoonde die aan de rechters, zij hield de beide einden ver uit elkander, en... Wat was dat voor een akelige, hartverscheurende kreet van vertwijfeling! Zelfs Orion zou gewenscht hebben zoo iets nooit meer te hooren.--Daar wierp zij het halssieraad voor de rechters op tafel en met den uitroep: "Schandelijk, laaghartig!" trad zij terug en greep zich aan de trouwe Betta vast; want hare knieën begonnen te knikken en zij gevoelde dat zij op het punt stond in elkaar te zijgen. Orion vloog naar haar toe om haar te ondersteunen, maar zij stootte hem terug, en daarbij trof hem een blik zoo vol smart, toorn en verachting, dat hij roerloos voor haar bleef staan en de hand op zijn hart drukte.--En deze laaghartige daad, die twee menschenkinderen zoo diep zou grieven, had hij met een glimlach begonnen! Deze vertooning, die een doodsoordeel bevatte, tot welk een ontzettend einde kon zij leiden?

Paula was intusschen zonder verder eenig geluid te geven op een zetel neergezonken, en ook hij zag zwijgend voor zich tot in de rij der aanwezige rechters een luid gelach opging en de oude Psamtik, de bevelhebber van de hoofdwacht, die sedert geruimen tijd in de rechtbank zitting had, uitriep: "Bij mijn ziel een kostelijke steen! Dat is de heidensche liefdegod Eros, dien zijn gevleugeld schatje Psyche in het aangezicht ziet. Hebt gij dien mooien roman van Apulejus niet gelezen, 'de gouden ezel' geheeten? Dit stukje komt daarin voor. Heilige Lukas, wat is dat fijn gesneden! De edele jonkvrouw heeft zeker den verkeerden halsketen gegrepen. He, Gamaliël, waar moet aan dat ding"--en hij wees hierbij op den gesneden steen--"dat groene duivenei gezeten hebben?"

"Nergens," antwoordde de jood. "De edele jonkvrouw...."

Doch Orion legde dien getuige barsch het zwijgen op, waarna de rentmeester Nilus den steen in handen nam en dien opmerkzaam van alle zijden bekeek. Daarop ging de ernstige, rechtvaardige man, op wiens bijstand Paula zeker gerekend had, naar haar toe, haalde medelijdend de schouders op, en vroeg of er zich in de kist ook nog eene andere halsketen kon bevinden, met zulk eene gouden kas als waarvan zij gesproken had.

Eene rilling voer haar door de leden, want het scheen wel dat hier een wonder was geschied. Maar neen, bij dezen slag die haar werd toegebracht waren geen hoogere machten in het spel. Orion meende dat zij hare belofte om hem te verschoonen en te zwijgen gebroken had, en dit was nu zijne wraak. Hoe en langs welken weg hij haar volvoerd had, dat was haar een raadsel. Welk een slag! Ja, ze had getroffen! Zou zij zich dien laten welgevallen as een geduldig kind? Neen, duizendmaal neen! Opeens herkreeg zij hare veerkracht, de haat staalde haar zwakken wil, en gelijk hij zich in den geest verplaatst had te midden van de wedrennen in de arena, zoo verbeeldde zij zich aan het schaakbord gezeten te zijn; en het was haar als streed zij met hem om te winnen, niet als met zijn vader om bloemen, kleine geschenken of de eer van het spel alleen, maar om een geheel anderen inzet, om dood of leven.

Alles wilde zij er aan wagen om hem te overwinnen, en toch, neen--wat er ook van komen mocht--niet alles. Liever wilde zij de nederlaag lijden, dan hem overtuigen van diefstal, dan te verraden, wat zij in het viridarium had bespied. Zij had beloofd dat te zullen verzwijgen en den zoon te bewaren voor dezen smaad, dat zou het loon zijn dat zij den vader betaalde voor zijne goedheid. Hoe heerlijk, hoe groot had Orions beeld voor hare ziel gestaan! Met deze schandvlek wilde zij hem noch voor zichzelve noch voor de wereld bezoedelen. Maar in geen enkel ander opzicht mocht zij hem ontzien, en zij moest alles doen om hem de zegepraal te betwisten en Hiram te redden. Elk wapen was geoorloofd, alleen dit verraad wilde en mocht zij niet tegen hem plegen. Hij moest gevoelen dat zij edeler gezind was dan hij, dat zij in de moeielijkste omstandigheden des levens trouw bleef aan haar woord. Haar besluit was genomen, en zij begon dieper adem te halen, er kwam weer leven in haar oog, ofschoon het nog een wijle duurde, eer zij het rechte woord vond om den strijd te beginnen.

Orion zag welk een bangen strijd zij voerde, hij gevoelde dat zij zich tot weerstand wapende, en had haar willen aanmoedigen om den eersten uitval te doen. Nog geen woord van verbazing of verontwaardiging, nog geen enkel verwijt was over hare lippen gekomen. Wat voerde zij in het schild, waarover peinsde zij? Hoe verrassender en gevaarlijker de uitval bleek te zijn, des te beter; hoe moediger zij zich verweerde, des te verder zou bij hem de pijnlijke gedachte op den achtergrond treden, dat hij strijd voerde tegen eene vrouw. Ook helden hadden roem gedragen op overwinningen over Amazonen behaald.

Eindelijk stond zij op en ging naar Hiram toe. Men had hem aan den schandpaal gebonden en toen een smeekende blik uit zijne trouwe oogen haar trof werd haar tong ontboeid, was zij zich opeens bewust, dat zij zich niet enkel te verweren maar ook een ernstigen plicht te vervullen had. Nadat zij met enkele haastige schreden de tafel genaderd was, waarom de rechters in een halven cirkel gezeten waren, legde zij de linkerhand ten steun op het tafelvlak, en zeide, terwijl zij de rechter omhoog hief: "Gij zijt het offer van een afschuwelijk bedrog, en iemand heeft aan mij een schurkachtigen streek begaan om mij in het verderf te storten! Ziet die man daar aan den schandpaal er uit als een roover? Geen heer heeft ooit trouwer, eerlijker dienaar kunnen vrijlaten, en de dank dien Hiram daarvoor aan mijn vader verschuldigd is, heeft hij op zijn dochter overgedragen, daar hij uit liefde tot mij eigen huis, vrouw en kind verliet, om mij, de wees, naar den vreemde te volgen. Verlangt gij echter de waarheid te hooren, niets dan de waarheid en deze ten volle..."

"Spreek!" riep Orion haar toe. Maar zij ging voort, zich tot Nilus en de overige rechters wendende, terwijl zij hem met voordacht over het hoofd zag. "Uw hoofd, de zoon van den Mukaukas, weet dat ik in plaats van beschuldigde eene aanklaagster zou kunnen worden, als ik wilde. Maar ik versmaad dit middel uit liefde voor zijn vader en omdat ik edeler denk dan hij. Hij zal mij wel begrijpen! Wat dezen smaragd aangaat, de vrijgelatene Hiram heeft hem gisteren avond voor mijne oogen met zijn mes uit het gouden hulsel gelicht; doch behalve wij, hebben, gode zij dank, ook nog anderen de kas zien hangen aan de keten, waartoe hij behoorde. Heden middag bevond zij zich nog op de plaats waar het eene misdadige hand later gelukt is dezen gesneden steen te bevestigen. Ik heb die, dat bezweer ik u bij Christus' wonden, zooeven voor het eerst gezien. Het is een kostbaar stuk. Alleen een rijk man, de rijkste onder u allen, schenkt zulk een schat weg, onverschillig met welk doel, laten wij zeggen: om een vijand in het verderf te storten. Gamaliël," en daarbij wendde zij zich tot den juwelier, "hoe Gamaliël, schat gij den onyx?"

De Israëliet liet zich den steen nog eens overhandigen, draaide dien in alle richtingen en zeide ten laatste meesmuilende: "Ja, schoone jonkvrouw, wanneer mijne zwarte broeihen zulke eieren legde, zou ik het kippetje enkel met koeken van Arsinoë en vette oesters van Kanopus voederen. Dat ding is een landgoed waard, en al ben ik geen rijk man, ik betaal daarvoor ieder oogenblik twee groote talenten, al moest ik ze borgen."

Deze verklaringen misten hare krachtige uitwerking op de rechters niet. Doch Orion haastte zich te zeggen: "De wonderen vermenigvuldigen zich op dezen merkwaardigen dag. De edelmoedigheid, tot een ijdelen klank geworden, schijnt onder ons weer te ontwaken. Een verkwistende demon maakt uit een waardeloos stukje bladgoud een kostbaren onyx. Mag men vragen, jonkvrouw, wie die kas aan uw keten heeft gezien?"

Zij geraakte in verzoeking om ook het laatste ontzag voor zijn persoon te laten varen en antwoordde met bevende stem: "Waarschijnlijk uw medehelpers, of gijzelf; want gij, gij alleen hebt reden..."

Doch hij liet haar niet verder spreken, maar sneed haar de woorden af, door te zeggen: "Dat is te veel! O dat gij een man waart! Thans heb ik gezien hoever uwe edelmoedigheid gaat! Ook de haat, de bitterste vijandschap...."

"Zij zouden het recht hebben u geheel te vernietigen!" riep zij diep verontwaardigd. "En wanneer ik u van deze afschuwelijke misdaad betichtte...."

"Dan zoudt gij een misdaad begaan tegen mij, tegen uzelve en tegen dit huis," hernam hij dreigend. "Neem u in acht meisje! Kan uwe verblinding zoover gaan, dat gij mij, mijzelven als getuige oproept, opdat ik het sprookje, dat gij ons opdischt.."

"O neen, neen; dan zou ik nog iets edels van u moeten kunnen verwachten," sprak zij, hem luid in de rede vallende. "Ik heb geheel andere getuigen: Maria, de kleindochter van den Mukaukas Georg."

Haar oog zocht bij die woorden het zijne, maar hij zeide: "Dat kind, welks hartje u toebehoort, en dat u volgt als een schoothondje!"

"En buiten haar nog Katharina, de dochter van de weduwe Susanna," haastte zij zich er bij te voegen, met blozende wangen en zeker van hare overwinning. "Zij is althans geen kind meer maar eene jonkvrouw, dat weet gij! Doch," en nu keerde zij zich weder tot de rechters, "van u vorder ik, dat gij uw ambt waardig zult vervullen, door mij recht te laten wedervaren en de beide getuigen te doen voorkomen om haar te hooren."

Terstond antwoordde Orion, terwijl hij alle moeite deed om bedaard te blijven: "De grootouders mogen beslissen of men het weekhartige kind aan de verzoeking mag blootstellen door eene verklaring voor de rechters, zij moge dan luiden hoe zij wil, hare afgodisch beminde vriendin te redden. Haar leeftijd ontneemt overigens aan hare getuigenis alle waarde, en het stuit mij ook tegen de borst een kind van dit huis in deze pijnlijke zaak te mengen. Daarentegen is het de plicht van het gerechtshof de jonkvrouw Katharina voor te laten komen; en ikzelf bied mij aan haar te gaan roepen."

Paulas' poging om hem weder in de rede te vallen wees hij ten stelligste af, men zou haar later in tegenwoordigheid der getuige geduldig aanhooren. De onyx was misschien afkomstig uit het huis haars vaders. Opnieuw werd Paula door rechtvaardige toorn overmeesterd en buiten zichzelve riep zij: "Neen, duizendmaal neen! Een ellendige booswicht, een uwer helpers, ik herhaal het, is mijne kamer binnengedrongen en heeft, terwijl ik bij de kranke vertoefde, het slot van mijne kist verbroken of met een valschen sleutel geopend."

"Dat kan onderzocht worden," zeide Orion, en hij was blijkbaar zeker van zijne zaak, toen hij beval de kist op tafel te zetten en een der rechters verzocht als zaakkundige zijn oordeel uit te spreken.

Paula kende den man zeer goed. Hij behoorde tot de aanzienlijkste beambten des huizes en was de eerste werktuigkundige van den Mukaukas, wiens taak het was maten en gewichten, wateruurwerken en andere instrumenten te onderzoeken en te herstellen. Deze kundige man ging dadelijk over tot het onderzoek van het slot, dat hij in de beste orde bevond en van eene bijzondere samenstelling bleek te zijn, ook de kunstig vervaardigde sleutel had door geen looper vervangen kunnen worden, terwijl Paula moest toegeven de kist heden middag gesloten en den sleutel sedert dien tijd om haar hals gedragen te hebben.

Orion hoorde deze verklaring schouderophalend aan en beval toen, vóór hij Katharina ging roepen, Paula en de voedster, van elkaar gescheiden, in aangrenzende vertrekken te brengen. Om in deze zaak tot klaarheid te komen, was een eerste vereischte verdere afspraken tusschen haar onmogelijk te maken. Zoodra de deur achter de vrouwen gesloten was, ijlde hij naar den tuin, waar hij Katharina hoopte te vinden.

De rechters zagen hem na, terwijl ieder het zijne dacht. Zij stonden hier voor raadselen, die moeielijk waren op te lossen. Niemand achtte zich gerechtigd om te twijfelen aan de goede gezindheid van den zoon huns rechtvaardigen meesters, dien zij eerden als een hoogbegaafd en grootmoedig jonkman. Zijn strijd met Paula had hen pijnlijk aangedaan en ieder vroeg zich af hoe het gekomen was, dat het dezen lieveling der vrouwen niet scheen gelukt te zijn andere gevoelens, dan die van haat te wekken bij eene der schoonste van haar geslacht. De groote vijandschap tegen Orion, die zij niet verheelde, benadeelde hare zaak in de oogen der rechters, die maar al te goed wisten op welk een gespannen voet zij stond met vrouw Neforis. Het was meer dan vermetel van haar den zoon van den Mukaukas te beschuldigen de kist te hebben opengebroken; haat alleen had haar deze aanklacht op de lippen kunnen leggen. Toch lag er iets in haar wezen dat pleitte voor de deugdelijkheid van hare verklaringen, en als Katharina werkelijk kon betuigen de kas van den smaragd aan het halssieraad gezien te hebben, dan bleef er niets anders over dan het rechtsgeding van eene andere zijde aan te vangen en onderzoek te doen naar een anderen huisdief. Maar wie zou zulk een kostbaar stuk als dezen gesneden steen voor iets zonder waarde hebben weggesmeten? Neen, dat was ondenkbaar en de werktuigkundige Ammonius had gelijk toen hij beweerde, dat eene door haat bezielde vrouw tot alles in staat is, ook tot wat ongelooflijk schijnt.

Intusschen was het volmaakt donker geworden en de gloeiend heete dag door een heerlijken, lauwen avond vervangen. De Mukaukas had zijn vertrek nog altijd niet verlaten, terwijl zijne gemalin benevens de weduwe Susanna en hare dochter, de kleine Maria en hare opvoedster in de opene gaanderij aan de zijde van den tuin en den Nijl een luchtje schepten en praatten. De vrouwen hadden hare hoofden omhuld met kanten sluiers, deels tegen de muggen, die van de rivierzijde, door het licht aangetrokken, bij zwermen kwamen toevliegen, deels tegen de dampen, die uit de Nijlvlakte opstegen. Zij wilden zich juist verkwikken met de zooeven gebrachte koele vruchtensappen, toen Orion verscheen.

"Hoe is het afgeloopen?" riep zijne moeder hem bezorgd toe; want uit zijne verwarde haren en zijne hoogroode kleur maakte zij op, dat in de zitting niet alles glad van stapel was geloopen.

"Ongehoorde dingen zijn er gebeurd," was zijn antwoord. "Paula vecht als eene leeuwin voor den vrijgelatene haars vaders...."

"Om ons te krenken en in verlegenheid te brengen," hernam Neforis.

"Neen, neen, moeder," ging Orion met gejaagdheid voort. "Maar zij heeft een hoofd van ijzer, zij is eene vrouw die niets ontziet als het geldt haar wil door te zetten, en daarbij gaat zij met eene slimheid te werk, waardig den grootsten advocaat dien ik ooit op het tribunaal van de hoofdstad eene netelige zaak heb hooren bepleiten. Daar komt bij dat hare voorname houding en hare goddelijke schoonheid de hoofden van onze arme hofbeambten op hol brengen. Het is zeker braaf en edel zooveel ijver aan den dag te leggen voor een dienaar, doch dat alles kan haar niet helpen, want de bewijzen die tegen haren stotterenden vriend voor de hand liggen zijn volkomen overtuigend, en wanneer hare laatste bewering ontzenuwd is, zal de zaak beslist zijn. Zij geeft voor het kind en ook u, aanvallige Katharina, een halssieraad getoond te hebben."

"Getoond?" riep het kwikstaartje. "Ze heeft ons dat afgenomen, niet waar Maria?"

"Maar wij hadden den keten zonder haar verlof weggenomen," antwoordde de kleine.

"En verlangt zij," vroeg vrouw Neforis verstoord, "dat onze meisjes voor de rechtbank worden gebracht, om getuigenis af te leggen voor hare hoogheid?"

"Dat verlangt zij," bevestigde Orion. "Maar Maria's uitspraak geldt niet bij de rechters...."

"En ook al ware het anders," hernam zijne moeder; "het kind mag in geen geval in deze nietswaardige zaak betrokken worden."

"Omdat ik voor Paula spreken zou!" riep Maria, terwijl zij driftig van haar zetel opsprong.

"Gij zult uw mond houden!" riep de grootmoeder haar toe.

"En wat Katharina betreft," zeide de weduwe, "het komt niet bij mij op, haar voor al die heeren ten toon te stellen."

"Heeren!" zeide het meisje. "Mannen zijn het, kleine beambten en dergelijken meer. Ze kunnen lang op mij wachten!"

"Maar gij zult toch aan hun verlangen moeten voldoen, trotsch meisje," zeide Orion lachende, "want gij zijt goddank geen kind meer, en het staat der rechtbank vrij ieder volwassene als getuige voor de tafel te roepen. U zal niets geschieden, want gij staat onder mijne bescherming. Kom ga gerust met mij mede! Men moet in het leven alles leeren kennen. Hier helpt geen tegenstreven. Overigens behoeft gij slechts te zeggen wat gij gezien hebt en geleid ik u, als gij het mij vergunt, weder zorgvuldig aan dezen arm naar uwe moeder terug. Gij moet mij reeds heden uw kleinood toevertrouwen, vrouw Susanna, en de eerwaardige getuige zal u daarna zeggen, wat er verder met mij gebeuren zal."

Katharina begreep de beteekenis van die laatste geheimzinnige woorden, en het verheugde haar met den schoonen zoon van den stadhouder, den eersten man voor wien haar klein hartje klopte, alleen te mogen zijn; zij sprong dus vroolijk op, doch Maria klemde zich hartstochtelijk aan haar arm vast en verlangde zoo onstuimig en hardnekkig om meegenomen te worden, ten einde voor Paula te kunnen spreken, dat de opvoedster en vrouw Neforis haar slechts met moeite dwingen konden gehoorzaam te zijn en het paartje alleen te laten trekken.

Beide moeders zagen hen met voldoening na en de gemalin van den stadhouder fluisterde de weduwe toe: "Heden voor het gerecht, en zeer spoedig, zoo God wil, voor het altaar in de kerk."