Part 11
"God zal me liefhebben!" antwoordde de jood, terwijl hij een stap terugtrad van Orion, die hem met fonkelende oogen aanstaarde. "Hoe kan de jonge heer er aan twijfelen! Uw geëerde vader kent mij sedert dertig jaren, en ik, ik zou den Damascener niet kennen? Wie anders in Memphis kan zoo goed stotteren? Heeft hij me niet met uwe razende hengsten de helft mijner kinderen bijna om het leven gebracht? Elk kind toch, zeg ik, heeft hij me half dood gemaakt van schrik. Springlevend zijn ze allen nog, God beware ze, maar gezonder zijn ze door dien paardrijder niet geworden, want de frissche lucht doet de kinderen goed, en uit vrees voor zijne gevaarlijke kunststukken, heeft mijne lieve Rebecca ze in de kamer gehouden, tot hij weer tehuis was."
"Alles goed!" zeide Orion, hem in de rede vallende, "op welk uur heeft hij u den smaragd aangeboden. Zeg het precies! Bezin u goed! Wanneer is het gebeurd? Gij zult het toch wel weten."
"Adonai, hoe zou ik?" antwoordde de jood. "Maar wacht, heer, misschien kan ik het toch zeggen. Bij deze hitte staan we op vóor de zon opgaat; dan wordt het morgengebed gedaan, de soep gegeten en..."
"Geen praatjes!" zeide Orion, ongeduldig.
Doch Gamaliël ging voort, zonder zich van de wijs te laten brengen. "Dan springt de kleine Ruth mij op den schoot en trekt me de witte haartjes uit, die me telkens aan den neus groeien, en juist toen het kind er mee bezig was en ik 'o weh' riep, had de zon de steenen bank bereikt, waarop dit gebeurd is."
"En wanneer bereiken de zonnestralen die bank?" vraagde Orion.
"Juist twee uren na zonsopgang," antwoordde de jood, "namelijk in dit jaargetij. Bewijs mij morgen vroeg de eer van bij mij te komen; het zal u zeker niet berouwen, want gij zult schoone waren, beeldschoone zelfs te zien krijgen--en kijk dan zelf naar de schaduw."
"Twee uren na zonsopgang," prevelde Orion zacht binnen 's monds, waarop hij met vernieuwde verbazing tot zichzelven zeide, dat hij wel vier uren later het pakje aan den chusaar had toevertrouwd. Aan de verklaring van den jood viel niet te twijfelen. Deze rijke, eerlijke en vroolijke man loog niet, derhalve kon het door hem verzondene en door Hiram verkochte kleinood in geen geval hetzelfde zijn. Maar hoe dan alles te verklaren? Het was om het verstand te verliezen! En dan niet te mogen spreken, terwijl reeds zijn zwijgen bedrog was, bedrog jegens vader en moeder! Wanneer de ongelukkige stotteraar slechts wist te ontkomen! Kreeg men hem in handen, dan--dan, genadige hemel! Maar neen, het was niet denkbaar. Vooruit dan, volgehouden! In het uiterste geval--de eer van honderd stalknechts kon toch op verre na niet opwegen tegen die van Orion alleen--dan moest de man, hoe ontzettend het ook was, dan moest hij prijsgegeven worden! Hij wilde en kon er altijd voor zorgen, dat hij weder vrij kwam en zijn leven gespaard bleef.
Intusschen was de koopman aan het einde van zijn onderzoek en toch niet tot volle zekerheid gekomen. Orion had hem gaarne afgeleid, want als de koopman allen twijfel varen liet en den teruggebrachten steen als den gestolene erkende, was er veel gewonnen, en daarom wendde hij zich weder tot hem met te zeggen: "Laat mij, bid ik u, den smaragd nog eens zien; het zal toch wel niet mogelijk zijn een tweeden te vinden, aan dezen geheel gelijk?"
"Dat zou ik niet durven verzekeren," antwoordde de Arabier ernstig. "Deze steen gelijkt dien uit het tapijt op een haar, doch hij heeft hier eene kleine verhevenheid, die ik bij den smaragd nooit heb opgemerkt. Ongetwijfeld werd hij nooit uit zijne omgeving losgemaakt, en misschien heeft dit kleine knobbeltje op het weefsel gelegen; en toch, toch--Zeg eens, goudsmid, gaf de dief u den smaragd geheel naakt, zonder eenig omhulsel?"
"Zoo naakt als Adam en Eva, voor zij den appel hadden gegeten," antwoordde de jood.
"Dat 's jammer, zeer jammer!" hernam de koopman. "Het komt mij voor als ware de steen in het tapijt ook een weinig langer geweest. In dit geval is het bijna dwaas en ondenkbaar dat er twijfel zou kunnen bestaan, en toch vraag ik mijzelven: Zou dit werkelijk de steen zijn, die in den bloemknop heeft gezeten?"
"Maar om 's hemels wil," riep Orion, "de dubbelganger van zulk een eenig juweel valt toch niet op hetzelfde oogenblik uit de lucht in hetzelfde huis neder! Verblijden we ons, dat het verloren schaap is wedergevonden. Ik zal het kleinood thans in de ijzeren kist sluiten, vader, en zoodra gij den roover beet hebt, moet ik geroepen worden, verstaat gij, Psamtik?"
Hierop groette hij zijne ouders met een wenk, bood den Arabier de hand en wel op eene wijze, die ieder goed moest doen en ook den ouden heer opnieuw voor hem innam, en verliet het vertrek.
De goede naam van den koopman was gered, doch de nauwgezette man gevoelde zich verontrust door den twijfel, dien hij maar niet onderdrukken kon. Toen hij van den Mukaukas afscheid wilde nemen, was deze zoo diep in zijn kussen gezonken en hield hij de oogen zoo vast gesloten, dat niemand weten kon of hij waakte of sliep, en zoo verliet de Arabier hem zonder groet, daar hij hem in het laatste geval niet wilde storen.
TIENDE HOOFDSTUK.
Paula had zich na de aandoeningen van den laatsten nacht met een kloppend hart op het rustbed geworpen. Zij kon den slaap maar niet vatten, en een paar uren na zonsopgang was zij opgestaan om de vensterluiken te sluiten. Daarbij had zij naar buiten gekeken en gezien hoe Hiram in een der booten van den Mukaukas was gesprongen en het lichte vaartuig van den oever had gestooten. Zij durfde roepen noch wenken, maar nadat de trouwe man midden op den stroom was gekomen, had hij omgekeken, het gezicht naar haar venster gewend, haar in het witte morgengewaad herkend, en den roeiriem hoog en sierlijk in de hoogte gehouden. Dat kon alleen beteekenen dat hij zijn last volvoerd en het kleinood verkocht had. Hij stak nu den Nijl over, om den Nabateër aan te werven.
Nadat zij de luiken gesloten en het vertrek duister gemaakt had, legde zij zich nog eens neder, en nu deed de jeugd hare rechten gelden; de zwaar vermoeide viel in een diepen slaap, die niet door droomen werd verontrust. Toen zij ontwaakte, terwijl het zweet haar op het voorhoofd parelde, was de zon nog maar weinig van de middaghoogte verwijderd, moest er nog slechts een uur verloopen voor het tijdstip van het ariston, het Grieksche ontbijt, dat gemeenschappelijk werd gebruikt, evenals de hoofdmaaltijd, die tegen den avond volgde. Zij was nog nooit daarbij gemist en haar uitblijven zou ditmaal opzien baren. Evenals in alle voorname Egyptische huizen, zoo ging het ook in dat van den Mukaukas meer Grieksch dan Egyptisch toe en dat niet enkel ten aanzien van de maaltijden, maar ook in vele andere dingen, inzonderheid de taal. Van den heer des huizes tot aan het jongste lid van de familie sprak men onder elkander Grieksch en alleen met de dienstboden Koptisch, de oude landtaal, waarin echter sedert lang talrijke Helleensche woorden en spreekwijzen waren overgenomen.
Het kleindochtertje van den stadhouder, de aardige tienjarige Maria, had gemakkelijker Grieksch dan Koptisch zonder fouten leeren spreken, maar bij Paula's komst had zij het nog zoover niet gebracht, dat zij de taal der Hellenen zuiver schrijven kon. Deze hield veel van kinderen, verlangde naar bezigheid en had daarom uit eigene beweging de taak op zich genomen om de kleine in deze kunst te onderrichten, over welken dienst hare familiebetrekkingen zich aanvankelijk schenen te verheugen. Doch zeer spoedig ontstond er tusschen vrouw Neforis en de nicht van haar gemaal de droevige verhouding, die zou blijven bestaan, en thans had de eerste aan die lessen een einde gemaakt en als grond voor deze beleedigende handelwijze aangevoerd, dat Paula haar discipeltje geheele stukken had gedicteerd uit een Grieksch gebedenboek van hare orthodoxe geloofsbelijdenis. Werkelijk was dit gebeurd, maar zonder eenige bijbedoeling, en de stukken door haar uitgekozen, behelsden enkel gedachten die ieder christen, onverschillig van welke geloofsbelijdenis, het hart konden verheffen.
De kleine was bij de machtspreuk harer grootmoeder in tranen uitgebarsten, en hoewel Paula het zeer ernstig opnam met de lesuren, had Maria de oudere vriendin hartelijk lief, met het dwepend gevoel van een halfvolwassen meisje--want dat was eene tienjarige in Egypte--hetwelk met al de hartstocht van haar gemoed zich hecht aan eene schoone jonkvrouw, die in elk opzicht hare meerdere is. En Paula's armen waren wijd geopend voor het kind, dat zonlicht bracht in de sombere, kille levenslucht, die haar in het huis van haar oom omgaf. Maar vrouw Neforis zag in de vurige liefde van het kind voor de Melchietische bloedverwante iets overdrevens, iets ongezonds, ja iets dat de geloofsovertuiging van het meisje in gevaar kon brengen, en het scheen haar toe als had Maria onder den invloed der Damasceensche het hart van haar afgewend, om dezen met meer teederheid aan te hangen. De bewijzen lagen voor de hand, dat dit geen bloot vermoeden was, want het kind, dat bijzonder gevoelig was op het punt van rechtvaardigheid, kon het niet verdragen dat hare vriendin werd miskend, teruggezet, zelfs vaak in het openbaar ongunstig en stellig valsch beoordeeld; weshalve Maria zich verplicht achtte zoo veel in haar vermogen was goed te maken, wat hare grootmoeder misdreef ten opzichte van eene huisgenoote, die in haar oog volmaakt was.
Neforis was nochtans niet de vrouw om zich deze houding van de kleine te laten welgevallen. Maria was hare kleindochter, de eenige dochter van haar overleden zoon, en niemand mocht zich plaatsen tusschen hen beiden. Zoo verbood zij het meisje, Paula zonder bepaalden last op hare kamer te bezoeken, en toen er eene Grieksche opvoedster voor het kind in dienst was genomen, ontving deze de bijzondere opdracht om hare kweekelinge zooveel mogelijk van de Damasceensche verwijderd te houden. Dit alles gaf echter voedsel aan den hartstocht van het kind, en hoewel de grootmoeder het telkens met teederheid tot zich trok en Maria van hare zijde ook niet uit het oog verloor wat zij aan deze verschuldigd was, toch wilde het tusschen beiden niet tot warme toegenegenheid komen; en daarvan was Paula zeker de schuld, zij het ook tegen haar zin, en alleen omdat zij hier woonde. Vrouw Neforis gaf de nicht van haar gemaal zoowel openlijk als door ontelbare bedekte toespelingen te voelen, dat zij de kleindochter van haar vervreemdde, en dus bleef Paula niet anders over dan het kind, waartoe zij zich zoozeer getrokken gevoelde, op een afstand te houden en het alleen in buitengewone gevallen de volheid harer liefde te doen gevoelen. Ten slotte had het leven haar zooveel verdriet opgeleverd, dat het haar niet meer mogelijk was zich als vroeger eenvoudig aan een onschuldig schepseltje over te geven, en kind met het kind te zijn. Maria bespeurde dit wel en schreef de verandering, die er bij Paula plaats had toe, aan het leed dat zij gevoelde over de harde behandeling van hare grootmoeder.
Voor etenstijd kon Maria het meest met hare vriendin alleen spreken, want dan lette niemand op haar en grootmoeder had haar nog nooit verboden de jonkvrouw aan tafel te noodigen. Een bezoek bij deze vriendin was voor het kind het grootste genot, reeds omdat het verboden was, maar niet minder omdat Paula zich op hare kamer geheel anders vertoonde dan onder de overige huisgenooten; omdat zij haar kussen kon en daarbij zeggen mocht hoe lief zij haar had. Daar vertelde het haar ook al wat oorbaar was van hetgeen zich in haar kleinen levenskring voordeed, doch haar de vertrouwde te maken van hare ongehoorzaamheid of van onschuldige kinderstreken, daarvan werd het levenslustige en soms overmoedige kind teruggehouden door de bewondering voor haar, die in hare oogen zooveel grooter, edeler en voornamer was dan alle andere menschen.
Juist was Paula met haar toilet gereed, toen Maria, die anders met eene vaart alsof ze een jongen was de vertrekken van hare grootmoeder binnenstormde, bescheiden aan de deur klopte. Zij vloog haar niet om den hals, gelijk zij bij de weduwe Susanna en haar speelziek dochtertje Katharina deed, maar zij kuste alleen haar blanken arm met innige teederheid en kleurde daarna tot over de ooren van geluk, toen Paula zich naar haar nederboog, haar een kusje gaf op lippen, haar en voorhoofd, en daarna hare vochtige, bloeiende wangen wat afdroogde. Zij nam daarop Maria's kopje vriendelijk tusschen de handen en zeide: "Wat ziet ge er uit wildzang!"
Het aardige, aanvallige gezicht van de kleine zag inderdaad vuurrood en hare oogen waren zoo gezwollen, alsof zij juist hard geweend had.
"Het is zoo vreeselijk heet," antwoordde Maria. "Eudoxia"--zoo heette hare Grieksche opvoedster--"zegt dat Egypte in den zomer een vurige oven is, eene hel op aarde. Zij is doodziek van de hitte, ligt daar als een visch op het zand, en het eenige goede daarvan is...."
"Dat zij u heeft laten loopen en u geen les heeft gegeven?"
Maria bevestigde dit door even met het hoofd te knikken, maar toen zij hierop geene terechtwijzing ontving, wendde zij het kopje opzij, en zag hare vriendin met groote schelmsche oogen ter sluiks in het aangezicht.
"En toch hebt gij gehuild, en erg ook! Zoo'n groot meisje!"
"Ik? Ik gehuild?"
"Ja zeker, gehuild! Ik kan het aan uwe oogen zien. Wat is er gebeurd?"
"Zult gij niet boos op mij zijn?"
"Stellig niet!"
"Nu dan. Eerst was het zoo prettig, zoo erg prettig, gij kunt het u ternauwernood voorstellen, en de hitte hinderde mij niets; maar toen die wilde jacht voorbij was wilde ik naar grootmoeder, en dat werd mij verboden. In de fonteinzaal, weet ge, daar had wat bijzonders plaats, en toen ze er allen weer uit waren, ben ik Orion in het tablinum achterna geslopen. Daar liggen zulke wondermooie dingen; en ik wilde hem een beetje aan het schrikken maken; wij hebben meermalen met elkander grappen gemaakt. Eerst merkte hij niets, maar toen hij zich nederboog over het tapijt, waaruit ze den edelsteen hebben gekaapt--ik geloof dat hij de juweelen telde in dat oude, versleten ding--vloog ik hem een-twee-drie op zijn rug dat hij er van schrikte, geweldig schrikte, dat verzeker ik u. Toen is hij tegen mij uitgevaren als een kemphaan, en... heeft hij mij een klap om de ooren gegeven, ik zeg u een... ach, het brandt mij daar nog--en het werd mij daarbij bont en blauw voor de oogen. Eerst was hij altijd zoo goed en vriendelijk tegen mij en ook tegen u, en daarom--hij is bovendien mijn oom--daarom mocht ik hem gaarne lijden. Maar een klap, een oorveeg, zooals de kok aan zijn jongen bij het braadspit geeft, daarvoor ben ik toch te groot, dat behoef ik me niet te laten welgevallen. Na mijn laatsten verjaardag moeten alle slaven en beambten mij als meesteres behandelen en voor mij buigen. En nu?.... Hier heeft hij mij geslagen... Hoe durfde hij?" En wederom barstte zij in tranen uit en ging snikkende voort: "Maar daarmede was het nog niet gedaan. Hij heeft mij in het donkere tablinum opgesloten en mij daar..."--de tranenvloed belette haar geregeld door te praten--"daar--daarin laten zitten! Het was er zoo akelig en ik zat er misschien nog, als ik geen stuk bladgoud had gevonden, en met mijn overgrootvader--het zilveren beeld, weet ge, van Menas--er duchtig op had los geslagen waarbij ik brand schreeuwde. Dat hoorde Sebek, die Orion haalde, en toen heeft hij mij vrijgelaten en mij op allerlei wijze geliefkoosd en gekust. Maar wat helpt mij dat, want grootvader zal boos zijn; ik heb in mijn angst zijn zaligen vader den neus bijna plat geslagen."
Paula had het kind nu eens ernstig dan weder lachend aangehoord; doch toen het zweeg wischte zij het nog eens de oogen af en zeide: "Uw oom is een man, waarmede gij niet moogt spelen als met uws gelijken. De herinnering, die gij van hem gekregen hebt, is in elk geval wel wat hard uitgevallen; maar Orion heeft getracht dat alles weer goed te maken. Doch gij hebt van een wilde jacht gesproken, wat was dat?"
Bij deze vraag helderden Maria's oogen plotseling weer op. In een ommezien was al het leed dat haar weervaren was en zelfs de platgeslagen neus van haar voorvader vergeten, en onder een vroolijk schaterlachen, dat uit het diepst harer ziel kwam, zeide zij: "Ja, dat hadt ge moeten zien! Daar zoudt ook gij plezier in gehad hebben. Zij hebben den deugniet willen vangen, die den smaragd uit het tapijt heeft getrokken. Hij had zijne schoenen verloren, die de honden onder den neus werden gebracht, en nu braken ze los! Eerst vlogen ze hier naar de trap, toen in den stal, daarna in de woning van den paardrijder; ik er altijd bij, altijd de dassen en de andere keffers achterna. Daarop hielden ze raad, en ten laatste ging het de poort uit de stad in. Ik mag den hof niet verlaten, maar--gij moet er niet boos om zijn--het was te plezierig. Ze renden de poort uit door het Hapistraatje, over de Taanchplaats en eindelijk naar de goudsmedenstraat, en daar stormde de geheele bende den winkel binnen van den jood Gamaliël, dien grappigen man. Terwijl hij met de anderen sprak, bracht zijne vrouw mij abrikozentaartjes, zoo lekker als ze bij ons niet zijn."
"En hebben zij den man, dien ze vervolgden, gekregen?" vroeg Paula, die onder het verhaal van het kind telkens van kleur verschoot.
"Dat weet ik niet," antwoordde Maria verlegen; "er was eigenlijk niemand, dien men achterna ging. De honden hielden de neuzen altijd naar den grond, en wij liepen ze achterna."
"Alleen om een ongelukkige te vangen, die met den diefstal niets te maken heeft. Denk eens na, Maria; de schoenen gaven de honden de lucht, en men liet ze los om den man te pakken, die ze gedragen heeft en nog door geen rechter verhoord is. Men heeft ze in de voorzaal gevonden; misschien liet hij ze daar toevallig liggen of bracht een ander ze daarheen. Verplaats u nu eens in den toestand van zulk een onschuldig mensch, een christen als wij, die men met jachthonden achterna zet als een roofdier. Is dat niet verschrikkelijk? Een goed mensch moest daarover niet lachen."
Paula zeide dit met zooveel ernst en nadruk, zoo medelijdend, en hare geheele houding deed zoo duidelijk blijken, hoe zeer het gebeurde haar verontrustte, dat het kind haar bezorgd aankeek, met betraande oogen naar haar toeliep en terwijl zij haar gelaat in haar kleed verborg, uitriep: "Ik wist niet dat zij een arm mensch achternazaten, en als u dat weder zoo verdrietig maakt, zou ik er niet bij hebben willen zijn! Maar is het dan waarlijk zoo erg? Gij zijt zoo dikwijls bedroefd, als wij anderen lachen." Daarbij zag zij met de groote vochtige oogen tot Paula op.
Deze drukte haar tegen zich aan, kuste haar hartelijk en zeide dan met weemoedige vriendelijkheid: "Hoe gaarne zou ik vroolijk willen zijn als gij! Maar ik heb te veel beleefd wat mij bedroefd maakt. Lach maar en verheug u naar hartelust, waarlijk ik gun het u wel; doch wat dien armen man aangaat, dien men achterna zette: ik vrees dat het mijns vaders vrijgelatene is, de trouwste en eerlijkste mensch ter wereld. Heeft men bij die vroolijke jachtpartij niemand uit den goudsmidswinkel meegepakt?"
Het kind schudde ontkennend het hoofd, vragende: "Zou het uw stotterende Hiram, den paardrijder zijn, dien zij vervolgen?"
"Ik vrees het."
"Ja, ja," zeide de kleine. "Wacht eens... het... Ach God, het zal u weer bedroeven, maar ik geloof.... ze zeiden de schoenen hadden--ik lette er niet zoo op--ze hadden... Men sprak altijd van een paardrijder, een vrijgelatene, een stotteraar."
"Dan hebben zij zeker een onschuldige nagezeten," zeide Paula met een zwaren zucht, terwijl zij zich weder aan hare kaptafel neerzette, om haar toilet te voltooien.
Terwijl hare handen zoo ijverig mogelijk in de weer waren, verzonk zij in gedachten; zij gaf het kind maar halve antwoorden, en liet het in haar open kist snuffelen. Maria haalde het van zijn sieraad beroofd kleinood er uit en deed het om haar hals.
Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt en Katharina, het dochtertje van de weduwe Susanna trad de kamer binnen. Het meisje, aan wie de gade van den Mukaukas haar volwassen zoon wilde uithuwen, reikte Paula nauwelijks tot aan de schouders, maar zij zag er keurig netjes uit; alles was in de puntjes, en zij had een frisch, vroolijk en allerliefst gezichtje. Als zij lachte zag men hare kleine, sneeuwwitte ver uit elkander staande tandjes glinsteren, en hare heldere oogjes keken zoo lustig rond, als hadden ze in de wereld niets dan blijmoedige dingen te zoeken of onschuldige grappen te verzinnen. Ook zij wilde Paula tot vriendin hebben, maar zij jaagde dit doel niet na met zooveel zelfverloochening en dweepte niet altijd met haar als Maria. Soms betoonde Katharina haar zulk eene hartstochtelijke teederheid, dat de oudere jonkvrouw haar intoomen moest; dan weder keerde zij deze met trotschen weerzin, boos en grommend den ruw toe, omdat zij meende door de Damasceensche koel bejegend of bij Maria achtergesteld te zijn. Het lag wel-is-waar in Paula's hand om aan dat "boos zijn" van het "kwikstaartje", dat gewoonlijk een grappigen bijsmaak had, door een goed woord of een kus een einde te maken, doch zonder zulk eene vriendelijke tusschenkomst zou Katharina in staat zijn geweest tot aan haar laatsten snik aan die boosheid toe te geven. Heden viel zij haar om den hals, en toen Paula op meer afgemeten toon dan anders verzocht, te wachten tot zij eerst haar toilet voltooid zou hebben, ging zij, zonder zich in het minst gevoelig te toonen, naar de kleine Maria toe en nam haar het halssieraad uit de handen, om dit zichzelve om te doen. Het keurig bewerkt en met paarlen bezet kleinood beviel haar bij uitstek, alleen de ledige kas, waaruit Hiram den smaragd met zijn mes had gelicht, bedierf den indruk van het geheel. Toch was het nog een vorstelijk sieraad, en nadat zij ook een grooten waaier van struisvederen uit de kist genomen had, vertoonde zij voor hare kleine vriendin met grappige en stijve bewegingen, hoe de keizerin en de prinsessen aan het hof buigen en hare onderdanen genadig groeten; hetgeen veel stof tot lachen gaf. Toen Paula gekleed was, en zij Katharina verzocht het halssieraad af te doen, bleef het ledige, door Hiram wat verbogen bladgoud aan het fijne kantwerk van haar bovenkleed hangen. Maria maakte den halsketen los, dien de Damasceensche daarna weder in de kist borg.
Terwijl Paula deze sloot vroeg zij Katharina, of zij Orion ook ontmoet had.
"Orion?" vraagde zij op een toon, als had niemand buiten haar het recht naar hem te vragen. "Wij kwamen samen de trap op; hij wilde naar de gewonden gaan kijken. Hebt gij hem wat te zeggen?"
Daarbij kreeg zij een kleur en keek Paula wantrouwend aan, die echter niets antwoordde dan "misschien," waarop zij liet volgen, terwijl zij het koordje met den sleutel van de kist om haar hals hing: "Komt meisjes, het is tijd om te ontbijten; ik ga heden niet mede naar beneden."
"Ach," zuchtte Maria teleurgesteld. "Grootvader is zeer ziek en grootmoeder blijft bij hem, en komt gij ook niet, dan--dan moet ik alleen met Eudoxia eten; want de wagen van Katharina staat te wachten, en zij rijdt dadelijk weder naar huis. Ach toe, kom! Doe het mij ten gevalle. Gij weet niet hoe knorrig die Eudoxia zijn kan, als het zoo heet is."
"Ga toch mede!" verzocht ook Katharina; "wat toch wilt ge langer hierboven doen? Tegen den avond kom ik zeker met mijn moedertje weer."
"Best," antwoordde Paula, "maar ik moet eerst naar de zieken."
"Mag ik mede?" vroeg het kwikstaartje, de jonkvrouw vleiend over den arm streelende.
Doch Maria klapte in de handen en riep: "Zij wil alleen naar Orion, want zij houdt zooveel van hem..."
Katharina sloot het kind haastig den mond, doch als Paula haar eenigszins gejaagd aan het verstand had gebracht, dat zij zeer ernstige dingen met Orion te bespreken had, keerde Katharina haar met eene haastige en trotsche beweging den rug toe en ging spijtig de trap af, terwijl Maria zich langs de leuning liet afglijden. Weinige dagen geleden zou het nauwelijks zestienjarige kwikstaartje haar zeer gaarne op dezelfde wijze gevolgd zijn.