De Negerhut

Chapter 8

Chapter 84,040 wordsPublic domain

"Barnes--Shelby County--jongen Jim, driehonderd dollars voor hem, dood of levend, Edward--Dick en Lucy--man en vrouw, zeshonderd dollars; meid Polly met twee kinderen, zeshonderd voor haar of haar hoofd. Ik loop onze zaken eens even door, om te zien of wij dit nog kunnen waarnemen.--Wij zullen Adams en Springer op deze moeten afzenden," zeide hij na zich eene poos te hebben bedacht. "Zij staan al eenigen tijd geboekt."

"Zij zullen te veel rekenen," zeide Tom.

"Dat zal ik wel schikken. Zij zijn zoo jong in het vak en zullen wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken," antwoordde Marks, terwijl hij stil voortlas. "Drie er van zijn gemakkelijke karweien, want al wat zij te doen hebben, is ze dood te schieten of te zweren dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet veel voor rekenen. Die andere dingen kunnen nog wel wat uitgesteld worden;"--daarmede vouwde hij het papier weder op. "Laten wij nu tot de bijzonderheden overgaan. Gij hebt dus die meid aan land zien komen, Mijnheer Haley?"

"Zeker--zoo duidelijk als ik u zie."

"En een man die haar den kant ophielp?" zeide Loker.

"Zeker zag ik dat."

"Waarschijnlijk is zij ergens ingenomen," zeide Marks nu. "Waar? Dat is de vraag. Wat zegt gij Tom?"

"Wij moeten van nacht nog de rivier over," zeide Tom.

"Maar er ligt hier geene boot," liet Marks daarop volgen. "En het ijs kruit geweldig. Zou het niet gevaarlijk zijn?"

"Daar weet ik niet van, maar alleen dat het gedaan moet worden," antwoordde Tom beslissend.

"Maar toch," hervatte Marks onrustig. "Ik weet niet." Hij stond op en ging naar het venster. "Het is pikdonker buiten, en...."

"Het lange en het korte van de zaak is, dat ge bang zijt, Marks. Maar dat kan ik niet helpen, ge moet toch mee. Zoudt ge misschien een paar dagen willen wachten tot de meid langs den onderaardschen spoorweg [3] naar Sandusky of zoo is gebracht?"

"O neen, ik ben volstrekt niet bang," zeide Marks. "Maar--"

"Maar wat?"

"Wel, eene boot. Gij weet dat er geene boot is."

"Ik heb de vrouw hooren zeggen dat er van avond eene kwam, en dat er iemand mede overging. Gevaarlijk of niet, wij moeten met hem mede," zeide Tom.

"Ik onderstel dat gij goede honden hebt?" merkte Haley nu aan.

"Allerbeste," antwoordde Marks. "Maar wat baat dat? Gij hebt toch niets van haar, om aan te laten ruiken."

"Ja, dat heb ik wel, zeide Haley zegepralende. "Hier is haar doek, dien zij in haar haast op bed heeft laten liggen en haar hoed ook."

"Dat is gelukkig," zeide Loker. "Geef maar hier."

"Maar de honden zouden de meid kunnen beschadigen, als zij haar onverwacht pakten," zeide Haley.

"Dat is eene bedenking," zeide Marks. "Onze honden hebben daar in Mobile eens een kerel half in stukken gescheurd eer wij hen konden terug roepen."

"Wel, ziet ge, voor deze soort, die voor haar mooi moet verkocht worden, gaat dat niet aan," zeide Haley.

"Dat begrijp ik," antwoordde Marks. "En bovendien, als zij ingenomen is, gaat het ook niet. Honden helpen niet in deze staten, waar die schepsels met rijtuig weggebracht worden; zij kunnen dan natuurlijk geen spoor vinden. Zij helpen maar alleen in de plantages, waar de negers als zij wegloopen zelf moeten loopen, en niet geholpen worden!"

"Welnu," zeide Loker, die even de kamer uit was geweest om iets te vragen; "zij zeggen dat de man met de boot gekomen is. Dus Marks...."

Deze keek treurig rond in het aangename nachtverblijf, dat hij verlaten moest, maar stond toch langzaam op. Na nog eenige afspraken te hebben gemaakt, stelde Haley met zichtbaren tegenzin Tom de vijftig dollars ter hand, en zoo scheidde het elkander waardige drietal voor dien avond.

Indien sommige van onze beschaafde en christelijke lezers iets tegen het gezelschap hebben, waarin dit tooneel hen gebracht heeft, laten wij hen dan mogen verzoeken om bijtijds hunne vooroordeelen te overwinnen. Het negervangen, moeten wij hun herinneren, verheft zich thans tot de waardigheid van een wettig en patriotsch beroep. Wanneer het geheele breede land tusschen den Mississippi en de Stille Zuidzee ééne groote markt voor lichamen en zielen wordt, en menschelijke koopwaar de locomotieve neigingen dezer negentiende eeuw behoudt, kunnen de handelaar en de negerjager nog wel eens tot onze aristocratie gerekend worden.

Terwijl dit in de herberg voorviel, reden Sam en Andy vol blijde zelfvoldoening naar huis.

Sam was zoo opgewonden als maar mogelijk was, en gaf zijne overmaat van genot lucht door allerlei onnatuurlijke geluiden en uitroepingen, en allerlei wonderlijke bewegingen en verwringingen van zijn lichaam. Somtijds reed hij het achterste voor, met het gezicht naar den staart van zijn paard; en zich dan met een zegekreet en een luchtsprong weder recht plaatsende, zette hij een ernstig gezicht en begon Andy op hoogdravenden toon eene vermaning te geven, dat hij lachte en voor gek speelde. Dan weder sloeg hij zich met de handen in de zijden en hief een schaterend gelach aan, zoodat het door de oude bosschen weergalmde. Onder al die grimassen wist hij echter zijn paard in vliegenden ren te houden, tot hij met zijn makker, tusschen tien en elf uur, weder over het kiezelgruis langs de veranda knerste. Mevrouw Shelby ijlde naar buiten.

"Zijt gij dat, Sam? Waar zijn zij?"

"Mijnheer Haley zit in de herberg uit te rusten. Hij is schrikkelijk vermoeid, Mevrouw."

"En Eliza, Sam?"

"O, zij is den Jordaan over. In het land van Kanaän, zou iemand mogen zeggen."

"Wat meent gij toch, Sam?" zeide Mevrouw Shelby, bijna flauw vallende, toen de mogelijke beteekenis dezer woorden haar te binnen kwam.

"Wel, Mevrouw, de Heere bewaart die de Zijnen zijn. Lizzy is over de rivier gekomen naar Ohio, zoo wonderlijk, alsof de Heere haar in een vurigen wagen met twee paarden had overgebracht."

Sams vroomheid was in de tegenwoordigheid zijner meesteres bijzonder vurig, en hij bracht dan altijd zooveel schriftuurlijke uitdrukkingen en beelden te pas als hij maar kon.

"Kom hier, Sam," zeide Mr. Shelby, die insgelijks onder de veranda was gekomen, "en zeg uwe meesteres wat zij verlangt te weten. Kom, Emilia," vervolgde hij, zijn arm om haar heenslaande. "Gij staat te beven. Gij geeft al te veel toe aan uw gevoel."

"Te veel toe aan mijn gevoel! Ben ik geene vrouw--geene moeder? Zijn wij niet bij God verantwoordelijk voor dat arme schepsel? O God, reken ons deze zonden niet toe!"

"Welke zonde, Emilia? Gij ziet immers zelve wel, dat wij alleen maar gedaan hebben wat wij moesten doen."

"Het geeft mij toch een ontzettend gevoel van schuld," antwoordde Mevrouw Shelby. "Dat kan ik niet wegredeneeren."

"Hier, Andy, gij neger, maak wat haast!" riep Sam. "Breng de paarden naar den stal. Hoort gij niet dat de meester mij roept?"

En weldra verscheen Sam, met zijn hoofdsieraad van palmbladeren in de hand, voor de deur der voorkamer.

"Zeg ons nu duidelijk, Sam, hoe de zaak is afgeloopen," zeide Mr. Shelby. "Waar is Eliza, als gij dit weet?"

"Wel, meester, ik zag haar met mijne eigene oogen op het drijvende ijs overstappen. Zij kwam op eene buitengemeene manier aan den overkant; het was niets minder dan een wonder. En ik zag een man aan den Ohiokant haar ophelpen, en toen raakte zij in het donker uit mijne oogen."

"Ik vind dat wonder eenigszins ongeloofelijk, Sam. Op drijvend ijs overstappen gaat zoo gemakkelijk niet," zeide Mr. Shelby.

"Gemakkelijk!" riep Sam. "Niemand kon het gedaan hebben, als de Heere hem niet hielp. Ik zal het u zeggen, hoe het was. Mijnheer Haley en ik en Andy, wij kwamen aan het herbergje aan de rivier, en ik reed een beetje vooruit--ik had zulk een ijver om Lizzy te vangen, dat ik mij niet kon inhouden--en toen ik voorbij het venster kwam, daar stond zij zoo waar vlak in het gezicht en zij kwamen achter mij aan. Wel, ik verlies mijn hoed, en schreeuw hard genoeg om de dooden wakker te maken. Natuurlijk hoort Lizzy dat en zij stapt achteruit, en Mijnheer Haley rijdt voorbij naar de deur. En toen liep zij de achterdeur uit naar de rivier. En toen zag Mijnheer Haley haar en schreeuwde, en hij en ik en Andy, wij liepen haar na. Zij komt aan de rivier, en daar was de strooming langs den kant volle tien voet breed, en aan de overzijde lag het ijs op en neer te wiegelen, alsof het een groot eiland was. Wij kwamen recht achter haar aan en ik dacht zeker dat hij haar al had--en toen gaf zij zulk een schreeuw als ik nooit in mijn leven gehoord heb, en daar was zij op eens aan den overkant van den stroom, op het ijs, en voort liep zij, al gillende en springende--en het ijs ging krik, krak, plis, plas! en zij sprong maar voort als een hert! Och, wat kan die meid springen!"

Mevrouw Shelby was stil en bleek van aandoening blijven zitten, terwijl Sam dit verhaalde.

"God zij gedankt, zij is dan niet dood!" zeide zij eindelijk. "Maar waar is het arme kind nu?"

"De Heere zal voorzien," antwoordde Sam en liet met eene zonderlinge vertooning van vroomheid zijne oogen rollen. "Zooals ik gezegd heb, dat is de Voorzienigheid geweest en niets anders, gelijk Mevrouw ons altijd heeft onderricht. Er komen altijd werktuigen op, om den wil des Heeren te doen. Als ik er niet geweest was, zou zij vandaag wel twaalf maal gevangen zijn. Was ik het niet die de paarden van morgen liet hollen en ze bleef naloopen tot dicht bij etenstijd? En bracht ik mijnheer Haley van avond niet vijf mijlen van zijn weg af, anders zou hij Lizzy zoo gemakkelijk achterhaald hebben als een hond een kip. Dat zijn alles proeven van de Voorzienigheid."

"Het zijn eene soort van proeven, waar gij spaarzaam mede zult moeten zijn, Sam. Ik duld zulke streken niet van mijne onderhoorigen," zeide Mr. Shelby, met zooveel barschheid, als hij bij deze gelegenheid veinzen kon.

Nu baat het even weinig zich op een neger boos te willen houden als op een kind; beiden zien door instinct den waren staat der zaken, al veinst men het tegendeel; en Sam schrikte dus volstrekt niet van deze bestraffing, hoewel hij een gezicht vol droevigen ernst zette, en zeer boetvaardig de hoeken van zijn mond neertrok.

"Meester heeft gelijk--volkomen gelijk. Het was leelijk van mij--dat is niet anders. En natuurlijk willen meester en Mevrouw zulke dingen niet goedkeuren. Dat gevoel ik wel, maar een arme neger zooals ik komt somtijds in groote verzoeking om leelijke dingen te doen, als iemand zoo te werk gaat als die Mijnheer Haley. Hij is geen _gentleman_, gansch niet; iedereen die zoo is grootgebracht als ik, moet dat wel zien."

"Wel, Sam," zeide Mevrouw Shelby, "daar gij uw misstap schijnt te begrijpen, kunt gij nu Tante Chloe gaan zeggen dat zij u wat van die ham kan geven, die vandaag van het diner is overgebleven. Gij en Andy moeten wel honger hebben."

"Mevrouw is veel te goed voor ons," antwoordde Sam, maakte eene vlugge buiging en ging heen.

Men zal wel zien, gelijk reeds vroeger is aangemerkt, dat Sam een aangeboren talent bezat, hetwelk hem in de politieke wereld zeker ver had kunnen brengen--een talent om alles wat hem voor de voeten kwam tot een kapitaal te maken, om tot eigen lof en eer te beleggen; en nadat hij tot genoegen der voorkamer, gelijk hij vertrouwde, zijne vroomheid en nederigheid had laten blinken, zette hij met zekeren lossen zwier zijn hoofddeksel van palmbladeren op, en ging naar het gebied van Tante Chloe met het voornemen om in de keuken eens recht te schitteren.

"Ik zal die negers eens een redevoering laten hooren, nu ik er gelegenheid toe heb," zeide hij bij zich zelven. "Ik zal maken dat zij mij met open mond staan aan te kijken."

Het moet hier aangemerkt worden, dat Sam er bijzonder vermaak in had, met zijn meester naar allerlei politieke vergaderingen te rijden, waar hij, op een hek of in een boom gezeten, met groote liefhebberij naar de redenaren zat te luisteren, om dan, afgeklommen onder de broeders van zijne eigene kleur, die insgelijks met hunne meesters waren medegekomen, deze met de koddigste nabootsingen, die hij met onverstoorbare deftigheid uitsprak, te stichten en te vermaken. Hoewel zijne naaste toehoorders lieden van zijne eigene kleur waren, stonden niet zelden in het rond eenigen van blanker tint, die lachende en wenkende luisterden, waarop Sam dan niet weinig trotsch was. Kortom, Sam was blijkbaar tot redenaar geroepen, en verzuimde geen gelegenheid om die roeping te volgen.

Nu had van oude tijden af tusschen Sam en Tante Chloe eene soort van slepende vijandschap, of liever eene in het oog loopende koelheid bestaan; maar daar hij thans het oog op een goeden maaltijd had, besloot hij, om zijne vooruitzichten niet te bederven, ditmaal buitengemeen verzoenlijk te zijn; want hij wist, dat hoewel de bevelen van mevrouw zeker naar de letter zouden worden opgevolgd, het toch een groot voordeel voor hem zou zijn, als de geest ook daarbij medewerkte. Hij verscheen dus voor Tante Chloe met een bedeesd, geduldig gezicht, gelijk iemand, die om een zijner ongelukkige medemenschen te dienen, onmetelijk veel had uitgestaan, en weidde er breed over uit dat mevrouw hem gezegd had naar Tante Chloe te gaan, om vergoeding te krijgen voor wat hij aan eten en drinken te kort gekomen was, waardoor hij onbewimpeld hare opperheerschappij in de keuken en de aanhoorigheden daarvan erkende.

Hij slaagde naar wensch. Geen onnoozele brave vergadering van kiezers liet zich ooit gemakkelijker door de oplettendheden van een geslepen candidaat om den tuin leiden, dan Tante Chloe zich door Sams vriendelijkheid liet innemen; en al ware hij de verloren zoon zelf geweest, zoo had hij niet met meer moederlijke mildheid kunnen overladen worden. Weldra zat hij vergenoegd bij een grooten blikken pan, die eene _olla podrida_ bevatte van alles wat er in de laatste twee of drie dagen op de tafel was geweest. Smakelijke brokken ham, goudkleurige maïskoek, stukken pudding van allerlei fatsoen, hoenderbouten, vlerken en koppen, alles lag daar in schilderachtige verwarring; en Sam zat daar, als koning van dat alles, met zijne palmbladeren-kroon op een oor, en Andy als begunstigd lijftrawant aan zijne rechterhand.

De keuken was vol van zijne makkers, die haastig uit de verschillende hutten waren komen aanloopen, om te hooren welken uitslag de avonturen van den dag hadden gehad. Nu kon Sam schitteren. Hij herhaalde zijne geschiedenis, met al de sieraden die noodig waren om het effect er van te vergrooten, want Sam liet een verhaal nooit door zijne handen gaan zonder het te verfraaien. Een schaterend gelach begeleidde zijne vertelling, en werd opgevangen en voortgezet door het kleine goed, dat in aantal op den vloer lag en in de hoeken zat. Onder al dat rumoer en gelach bewaarde Sam echter eene onverzettelijke kalmte, en liet slechts van tijd tot tijd zijne oogen rollen, of wierp zijnen hoorders een onweerstaanbaar koddigen blik toe, zonder van de hoogte zijner welsprekendheid af te dalen.

"Gij ziet nu, landgenooten," zeide Sam, met nadruk een hoenderboutje opstekende, "gij ziet nu, waartoe ik in staat ben om u allen te verdedigen--ja u allen, zeg ik. Want hij die beproeft om één van ons volk te vangen, is evengoed als die allen beproeft te vangen; gij ziet, het beginsel is hetzelfde, dat is duidelijk. En ieder van die drijvers, die naar een van ons volk komt zoeken, welnu, hij vindt mij in zijnen weg; ik ben de man met wien hij te doen heeft--ik ben de man bij wien gij allen maar komen moet, mijne broeders, ik zal voor uwe rechten strijden--ik zal ze verdedigen tot den laatsten ademtocht."

"Maar Sam," viel Andy hierop in, "gij hebt mij pas van morgen gezegd, dat ge dien mijnheer woudt helpen om Lizzy te vangen. Het komt mij voor dat uw praten niet goed samenhangt."

"Ik zeg u nu, Andy," antwoordde Sam met geduchte meerderheid, "dat gij niet praten moet over iets waar gij niets van weet. Jongens, zooals gij, Andy, meenen het wel goed, maar zij kunnen nog geene opinie hebben over de groote beginselen van gedrag."

Andy scheen verslagen, vooral door het vreemde woord opinie, hetwelk ook de meeste jeugdige leden der vergadering voor alles afdoende schenen te houden. Sam vervolgde:

"Dat was volgens mijn geweten, Andy. Toen ik Lizzy meende te vangen, dacht ik werkelijk dat meester daarop gesteld was. Toen ik begreep, dat mevrouw op het tegendeel gesteld was, was dat nog meer volgens mijn geweten--omdat iemand altijd meer wint als hij zich op den kant van mevrouw houdt. Zoo ziet ge, dat ik op allebeide manieren consequent ben, en mijn geweten getrouw blijf en mij aan beginselen houd. Ja, beginselen," vervolgde hij en pikte nadrukkelijk in een lekkeren brok; "waar zouden beginselen goed voor zijn, als men niet consequent is, dat zou ik wel eens willen weten. Daar, Andy, gij moogt dat beentje hebben; het is nog niet schoon afgekloven."

Daar Sams gehoor met open mond bleef luisteren, kon hij niet anders doen dan voortgaan.

"Dat stuk van de consequentie," hervatte hij, zeer diepzinnig kijkende, "is iets wat de meeste menschen niet duidelijk begrijpen. Ziet ge wel, als iemand eerst stijf en sterk volhoudt voor het eene, en dan naderhand voor het tegendeel, dan zeggen de menschen (en dat zeggen zij natuurlijk genoeg) hij is niet consequent. Maar laten wij het eens beter bezien. Ik hoop dat de _gentlemen_ en de schoone sekse mij zullen verschoonen, als ik eene alledaagsche vergelijking gebruik. Hier wil ik boven op een hooiberg komen. Wel, ik zet mijne ladder aan den eenen kant, maar daar gaat het niet. Omdat ik dan daar niet meer probeer, maar mijne ladder aan den anderen kant zet, ben ik daarom niet consequent? Ik ben consequent als ik er op wil komen, aan wat voor kant mijne ladder ook staan mag. Ziet ge dat allemaal niet?"

"Dat is het eenige, waarin gij ooit consequent zijt geweest, dat weet de Heer," mompelde Tante Chloe, die ongeduldig begon te worden, daar de vroolijkheid van den avond voor haar eenigszins was, zooals de Schrift zegt, "gelijk edik op salpeter."

"Ja, waarlijk," hervatte Sam, tevreden met zijn avondmaal en den gemaakten indruk opstaande, "ja mijne medeburgers en dames van de andere sekse in het algemeen, ik heb beginselen, ik ben trotsch om ze te bekennen--zij zijn een roem voor dezen tijd en voor alle tijden. Ik heb beginselen, en ik houd er mij aan vast met hand en tand. Zoodra ik denk dat iets een beginsel is, pak ik het aan. Het zou mij niet kunnen schelen, al wilden zij mij levend verbranden; ik zou recht naar den brandstapel gaan, dat zou ik, en zeggen: hier kom ik om mijn laatste bloed te storten voor mijne beginselen, voor mijn vaderland en voor de algemeene belangen der maatschappij."

"Wel," zeide Tante Chloe hierop, "een van uwe beginselen zal moeten wezen, om op een of anderen tijd van den nacht naar bed te gaan, en niet iedereen tot aan den ochtend op te houden. En nu, als gij, jongens, geene klappen wilt hebben, maakt dat gij voorkomt, en wat heel gauw!"

"Negers, gij allen," sprak Sam, en zwaaide met deftige vriendelijkheid zijn hoofdsieraad; "ik geef u mijn zegen. Gaat nu naar bed en weest brave jongens."

En met dit aandoenlijk afscheid ging de vergadering uiteen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

WAARIN HET BLIJKT DAT EEN SENATOR NIET MEER DAN EEN MENSCH IS.

Het licht van een vroolijk vuur bescheen het tapijt eener deftig gemeubileerde voorkamer, en flikkerde op de theekopjes en den blinkenden trekpot, toen senator Bird zijne laarzen uittrok om zijne voeten in een paar fraaie pantoffels te steken, die zijne vrouw voor hem gewerkt had, terwijl hij op zijne senatoriale reis uit was. Mevrouw Bird was met een vergenoegd gezicht bezig met nog een en ander op de tafel te schikken, en sprak tusschenbeiden een vermanend en waarschuwend woordje tot eenige kinderen van verschillenden ouderdom, die zich vermaakten met al die manieren van dartel kwaad doen, welke sedert de dagen van den zondvloed de moeders hebben verbaasd doen staan.

"Tom, blijf van de deur af, als een zoete jongen. Mary, Mary, trek de kat niet bij haar staart--arme poes! Neen, Jim, gij moogt niet op de tafel klimmen. Gij weet niet, lieve, welk eene verrassing het voor ons allen is u van avond nog tehuis te zien," voegde zij er eindelijk bij, toen zij tijd vond om iets tegen haar man te zeggen.

"Ja, ik dacht, ik moest eens komen overvliegen, en tehuis een pleizierigen avond en wat rust hebben. Ik ben doodmoede en heb hoofdpijn."

Mevrouw Bird wierp een blik naar een fleschje met kamferdroppeltjes, dat in eene half opene kast stond, en scheen er naar toe te willen gaan; maar haar echtgenoot weerhield haar.

"Neen, neen, Mary," zeide hij, "geen medicijn. Een kop sterke, heete thee en wat van onzen goeden huiskost, is al wat ik noodig heb. Het is een vervelend werk, dat wetten maken."

En de senator glimlachte, alsof hij zich eenigszins streelde met het denkbeeld, dat hij zich voor zijn vaderland opofferde.

"Wel," zeide zijne vrouw, toen het aan de theetafel minder druk begon toe te gaan: "en wat hebben zij in den senaat gedaan?"

Nu was het iets zeer ongewoons bij het zachtzinnige Mevrouwtje Bird, dat zij haar hoofd brak met hetgeen er in het Huis van den senaat omging, zeer wijselijk denkende, dat zij genoeg met haar eigen huis te stellen had. Mr. Bird sloeg dus een paar eenigszins verbaasde oogen op, en antwoordde:

"Niet veel van belang."

"Maar is het waar, dat zij eene wet hebben aangenomen om de menschen te verbieden eten en drinken te geven aan die arme kleurlingen, die ergens langs komen? Ik heb gehoord, dat men van zulk eene wet sprak, maar ik dacht niet, dat eene christelijke wetgeving ze zou aannemen."

"Wel Mary, gij wordt op eens politiek."

"Neen, toch niet! Ik stoor mij geen zier aan al uwe politiek over het geheel, maar dit zou ik rechtuit voor wreed en onchristelijk houden. Ik hoop toch lieve, dat er geene zulke wet is aangenomen?"

"Er is eene wet aangenomen, om iedereen te verbieden de slaven voort te helpen, die van Kentucky overkomen, lieve. Er is zooveel van dien aard door die heethoofdige abolitionisten gedaan, dat onze broeders in Kentucky zeer verstoord zijn, en het schijnt noodig en niet meer dan menschlievend en christelijk, iets te doen om die opgewondenheid te doen bedaren."

"En wat zegt die wet? Zij verbiedt ons toch niet om die arme schepsels een nacht te laten schuilen? En om ze wat hardsterkends te eten en wat oude kleeren te geven, en weer stil te laten heengaan?"

"Ja zeker, lieve, dat zou voorthelpen zijn."

Mevrouw Bird was een blozend en zachtzinnig vrouwtje, omtrent vier voet lang, met zachte blauwe oogen, eene heldere fijne kleur en het zachtste, liefste stemmetje van de wereld. Wat haar moed betrof, een kalkoensche haan van middelbare grootte kon haar op de vlucht jagen, als hij maar eens kokkelde, en een huishond van de gewone soort kon haar oogenblikkelijk tot onderwerping brengen, alleen door zijne tanden te laten zien. Haar echtgenoot en hare kinderen waren hare geheele wereld, en deze beheerschte zij meer door verzoek en overreding, dan door bevel of redekaveling. Er was slechts één ding, dat in staat was om haar vuur te doen vatten, en dit was iets, wat juist den zachtsten kant van haar buitengemeen zacht en medelijdend gemoed trof: alles wat naar wreedheid geleek was in staat om haar in eene drift te brengen, des te meer ontrustend en onverklaarbaar, omdat zij anders zoo zacht van karakter was. Doorgaans de inschikkelijkste van alle moeders, hadden hare jongens nog eene eerbiedige herinnering aan de geduchte kastijding die zij hun eens gegeven had, toen zij hen met eenige ondeugende knapen uit de buurt samengespannen had gevonden, om een weerloos katje te steenigen.

"Ja, toen was ik verschrikt," placht kleine William te zeggen. "Moeder kwam naar mij toe, zoodat ik dacht dat zij razend was geworden, en ik kreeg een pak en werd zonder eten in bed gestopt, eer ik nog bekomen was van de verwondering wat er met mij gebeurde; en daarna hoorde ik moeder buiten de deur hardop snikken, en dat was nog erger dan al het andere. Ik zeg u, wij hebben nooit weer eene kat gesteenigd."