Chapter 7
Ten gevolge van al dat oponthoud, was het bijna een uur nadat Eliza haar kind in de dorpsherberg te slapen had gelegd, toen de troep het dorp kwam inrijden. Eliza stond voor het venster naar een andere kant uit te zien, toen Sam met zijn scherpe oogen haar ontdekte. Haley en Andy waren eenige schreden achter. Op dit oogenblik wist Sam zijn hoed te laten afwaaien en deed daarbij een luiden, eigenaardigen uitroep, die haar deed schrikken. Zij trad achteruit, en de geheele troep reed het venster voorbij naar de voordeur.
Duizendvoudige kracht scheen Eliza in dat eene oogenblik te worden ingestort. Hare kamer kwam met eene zijdeur op de rivier uit. Zij greep haar kind en vloog de trap af naar den waterkant. De handelaar zag juist een zweem van haar, toen zij achter den hoogen kant verdween. Oogenblikkelijk wierp hij zich van zijn paard, en Sam en Andy te hulp roepende, zette hij haar na, gelijk een hond een stuk wild. In dat bedwelmende oogenblik schenen hare voeten den grond nauwelijks te raken; in een oogenblik was zij aan den waterkant. Vlak achter haar kwamen zij aan, en met eene kracht begaafd, welke God alleen aan wanhopigen geeft, deed zij met een wilden schreeuw een geweldigen sprong, die haar over de opene strook water langs den oever op het ijsvlot bracht. Het was een wanhopige sprong, niet mogelijk dan alleen voor de razernij der wanhoop. Haley, Sam en Andy gaven onwillekeurig een schreeuw en staken de handen op, toen zij het waagstuk zagen.
De groote, groene ijsschots kantelde en kraakte, toen zij er op neerkwam, maar zij toefde geen oogenblik. Met nog een wilder schreeuw sprong zij op een andere, al verder en verder, struikelende, springende, uitglijdende en weder opvliegende. Hare schoenen bleven steken, hare kousen werden haar van de voeten gereten, haar bloed teekende elken voetstap; maar zij zag niets, voelde niets, totdat zij flauw, als in een droom, den grond van Ohio onderscheidde en een man zag, die haar de hand reikte om haar op den oever te helpen.
"Ge zijt een knappe meid, wie ge ook wezen moogt," zeide de man met een vloek.
Eliza herkende de stem en het gezicht van den eigenaar eener hoeve, niet ver van hare oude woning.
"O, Mijnheer Symmes, red mij--red mij toch--verberg mij!" riep zij uit.
"Wat is dat?" zeide de man. "Waarachtig, als dat geene meid van Shelby is!"
"Mijn kind--dit jongetje--hij heeft hem verkocht! Daar is zijn meester," zeide zij naar den overkant wijzende. "O Mijnheer Symmes, gij hebt ook een jongetje!"
"Dat heb ik," zeide de man, terwijl hij haar ruw maar vriendelijk tegen den steilen kant optrok. "Bovendien, ge zijt eene meid die hart heeft. Ik houd van courage, waar ik dien ook zie."
Toen zij boven op den kant gekomen waren, bleef de man staan.
"Ik zou gaarne iets voor u doen," zeide hij, "maar ik kan u nergens brengen. Het beste wat ik doen kan, is u te zeggen, dat gij _daarheen_ gaat," vervolgde hij, naar een groot wit huis wijzende, dat een eind van het dorp op zich zelf stond. "Ga daar; dat zijn goede lieden. Er is geene soort van gevaar of zij zullen u helpen--zij zijn aan dat alles gewoon."
"De Heere zegene u!" zeide Eliza ernstig.
"Toch niet, toch niet,' antwoordde de man. "Wat ik gedaan heb, heeft niets te beduiden."
"En o, Mijnheer, gij zult het toch zeker niemand zeggen!"
"Loop naar den donder, meid! Waar houdt gij iemand voor? Wel natuurlijk niet," antwoordde de man. "Kom, ga nu heen als een knappe verstandige meid, die gij zijt. Gij hebt uwe vrijheid verdiend, en wat mij betreft, zult gij ze hebben."
Zij sloot haar kind in hare armen en ging snel en met vaste schreden heen. De man bleef haar staan nakijken.
"Shelby zal dit misschien niet heel buurmanachtig gedaan vinden; maar wat zal iemand doen? Als hij eene van mijne meiden in denzelfden nood vindt, laat hij het dan vrij ook zoo maken. Ik ben nooit in staat geweest om wat voor schepsel het ook wezen mocht te zien vluchten voor zijn leven, hijgende en zwoegende, met de honden achteraan, en het dan tegen te houden. Buitendien, ik zie geene enkele verplichting voor mij om voor anderen jager en vanger te wezen."
Zoo sprak de arme heidensche Kentuckiër, die niet in de constitutioneele burgerplichten onderwezen was en zich dus liet verlokken om eenigszins op eene christelijke manier te handelen, hetgeen hij, als hij beter opgevoed en meer verlicht was geweest, niet had mogen doen.
Haley had met stomme verbazing naar dit tooneel staan staren, totdat Eliza achter den hoogen kant verdween. Toen keerde hij zich naar Sam en Andy met een verwonderd vragenden blik.
"Dat was tamelijk knap gedaan," zeide Sam.
"De meid heeft zeven duivels in het lijf, geloof ik," zeide Haley. "Zij sprong als een wilde kat."
"Wel," hervatte Sam, zijn hoofd krabbende, "ik hoop dat Mijnheer het ons niet kwalijk nemen zal, als wij dien weg niet probeeren. Ik geloof niet dat ik er courage genoeg toe heb." En Sam liet een schor gelach hooren.
"Lacht gij nog!" snauwde de handelaar.
"God zegene u, meester, ik kon het niet laten," antwoordde Sam en gaf zijne lang gesmoorde opgetogenheid lucht. "Zij maakte zulk eene wonderlijke vertooning, daar wippende en springende over dat krakende ijs. En het hooren er van! Plomp, krik, krak, plis, plas! He, wat ging dat!" En Sam en Andy lachten, dat hun de tranen over de wangen rolden.
"Ik zal u wel anders leeren lachen," zeide de handelaar en sloeg naar hunne hoofden met zijne karwats.
Beiden bukten, liepen schreeuwende en joelende den oever op, en waren te paard eer hij hen bereikte.
"Goeden avond, meester," zeide Sam zeer ernstig. "Ik geloof vast, dat Mevrouw ongerust over Jerry zal wezen.
"Mijnheer Haley zal ons nu wel niet langer willen ophouden. Mevrouw zou er toch niet van willen hooren dat wij de paarden van avond over Lizzy's brug brachten."
En Andy een schertsenden ribbestoot gevende, reed hij voort, door zijnen makker in vollen ren gevolgd, terwijl de wind nog lang hun schaterend gelach overwoei.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
ELIZA'S ONTSNAPPING.
Het was juist schemeravond, toen Eliza dien wanhopigen aftocht over de rivier waagde. De grauwe avondnevel, die langzaam uit het water oprees, omhulde haar toen zij den oever besteeg, en deed haar spoedig geheel verdwijnen, terwijl de gezwollen stroom en de drijvende ijsschotsen een onoverkomelijken slagboom tusschen haar en haren vervolger plaatsten. Haley keerde dus langzaam en ontevreden naar de herberg terug, om daar te overleggen wat verder te doen. De vrouw opende voor hem de deur van een voorkamertje, met een karpet op den grond en gemeubileerd met eene tafel, met blinkend wasdoek bedekt, eenige stoelen met hooge pooten en leuningen, en eenige hard gekleurde pleisterbeeldjes op den mantel van den schoorsteen, waarin een smeulend vuur brandde. Bovendien stond bij den schoorsteen nog eene lange houten bank, en daarop zette Haley zich neer om over de onzekerheid van alle menschelijke hoop te peinzen.
"Wat had ik ook met het kleine kreng noodig," zeide hij bij zich zelven, "dat ik mij daarvoor zoo voor den gek moest laten houden?"
Hij verlichtte zijn hart door eene niet zeer keurig uitgezochte litanie van verwenschingen tegen zich zelven, die wij, hoewel er goede reden zou zijn om ze voor zeer gepast te houden, om den smaak onzer lezers niet te kwetsen, maar niet zullen herhalen.
Hij werd gestoord door de luide, ruwe stem van een man die voor de deur scheen af te stijgen, en haastte zich naar het venster.
"Waarachtig, als dat nu niet het naaste bijkomt bij wat de menschen voorzienigheid noemen!" zeide Haley bij zich zelven. "Ik geloof dat Tom Loker daar is."
Hij haastte zich naar buiten. Bij het buffet stond een grof gespierd man, van volle zes voet lengte en breed naar evenredigheid. Hij had een jas van buffelhuid aan, met het haar naar buiten, hetgeen aan zijn voorkomen eene ruigheid en woestheid gaf, volkomen strookende met de uitdrukking van zijn gezicht. Elke trek van dat gezicht en elke vorming van het hoofd, die dierlijke woestheid kon aanduiden, was zoo sterk mogelijk ontwikkeld. Wanneer onze lezers zich een bulhond konden voorstellen, die tot eene manslengte was opgegroeid en met een hoed en jas rondliep, zouden zij geen slecht denkbeeld hebben van het algemeene voorkomen van dezen man. In zijn gezelschap had hij een reisgenoot, die in vele opzichten een volmaakt contrast met hem aanbood. Deze was kort en tenger, vlug en katachtig in zijne bewegingen, en had iets turends en loerends in zijne scherpe zwarte oogen, waarmede al de even scherpe trekken van zijn gelaat overeenstemden. Zijn lange, smalle neus liep in zulk eene spitse punt uit, alsof hij in alles wilde inboren; zijn dun, gladgestreken, zwart haar stak insgelijks met spitse punten naar voren, en al zijne bewegingen en gebaren duidden listige, voorzichtige slimheid aan. De groote, grove man schonk een bierglas half vol brandewijn en goot het zonder een woord te spreken in eens in zijn keel. De kleine, magere man verhief zich op de teenen, stak het hoofd eerst naar den eenen en toen naar den anderen kant, alsof hij aan de flesschen wilde ruiken, en bestelde eindelijk een glaasje likeur, met eene schelle, pieperige stem en met een voorkomen van voorzichtig overleg. Toen het hem gegeven werd, nam hij het op en bekeek het met vergenoegde aandacht, gelijk iemand die denkt dat hij iets juist van pas heeft gedaan, en ging het toen met korte, bedachtzame teugjes uitdrinken.
"Wel, wie zou zulk een geluk verwacht hebben! Hoe vaart gij, Loker?" zeide Haley naderkomende, en reikte den groven man zijne hand.
"Voor den duivel, Haley, hoe komt gij hier?" was het beleefde antwoord.
De katachtige man, die den naam van Marks droeg, hield dadelijk op met slurpen, stak zijn hoofd vooruit, en keek onzen nieuwen bekende vragend aan.
"Zeg eens, Tom," hervatte Haley, "het is gelukkig dat ik u zie. Ik zit verduiveld in de klem en gij moet er mij eens uit helpen."
"Hm! Wel te denken!" bromde zijn vriendelijke bekende. "Daar kan iemand wel zeker van zijn, als ge blijde zijt hem te zien moet het om een reden zijn. Wat is er nu aan de hand?"
"Gij hebt daar een vriend?" zeide Haley, Marks twijfelachtig aanziende. "Een compagnon misschien?"
"Ja, zoowat. Hier, Marks, dat is de man met wien ik te Natchez ben geweest."
"Het zal mij pleizier doen kennis met hem te maken," zeide Marks, eene lange, magere hand, gelijk een ravenklauw, uitstekende. "Mijnheer Haley, geloof ik?"
"Dezelfde, Mijnheer," antwoordde Haley. "En nu, Heeren, nu wij elkander zoo gelukkig hebben ontmoet, dunkt mij, moest ik eens op een kleinigheid trakteeren. Kom aan, oude," vervolgde hij tegen den man aan het buffet, "geef heet water, suiker en sigaren, en eene goede portie van "het echte goed," dan zullen wij de kennis eens hernieuwen."
Ziedaar dan de kaarsen aangestoken, het vuur in den haard opgepookt, en onze drie vrienden om eene tafel gezeten, wel voorzien met al het noodige om kennis aan te knoopen en te hernieuwen.
Haley begon een aandoenlijk verhaal van zijn ongeval. Loker kneep zijn mond dicht en luisterde met norsche aandacht. Marks, die met veel omslag een glas punch naar zijnen eigen bijzonderen smaak gereed maakte, keek tusschenbeide eens op en stak dan zijn scherpen neus bijna in Haley's gezicht. Hij luisterde ook oplettend naar het geheele verhaal, en het slot scheen hem buitengemeen te vermaken; want hij lachte dat hij schudde, hoewel zonder geluid te geven, en kneep met een gezicht vol pret zijn lippen dicht.
"Zoo zijt ge dan gefopt?" zeide hij eindelijk. "Nu, het is aardig gedaan."
"Dat jonge goed geeft veel last in den handel," zeide Haley droevig.
"Als wij een ras van meiden konden maken dat niet om hare jongen gaf," liet Marks hierop volgen, "dunkt mij, dat het nagenoeg de grootste uitvinding van onzen tijd zou zijn."
"Ja," zeide Haley hierop, "ik heb het nooit kunnen begrijpen. Jongen zijn een grooten last voor de meiden, en men zou denken dat ze blij moesten zijn, als zij er af raakten; maar dat zijn ze toch niet. En hoe meer last een jong geeft, en hoe minder het eigenlijk deugt, zooveel te meer zijn zij er aan gehecht."
"Ja, Mijnheer Haley," zeide Marks.--"Och, geef mij eens het water aan!--Ja, Mijnheer, gij zegt daar wat ik altijd gedacht heb. Eens heb ik eene meid gekocht--eene knappe, frissche meid was zij, en tamelijk mooi ook--en die had een jong dat ellendig ziekelijk was, een krommen rug had of zoo iets; en ik gaf hem weg aan een man die wilde probeeren of hij hem kon grootbrengen, als hij hem toch niets kostte; en ik had nooit gedacht dat de meid het zich zou aantrekken; maar o! o! gij had eens moeten zien hoe zij te werk ging. Zij scheen waarlijk zooveel te meer van het kind te houden, omdat het ziekelijk en lastig was en haar plaagde; en zij veinsde dat maar niet, neen zij huilde en werd er mager van, alsof zij alles verloren had wat zij had. Het was waarlijk koddig, als men het zoo bedacht. Maar de grillen van vrouwen zijn onverklaarbaar."
"Wel, zoo is het mij ook gegaan," hervatte Haley. "Verleden zomer werd er aan de Roode Rivier eene meid aan mij verkocht, met een kind dat er goed genoeg uitzag en oogen had, zoo helder als die van u; maar toen ik beter keek, bevond ik dat het stekeblind was--stekeblind. Wel, gij begrijpt, ik vond er geen kwaad in, om hem maar van de hand te doen zonder er iets van te zeggen, en ik verkocht hem voor een vaatje jenever; maar toen wij hem van de meid kwamen weghalen, geleek zij wel eene tijgerin. Het was vóórdat wij van de rivier waren en ik had mijn troep niet geboeid. Wat zou ze dus doen? Zij vliegt op eene katoenbaal, grijpt een van het volk op het dek een mes uit de hand, en ik zeg u, zij deed in het eerst iedereen voor haar loopen, tot zij zag dat het toch niet baten zou; en toen keert zij zich om en springt, met jong en al, plompverloren in de rivier, zinkt als een steen en komt nooit weder boven."
"Bah!" zeide Tom Loker, die met blijkbare minachting naar deze verhalen had geluisterd. "Gij weet er beiden niet mede om te gaan. _Mijne_ meiden zullen zich nooit zoo aanstellen, dat zeg ik u."
"Zoo! Hoe voorkomt gij dat?" vroeg Marks snel.
"Hoe ik het voorkom! Wel, als ik eene meid koop, die een jong heeft dat verkocht kan worden, ga ik even naar haar toe en houd mijne vuist voor haar gezicht, en zeg: "Kijk eens hier. Als gij mij één dwars woord geeft, zal ik uw gezicht inbeuken. Ik wil geen woord hooren--geen begin van een woord." En dan zeg ik verder: "Dat jong is van mij, niet van u; gij hebt er niets mee te maken. Ik zal het bij de eerste gelegenheid verkoopen. Pas op dat gij geen spektakel daarover maakt, of ik zal u doen wenschen dat gij nooit geboren waart." Ik zeg u, zij zien dan wel dat het geen gekheid is als ik begin. Het maakt haar zoo stom als visschen; en als eene van haar begint en maar eens jankt, wel...." En daarmede liet hij zijne vuist op de tafel vallen met een bons, die zijn rede genoegzaam aanvulde.
"Dat noem ik spreken!" zeide Marks glimlachend en gaf Haley een stoot in de zijde. "Weet Tom het die meiden niet aan het verstand te brengen, he? Ik geloof dat zij u wel begrijpen, Tom, al zijn alle negerkoppen wollig. Zij zullen niet twijfelen aan uwe meening, Tom. Als gij de duivel niet zijt, Tom, zijt gij zijn tweelingbroeder; dat wil ik voor u getuigen."
Tom nam dit compliment met voegzame bescheidenheid aan, en keek zoo vriendelijk als hem mogelijk was.
Haley, die vrij wat gedronken had, begon een bijzondere verheffing van zedelijk gevoel te ontwaren--geen ongewoon verschijnsel bij heeren van een ernstig en nadenkend karakter onder dergelijke omstandigheden.
"Wel, Tom," zeide hij, "dat is waarlijk te erg, zooals ik u altijd gezegd hebt. Gij weet wel, Tom, hoe ik over die dingen met u placht te praten daar te Natchez, en u placht te bewijzen dat wij er evenveel mee wonnen voor deze wereld, als wij hen goed behandelden, en bovendien beter kans hielden om eindelijk in den hemel te komen, als wij eens opraakten en toch anders niets meer konden krijgen. Weet ge dat nog wel?"
"Bah, of ik het weet!" antwoordde Tom. "Maak me niet misselijk met dien kost. Mijne maag begint nu al te koken." En hij dronk een half glas klaren brandewijn uit.
"Ik zeg dit," hervatte Haley, achterover in zijn stoel leunende en met nadrukkelijke gebaren, "ik zeg dit: ik heb altijd gemeend mijn handel te drijven om er geld mede te winnen, _eerst en vooral zoo_ goed als iemand; maar daarom is de handel toch niet alles en geld is niet alles, want wij hebben allen toch eene ziel. Het kan mij niet schelen, wie mij dat hoort zeggen--en ik denk er ver....d dikwijls aan, zoodat ik het ook wel zeggen mag. Ik geloof aan den godsdienst, en eens, als ik geld genoeg bij elkander heb, denk ik ook voor mijne ziel te zorgen, en wat baat het dus meer goddeloosheid te doen dan werkelijk noodig is? Mij komt het voor dat het lang niet voorzichtig is."
"Voor uwe ziel te zorgen!" zeide Tom verachtelijk. "Men zou hard moeten zoeken om eene ziel in u te vinden. Maak u daarover maar niet ongerust. Al zift de duivel u door een koornzeef, hij zal geene ziel vinden."
"Wel, Tom, wat zijt gij barsch!" zeide Haley. "Waarom kunt gij het niet vriendelijk opnemen, als iemand tot uw bestwil spreekt?"
"Houd op met dat gemaal," antwoordde Tom, even grof. "Ik kan bijna alle praatjes van u hooren, behalve die vrome praatjes--die zouden mij ziek maken. En wat is dan eigenlijk het verschil tusschen u en mij? Het is niet dat gij een zier beter zijt, of een zier meer gevoel hebt--maar het is klinkklare hondsche laaghartigheid en lafheid, dat gij den duivel wilt bedriegen en u zelven uit zijne klauwen redden. Doorzie ik het niet? En uw "godsdienstig worden," zooals gij zegt, is maar een gemeene streek. Ge laat uw leven lang uwe rekening bij den duivel oploopen, en wilt dan uitvluchtjes zoeken als het tijd van betalen wordt. Bah!"
"Kom, kom, Heeren, dat zijn dingen, die nu niet te pas komen," zeide Marks hierop. "Mijnheer Haley is een heel ordentelijk man, daar twijfel ik niet aan, en heeft zijne eigene soort van geweten; en gij, Tom, hebt ook uwe manier van denken, en die is ook heel goed; maar twisten weet ge, baat niets. Laten wij tot de zaak komen. Wat is het nu, Mijnheer Haley? Gij wilt dat wij u helpen om die meid te vangen?"
"De meid gaat mij niet aan; zij is van Shelby. Het is mij maar om den jongen te doen. Ik ben een gek geweest dat ik den aap gekocht heb."
"Gij zijt doorgaans een gek," bromde Tom.
"Stil toch, Loker," duwde Marks hem toe. "Mijnheer Haley wil ons immers een goed karweitje aan de hand doen. Zeg eens, hoe ziet die meid er uit, en wat is zij?"
"Wel, blank en mooi, en goed opgebracht. Ik had Shelby achthonderd of duizend voor haar willen geven, en zou nog goede winst hebben gemaakt."
"Blank, mooi en goed opgebracht?" herhaalde Marks met levendige begeerte in al zijne scherpe trekken. "Kijk eens aan, Loker, welk een heerlijk kansje! Wij moeten de zaak voor eigen rekening ondernemen; wij vangen ze; de jongen gaat natuurlijk naar Mijnheer Haley, en wij brengen de meid op speculatie naar Orleans. Is dat niet heerlijk?"
Tom, wiens breede grove mond onder het luisteren had opengestaan, sloot hem nu op eens dicht, gelijk een bulhond naar een stuk vleesch hapt, en scheen vervolgens op zijn gemak het smakelijke denkbeeld te verzwelgen.
"Gij weet," zeide Marks tot Haley, onder de hand zijn glas punch omroerende, "wij hebben rechters overal langs de kust, die klaar staan om alle noodige kleinigheden in ons vak te doen. Tom moet voor het vangen zorgen; en ik kom als een heer gekleed, met blinkende laarzen, en dat alles als er gezworen moet worden. Gij moet eens zien," vervolgde hij met trotsche zelfvoldoening, "hoe ik mij dan houden kan. Den eenen dag ben ik Mr. Twickens van New-Orleans; den anderen dag kom ik zoo van mijne plantage aan de Paarlrivier, waar ik vijfhonderd negers heb; dan weder ben ik een verre neef van Henry Clay, of een ander groot man. Ieder heeft zijn bijzonder talent, weet ge. Tom is een kerel, als er gebulderd of gevochten moet worden, maar voor het liegen deugt hij niet; dat gaat hem niet natuurlijk af. Maar o, als er iemand in het land is, die beter op alles kan zweren, en alle omstandigheden beter bij elkander brengen, en een strakker gezicht daarbij kan zetten dan ik, dan zou ik hem wel eens willen zien--meer zeg ik niet. Ik geloof dat ik het wel klaren zou, al keken de rechters wat nauwer dan zij doen. Somtijds wenschte ik haast dat zij wat nauwer keken; het zou veel aardiger en prettiger zijn, als zij dat deden, weet ge!"
Tom Loker die, gelijk reeds gebleken is, langzaam in zijn denken en doen was, stoorde hier Marks door zijne zware vuist op de tafel te laten vallen, zoodat er alles op rinkelde.
"Ik doe het," zeide hij.
"Gij behoeft de glazen daarom niet te breken," zeide Marks. "Bewaar uwe vuist maar voor tijd van nood."
"Maar, Heeren, zal ik dan ook geen aandeel hebben in de winst?" vroeg Haley nu.
"Is het niet genoeg, dat wij den jongen voor u vangen?" antwoordde Loker. "Wat wilt gij anders?"
"Wel," zeide Haley, "dat ik u het kansje aan de hand doe, is toch iets waard. Zeg tien percent van de winst, na aftrek van de kosten."
Loker barstte uit in een geduchten vloek en liet nog eens zijne vuist op de tafel vallen.
"Ken ik u niet, Daniël Haley?" zeide hij vervolgens. "Denk niet dat ge mij zoo zult beetnemen. Gelooft gij dat Marks en ik het negervangen bij de hand hebben genomen, alleen om zulke heeren als gij zijt van dienst te wezen, en niets voor ons zelven te verdienen? Dat lijkt er niet naar. Wij houden de meid geheel en al, en gij moogt u maar stilhouden, of wij houden ze allebei. Wat zou het ons beletten? Hebt gij ons het wild niet gewezen? Wij mogen het evengoed vangen als gij, zou ik denken. Als gij of Shelby ons wilt vervolgen, ga dan maar eens kijken waar de patrijzen van verleden jaar zijn. Als gij die of ons vinden kunt, staat het u vrij."
"Welnu, laat het dan maar zoo blijven," zeide Haley ontsteld. "Gij vangt dus den jongen voor mij. Gij hebt mij altijd eerlijk behandeld Tom, en uw woord gehouden."
"Dat weet gij wel," antwoordde Tom. "Ik houd mij niet op met uw geteem; maar valsch spel speel ik zelfs den duivel niet. Wat ik zeg dat ik doen zal dat doe ik. Dat weet gij wel, Daniël Haley."
"Ja wel, ja wel; dat zeide ik ook, Tom. En als gij mij maar beloven wilt dat gij den jongen over een week voor mij gereed zult houden, waar gij maar zelf verkiest, is het al wat ik eisch."
"Maar nog lang niet al wat ik eisch," hervatte Tom. "Gij denkt toch niet dat ik voor niet zaken met u gedaan heb te Natchez, Haley? Ik heb geleerd een aal vast te houden als ik hem pak. Gij moet vijftig dollars geven, maar vooruit, of ik verzet geen voet. Ik ken u wel."
"Wat als ik u een kansje aan de hand heb gedaan, dat u duizend of zestienhonderd zuivere winst kan opbrengen? Wel Tom, ge zijt onredelijk."
"Ja, en hebben wij geen werk aangenomen voor vijf weken achtereen, zooveel als wij maar af kunnen? En als wij nu alles verzuimen, en die jongen van u gaan naloopen en eindelijk misschien de meid niet eens pakken--meiden zijn altijd duivels moeielijk te pakken--wat dan? Zoudt gij ons dan een cent betalen? Mij dunkt, ik zie het u al doen! Bah! Neen, tel ons uwe vijftig op de hand toe. Als de zaak goed uitkomt, geven wij ze u terug, zoo niet dan is dat voor onze moeite. Dat is billijk. Niet waar, Marks?"
"Zekerlijk, zekerlijk," antwoordde Marks op een verzoenenden toon. "Het is maar geld op de hand. Maar wij zullen de zaak wel in der minne schikken, wees maar gerust. Tom zal u den jongen brengen waar gij verkiest; niet waar, Tom?"
"Als ik het jong vang, breng ik het naar Cincinnatie en laat het bij grootmoeder Belcher," antwoordde Loker.
Marks had eene smerige portefeuille uit zijn zak gehaald, en een strook papier daaruit nemende, begon hij mompelende te lezen: