De Negerhut

Chapter 44

Chapter 443,806 wordsPublic domain

Cassy's voorkomen en manieren, met hare blijkbare ruimte van geld vereenigd, voorkwamen alle neiging tot achterdocht in de herberg. Men is nooit zeer achterdochtig ten opzichte van menschen, die in de hoofdzaak van goed betalen den toets kunnen doorstaan--iets waarop Cassy had gerekend, toen zij zich van geld voorzag.

Tegen den avond kwam de boot aan, en George bood haar met die beleefdheid, welke een Kentuckiër eigen is, de hand om haar aan boord te helpen, waarna hij nog verder moeite deed om haar eene goede hut te bezorgen.

Cassy bleef, onder voorwendsel van ongesteldheid, in hare hut en te bed, zoolang men op de Roode Rivier was, en werd door hare gezellin met gedienstige zorgvuldigheid opgepast.

Toen zij aan de Mississippi kwamen, deed George, die vernomen had dat de vreemde dame, evenals hij, hoogerop moest, het voorstel om eene plaats voor haar op dezelfde boot te nemen waarop hij gaan wilde, daar hij uit goedhartigheid en medelijden met hare ongesteldheid, haar gaarne zooveel mogelijk van dienst wilde zijn.

Ziedaar dan het geheele gezelschap veilig overgebracht op de goede stoomboot te Cincinnatie, die met al de kracht harer raderen de rivier opvaart.

Cassy's gezondheid was veel beter. Zij zat op het dek, kwam aan tafel en trok op de boot de aandacht als eene dame die eens zeer schoon moest geweest zijn.

Van het oogenblik af dat George haar gezicht voor de eerste maal zag, werd hij gekweld door eene dier onbepaalde herinneringen van gelijkenis, waardoor bijna ieder nu en dan verbijsterd wordt. Hij kon het niet nalaten haar gedurig aan te zien. Aan de tafel, of als zij in de deur van hare hut zat, vond zij steeds de oogen des jonkmans op haar gevestigd, hoewel zij beleefd werden afgewend wanneer het bleek dat zij daarop lette.

Cassy werd ongerust. Zij begon te denken dat hij iets vermoedde en besloot eindelijk zich geheel op zijne edelmoedigheid te verlaten en hem hare geschiedenis toe te vertrouwen.

George was hartelijk genegen om zijne belangstelling te toonen voor iedereen, die van de plantage van Legree was ontkomen, eene plaats waarvan hij niet met bedaardheid kon spreken; en met die dappere onverschilligheid voor alle gevolgen, welke eene eigenschap van zijne jaren en zijn karakter was, verzekerde hij haar dat hij alles zou doen wat in zijn vermogen was, om de twee vluchtelingen te beschermen en voort te helpen.

De hut naast die van Cassy was door eene Fransche dame bezet, welke den naam van De Thoux droeg, en haar dochtertje, een bevallig meisje van twaalf jaren, bij zich had.

Toen deze dame uit eenige gezegden van George had opgemaakt dat hij van Kentucky was, scheen zij bijzonder genegen om kennis met hem te maken, in welk oogmerk zij werd bijgestaan door de aanvalligheid van haar dochtertje, dat zulk een aardig speelpopje was, als ooit de verveling eener veertiendaagsche reis met eene stoomboot verminderde.

Dikwijls stond George's stoel bij de deur harer hut, en dan kon Cassy, als zij hare deur openliet, het gesprek hooren.

Madame De Thoux deed zeer omstandig navraag naar Kentucky, waar zij zeide dat zij vroeger had gewoond. Tot zijne verwondering ontdekte George dat hare vroegere woonplaats in zijne nabijheid moest geweest zijn, en hare vragen legden eene gemeenzaamheid met de menschen en dingen in die streek aan den dag, welke hem zeer verraste.

"Kent gij ook in uwe buurt iemand, die Harris heet?" vroeg Madame De Thoux eens.

"Er is een oude kerel van dien naam, die niet ver van mijns vaders goed woont," antwoordde George, "maar wij hebben nooit veel omgang met hem gehad."

"Hij is een groot slavenhouder, geloof ik," zeide Madame De Thoux op eene manier die meer belangstelling scheen te verraden dan zij wel wilde laten blijken.

"Dat is hij," zeide George eenigszins verwonderd over haren toon.

"Hebt gij er nooit van gehoord--misschien hebt gij er wel van gehoord, dat hij een mulat had die George heette?"

"O zeker--George Harris--ik ken hem wel; hij is met eene meid van mijne moeder getrouwd; maar hij is nu naar Canada ontsnapt."

"Is hij dat?" zeide Madame De Thoux snel. "Goddank!"

George zag haar bevreemd aan, maar zeide niets.

Madame De Thoux liet haar hoofd in hare handen zinken en barstte in tranen uit.

"Hij is mijn broeder!" zeide zij.

"Madame!" zeide George, op den toon der hoogste verbazing.

"Ja," zeide Madame De Thoux, trotsch het hoofd opheffende en hare tranen afwisschende. "Ja, Mijnheer Shelby, George Harris is mijn broeder."

"Ik ben geheel verbaasd," zeide George, zijn stoel een eind terugschuivende en Madame De Thoux aanziende.

"Ik werd naar het Zuiden verkocht, toen hij nog een kind was," zeide zij. "Ik werd gekocht door een braaf, edelmoedig man. Hij nam mij mede naar de West-Indiën, liet mij vrij en trouwde mij. Het is nog maar kort geleden dat hij stierf, en ik kwam nu naar Kentucky, om te zien of ik mijn broeder kon vinden en vrijkoopen."

"Ik heb hem van eene zuster Emily hooren spreken, die naar het Zuiden verkocht was," zeide George.

"Ja, die ben ik," zeide Madame De Thoux. "Maar zeg mij wat voor een...."

"Een zeer knap jonkman," zeide George, "in weerwil van den vloek der slavernij, die op hem lag. Hij verdiende algemeene achting, zoowel om zijne schranderheid als om zijne braafheid. Dat weet ik, ziet ge," vervolgde hij, "omdat hij in onze familie getrouwd was."

"Wat voor een meisje?" zeide Madame De Thoux snel.

"Een juweel," antwoordde George. "Een schoon, verstandig, beminnelijk meisje en zeer godsdienstig. Mijne moeder had haar grootgebracht en bijna zoo zorgvuldig opgevoed als eene dochter. Zij kon lezen en schrijven, naaien en borduren, alles uitmuntend en was eene heerlijke zangeres."

"Was zij in uw huis geboren?" vroeg Madame De Thoux.

"Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te New-Orleans was, en bracht haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen wat hij voor haar gaf; maar toen ik laatst zijne oude papieren nazag, vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid."

George zat met zijnen rug naar Cassy en lette niet op de vurige belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden vermeldde.

Nu stiet zij hem aan den arm en zeide bleek van aandoening en angstige spanning: "Weet gij ook van wien hij haar kocht?"

"Een man die Simmons heette, was geloof ik de principaal bij den verkoop, tenminste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder den koopbrief stond."

"O, mijn God!" zeide Cassy en zonk bewusteloos op het dek.

George sprong op en Madame De Thoux insgelijks. Hoewel zij geen van beiden konden gissen wat de oorzaak van Cassy's flauwvallen was, maakten zij toch al de opschudding, die bij zulke gelegenheden behoort. George gooide in het vuur zijner menschlievendheid de lampetkan om en brak twee glazen; en de dames in de kajuit, hoorende dat er iemand flauw gevallen was, verdrongen elkander bij de deur der hut en sloten de lucht zooveel mogelijk af, zoodat er over het geheel alles gedaan werd, wat men kon verwachten.

Arme Cassy! Toen zij weder bijkwam, keerde zij haar gezicht naar den wand en schreide en snikte als een kind. Misschien moeder, kunt gij zeggen waaraan zij dacht. Misschien kunt gij het niet. Maar in dat uur voelde zij zich zoo zeker dat God barmhartigheid met haar had gehad, en dat zij hare dochter zou wederzien, als toen zij maanden later--maar wij loopen te veel vooruit.

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

DE AFLOOP

Het overige onzer geschiedenis is spoedig verhaald. George Shelby, wiens belangstelling, (gelijk bij een jonkman niet anders wezen kon) niet minder door het romaneske van het gebeurde, dan door zijn menschlievend gevoel werd gewekt, moest de moeite doen van Cassy den koopbrief van Eliza over te zenden, en daar naam en datum overeenstemden met hetgeen zij zelve van de zaak wist, bleef er voor haar geen twijfel over, of deze Eliza was haar eigen kind. Thans was het haar eenige gedachte de vluchtelingen op te sporen.

Madame De Thoux en zij, door dezen zonderlingen samenloop van omstandigheden aan elkander gehecht, begaven zich terstond naar Canada en deden een reis, om navraag te doen op al de stations, waar de talrijke vluchtelingen uit de slavernij zich ophouden, te Amhertsberg vonden zij den zendeling bij wien George en Eliza bij hunne aankomst in Canada het eerst een schuilplaats hadden gevonden, en door hem werden zij in staat gesteld om het spoor der familie naar Montreal te volgen.

George en Eliza waren nu vijf jaren vrij geweest. George had bestendige bezigheden gevonden in de werkplaats van een braven machinist, waar hij genoeg verdiende tot onderhoud van zijn gezin, dat intusschen met eene dochter was vermeerderd.

Kleine Harry, thans een frisch opgegroeide, schrandere knaap, was op een goede school besteld, waar hij snelle vorderingen in allerlei kundigheden maakte.

De brave leeraar van het station te Amhertsberg, waar George het eerst was aangekomen, stelde zooveel belang in het verhaal van Madame De Thoux en Cassy, dat hij aan het verlangen der eerste gehoor gaf, om haar naar Montreal te vergezellen en haar in hare nasporingen aldaar behulpzaam te zijn, terwijl zij al de kosten der reis zou dragen.

Het tooneel wordt nu verplaatst naar eene kleine nette woning in eene buitenwijk van Montreal, en de tijd is avond. Een vroolijk vuur brandt aan den haard, eene theetafel met een sneeuwwit kleed bedekt, staat gereed voor den avondmaaltijd. In een hoek van het vertrek staat een tafel met een groen kleed, en daarop een schrijflessenaartje met pennen en papier, en aan den wand is een plank met welgekozen boeken.

Die hoek was George's studeerkamer. Dezelfde zucht naar kennis, die hem ter sluiks de veelgewenschte lees- en schrijfkunst had doen leeren, onder al den arbeid en de tegenheden van zijn vroeger leven, spoorde hem nu aan om al zijn ledigen tijd aan de vermeerdering zijner kundigheden te wijden.

Op het oogenblik zit hij aan tafel en maakt aanteekeningen uit een boek dat hij gelezen heeft.

"Kom, George," zegt Eliza, "ge zijt den geheelen dag uit geweest. Leg nu dat boek toch neer, en laten wij wat praten terwijl ik thee zet, kom!"

En de kleine Eliza helpt haar door naar haren vader te waggelen en eene poging te doen om hem het boek uit de hand te trekken en zich zelve in plaats daarvan op zijne knie te zetten.

"O, gij kleine heks," zegt George toegevende, gelijk een man in zulke omstandigheden altijd doen moet.

"Goed zoo," roept Eliza, terwijl zij het brood begint te snijden.

Zij ziet er een weinigje ouder uit, hare gestalte is wat meer gezet, heur haren zijn wat stemmiger opgemaakt dan voorheen, maar blijkbaar is zij zoo gelukkig en tevreden als eene vrouw maar behoeft te zijn.

"Wel Harry, mijn jongen, hoe zijt ge vandaag met die som klaargekomen?" zegt George, terwijl hij zijne hand op het hoofd van zijn zoontje legt.

Harry heeft zijne lange krullen verloren; maar hij kan nooit die oogen verliezen, en dat hooge edele voorhoofd, waarnaar een blos van zegevierende blijdschap opstijgt, terwijl hij antwoordde: "Ik heb haar gemaakt, heel en al zelf vader; _niemand_ heeft mij geholpen."

"Goed zoo!" zegt zijn vader. "Help u zelven maar, jongen. Gij hebt beter kans dan uwe vader ooit gehad heeft."

Op dit oogenblik wordt er aan de deur geklopt en Eliza gaat opendoen. Haar verheugd: "Wel heden--zijt gij daar?" roept haar man; en de goede zendeling van Amhertsberg wordt verwelkomd. Hij heeft twee vrouwen bij zich en Eliza verzoekt dezen om te gaan zitten.

Om nu de waarheid te zeggen, had de goede zendeling een klein programma vastgesteld, volgens hetwelk de zaak zich moest ontwikkelen; en onderweg had hij allen zeer ernstig en bedachtzaam vermaand, om niets te laten blijken behalve volgens vroegere afspraak.

Hoe stond de goede man dus versteld, toen, juist nadat hij de dames gewenkt had om plaats te nemen, en terwijl hij zijn zakdoek uithaalde om zijn mond af te vegen, opdat hij naar behooren zijne inleidingsrede zou kunnen voordragen, Madame De Thoux het geheele plan in duigen wierp, door hare armen om George's hals te slaan en alles in eens uit te brengen, met den uitroep: "O, George, kent ge mij niet? Ik ben uwe zuster Emily!"

Cassy was met meer bedaardheid gaan zitten, en zou hare rol zeer goed gespeeld hebben, zoo niet de kleine Eliza eensklaps voor haar was verschenen in dezelfde gedaante, zelfs met de volmaakste gelijkenis in elke krul, die hare dochter had, toen zij deze voor het laatst had gezien. Het kleine ding keek naar haar op; en Cassy sloot haar in hare armen, drukte haar aan hare borst, en zeide wat zij op het oogenblik inderdaad geloofde: "Lieveling, ik ben uwe moeder!"

Het was inderdaad eene moeilijke zaak om in behoorlijke orde af te doen; maar eindelijk gelukte het den goeden zendeling toch om iedereen stil te krijgen en de redevoering uit te spreken, waarmede hij voornemens was te beginnen en waarmede hij nu toch zooveel indruk maakte, dat geheel zijn gehoor zat te snikken op eene manier, die elken redenaar, uit ouden of nieuwen tijd, moest tevreden stellen.

Zij knielden te zamen, en de goede man bad--want er zijn sommige aandoeningen, zoo woelig en onstuimig, dat zij alleen rust kunnen vinden door in den boezem van de Almachtige Liefde te worden uitgestort; en toen opstaande, omhelsden de pas gevonden betrekkingen elkander met een heilig vertrouwen op Hem, die hen door zulke angsten en gevaren, langs zulke zonderlinge wegen, bij elkander had gebracht.

Het aanteekenboekje van een zendeling onder de vluchtelingen in Canada bevat waarheid, veel vreemder dan verdichting. Hoe kan het anders wezen, waar een stelsel heerscht; dat familiën rondslingert en hare leden verstrooit, gelijk de wind de herfstbladeren rondslingert en verstrooit? Die kusten van toevlucht vereenigen dikwijls weder, gelijk de kusten van de eeuwigheid, in blijde gemeenschap, harten, die elkander jarenlang als verloren betreurd hebben en aandoenlijk boven alle beschrijving is het ernstige verlangen, waarmede elk nieuw aankomende onder hen ontvangen wordt, of hij misschien ook tijding medebrengt van moeder, zuster, vrouw of kind, nog in den nacht der slavernij voor het gezicht verborgen.

Heldendaden worden hier verricht, stouter dan in romans voorkomen, wanneer de vluchteling, gevaar en dood tartende, zich weder tusschen de verschrikkingen en gevaren van dat donkere land begeeft, om eene zuster, moeder of vrouw daaruit te verlossen.

Een jonkman, van wien een zendeling ons verhaald heeft, tweemaal opgevangen en tweemaal met schandelijke slagen voor zijne heldhaftigheid gestraft, was wederom ontsnapt; en in eenen brief, dien wij hoorden voorlezen, zegt hij zijnen vrienden dat hij voor de derde maal teruggaat, om eindelijk als het mogelijk is zijne zuster mede te brengen. Mijn goede heer, is deze man een held of een misdadiger? Zoudt gij niet evenveel voor uwe zuster doen? En gij kunt hem laken?

Doch om weder tot onze vrienden terug te keeren, die toen wij hen verlieten bezig waren met zich de oogen af te vegen en zich te herstellen van eene al te groote en plotselinge blijdschap--zij zijn nu om de gezellige tafel gezeten, en schijnen reeds lang met elkander eigen te zijn; behalve dat Cassy, die de kleine Eliza op haren schoot heeft, haar nu en dan vastklemt op eene manier welke het kind verbaast, en hardnekkig weigert zich den mond zoo vol koek te laten stoppen als de kleine verlangt, zeggende hetgeen het meisje tamelijk bevreemdt, dat zij wat beters heeft dan koek en geen eten noodig heeft.

En inderdaad, in twee of drie dagen had er zulk een verandering met Cassy plaats gehad, dat onze lezers haar nauwelijks zouden herkennen. De wanhopige, akelige uitdrukking harer trekken had voor eene geheel andere plaats gemaakt, die niets dan zoet vertrouwen aanduidde. Zij scheen op eens geheel eigen in de familie te worden, en de kleinen in haar hart op te nemen, als iets waarnaar zij lang had gewacht. Haar liefde scheen zelfs rijkelijker en natuurlijker voor de kleine Eliza op te wellen, dan voor hare eigene dochter, want het meisje was het volmaakte beeld van het kind dat zij eens verloren had. De kleine was een bloemenband tusschen moeder en dochter, waardoor kennismaking en genegenheid werden aangeknoopt. Eliza's kalme, onwankelbare godsvrucht, door de gedurige lezing van het heilige woord bestuurd, maakte haar tot eene geschikte leidsvrouw voor den geslingerden en vermoeiden geest harer moeder. Cassy zwichtte terstond en met geheel hare ziel voor allen goeden invloed, en werd eene vrome en liefderijke christinne.

Na een paar dagen sprak Madame De Thoux met haren broeder meer in het bijzonder over hare aangelegenheden. De dood van haren echtgenoot had haar in het bezit van een aanzienlijk vermogen gelaten, dat zij grootmoedig aanbood met haren broeder te deelen. Toen zij George vroeg op welke wijze zij haar geld het best voor hem besteden kon, antwoordde hij:

"Geef mij eene opvoeding Emily. Dat is altijd het verlangen van mijn hart geweest. Dan kan ik al het overige doen."

Na rijp beraad werd er besloten, dat de geheele familie zich voor eenige jaren naar Frankrijk zou begeven, en daarheen vertrokken zij dan ook, Emmeline met zich nemende.

De bevalligheid van dit meisje wekte de genegenheid van den eersten stuurman op het schip, waarmede zij de reis deden, en kort nadat zij in de haven kwamen werd zij zijne vrouw.

George bleef vier jaren aan eene Fransche universiteit, en daar hij met onvermoeiden ijver arbeidde, was hij na verloop van dien tijd meester van even grondige als uitgebreide kundigheden.

De staatkundige onlusten in Frankrijk bewogen de familie om wederom eene schuilplaats in Amerika te zoeken.

George's begrippen en inzichten, na het volbrengen zijner studiën, zullen het best kunnen worden opgemaakt uit een brief aan een zijner vrienden.

"Ik ben eenigszins besluiteloos wat mijne toekomstige loopbaan betreft. Het is waar, gelijk gij mij gezegd hebt, ik zou in de kringen der blanken in dit land kunnen verkeeren; mijne tint van kleur is zoo gering, en die van mijne vrouw en kinderen nauwelijks merkbaar. Nu ja, ik zou misschien geduld worden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik verlang dit niet.

"Ik gevoel mij niet aan het geslacht van mijnen vader, maar aan dat mijner moeder gehecht. Voor hem was ik niet meer dan een geliefkoosde hond of een fraai paard; voor mijne arme, ongelukkige moeder was ik een kind, en hoewel ik haar na de wreede verkooping die ons scheidde nooit heb wedergezien tot zij stierf, weet ik toch dat zij mij altijd teeder liefhad. Ik weet dat aan mijn eigen hart. Wanneer ik aan haar lijden denk, aan wat ik zelf vroeger geleden heb, aan wat mijne heldhaftige vrouw heeft doorstaan en doorworsteld, aan mijne zuster die te New-Orleans op de slavenmarkt werd verkocht--hoewel ik geen onchristelijk gevoel hoop te koesteren, zal het wel bij mij te verschoonen zijn, als ik zeg dat ik niet verlang voor een Amerikaan door te gaan, of mij met hen gelijk te stellen.

"Het is met den verdrukten Afrikaan, dat ik mij verbroederen wil; en als ik iets wenschte, zou het zijn dat ik twee tinten donkerder was, in plaats van eene tint lichter.

"Het smachtende verlangen mijner ziel is eene Afrikaansche nationaliteit. Ik wensch een volk, dat een zichtbaar afzonderlijk eigen bestaan heeft; en waar zal ik dat zoeken? Niet op Haïti; want op Haïti had men niets om mede te beginnen. Een stroom kan niet boven zijne bron rijzen. Het geslacht, dat het karakter der Haïtianen vormde, was een versleten en verwijfd geslacht, en natuurlijk zal het eeuwen lang duren, eer het eens daaraan onderworpen geslacht zich tot iets verheft.

"Waar zal ik dan zoeken? Op de kusten van Afrika zie ik eene republiek, eene republiek gevormd uit uitgelezen mannen, die zich veelal door geestkracht en eigen ontwikkeling persoonlijk boven den staat van slavernij hebben verheven. Nadat zij een voorbereidenden toestand van zwakheid heeft doorleefd, is deze republiek eindelijk eene erkende natie op het aangezicht des aardrijks geworden--door Engeland en Frankrijk beide erkend. Daar verlang ik heen te gaan en een vaderland te vinden.

"Ik weet wel dat ik u allen tegen mij zal hebben, maar eer gij vonnis velt, hoor mij aan. Gedurende mijn verblijf in Frankrijk heb ik met vurige belangstelling de geschiedenis van mijn volk in Amerika nagegaan. Ik heb op de worsteling tusschen abolitionisten en colonisationisten gelet, en als verwijderd toeschouwer ben ik op gedachten gekomen die mij als deelnemer aan dien kamp nooit hadden kunnen invallen.

"Ik geef toe dat dit Liberia tot allerlei oogmerken gebruikt mag zijn en door de list onzer onderdrukkers tegen ons is aangewend. Zonder twijfel kan het plan, op eene onverschoonlijke manier, gebezigd zijn als een middel om onze emancipatie te verdagen. Maar voor mij is de vraag: is er niet een God boven alle menschelijke plannen en aanslagen? Kan Hij hunne oogmerken niet hebben verijdeld en daardoor een volk voor ons hebben gesticht?

"In dezen tijd wordt een volk in éénen dag geboren. Een volk, dat thans ontstaat, heeft de oplossing van al de groote vraagstukken, die met republikeinsche staatsinstelling en beschaving in verband staan, uitgewerkt vóór zich; het behoeft niet te ontdekken, maar alleen toe te passen. Laten wij dan met al onze macht handen aan het werk slaan en zien wat wij met deze nieuwe onderneming kunnen doen, en het geheele, heerlijke vasteland van Afrika ligt voor ons en onze kinderen open. Ons volk zal den stroom der beschaving en des Christendoms langs zijne kusten voortstuwen en daar machtige republieken vestigen, die met de snelheid van den tropischen plantengroei vastwortelende, voor alle eeuwen zullen blijven bestaan.

"Zegt gij dat ik mijne ongelukkige broederen, die nog in slavernij verkeeren, verlaat? Ik geloof van neen. Als ik hen een uur, een oogenblik van mijn leven vergeet, zoo moge God mij vergeten! Maar wat kan ik hier voor hen doen? Kan ik hunne ketenen verbreken? Neen, als individu kan ik dat niet; maar laat ik heengaan en een deel worden van een volk, dat eene stem zal hebben in den raad der volken, en dan kunnen wij spreken. Een volk bezit het recht om zich te doen hooren en de zaak van zijnen stam te vertegenwoordigen, dat een enkel persoon niet bezit.

"Indien Europa ooit een groote raad van vrije volken wordt, gelijk ik van God vertrouw dat het worden zal--indien de lijfeigenschap en alle onrechtvaardige en drukkende maatschappelijke ongelijkheden afgeschaft worden, en indien zij, gelijk Frankrijk en Engeland gedaan hebben, ons volksbestaan erkennen--dan zullen wij ons op het groote congres der volken beroepen en daarin de zaak van onzen verdrukten stam vertegenwoordigen; en het kan niet anders of het vrije, verlichte Amerika zal dan verlangen om de vlek van zijn wapenschild uit te delgen, welke het voor de volken onteert en zoowel voor de verdrukkers als de verdrukten een vloek is.