De Negerhut

Chapter 43

Chapter 433,989 wordsPublic domain

"Zeker, wij hebben eene geduchte goddeloosheid gedaan," zeide Sambo. "Ik hoop dat meester het zal te verantwoorden hebben en wij niet."

Zij wieschen zijne wonden, legden hem op een ruw bed van afgekeurd katoen; en toen ging een van hen naar huis, en vroeg Legree om wat brandewijn, onder voorwendsel dat hij moede was en er zelf behoefte aan had. Hij bracht den brandewijn mede en goot dien Tom in de keel.

"O, Tom," zeide Quimbo. "Wij zijn geducht goddeloos geweest, dat wij zoo met u gehandeld hebben."

"Ik vergeef het u met geheel mijn hart," zeide Tom flauw.

"O Tom, zeg ons, wie is die Jezus toch?" zeide Sambo. "Jezus, die u dezen ganschen nacht zoo heeft bijgestaan? Wie is hij?"

Deze woorden wekten den bezwijmenden geest op. Hij ontboezemde een kort maar krachtig getuigenis van dien wonderbaren Helper--van Zijn leven, Zijnen dood, Zijne eeuwige alomtegenwoordigheid en Zijne macht om te redden.

Zij schreiden, die twee barbaarsche negers.

"Waarom heb ik dat nooit vroeger gehoord!" zeide Sambo. "Maar ik geloof het! Ik kan het niet laten! Heere Jezus, wees ons genadig!"

"Arme schepselen!" zeide Tom. "Ik zou gewillig zijn om dat alles nog eens te dragen, als het u maar tot Christus mocht brengen. O, Heere, ik bid U, geef mij nog twee zielen!"

Dat gebed werd verhoord.

EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

DE JONGE MEESTER

Twee dagen later kwam een jonkman in een lichten wagen de laan van oranjeboomen oprijden, wierp de teugels haastig uit de hand, sprong af en vroeg naar den eigenaar van het goed.

Het was George Shelby, en om te doen begrijpen hoe hij daar kwam, moeten wij een eind in het verhaal teruggaan.

De brief van Miss Ophelia aan Mevrouw Shelby was door een ongelukkig toeval een paar maanden aan een afgelegen postkantoor opgehouden, eer hij zijne bestemming bereikte; en natuurlijk was Tom vóór dien tijd reeds tusschen de afgelegen moerassen aan de Roode rivier uit het oog verloren.

Mevrouw Shelby las dit bericht met het diepste leedwezen, maar dientengevolge terstond iets te doen was eene onmogelijkheid. Zij zat toen bij het ziekbed van haren echtgenoot, die ijlende in de crisis eener koortsziekte lag. Jongeheer George Shelby, die in dien tusschentijd van een knaap tot een rijzig jonkman was veranderd, was haar getrouwe helper en haar eenige steun in het beheer der zaken van zijnen vader. Miss Ophelia was bedachtzaam genoeg geweest om den naam van den procureur te melden, die de zaken van de St. Clare's behandelde; en het eenige, wat onder deze omstandigheden kon gedaan worden, was hem een brief te schrijven om nadere inlichtingen te verzoeken. Het overlijden van Mr. Shelby, eenige dagen later, deed natuurlijk alle belangen, uitgezonderd die van den dringendsten aard waren, vergeten.

Mr. Shelby had zijn vertrouwen op de bekwaamheden zijner vrouw getoond door haar tot executrice in zijne nalatenschap te benoemen, daardoor werd zij terstond met eene menigte van bezigheden overladen.

Met hare eigenaardige geestkracht aanvaardde Mevrouw Shelby de taak om den ingewikkelden staat der zaken te ontwarren, en hield zich, door George geholpen, eenigen tijd bezig met rekeningen na te zien, bezittingen te verkoopen en schulden af te doen; want zij had zich voorgenomen alle zaken thans op een effen voet te brengen, wat ook de gevolgen daarvan mochten zijn. Intusschen ontvingen zij een brief van den rechtsgeleerde, naar wien Ophelia hen verwezen had, waarin deze meldde dat hij niets van de zaak wist; dat de man op eene publieke verkooping verkocht was, en hij niets anders zeggen kon, dan dat hij het geld had ontvangen.

Mevrouw Shelby en haar zoon konden zich echter hiermede niet geruststellen, en toen George, ongeveer zes maanden later, voor de zaken zijner moeder eene reis de rivier af moest doen, besloot hij New-Orleans te bezoeken en in persoon navraag te doen, in de hoop van aldus te ontdekken waar Tom gebleven was.

Na eenige maanden van vruchtelooze nasporingen, ontmoette George door een bloot toeval, te New-Orleans iemand, die hem de gewenschte inlichtingen kon geven; en daarna voer hij, van geld voorzien, met de stoomboot de Roode rivier op, met het besluit om zijn ouden vriend op te zoeken en terug te koopen.

Legree kwam buiten en ontving den vreemdeling met zekere barsche gastvrijheid.

"Ik verneem," zeide de jonkman, "dat gij te New-Orleans een jongen gekocht hebt, Tom geheeten. Hij placht op mijns vaders plaats te wezen, en ik kwam zien of ik hem niet kon terugkoopen."

Legree's gezicht betrok, en hij antwoordde, driftig uitvallende: "Ja, ik heb zulk een kerel gekocht, en een duivels slechten koop heb ik aan hem gedaan. Zulk een weerspannige, onbeschaamde kerel! Hij heeft mijne negers opgestookt om weg te loopen en twee meiden voortgeholpen, die achthonderd of duizend dollars het stuk waard waren. Dat bekende hij, en toen ik hem beval te zeggen waar zij waren zeide hij dat hij het wel wist, maar het niet zeggen wilde; en daar bleef hij bij, hoewel ik hem de ergste geeseling gaf die ik nog ooit een neger gegeven heb. Ik geloof dat hij zijn best doet om dood te gaan, maar ik weet niet of het hem gelukken zal."

"Waar is hij?" zeide George ongeduldig. "Laat mij hem zien."

Het gezicht des jonkmans was bloedrood geworden, en zijne oogen schoten vonken; maar hij achtte het voorzichtig om nog niets te zeggen.

"Hij is daar in die schuur," zeide eene kleine jongen, die het paard van George vasthield.

Legree gaf den jongen vloekende een schop; maar George ging, zonder een woord te spreken, naar de aangeduide plaats.

Tom had daar sedert dien noodlottigen nacht twee dagen gelegen, niet lijdende, want alle gevoel en vatbaarheid voor lijden was verdoofd. Hij lag meestal stil, in een halve bezwijming; want zijn gezond en sterk gestel wilde niet zoo terstond bezwijken en den gekerkerden geest vrijlaten. Tersluiks was hij daar in de duisternis van den nacht bezocht door eenige arme schepselen, die hunne karige uren van rust verkortten, om hem eenige dier liefdediensten terug te geven, waarin hij altijd zoo overvloedig was geweest. Het is waar, die arme discipelen hadden weinig te geven, alleen een beker koud water; maar die werd met volle harten gegeven.

Tranen waren op dat goedige, gevoellooze gezicht gedroppeld--tranen van berouw, door die arme onwetende heidenen geschreid, die zijn geduld en zijne stervende liefde tot berouw hadden opgewekt, en bittere gebeden waren over hem uitgezucht tot een laat gevonden Verlosser, van wien zij nauwelijks meer wisten dan den naam, maar wien het smachtende hart van den onwetenden mensch nooit tevergeefs aanroept.

Cassy, die uit hare schuilplaats was geslopen en door luisteren vernomen had welk een offer er voor haar en Emmeline was gebracht, was daar den vorigen nacht geweest, alle gevaar van ontdekking tartende; en bewogen door eenige laatste woorden, die de liefderijke ziel nog met inspanning van alle krachten kon fluisteren, was het hart der ongelukkige verzacht, en had de wanhopige vrouw geweend en gebeden.

Toen George de schuur binnentrad, voelde hij zich duizelig en flauw worden.

"Is het mogelijk? Is het mogelijk?" zeide hij, bij hem nederknielende. "Oom Tom! Mijn arme, arme vriend!"

De stem had iets, dat in het oor van den stervende doordrong. Hij bewoog even het hoofd, glimlachte en zeide met de woorden van een methodistisch lied:

"Jezus kan door Zijn gena 't Sterfbed tot een donzen peluw maken."

Tranen, die zijn mannelijk hart eer aandeden, rolden den jongeling over de wangen, terwijl hij zich over zijnen armen vriend heenboog.

"O, beste Oom Tom! Ontwaak toch--spreek toch nog eens! Zie op! Hier is George--uw kleine meester George.--Kent ge mij niet?"

"Jongeheer George!" zeide Tom, zijn oogen openende, met eene uiterst flauwe stem. "Jongeheer George!" en zag hem verbijsterd aan.

Langzaam scheen het denkbeeld zijne ziel te vervullen; de zwervende blik werd vast en helder, het geheele gezicht verlevendigde zich; de handen werden saamgevouwen en de tranen rolden over zijne wangen.

"Gezegend zij de Heere! Dat is--dat is al wat ik verlangde! Zij hebben mij niet vergeten! Dat verwarmt mijne ziel, dat doet mijn oud hart goed! Nu zal ik tevreden sterven! Loof den Heere; o mijne ziel!"

"Gij zult niet sterven, gij moet niet sterven! Denk er niet aan! Ik ben gekomen om u te koopen en weder naar huis te brengen," zeide George met hartstochtelijke aandoening.

"O, meester George, gij komt te laat. De Heere heeft mij gekocht en zal mij naar huis brengen--en ik verlang om te gaan. De hemel is beter dan Kentucky."

"O, sterf toch niet. Dat zou mij den dood doen. Het zal mij het hart breken te denken wat gij geleden hebt, en dat gij hier zoo in die oude schuur ligt! Arme, ongelukkige man!"

"Noem mij geen arm, ongelukkig man," zeide Tom met plechtigen ernst. "Ik ben arm en ongelukkig geweest; maar dat is alles nu voorbij. Ik ben nu vlak aan de deur, ingaande tot de heerlijkheid! O, meester George, de hemel is gekomen! Ik heb de overwinning behaald! De Heere Jezus heeft mij die gegeven. Geprezen zij Zijn naam!"

George was ontzet over de kracht en de levendigheid, waarmede deze afgebroken gezegden werden geuit. Hij bleef stil zitten staren.

Tom vatte zijne hand en vervolgde: "Gij moet niet aan Chloe zeggen, die arme ziel, hoe gij mij gevonden hebt, dat zou zoo schrikkelijk voor haar wezen. Zeg haar maar, dat gij mij vondt, ingaande in de heerlijkheid en dat ik naar niemand wachten kon. En zeg dat de Heere mij altijd en overal heeft bijgestaan en mij alles licht en gemakkelijk heeft gemaakt. En o, de arme kinderen--mijn oud hart is bijna om hen gebroken, al zoolang. Zeg hun allen dat zij mij volgen--mij volgen. Geef mijn liefdegroet aan meester en de lieve meesteres, en iedereen op de plaats. O, gij weet het niet! Het is alsof ik hen allen even lief heb! Ik heb alle schepselen lief, overal--het is niets dan liefde! O, meester George, wat is het toch een christen te zijn!"

Op dit oogenblik kwam Legree naar de deur kuieren, keek met een norsch gezicht en geveinsde onverschilligheid binnen en keerde zich weder om.

"Die oude satan!" zeide George in zijne verontwaardiging. "Het is een troost, te denken dat de duivel hem eens hiervoor betalen zal."

"O neen--zoo niet!" zeide Tom, zijne hand drukkende. "Hij is een arm, ellendig schepsel. Het is ontzettend om er aan te denken. O, als hij maar berouw wilde hebben, zou de Heere hem nog vergeven; maar ik vrees dat hij het nooit zal doen."

"Ik hoop van neen," zeide George. "Ik zou hem nooit in den hemel willen zien."

"Stil, meester George. Dat kwelt mij. Denk zoo niet. Hij heeft mij geen wezenlijk kwaad gedaan--hij heeft maar de poort van het koninkrijk voor mij geopend, anders niet."

Op dit oogenblik was de kracht uitgeput, waarmede de blijdschap over het wederzien van zijn jongen meester den stervende plotseling had begaafd. Eensklaps begaf hem die opgewektheid weder; hij sloot de oogen, en die geheimzinnige verandering vertoonde zich op zijn gelaat, welke de nadering der andere wereld aankondigt.

Hij begon dieper en zwaarder adem te halen; zijn breede borst zwoegde heftig op en neer. De uitdrukking van zijn gelaat was die van een overwinnaar.

"Wie--wie--wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?" zeide hij met eene stem, die met zijne doodelijke zwakheid streed; en met een glimlach viel hij in slaap.

George bleef met eerbiedig ontzag stilzitten; het was hem alsof die plaats heilig was; en toen hij eindelijk de gebroken oogen sloot en van den doode opstond, vervulde hem slechts eene gedachte--die welke zijn eenvoudige vriend had uitgedrukt met de woorden: "Wat is het toch een christen te zijn!"

Hij keerde zich om. Legree stond met een norsch gezicht achter hem.

Het gezicht van zulk een stervende had het natuurlijk vuur van jeugdige hartstochtelijkheid gedempt. De tegenwoordigheid van dien man was voor George enkel walgelijk, en hij verlangde niets anders, dan zich maar met zoo weinig woorden als mogelijk was van hem te verwijderen.

Zijne donkere sprekende oogen op Legree vestigende, zeide hij slechts:

"Gij hebt alles gekregen wat gij ooit van hem hebben kunt. Wat zal ik u voor het lijk betalen? Ik wil het wegnemen en het behoorlijk begraven."

"Ik verkoop geen doode negers," antwoordde Legree stuursch. "Mijnentwege moogt gij hem begraven waar en wanneer gij wilt."

"Jongens," zeide George op een toon van gezag tot eenige negers, die er bij stonden, "helpt mij hem opnemen en naar mijnen wagen dragen, en haalt mij eene spa."

Een van hen liep heen om eene spa; twee anderen hielpen George om het lijk naar den wagen te dragen.

George zag niet eens om naar Legree, die zijne bevelen niet tegensprak, maar met gedwongen onverschilligheid stond te fluiten. Hij volgde hen met een strak gezicht naar de plaats, waar de wagen stond.

George spreidde zijn mantel in den wagen, en liet het lijk behoedzaam daarin leggen, de bank opschuivende om ruimte daarvoor te maken. Toen keerde hij zich om, keek Legree strak aan en zeide met gedwongen bedaardheid:

"Ik heb u nog niet gezegd wat ik over dit gruwelijk geval denk; dit is noch de tijd, noch de plaats. Maar, Mijnheer, dit onschuldig bloed zal recht hebben. Ik zal dezen moord bekend maken. Ik zal naar den eersten rechter gaan dien ik vind, en u aangeven."

"Doe dat," antwoordde Legree, hoonend met zijne vingers knippende. "Ik zal het u zelfs gaarne zien doen. Waar zult gij getuigen krijgen? Hoe zult gij het bewijzen? Kom maar op."

George begreep terstond hoe veilig Legree hem kon uitdagen. Er was geen blanke op de plantage, en in alle Zuidelijke gerechtshoven wordt de getuigenis van het gekleurde bloed voor niets geacht. Het was hem op dit oogenblik alsof de kreet om recht, dien zijn hart opzond, den hemel zelven moest binnendringen; maar het was vruchteloos, gerechtigheid op aarde te zoeken.

"Wat een gedoe, zou ik zeggen, om een dooden neger!" zeide Legree.

Dit woord was als de vonk in een kruitmagazijn. Voorzichtigheid is nooit de eerste deugd van een Kentuckisch jonkman geweest. George keerde zich om en gaf in zijne verontwaardiging Legree een vuistslag, die hem plat op zijn gezicht deed vallen; en terwijl hij daar bij hem stond gloeiende van gramschap en edelen trots, had hij geene slechte voorstelling kunnen geven van zijnen grooten naamgenoot, op het oogenblik zijner zegepraal over den draak.

Voor sommige menschen is het echter werkelijk nuttig als zij eens door een vuistslag op den grond gesmakt worden. Wanneer men hen maar eens plat in het stof legt, schijnen zij terstond eerbied voor iemand te krijgen, en Legree behoorde tot deze soort. Toen hij opstond en zich het stof van de kleeren sloeg, keek hij den wegrijdenden wagen met zekere onderdanigheid na en opende zijn mond niet vóórdat George geheel uit het gezicht was.

Buiten de grenzen der plantage had George een zandige hoogte opgemerkt, door eenige boomen beschaduwd. Daar maakten zij het graf.

"Zullen wij den mantel afdoen, meester?" zeide een van de negers, toen het graf gereed was.

"Neen, neen, begraaft hem daarmede. Het is alles wat ik u nu geven kan, arme Tom, en gij zult het hebben."

Zij legden het lijk in het graf, vulden het zwijgend weder met aarde, hoopten die tot een heuveltje op, en bedekten dat met groene zoden.

"Gij kunt gaan, jongens," zeide George en stopte ieder een halven dollar in de hand. Zij bleven echter dralen.

"Als meester zoo goed wou zijn om ons te koopen," zeide er een.

"Wij zouden hem zoo trouw dienen," zeide de ander.

"Het is hier heel erg, meester," hernam de eerste. "Och koop ons toch!"

"Ik kan niet--ik kan niet," antwoordde George met innig leedwezen, en wenkte hen om heen te gaan. "Het is onmogelijk."

De arme lieden gingen stil en treurig heen.

"Getuig, o eeuwig God," zeide George, op het graf van zijn armen vriend knielende, "getuig, dat ik van dit uur af doen zal wat één man kan doen, om dezen vloek der slavernij uit mijn land te drijven."

Geen gedenkteeken kenmerkt de laatste rustplaats van onzen vriend. Hij behoeft er geen. Zijn Heere weet waar hij ligt en zal hem opwekken tot onsterfelijkheid, om met Hem te verschijnen wanneer Hij in Zijnen heerlijkheid verschijnen zal.

Beklaag hem niet! Zulk een leven en zulk een dood vereischen geen beklag. Niet in den rijkdom der almacht is de grootste heerlijkheid Gods gelegen, maar in zelfverloochenende, lijdende liefde. En gezegend zijn de menschen, die Hij tot gemeenschap met Hem roept, om Hem het kruis met geduld na te dragen. Van dezulken staat het geschreven:

"Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden."

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

EENE AUTHENTIEKE SPOOKHISTORIE

Er bestond eene merkwaardige reden, waarom juist in dien tijd onder de bedienden op het goed van Legree buitengemeen veel spookhistoriën omliepen.

Men vertelde elkander fluisterend, dat men in het holste van den nacht voetstappen de vlieringtrap had hooren afkomen en door het huis ronddwalen. Vruchteloos had men de deuren van de bovengang gesloten; het spook had òf een tweeden sleutel in den zak, òf bediende zich van het onheugelijke privilege der spoken, om door het sleutelgat te kruipen, en wandelde evenals anderen rond, met eene vrijheid, die inderdaad onrustbarend was.

De stemmen waren eenigszins verdeeld, wanneer het op de beschrijving der uitwendige gedaante van den geest aankwam, hetgeen te wijten was aan een onder de negers--en zoover wij weten onder de blanken--heerschend gebruik, om bij zulke gelegenheden de oogen te sluiten, en het hoofd onder de dekens, of waaronder men anders kan, weg te stoppen. Natuurlijk worden, gelijk ieder bekend is, wanneer de lichamelijke oogen buiten werking zijn gesteld, de geestelijke oogen bijzonder scherpziend; en zoo had men toch een aantal portretten van het spook, die alle konden beëedigd worden; maar, gelijk met portretten meermalen het geval is, in geen enkel opzicht naar elkander geleken, behalve in dezen eigenaardigen familietrek van het geslacht der spoken--dat het een _wit laken_ droeg. De arme negers waren niet in de oude geschiedenis bedreven, en wisten niet dat Shakespeare dit kostuum voor het echte had verklaard, door te zeggen dat "de dooden in hunne _lijklakens_ gillend en mommelend door de straten van Rome rondwaarden." Het is dus een zeer opmerkelijk spookkundig verschijnsel, dat zij in dit opzicht allen overeenstemden.

Hoe het hiermede mag gelegen zijn, wij hebben bijzondere redenen om te weten, dat in de voor vast aangenomen spookuren eene rijzige gedaante in een wit laken door het huis van Legree ronddwaalde--de deuren uit en om het huis heenzweefde--nu verdween, dan weder verscheen, en eindelijk de steile trap weder opging naar die noodlottige vliering; en dat men des morgens alle deuren even vast gesloten vond als ooit.

Legree kon niet nalaten dit gefluister te bemerken; en het was des te meer hinderlijk voor hem door de moeite, die men deed om het voor hem te verbergen. Hij dronk meer brandewijn dan gewoonlijk; hield over dag trotsch het hoofd op en vloekte nog harder dan anders; maar des nachts had hij kwade droomen en gedachten die alles behalve aangenaam waren. Des avonds nadat het lijk van Tom was weggevoerd, reed hij naar de naaste stad om zich wat vroolijk te maken en dit deed hij terdege. Hij kwam laat en vermoeid tehuis, sloot zijne deur, nam den sleutel er uit en ging naar bed.

Doch laat iemand doen wat hij wil om haar te smoren, eene menschelijke ziel is een akelige, spookachtige, onrustbarende bezitting voor een slecht mensch. Wie kent hare grenzen en perken? Wie kent al hare geduchte "misschiens"--die bevende en sidderende raadselvragen, die zij zich evenmin kan afwennen als zij hare eigene eeuwigheid kan overleven? Welk een dwaas is hij, die zijne deur sluit om geesten buiten te houden, terwijl hij in zijne eigene borst een geest heeft, dien hij niet _alleen_ durft ontmoeten--wiens stem gesmoord onder bergen van aardschgezindheid, toch als de waarschuwende bazuin des oordeels blijft klinken!

Doch Legree sloot zijne deur en zette een stoel daartegen; hij plaatste een nachtlicht bij het hoofdeinde van zijn bed en legde zijne pistolen daarbij. Hij bezichtigde de sluitingen der vensters, zwoer toen met een vloek, "dat hij niet om den duivel en al zijne engelen gaf!" en ging slapen.

Hij sliep, want hij was moede--hij sliep gerust. Maar eindelijk kwam er over zijn slaap een schaduw van iets ontzettends, iets vreeselijks, dat over hem heenging. Het was het lijklaken zijner moeder, dacht hij, maar het was Cassy, die het ophield en hem vertoonde. Hij hoorde een verward gerucht van gillen en kermen; en met dat al wist hij dat hij sliep en worstelde hij om wakker te worden. Hij was half wakker. Hij wist zeker dat er iets de kamer binnenkwam. Hij wist dat de deur geopend werd, maar hij kon hand noch voet bewegen. Eindelijk keerde hij zich met eene geweldige inspanning om. De deur was open, hij zag eene hand die zijn licht uitdeed.

Het was eene bewolkte schemerachtige maneschijn en daar zag hij het!--iets wits, dat zwevende naderde! Hij hoorde het zachte geritsel van het spookgewaad. Het stond bij zijn bed stil; eene koude hand raakte de zijne aan; eene stem zeide driemaal zacht, ijzingwekkend fluisterende: "Kom! kom! kom!" En terwijl hij daar van angst lag te zweeten, was het, hij wist niet hoe of wanneer, verdwenen. Hij sprong uit zijn bed en trok aan de deur. Zij was vast gesloten, en hij viel op den grond in zwijm.

Daarna werd Legree een sterker drinker dan te voren. Hij dronk niet meer voorzichtig en met bedachtzaamheid, maar onvoorzichtig en met woeste roekeloosheid.

Kort daarna verspreidde zich in den omtrek het gerucht, dat hij ziek was en sterven zou. Door zijne uitspattingen had hij zich die vreeselijke ziekte berokkend, welke de dreigende schaduwen eener toekomstige vergelding over het tegenwoordige leven schijnt te werpen. Niemand kon het in die akelige ziekenkamer uithouden, wanneer hij raaskalde en gilde, en van verschijnselen sprak, welke hun, die hem hoorden, bijna het bloed deden stollen. Bij zijn sterfbed stond eene onverbiddelijk dreigende, witte gedaante en fluisterde: "Kom, kom, kom!"

Door een zonderlingen loop van omstandigheden werd des ochtends na den nacht, toen deze gedaante Legree voor het eerst verscheen, de huisdeur open gevonden en hadden eenige negers twee witte schimmen de laan zien langs zweven, die naar de groote weg leidde.

De zon zou haast opgaan, toen Cassy en Emmeline voor een oogenblik bleven stilstaan onder een groepje boomen, dicht bij de stad.

Cassy was op de wijze der Creoolsche Spaansche dames gekleed, geheel in het zwart. Eene zwarte voile, zeer dicht geborduurd, die aan haar zwarten hoed was vastgemaakt, verborg haar gezicht. Het was afgesproken, dat zij op de vlucht de rol eener Creoolsche dame, en Emmeline die van haar kamenier zou spelen.

Van hare kindsheid af aan den omgang in de hoogste kringen gewoon, was Cassy door hare spraak en manieren volkomen geschikt voor deze rol en zij had nog genoeg van hare eens prachtige garderobe en hare juweelen over, om zich behoorlijk daarvoor te kleeden.

In eene buitenwijk der stad, waar zij opgemerkt had dat koffers te koop stonden, kocht zij een fraaien koffer. Zij verzocht den winkelier om dien koffer met haar mede te zenden. En aldus vergezeld door een jongen, die hare zware bagage kruide, en Emmeline, die eenige kleine pakjes droeg, kwam zij als eene voorname dame in de kleine herberg aan.

De eerste, die haar daar in het oog viel was George Shelby, daar gekomen om op de stoomboot te wachten.

Cassy had den jonkman van de vliering bespied, hem het lijk van Tom zien medenemen en zich heimelijk verheugd over de manier waarop hij Legree zijne verontwaardiging had doen gevoelen. Vervolgens had zij uit de gesprekken onder de negers, die zij beluisterd had, wanneer zij na het vallen van den nacht als spook rondzwierf, opgemaakt wie hij was en in welke betrekking hij tot Tom stond. Zij voelde dus terstond hare gerustheid sterker worden, toen zij bevond, dat hij evenals zij op de volgende boot wachtte.