De Negerhut

Chapter 42

Chapter 423,960 wordsPublic domain

Het was bijna avond. Legree was afwezig op een rijtoertje naar eene naburige hoeve. Vele dagen lang was Cassy bijzonder vriendelijk geluimd geweest, en alles scheen tusschen haar en Legree te zijn bijgelegd. Thans zien wij haar en Emmeline in de kamer der laatste, bezig met twee pakjes te maken.

"Daar, die zullen groot genoeg zijn," zeide Cassy. "Zet nu uw hoed op, en laten wij gaan. Het is nu zoo wat de beste tijd."

"Maar zij kunnen ons zien," zeide Emmeline.

"Ik wil ook dat wij gezien worden," antwoordde Cassy koelbloedig. "Weet gij niet dat zij ons toch zullen nazetten? Wij zullen het juist op deze manier aanleggen. Wij zullen de achterdeur uitgaan en bij het kwartier langs loopen. Sambo en Quimbo zullen ons zeker zien. Zij zullen ons najagen en wij loopen het moeras in. Dan kunnen zij ons niet verder volgen vóórdat zij alarm gemaakt hebben, en de honden op het spoor gebracht en al zoo meer, en terwijl zij aan het haspelen zijn en elkaar in den weg loopen, zooals zij altijd doen, sluipen wij naar de kreek die achter het huis omloopt, en waden door het water, tot wij vlak over de achterdeur komen. Dat zal de honden geheel van het spoor afbrengen; want op het water blijft de reuk niet liggen. Iedereen zal het huis ontloopen, om naar ons te zoeken, en dan wippen wij de achterdeur weder in en naar de vliering, waar ik een goed bed heb opgemaakt in eene van de groote kisten. Wij moeten eene goede poos op de vliering blijven, want ik zeg u, hij zal hemel en aarde in beweging brengen om ons terug te krijgen. Hij zal een aantal van die oude opzichters bijeenhalen en eene groote jacht houden; zij zullen geen voet gronds van het moeras ondoorzocht laten. Hij snoeft er op, dat er nog nooit iemand van hem is weggekomen. Laat hij dus nu eens jagen naar hartelust."

"O, Cassy, hoe goed hebt gij dat overlegd!" zeide Emmeline. "Wie anders dan gij zou ooit daaraan gedacht hebben?"

Er sprak noch blijdschap, noch eigenwaan uit Cassy's oogen--niets anders dan wanhopige vastberadenheid.

"Kom!" zeide zij en gaf Emmeline de hand.

De twee vluchtelingen slopen stil het huis uit en in de snel vallende avondschemering het kwartier voorbij. De maan, welker smalle sikkel in het Westen onderging, vertraagde de duisternis van den nacht nog een poos. Gelijk Cassy verwacht had, werden zij, toen zij den zoom der moerasbosschen naderden, die de plantage omringden, aangeroepen om stil te staan. Het was echter Sambo niet, maar Legree, die met toornig vloeken achter haar aankwam. Dit hoorende bezweek de zwakkere geest van Emmeline bijna, en hare gezellin bij den arm grijpende, zeide zij: "O, Cassy, ik zal flauw vallen."

"Als gij dat doet, steek ik u dood!" zeide Cassy, een kleine, glinsterende ponjaard uithalende, die zij voor de oogen van het meisje liet flikkeren.

Deze afleiding bereikte haar doel. Emmeline viel niet flauw; maar stortte zich met Cassy in een gedeelte van het moeras, zoo donker en dicht begroeid, dat Legree er niet aan denken kon om haar zonder hulp te volgen.

"Welnu," zeide hij met een ruwen lach, "zij zijn nu toch in de val geloopen--die karonjes. Zij zitten daar goed vooreerst en zij zullen er voor zweeten."

"Hallo, daar! Sambo! Quimbo! Allemaal!" riep Legree, toen hij het kwartier bereikte, waar de mannen en vrouwen juist van het werk terugkwamen. "Er zitten twee wegloopsters in het moeras. Ik geef vijf dollars aan den neger die ze vangt! Laat de honden los!"

De indruk, die dit bericht maakte, was niet gering. Velen der mannen kwamen driftig aan, om hunne diensten aan te bieden, hetzij uit hoop op belooning, of alleen door die kruipende onderdanigheid, die een van de noodlottigste gevolgen der slavernij is. Sommigen liepen naar den eenen, sommigen naar den anderen kant heen. Eenigen gingen flambouwen van dennentakken halen, anderen maakten de honden los, wier schor, kwaadaardig geblaf het rumoer niet weinig vergrootte.

"Meester, moeten wij ze doodschieten, als wij ze niet kunnen vangen?" zeide Sambo, aan wien Legree een jachtroer had gegeven.

"Op Cassy moogt ge schieten, als ge lust hebt; het is tijd dat zij naar den duivel komt, waar zij behoort; maar op de meid niet," antwoordde Legree. "En nu, jongens, weest vlug en ijverig. Vijf dollars voor wie ze krijgt, en altijd een glas brandewijn voor iedereen."

Daarop trok de geheele troep, onder een geweldig geschreeuw en geblaf naar het moeras, op eenigen afstand door al de huisbedienden gevolgd. Het huis was dus geheel verlaten, toen Emmeline en Cassy de achterdeur binnenslopen. Het schreeuwen en roepen harer vervolgers klonk nog door de lucht; door de vensters der huiskamer uitkijkende konden Cassy en Emmeline den troep zien, die zich met flambouwen langs den zoom van het moeras verspreidde.

"Ziedaar!" zeide Emmeline, Cassy daarheen wijzende. "De jacht is begonnen. Zie die lichten eens ronddansen! En door die honden! Hoort ge niet? Als wij daar nog waren, zou onze kans geen cent waard zijn. O, om 's hemels wil, laten wij ons verschuilen. Schielijk!"

"Wij hebben geen haast," antwoordde Cassy koel. "Zij zijn allen op de jacht uit--dat is het vermaak van den avond. Wij zullen straks naar boven gaan. Ondertusschen," zeide zij, bedaard een sleutel halende uit een zak van de jas, die Legree in zijne haast had neergesmeten, "ondertusschen zal ik wat reisgeld voor ons nemen."

Zij opende den lessenaar en nam een rolletje bankbriefjes er uit, die zij natelde.

"O, laten wij dat niet doen!" zeide Emmeline.

"Waarom niet?" zeide Cassy. "Zoudt gij liever hebben dat wij in de moerassen dood hongerden, of dat wij geen geld hadden om de reis naar de vrije Staten te betalen? Geld doet alles, meisje." En daarmede stak zij de bankbriefjes in hare borst.

"Maar dat zou stelen zijn," zeide Emmeline, treurig en angstig fluisterende.

"Stelen!" herhaalde Cassy met een smadelijken glimlach. "Zij die zielen en lichamen stelen behoeven niets daarvan te zeggen. Ieder van die briefjes is gestolen--gestolen van arme, uitgehongerde, afgewerkte schepsels, die eindelijk voor zijn voordeel naar den duivel moeten. Laat _hij_ maar van stelen praten! Maar kom, wij moesten nu maar naar de vliering gaan. Ik heb daar een voorraad van kaarsen en eenige boeken om den tijd te korten. Gij kunt tamelijk zeker zijn, dat zij daar niet zullen komen zoeken. En als zij het doen, zal ik wel spookje voor hen spelen."

Toen Emmeline op de vliering kwam, vond zij een groote kist, waarin eens eenige zware stukken huisraad waren verzonden, zoodanig omgewenteld, dat de opening naar den muur of eigenlijk naar het schuin opgaande dak Was gekeerd; Cassy stak een lampje aan, en langs den muur kruipende, kwamen zij in de kist. Op den grond waren twee kleine matrassen en eenige kussens gelegd, een koffer dichtbij bevatte een voorraad van kaarsen en eetwaren, benevens al de kleederen die zij op reis konden noodig hebben, welke Cassy tot pakjes van verbazend kleinen omvang had weten te maken.

"Daar," zeide Cassy, terwijl zij een lampje aan een haak hing, die zij daartoe in een wand der kist had geslagen, "dat moet vooreerst onze woning zijn. Hoe bevalt zij u?"

"Zijt ge wel zeker, dat zij niet hier zullen komen zoeken?" zeide Emmeline.

"Ik zou Simon Legree dat wel eens willen zien doen," antwoordde Cassy. "Neen waarlijk niet; hij is maar al te blij dat hij hier vandaan kan blijven. En wat de bedienden betreft, zij zouden zich liever allen dood schieten dan hier komen."

Eenigszins gerustgesteld, zette Emmeline zich op hare kussens.

"Wat hebt gij toch gemeend, Cassy, met te zeggen dat ge mij zoudt doodsteken?" vroeg zij met alle eenvoudigheid.

"Ik wilde u maar beletten om flauw te vallen," antwoordde Cassy, "anders niet. En ik zeg u nu, Emmeline, gij moet u vast voornemen om niet flauw te vallen, wat er ook gebeuren mag. Dit dient nergens toe. Als ik u niet had doen schrikken, zou die ellendeling u nu misschien in zijne macht hebben."

Emmeline huiverde.

Beiden zwegen een poos. Cassy hield zich met een Fransch boek bezig; Emmeline door vermoeienis overstelpt, viel in slaap. Zij werd gewekt door een luid geschreeuw, met paardengetrappel en hondengeblaf gemengd. Met een flauwen gil sprong zij op.

"Het is maar de jacht die terugkomt," zeide Cassy koeltjes. "Wees maar niet bang. Kijk eens uit door die reet. Ziet gij hen daar niet allen beneden? Simon moet het voor van nacht opgeven. Zie hoe bemodderd zijn paard is van het rondtrappelen in het moeras; en de honden zien er ook tamelijk druilig uit. O, goede man, gij zult nog dikwijls op de jacht moeten gaan--het wild zit daar niet."

"O, spreek toch niet!" zeide Emmeline. "Als zij u eens hoorden!"

"Als zij iets hooren, zal het hen nog zorgvuldiger hier vandaan doen blijven!" antwoordde Cassy. "Geen gevaar! Wij mogen zooveel leven maken als wij willen, dat zal den schrik onderhouden."

Eindelijk werd het stil in en om het huis, en tegen middernacht begaf Legree zich naar bed, vloekende over zijnen tegenspoed en wraak zwerende tegen den volgenden ochtend.

VEERTIGSTE HOOFDSTUK

DE MARTELAAR

"Denk niet dat de rechtvaardige door den hemel vergeten is! Schoon het leven hem zijne meest gewone gaven onthoude, en hoewel hij met een verscheurd en bloedend hart, door de menschen versmaad, ter dood ga! Want God heeft elken droevigen dag aangeteekend, en elken bitteren traan geteld, en des hemels lange jaren van zaligheid zullen alles vergoeden wat zijne kinderen hier lijden."

Bryran.

De langste weg moet een einde hebben--op den donkersten nacht moet een morgen volgen. Een onverbiddelijk verloop van oogenblikken doet den dag der boozen voortsnellen naar den eeuwigen nacht, en den nacht der rechtvaardigen naar den eeuwigen dag. Wij hebben met onzen nederigen vriend tot dusverre door het dal der slavernij gewandeld; eerst door de bebloemde velden van lichamelijk welzijn en gemak; toen door de hartverscheurende scheiding van alles wat de mensch dierbaar acht. Daarna hebben wij hem vergezeld op een zonnig eiland, waar edelmoedige handen zijne ketenen met bloemen omwonden; en eindelijk hebben wij hem gevolgd, waar de laatste straal van aardsche hoop in den nacht verdween, en gezien hoe in de zwarte aardsche duisternis het firmament van het bovenzinnelijke met sterren van nieuwen en nog meer heerlijkheid voorspellenden luister schitterde.

De morgenster staat nu boven de toppen der bergen, en ruischende koeltjes, die niet van deze aarde zijn, verkondigen dat de poorten van den dag zich openen.

De vlucht van Cassy en Emmeline had Legree ten uiterste vergramd en verbitterd, en zijne woede trof, gelijk men wel verwachten kon, het weerlooze hoofd van Tom. Toen hij het nieuws aan zijne slaven bekend maakte, had zich in Toms oogen eene plotselinge flikkering vertoond, die Legree evenmin ontsnapte, als het onwillekeurig vouwen en opheffen zijner handen. Hij zag ook dat hij zich niet bij den troep der vervolgers voegde. Hij dacht er wel aan om hem daartoe te dwingen, maar daar hij reeds proef had gehad van zijne onverzettelijkheid, wanneer hem iets onmenschelijks werd bevolen, wilde hij zich in zijne haast niet met hem ophouden.

Tom bleef dus achter met de weinigen, die van hem hadden leeren bidden, en bad met hen voor de redding der vluchtelingen.

Toen Legree teleurgesteld terugkwam, begon de wrok, dien hij reeds lang tegen zijnen slaaf had gekoesterd, den aard van een blinden, doodelijken haat aan te nemen. Had die man hem niet uitgetart, gedurig, onverzettelijk uitgetart--zoolang hij zijn eigendom was geweest? Was er geen geest in hem, die, hoewel zwijgende, hem eene innerlijke hitte deed gevoelen, alsof het eeuwig vuur hem reeds brandde?

"Ik haat hem," zeide Legree, toen hij dien nacht overeind in zijn bed zat. "Ik haat hem! En is hij mijn eigendom niet? Kan ik niet met hem doen wat ik wil? Wie zal het mij beletten?"

En Legree kneep zijne vuisten dicht en schudde ze, alsof hij iets in de handen had dat hij in stukken kon scheuren.

Doch Tom was een trouwe, kostbare dienaar, en hoewel Legree hem daarom des te meer haatte, hield deze bedenking hem toch eenigszins in bedwang.

Den volgenden morgen besloot hij om vooralsnog niets te zeggen, maar een troep helpers van de naburige plantage te verzamelen, met honden. Bereikte hij dan zijn oogmerk, dan was het wel; zoo niet, dan zou hij Tom vóór zich laten komen--daarbij klemde hij zijne tanden op elkander en begon zijn bloed te koken--_dan_ zou hij dien kerel klein krijgen, of--er werd in zijn binnenste iets gruwelijks gefluisterd, waarin zijne ziel toestemde.

Gij zegt dat het eigenbelang van den meester een genoegzame waarborg voor de veiligheid van den slaaf is. In de woede zijner dolle drift zal de mensch, met volle wetenschap en open oogen, zijne eigene ziel aan den duivel verkoopen; zal hij dan meer bezorgd zijn voor het lichaam van zijnen naaste?

"Zoo," zeide Cassy den volgenden dag op de vliering, toen zij door de reet uitkeek, "de jacht zal vandaag weder beginnen."

Drie of vier ruiters lieten hunne paarden voor het huis rondtrappelen en eenige koppels vreemde honden worstelden met de negers die hen vasthielden, en blaften en bromden tegen elkander.

Van deze mannen waren twee opzichters van naburige plantages, de anderen waren eenige lieden, met wie Legree in de herberg eener naburige stad kennis had gemaakt, en die uit liefhebberij voor de jacht gekomen waren. Moeielijk zou men zich een troep kerels van ongunstiger uitzicht kunnen voorstellen. Legree deelde brandewijn in overvloed onder hen uit, alsmede onder de negers, die van verschillende plantages waren afgezonden om hem te helpen, want het was doelmatig, een dienst van dezen aard zooveel mogelijk voor de negers tot een feestdag te maken.

Cassy hield haar oor voor de reet, en daar de wind vlak naar het huis woei, kon zij veel van het gesprek verstaan. Een zweem van toornigen spot vloog over den strakken ernst harer trekken, terwijl zij luisterde, en hoorde hoe zij den grond verdeelden, over de wedijverende verdiensten hunner honden spraken, en orders gaven aangaande het vuren en de behandeling der vluchtelingen wanneer zij gevat werden.

Cassy trad terug en met gevouwen handen omhoog ziende, zeide zij: "O, groote almachtige God, wij allen zijn zondaren; maar wat hebben wij meer dan alle anderen gedaan, dat wij zoo behandeld zouden worden?"

Vreeselijk was de ernst in haren blik en hare stem, toen zij zoo sprak.

"Als het niet om u was, kind," zeide zij, Emmeline aanziende, "zou ik onder hen uitgaan, en dien man onder hen dankbaar zijn, die mij in eens doodschoot; want waartoe zal de vrijheid mij baten? Kan zij mij mijne kinderen teruggeven, of mij weder maken tot hetgeen ik geweest ben?"

Emmeline was in hare kinderlijke eenvoudigheid eenigszins bevreesd voor Cassy's sombere vlagen. Zij zag haar verbijsterd aan, maar gaf geen antwoord. Zij vatte slechts hare hand, met een streelend liefkoozende beweging.

"Doe dat niet!" zeide Cassy, met eene poging om zich los te trekken. "Gij zult nog maken dat ik u liefkrijg, en ik wil nooit weder iets liefhebben."

"Arme Cassy, denk zoo niet!" zeide Emmeline. "Als de Heere ons de vrijheid geeft, geeft Hij u misschien uwe dochter terug, en in allen gevalle zal ik als eene dochter voor u zijn. Ik weet wel dat ik mijne arme oude moeder nooit zal weerzien! Ik zal u liefhebben, Cassy, hetzij gij mij lief hebt of niet!"

De zachte geest overwon. Cassy zette zich bij het meisje neer, sloeg haar arm om haren hals, streelde hare zachte bruine lokken, en toen verwonderde Emmeline zich over de schoonheid harer heerlijke oogen, thans door tranen beneveld.

"O, Emmy!" zeide Cassy, "ik heb naar mijne kinderen gehongerd en naar hen gedorst en mijne oogen schemeren van verlangen naar hen. Hier, hier," vervolgde zij op hare borst slaande, "is alles woest, alles ledig! Als God mij mijne kinderen teruggaf, dan zou ik kunnen bidden."

"Gij moet op Hem vertrouwen, Cassy," zeide Emmeline. "Hij is onze Vader."

"Zijn toorn is op ons," antwoordde Cassy. "Hij heeft zich in gramschap van ons afgekeerd."

"Neen, Cassy, Hij zal goed voor ons zijn! Laten wij op Hem hopen," zeide Emmeline. "Ik heb altijd hoop gehad."

De jacht duurde lang, en het geheele moeras werd nauwkeurig doorzocht, maar zonder eenig gevolg; en met zekere ernstige, spottende blijdschap zag Cassy op Legree neer, toen hij moede en verdrietig van zijn paard stapte.

"En nu, Quimbo," zeide Legree, terwijl hij zich in de huiskamer op zijn gemak zette, "ga nu dien Tom eens hier halen, dadelijk! Die oude vervloekte rekel is dat aanlegger van het geheele geval, en ik zal het uit zijne zwarte huid halen of ik zal het hem betaald zetten."

Hoewel Sambo en Quimbo elkander haatten, stemden zij toch overeen in een niet minder levendigen haat tegen Tom. Legree had hen in het begin gezegd, dat hij hem gekocht had om een algemeenen opzichter van hem te maken; en dit had reeds een wrok tegen hem gezet, die bij menschen van zulk een lage, slaafsche gezindheid nog was toegenomen, toen zij het ongenoegen van hunnen meester over hem zagen komen. Quimbo liep dus met blijdschap heen, om het bevel ten uitvoer te brengen.

Tom hoorde deze boodschap met een waarschuwend voorgevoel, want hij was met het geheele plan der vluchtelingen en hare tegenwoordige schuilplaats bekend. Hij kende ook het gevaarlijke karakter van den man die hem liet roepen, en zijne despotische macht; maar met God voelde hij zich sterk genoeg om den dood tegemoet te gaan, liever dan de hulpeloozen te verraden.

Hij zette zijne mand neer, en de oogen opslaande, zeide hij: "In Uwe handen beveel ik mijnen geest! Gij hebt mij verlost, o Heere, God van waarheid!" en toen liet hij zich gewillig door de ruwe hand van Quimbo aangrijpen en medesleepen.

"Ja, ja," zeide de reusachtige zwarte, Tom voorttrekkende. "Nu zult gij er van lusten. Meester is dol van kwaadheid, dat kan ik je zeggen! Nu is er geen afkomen meer aan! Nu zult gij er van hebben! Wacht nu maar hoe het je bekomt, dat ge meesters slaven helpt wegloopen! Wacht nu maar wat je daarvoor krijgt."

Geen van die dreigende woorden bereikten zijn oor, hij hoorde eene andere stem hem toeroepen: "Vrees niet voor degenen die het lichaam dooden, en daarna niet meer kunnen doen." Het geheele lichaam van dien armen man trilde bij deze woorden, alsof Gods vinger hem had aangeraakt, en hij voelde in zijne ziel de kracht van duizend zielen. Terwijl hij voortstapte schenen de boomen en struiken, de hutten zijner dienstbaarheid, het geheele tooneel zijner vernedering hem voorbij te vliegen, gelijk een landschap voorbij een voortrollende wagen. Zijn hart klopte sneller, zijn vaderland was in het gezicht--en het uur der verlossing scheen op handen.

"Wel, Tom," zeide Legree, die naar hem toekwam en hem ruw bij zijnen schouder vatte, vol opgekropte woede door zijne tanden sissende, "weet je wel dat ik mij heb voorgenomen om je te vermoorden?"

"Dat is wel waarschijnlijk, meester," antwoordde Tom met kalmte.

"Ja, dat heb ik," hervatte Legree met dreigende bedaardheid; "dat heb ik, Tom, als ge mij niet alles zegt wat ge van die meiden weet."

Tom zweeg.

"Hoort ge niet?" bulderde Legree, nu uitbarstende. "Spreek!"

"Ik heb niets te zeggen meester," antwoordde Tom, langzaam en bedaard.

"Durft gij mij zeggen, gij oude en zwarte Christen, dat gij het niet weet?" zeide Legree.

Tom zweeg weder.

"Spreek!" schreeuwde Legree, hem woedend een slag gevende. "Weet gij iets?"

"Ik weet iets, meester! maar ik kan niets zeggen. _Ik kan sterven._"

Legree haalde diep adem, en zijne gramschap bedwingende, vatte hij Tom bij den arm en zeide, met zijn gezicht bijna vlak voor dat van zijn slachtoffer komende, met eene schrikkelijke stem:

"Luister eens, Tom, gij denkt, omdat ik je voorheen heb losgelaten, dat ik nu niet meen wat ik zeg; maar deze maal heb ik mijn besluit genomen en de kosten berekend. Gij hebt het altijd tegen mij uitgehouden--maar nu zal ik je klein krijgen of vermoorden; het een of ander. Ik zal elken droppel bloeds tellen, dien gij in het lijf hebt, en ze een voor een aftappen, tot gij het opgeeft."

Tom zag naar zijn meester op en antwoordde:

"Meester, als gij ziek waart, of in ongeluk, of stervende, zou ik u mijn hartebloed geven; en als het aftappen van elken droppel bloeds uit dit ellendige lichaam uwe kostbare ziel kon behouden, zou ik het alles zoo geduldig geven, als de Heere het Zijne voor mij gegeven heeft. O, meester, breng die groote zonde niet op uwe ziel! Doe het ergste wat gij kunt, mijn leed zal spoedig voorbij zijn, maar als gij u niet bekeert, zal het uwe _nooit_ eindigen!"

Gelijk een galm van hemelmuziek onverwachts in de tusschenpoos van een storm gehoord, veroorzaakte deze ontboezeming een oogenblik van doffe verbazing. Legree stond versteld en zag Tom aan; het was zoo stil, dat men duidelijk het tikken der klok kon hooren, die met haren slinger de laatste oogenblikken van genade en beproeving voor dat verstokte hart aftelde.

Het was slechts een oogenblik--een kort oogenblik van aarzelend dralen, van besluiteloosheid, van opwellend berouw; en toen kwam de booze geest met zevenvoudig geweld terug en gaf Legree, schuimbekkende van woede, zijnen slaaf een vuistslag, die hem deed neerstorten.

Tooneelen van bloedige wreedheid zijn stuitend voor de ooren en het hart. Wat de mensch in staat is te doen, is de mensch niet in staat om te hooren. Wat de medemensch en medechristen moet lijden, kan ons niet verhaald worden, zelfs niet in onze binnenkamer, zoo verscheurt het de ziel. En toch, o mijn vaderland, worden deze dingen onder de schaduw uwer wetten gedaan! O, Christus, uwe kerk ziet ze aan, bijna met stilzwijgen!

Maar oudtijds was er Een, wiens lijden een werktuig van marteling, vernedering en schande in een zinnebeeld van heerlijkheid, eer en onsterfelijk leven veranderde; en waar Zijn geest is, daar kunnen slagen, bloed en smaadwoorden den laatsten worstelstrijd eens christens niet minder dan heerlijk maken.

Was hij alleen in dien langen nacht, hij, wiens krachtige, liefderijke geest in die oude schuur tegen barbaarsche vuist- en geeselslagen standhield?

Neen, er stond Een bij hem, alleen door hem gezien, "gelijk aan den Zoon van God!"

Ook de verzoeker stond bij hem, verblind door woedende drift, en drong hem ieder oogenblik om die marteling te ontgaan, door de onschuldigen te verraden. Maar het dappere, trouwe hart bleef standvastig. Gelijk zijn meester, was het hem bekend, dat hij, als hij anderen wilde redden, zich zelven niet redden kon; en de uiterste mate van pijn kon hem geen andere woorden afpersen, dan van gebed en heilig vertrouwen.

"Hij is al haast weg, meester," zeide Sambo, zijns ondanks getroffen door het geduld van het slachtoffer.

"Sla maar toe, tot hij het opgeeft! Sla maar toe!" schreeuwde Legree. "Ik zal hem zijn laatsten droppel bloed uitknijpen, als hij niet bekent!"

Tom opende zijne oogen en zag zijn meester aan.

"Gij, arm, ellendig schepsel," zeide hij, "gij kunt niet meer doen. Ik vergeef u met geheel mijne ziel!" en met deze woorden viel hij in zwijm.

"Ik geloof waarachtig dat hij al geheel zijn bekomst heeft," zeide Legree, nader komende om naar hem te zien. "Ja, zoo is het. Nu, dan is zijn mond toch eindelijk gesloten--dat is één goed ding!"

Ja Legree, maar wie zal die stem in uwe ziel smoren--die ziel, waarvoor het gedaan is met berouw, gebed en hoop, waarin het vuur reeds brandt, dat nooit zal worden uitgebluscht?

Het was echter nog niet geheel voorbij met Tom. Zijne verbazende woorden en vrome gebeden hadden het hart getroffen der verdierlijkte zwarten, die zwarten, die zich tot werktuigen der aan hem gepleegde wreedheid hadden geleend; en toen Legree zich verwijderd had, namen zij hem dadelijk af, en poogden hem in hunne onkunde tot het leven terug te brengen--alsof dat eene weldaad voor hem was.