De Negerhut

Chapter 41

Chapter 414,020 wordsPublic domain

Toms hart vloeide over van liefderijk medelijden met de rampzaligen die hem omringden. Het was alsof voor hem nu alle leed des levens voorbij was, en hij uit de schatkamer van vrede en vreugde, waarmede hij boven hen begiftigd was, iets verlangde mede te deelen tot verzachting hunner ellende. Het is waar, de gelegenheden daartoe waren zeldzaam; maar op weg naar het veld en terug en gedurende de werkuren, had hij toch nu en dan eene kans om vermoeiden, neerslachtigen en moedeloozen een helpende hand te reiken. De arme, afgetobde, verdierlijkte schepselen konden dit in het eerst nauwelijks begrijpen; maar toen dit week op week, en maand op maand aanhield, begon het eindelijk een lang verstorven gevoel in hunne verdoofde harten op te wekken. Langzamerhand en onbemerkt begon die vreemde, geduldige, stille man, die zoo gereed was om ieders last te dragen en zelf bij niemand hulp zocht--die voor allen week, het laatste kwam en het geringste nam, en toch de eerste was, om het weinige dat hij had te deelen met hen die gebrek leden--de man, die in koude nachten zijne gescheurde dekens afstond, om een vrouw te verwarmen die van koorts rilde,--en die in het veld de manden der zwakken vulde, op het schrikkelijke gevaar af om zelf in gewicht te kort te komen--en die, hoewel hij door den algemeenen dwingeland met onverbiddelijke wreedheid werd vervolgd, nooit mededeed om een woord van smaad of vloek tegen hen uit te spreken--eindelijk begon die man eene vreemde macht over hen te bekomen; en toen het drukste van het seizoen voorbij was, en zij de Zondagen weder tot eigen gebruik kregen, verzamelden zich velen, om door hem van Jezus te hooren. Gaarne zouden zij geregeld bijeengekomen zijn om te hooren, te bidden en te zingen; maar Legree wilde dit niet toelaten, en meer dan eens stoorde hij zulke vergaderingen met vloeken en verwenschingen, zoodat het gezegende nieuws bij enkelen van mond tot mond moest gaan. Wie kan echter de eenvoudige blijdschap beschrijven, waarmede sommigen van die arme verworpelingen, voor wie het leven eene vreugdelooze reis naar eene onbekende duisternis was, van een medelijdenden Verlosser en een hemelsch vaderland hoorden? De zendelingen verklaren dat, onder al de geslachten der aarde geen het Evangelie met zulk eene gretige leerzaamheid ontvangen heeft als het Afrikaansche. Het beginsel van vertrouwen en onvoorwaardelijk geloof, dat den grondslag daarvan uitmaakt, is meer een natuurlijk element voor dit geslacht, dan voor eenig ander; en dikwijls heeft men onder negers bevonden dat een verdwaald zaadje waarheid, door den wind van het toeval in de onkundige harten gevoerd, opgegroeid is en vruchten heeft gedragen, welker overvloed die van meer zorgvuldige kweeking beschaamde.

De arme mulattin, wier eenvoudig geloof bijna verpletterd en begraven was door den berg van wreedheid en onrecht, die haar overstelpt had, voelde hare ziel opgebeurd door de gezangen en Bijbelplaatsen, die deze nederige zendeling haar nu en dan in het oor fluisterde, wanneer zij naar het werk ging of terugkwam; en zelfs het half krankzinnige, ongeregeld zwervende gemoed van Cassy werd door zijnen stillen zich nooit opdringenden invloed verzacht en bedaard.

Tot razernij en wanhoop gedreven door de opeengehoopte zielesmarten van haar leven, had Cassy dikwijls bij zich zelve besloten, dat er eens een uur van vergelding zou komen, wanneer hare hand op haren verdrukker wraak zou oefenen over al de wreedheid en onrechtvaardigheid, waarvan zij getuige was geweest of die zelve geleden had.

In een nacht, toen allen in Toms hut lagen te slapen, werd hij eensklaps gewekt, en zag hij haar gezicht voor het gat dat tot venster diende; zij wenkte hem stilzwijgend om buiten te komen.

Tom kwam voor de deur. Het was tusschen één en twee uren in den nacht, en de maan scheen helder. Tom zag, toen het maanlicht Cassy in de oogen scheen, dat die groote zwarte oogen een wilden, eigenaardigen glans hadden, geheel verschillend van hare gewone strakke blik.

"Kom hier, vader Tom," zeide zij, hare hand op zijnen arm leggende, en hem voorttrekkende met eene kracht alsof dat smalle handje van staal was. "Kom hier--ik heb nieuws voor u."

"Wat is het, Miss Cassy?" zeide Tom, met vurige oplettendheid.

"Tom, zoudt ge niet gaarne uwe vrijheid willen hebben?"

"Die zal ik hebben, _missis_, als het Gods tijd is," antwoordde Tom.

"Ja, maar gij kunt haar dezen nacht nog krijgen," zeide Cassy met drift. "Kom maar mede."

Tom aarzelde.

"Kom," zeide zij fluisterend en hem strak aanziende. "Kom voort! Hij slaapt--gerust! Ik heb genoeg in zijn brandewijn gedaan, om hem te doen slapen. Ik wenschte dat ik meer had gehad; dan zou ik u niet noodig gehad hebben. Maar kom, de achterdeur is open en daar ligt eene bijl. Zijne kamer is ook open. Ik zal u den weg wijzen. Ik zou het zelve wel gedaan hebben, maar mijne armen zijn zoo zwak. Kom!"

"Voor geen tien duizend werelden, _missis_," zeide Tom op vasten toon, stilstaande en haar terughoudende, terwijl zij hem wilde voorttrekken.

"Maar denk eens aan al die arme schepsels," zeide Cassy. "Wij zouden hen allen kunnen vrijlaten en ergens in de moerassen gaan en een eilandje opzoeken en daar verborgen leven. Ik heb gehoord dat zoo iets meer gedaan is. Alle ander leven is beter dan dit."

"Neen," antwoordde Tom, even vast. "Neen. Nooit komt er goed uit goddeloosheid. Ik zou liever mijne rechterhand afhakken."

"Dan zal _ik_ het doen," zeide Cassy, zich omkeerende.

"O, miss Cassy," zeide Tom, zich voor haar neerwerpende, "om den wil van den lieven Heer, die voor u gestorven is, verkoop toch uwe kostbare ziel niet zoo aan den duivel! Niet dan kwaad zal er uit voortkomen. De Heere heeft ons niet tot wraak geroepen. Wij moeten lijden en Zijn tijd afwachten."

"Wachten!" zeide Cassy. "Heb ik niet gewacht? Gewacht tot mijn hoofd duizelig en mijn hart flauw is? Wat heeft hij mij niet doen lijden? Wat heeft hij honderden van arme schepsels doen lijden? Zuigt hij ook u dan het hartebloed niet uit? Ik word er toe geroepen! Zij roepen mij! Zijn tijd is nu gekomen en ik zal en moet zijn bloed hebben!"

"Neen, neen, neen!" zeide Tom, hare handen vasthoudende, die zij met stuipachtige kracht dichtkneep. "Neen, gij arme verdwaalde ziel, dat moet gij niet doen! De lieve, gezegende Heere heeft nooit bloed gestort, dan zijn eigen, en dat heeft Hij voor ons vergoten, toen wij Zijne vijanden waren. Heere, help ons uwe schreden te volgen en vijanden lief te hebben."

"Liefhebben!" zeide Cassy met een woest flikkerenden blik. "_Zulke_ vijanden liefhebben! Daartoe zijn vleesch en bloed niet in staat!"

"Neen, die zijn het ook niet," antwoordde Tom omhoog ziende, "maar Hij geeft dat aan ons, en dat is de overwinning. Wanneer wij kunnen liefhebben en bidden voor allen en door alles, dan is de strijd voorbij en de overwinning gekomen--eere zij God!"

En met oogen vol tranen, daar de stem hem begaf, zag de zwarte man naar den hemel op.

En dit, o Afrika!--laatst geroepene van alle volken, geroepen tot de doornenkroon, de geeselroede, het bloedig zweet en het kruis van smarte--dit zal uwe overwinning zijn; hierdoor zult gij met Christus regeeren, wanneer Zijn koninkrijk op de aarde zal gekomen zijn!

Het vurige van Toms gevoel, de zachtheid zijner stem en zijne tranen bedaarden het woest opgewonden gemoed der ongelukkige vrouw. Er kwam een nevel van zachtheid voor het flikkerende vuur van hare oogen; zij zag voor zich neer, en Tom voelde hare hand hem omklemmen, toen zij tot hem zeide:

"Heb ik u niet gezegd, dat booze geesten mij volgden? O, vader Tom, ik kan niet bidden! Ik wenschte dat ik het kon. Ik heb nooit gebeden sedert mijne kinderen verkocht werden! Wat gij zegt moet wel zoo zijn--dat weet ik; maar als ik beproef te bidden, kan ik alleen haten en vloeken. Ik kan niet bidden."

"Arme ziel," zeide Tom medelijdend. "De satan begeert u te hebben, om u te ziften als de tarwe. Ik bid den Heere voor u. O, Miss Cassy, keer u naar den lieven Heere Jezus. Hij kwam om te genezen die gebroken van harte zijn, en om alle treurenden te troosten."

Cassy bleef stilstaan terwijl groote tranen uit hare neergeslagene oogen rolden.

"Miss Cassy," zeide Tom met zekere aarzeling in zijnen toon, nadat hij haar een poos had aangezien; "als gij maar hier vandaan kondt komen--als dat maar mogelijk was--dan zou ik u en Emmeline raden om het te doen, dat is, als gij het zonder bloedschuld doen kunt--anders niet."

"Zoudt gij het met ons beproeven, vader Tom?"

"Neen," antwoordde Tom. "Er is een tijd geweest dat ik het zou gedaan hebben, maar de Heere heeft mij een werk onder deze arme menschenzielen hier gegeven, en ik zal bij hen blijven en mijn kruis met hen dragen tot aan het einde. Met u is het anders--het is een valstrik voor u--het is meer dan gij wederstaan kunt, en het is beter dat gij gaat, als gij kunt."

"Ik weet geen weg dan door het graf," zeide Cassy. "Er is geen beest of vogel, of hij kan ergens schuilplaats vinden, zelfs de slangen en alligators hebben hunne plaatsen om te liggen en stil te zijn; maar voor ons is er geene plaats. In de diepste moerassen zullen hunne honden ons opjagen en vinden. Iedereen en alles is tegen ons, zelfs de beesten zijn tegen ons, waar willen wij dan henengaan?"

Tom zweeg een poos, eindelijk zeide hij:

"Hij, die Daniël in den leeuwenkuil bewaarde--die de jongelingen in den vurigen oven behield--Hij, die op de zee wandelde en de winden beval stil te zijn,--Hij leeft nog; en ik heb geloof om te hopen dat Hij u verlossen kan. Beproef het en ik zal met al mijne macht voor u bidden."

Door welke eene vreemde werking van den geest is het, dat een denkbeeld lang voorbijgezien en als een nutteloozen steen onder den voet getreden, eensklaps in een nieuw licht schittert, als een dan eerst ontdekte diamant?

Cassy had dikwijls uren lang over alle mogelijke plannen ter ontsnapping nagedacht en alle als hopeloos en onuitvoerbaar verworpen; maar op dat oogenblik kwam haar een plan voor den geest, zoo eenvoudig en uitvoerbaar in alle bijzonderheden, dat het haar terstond met hoop en moed vervulde.

"Vader Tom, ik zal het beproeven," zeide zij eensklaps.

"Amen!" zeide Tom. "De Heere helpe u!"

NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

KRIJGSLISTEN

"De weg der goddeloozen is als een donker, zij weten niet waarover zij struikelen zullen."

De vliering van het huis dat Legree bewoonde was, gelijk de meeste andere vlieringen, eene holle donkere ruimte, met spinnewebben behangen en met afgekeurd huisraad bezet. De rijke familie, die het huis in zijne dagen van glans had bewoond, had vele kostbare meubelen aangeschaft, waarvan een gedeelte door haar weder was medegenomen, terwijl het overige in onbewoonde kamers was blijven staan, of op die vliering was weggezet. Aan een kant stonden eenige gevaarlijk groote pakkisten, waarin die meubelen waren verzonden. Er was maar een venstertje, dat door de bestofte, ondoorzichtige ruiten slechts een flauw schemerend licht liet vallen op de hooge stoelen en oude tafels, die eens betere dagen hadden gekend. Over het geheel zag het er hier akelig en spookachtig uit; en zoo spookachtig als die vliering op zich zelve was, ontbrak het niet aan overleveringen om haar voor de bijgeloovige negers nog schrikkelijker te maken. Eenige jaren geleden was eene negerin, die zich Legree's ongenoegen had berokkend, daar verscheidene weken opgesloten. Wat er voorviel, zeggen we niet; de negers fluisterden er angstig over onder elkander; maar het was bekend dat het lijk der ongelukkige eens van daar afgedragen en begraven was, en sedert dien tijd zeide men dat men des nachts op die vliering een akelig gerucht hoorde: vloeken en slagen, met een wanhopig gillen en kermen gemengd. Eens toen Legree bij toeval iets van dien aard hoorde, stoof hij geweldig op en zwoer dat de eerste, die weder sprookjes van die vliering vertelde, eene gelegenheid zou hebben om te vernemen wat daar was, want dat hij hem voor eene week daar zou vastketenen. Dit was genoeg om het gebabbel te stuiten, hoewel het geloof aan het vertelde daardoor natuurlijk niet in het minste werd geschokt.

Langzamerhand werd de trap, welke naar de vliering voerde en zelfs het eind gang naar die trap, door iedereen vermeden, en daar ieder bang was om er van te spreken, werd ook de legende half vergeten. Nu was het Cassy ingevallen, om van den bijgeloovigen angst, die bij Legree zoo licht werd opgewekt, tot bevrijding van zich zelve en hare lotgenoote gebruik te maken.

De slaapkamer van Cassy was vlak onder die vliering. Eens liet zij, zonder Legree te raadplegen, op eigen gezag en met tamelijk veel ophef, al de meubelen uit die kamer naar eene andere ver daar vandaan brengen. De huisbedienden, die zij daarmede belast had, liepen juist met grooten ijver en drukte heen en weder, toen Legree eens van een rijtoertje terugkwam.

"Hallo, Cassy," zeide hij, "wat is er nu gaande?"

"Niets. Ik heb maar eene andere kamer gekozen," antwoordde Cassy stuursch.

"En waarom dat?"

"Omdat het mij zoo beviel."

"En voor den duivel, waarom?"

"Omdat ik gaarne nu en dan slaap."

"En wie belet u te slapen?"

"Dat zou ik wel kunnen zeggen, als gij het hooren woudt," antwoordde Cassy droogjes.

"Spreek op maar," zeide Legree.

"Och, het is niets. Ik geloof dat het u niet verontrusten zou. Het is maar een gekerm en een gestommel van menschen die vechten en op den vliering over den grond rollen, den halven nacht lang, van twaalf uur tot aan den ochtend."

"Menschen op de vliering," zeide Legree onrustig, maar toch met een gedwongen lach. "En wie zijn dat dan?"

Cassy sloeg hare scherpe zwarte oogen op en zag Legree aan met een blik, die hem door merg en been drong, en zeide:

"Ja, wie zijn dat, Simon? Ik zou dat wel eens van u willen hooren. Gij weet het niet, zou ik denken?"

Met een toornigen vloek deed Legree een slag naar haar met zijne karwats; maar zij schoof op zijde en de deur ingaande, zag zij nog eens om en zeide:

"Als gij maar eens in de kamer wilt gaan slapen, zult gij er alles van weten. Misschien is het best, dat gij het eens beproeft." En daarmede sloot zij de deur en draaide die op het slot.

Legree raasde en vloekte en dreigde de deur open te breken; maar hij bedacht zich naar het scheen, en ging zeer slecht op zijn gemak naar de huiskamer. Cassy bemerkte dat hare pijl getroffen had, en van dat oogenblik af verzuimde zij niets om den gemaakten indruk te versterken, hetgeen haar met hare schranderheid uitmuntend gelukte.

In een gat in eene der planken van de vliering, waar een kwast uit het hout was gevallen, stak zij den hals eener gebroken flesch, zoodanig, dat bij den minsten luchtstroom een allerakeligst huilend geluid daardoor werd voortgebracht, dat, wanneer het hard waaide, tot een gillen steeg, hetwelk voor bijgeloovige ooren als het wanhopig gejammer eener menschenstem moest klinken.

Dit geluid werd nu en dan door de bedienden gehoord en deed de herinnering der oude spookvertelling in volle kracht herleven. Eene huiveringwekkende akeligheid scheen het geheele huis te vervullen en hoewel niemand een woord daarvan tegen Legree durfde spreken, voelde hij er zich toch door omringd als door de lucht die hij inademde.

Niemand is zoo door en door bijgeloovig als de goddelooze. Een christen wordt gesterkt door het geloof aan een wijzen, allesbesturenden Vader, wiens tegenwoordigheid de ijdele ruimte met licht en orde vervult; maar voor den mensch die God onttroond heeft, wordt de geestenwereld inderdaad gelijk de Hebreeuwsche dichter zegt: "een land van duisternis en schaduwe des doods," zonder eenige orde, waar het licht als donkerheid is. Het leven en de dood zijn beide spookgewesten voor hem, met nevelachtige schrikgedaanten vervuld.

Het sluimerend zedelijk gevoel was bij Legree gewekt door zijne woordenwisselingen met Tom--slechts gewekt om weder door de hardnekkige kracht van het kwaad onderdrukt te worden; maar elk godsdienstig woord, gebed of gezang bracht toch eene onrust in zijn binnenste teweeg, die eene vermeerdering van bijgeloovige angstvalligheid naliet.

De invloed, dien Cassy op hem uitoefende, was van een zonderlingen aard. Hij was haar eigenaar, haar tiran, haar beul. Zij was, en dit wist hij, geheel en al, zonder mogelijkheid van redding of tegenstand, in zijne macht; en toch bleek het ook bij hem, dat de ruwste man zich niet bestendig onder den invloed van een krachtigen vrouwelijken geest kan bevinden, zonder daardoor aanmerkelijk bedwongen te worden. Toen hij haar pas kocht, was zij, gelijk zij zeide, een teeder opgebrachte vrouw, en hij had haar zonder eenig bezwaar met voeten getreden. Maar toen de tijd en de wanhoop het vrouwelijk gevoel bij haar verdoofden, en het vuur van woestere hartstochten bij haar ontvlamde, was zij in zekere mate zijne meesteres geworden, zoodat hij haar thans beurtelings tiranniseerde en vreesde.

Die invloed was nog sterker en voor hem drukkender geworden, sedert vlagen van halve krankzinnigheid al hare woorden en bedrijven iets vreemds, geheimzinnigs en akeligs hadden gegeven.

Een paar avonden later nu zat Legree in de oude huiskamer bij een flikkerend houtvuur, dat het vertrek met een afwisselend schijnsel verlichtte; het was een stormachtige avond, zulk een avond, waarop men in een vervallen oud huis allerlei onbeschrijfelijke geluiden hoort. De vensters klapperden en de luiken bonsden, de wind bulderde en loeide in den schoorsteen, en blies nu en dan den rook en de asch door de kamer, alsof hij een legioen van geesten in zijn gevolg medebracht. Legree had eenige uren lang rekeningen zitten nazien en couranten lezen, terwijl Cassy in een hoek stroef in het vuur zat te staren. Eindelijk verveelde hem dit, en toen hij een oud boek op de tafel zag liggen, waarin Cassy in het begin van den avond had zitten lezen, nam hij het op en begon het door te bladeren. Het was een dier verzamelingen van moord- en spookhistoriën, welke iemand, als hij er eens aan begint, met eene vreemde tooverkracht boeien.

Legree bromde nu en dan verachtelijk bij zich zelven, maar sloeg toch het eene blad na het andere om, tot hij eindelijk het boek met een vloek neersmeet.

"Gij gelooft toch niet aan spoken, niet waar, Cassy?" zeide hij, de tang opnemende om het vuur bij te leggen. "Ik dacht wel dat gij te veel verstand hadt om u door geluiden te laten bang maken."

"Het komt er niet op aan wat ik geloof," antwoordde Cassy stuursch.

"Toen ik voorheen op zee was, wilden mijne kameraden mij met vertelseltjes bang maken," hervatte Legree. "Maar zij konden mij nooit zoo beetnemen. Ik ben veel te taai voor zulke oude wijvenpraat."

Cassy zat hem in de schaduw van den hoek strak aan te staren. Zij had dien vreemden glans in hare oogen, die Legree altijd onrustig maakte.

"Die geluiden waren niets dan de ratten en de wind," zeide Legree. "Ratten kunnen een duivelsch geweld maken. Ik heb ze dikwijls in het hol van het schip gehoord; en de wind--och, van den wind kan men zich alles verbeelden."

Cassy wist zeer wel dat Legree onder haren blik onrustig werd en daarom gaf zij geen antwoord, maar bleef hem met dezelfde spookachtige strakheid aanstaren.

"Kom aan, spreek op!" zeide Legree. "Denkt gij ook zoo niet?"

"Kunnen ratten de trap afkomen en de gang doorstappen en eene deur opendoen, als gij die gesloten en een stoel er tegen gezet hebt," zeide Cassy, "en recht naar uw bed komen, en de hand uitsteken, zoo?"

Cassy hield onder het spreken hare glinsterende oogen op Legree gevestigd, en hij staarde haar aan, alsof hij de nachtmerrie had, en toen zij zweeg en hare hand, die ijskoud was, op de zijne legde, sprong hij met een vloek achteruit.

"Wijf! Wat meent ge? Dat heeft niemand gedaan!'

"Wel neen--natuurlijk niet--heb ik dat dan gezegd?" zeide Cassy met een kouden spottenden glimlach.

"Maar hebt gij inderdaad gezien dat--kom aan, Cassy, wat is er dan? Spreek op."

"Gij kunt zelf daar gaan slapen, als gij het weten wilt," antwoordde Cassy.

"Kwam het van de vliering, Cassy?"

"Het--wat?"

"Daar gij van spreekt."

"Ik heb u niets verteld," zeide Cassy met koppige stroefheid. Legree stapte onrustig de kamer op en neer.

"Ik wil dat onderzocht hebben," zeide hij. "Ik zal er van avond nog naar gaan zien. Ik zal mijne pistolen medenemen, en...."

"Doe dat," zeide Cassy. "Ga in de kamer slapen. Ik zou het wel eens van u willen zien. Schiet uwe pistolen af--dat ook!"

Legree vloekte en stampvoette.

"Vloek niet," zeide Cassy. "Niemand weet wie u hooren kan! Wat was dat?"

De klok, die in een hoek der kamer stond, sloeg twaalf.

Om eene of andere reden durfde Legree niet spreken of zich bewegen. Eene ijzing voor hij wist niet wat beving hem, terwijl Cassy hem met hare spottende, glinsterende oogen aanzag en de slagen telde.

"Twaalf uur! Wel! nu zullen wij zien," zeide zij, naar de deur gaande die in de gang uitkwam. Zij opende die en bleef staan alsof zij luisterde.

"Hoor? Wat is dat?" zeide zij, haar vinger opstekende.

"De wind, anders niet," zeide Legree. "Hoort gij niet hoe vervloekt het waait?"

"Simon, kom hier," zeide Cassy fluisterend, legde hare hand op zijnen arm en bracht hem onder aan de trap. "Weet gij wat dat is? Luister!"

Een akelige gil klonk. Het geluid kwam van de vliering en weergalmde langs de geheele trap. Legree's knieën knikten en hij verbleekte van schrik.

"Zoudt ge niet liever uwe pistolen krijgen?" zeide Cassy met een smalenden lach, die Legree deed ijzen. "Het is tijd dat hier naar gezien wordt, weet ge. Ik zou u gaarne eens naar boven hebben; _zij zijn aan den gang_."

"Ik wil niet gaan," antwoordde Legree met een vloek.

"Waarom niet? Er zijn toch immers geene spoken. Kom!" En Cassy wipte de wenteltrap op, lachend naar hem omziende. "Kom voort!"

"Ik geloof dat gij de duivel zijt!" zeide Legree. "Kom terug, gij heks--kom terug, Cassy. Gij zult niet gaan!"

Maar met een wilden lach ijlde Cassy voort. Hij hoorde haar de deur van de gang openen, die naar de vliering leidde. Eene windvlaag kwam de trap af en woei de kaars uit die hij in de hand had, en tegelijk klonk een allerakeligst, onnatuurlijk gegil, alsof het vlak aan zijn oor was.

Legree vlood als razend naar de kamer terug, waarheen Cassy hem eene korte poos later volgde, bleek, koud en kalm als een engel der wraak, en met denzelfden schrikkelijken glans in hare oogen.

"Ik hoop dat gij tevreden zijt," zeide zij.

"Wees verdoemd," antwoordde Legree.

"Waarom?" zeide Cassy. "Ik ben maar naar boven gegaan en heb de deuren gesloten. Wat zou er toch op die vliering zitten, denkt gij wel, Simon?"

"Dat raakt u niet," antwoordde Legree.

"Zoo, niet?" hervatte Cassy. "Welnu, ik ben in allen gevalle blij, dat ik niet meer onder de vliering slaap."

Daar Cassy verwacht had dat de wind dien avond zou opsteken, had zij het vlieringvenster opengezet. Natuurlijk was toen, zoodra de deur ook geopend werd, de kaars door den tocht uitgewaaid.

Dit moge dienen tot een proefje van het spel, dat Cassy met Legree speelde, totdat hij liever zijn hoofd in een leeuwenmuil zou hebben gestoken, dan die vliering te gaan onderzoeken. Intusschen had Cassy des nachts, wanneer al de anderen sliepen, daar langzamerhand een voorraad van levensmiddelen bijeengebracht, voldoende om eenigen tijd te strekken, en ook stuk voor stuk een groot gedeelte van haar eigen kleedervoorraad en dien van Emmeline daar verborgen. Toen alles beschikt was, wachtte zij slechts naar eene gunstige gelegenheid om het plan ten uitvoer te brengen.

Door Legree eenige goede woorden te geven, toen hij eens in een redelijke luim was, had Cassy hem overgehaald om haar naar eene naburige stad mede te nemen, die vlak aan de Roode rivier lag. Met een geheugen dat tot bijna bovennatuurlijke helderheid was verscherpt, had zij op elke bocht van den weg gelet en den tijd berekend, dien men noodig had om hem af te leggen.

Nu alles rijp was om te handelen, zouden onze lezers zeker wel gaarne eens achter de schermen willen zien, en getuigen wezen van den laatsten _coup d'état_.