De Negerhut

Chapter 40

Chapter 403,959 wordsPublic domain

Eliza keerde zich naar den spiegel en flikkerend knipte de schaar, terwijl de eene lange lok na de andere van haar hoofd viel.

"Daar, nu zal het goed zijn," zeide zij, "een haarborstel opnemende. "Nu nog maar eens wat opstrijken."

"Daar, ben ik nu geen lieve jongen?" zeide zij zich lachend en blozend tegelijk naar haren man omkeerende.

"Gij zult altijd lief zijn, wat gij ook doen moogt," antwoordde George.

"Wat maakt u zoo ernstig?" zeide zij, voor hem op eene knie zinkende en hare hand op de zijne leggende. "Wij zijn nog maar vier en twintig uren van Canada, zegt men. Maar één dag en nacht op het meer, en dan--o dan!"

"O, Eliza!" zeide George, haar dichter bij zich trekkende; "dat is het! Nu moet mijn lot bijna in een oogenblik beslist wezen. Zoo dichtbij gekomen, bijna in het gezicht, en dan nog alles te verliezen! Dat zou ik niet overleven, Eliza!"

"Vrees niet," zeide zijne vrouw met hopend vertrouwen. "De goede God zou ons niet zoover gebracht hebben, als Hij ons er niet doorheen wilde brengen. Het is alsof ik Hem bij ons voel, George."

"Gij zijt eene gezegende vrouw, Eliza," zeide George, met zekere woestheid zijn arm om haar heenslaande. "Maar o, zeg mij! kan die groote genade voor ons bestemd zijn? Zullen die jaren van ellende ten einde komen? Zullen wij vrij worden?"

"Ik ben er zeker van, George," antwoordde Eliza, met tranen van hoop en geestvervoering in hare donkere oogen naar boven ziende. "Ik gevoel het in mij, dat God ons nog dezen dag uit de dienstbaarheid zal brengen."

"Ik wil u gelooven, Eliza," zeide George driftig opstaande. "Ik wil u gelooven. Kom, laten wij gaan. Wel waarlijk," vervolgde hij, haar op armslengte van zich afhoudende en met bewondering aanziende, "gij zijt een lieve, aardige, kleine jongen. Die korte krullen staan u zeer goed. Zet uwe muts op. Zoo--wat op zijde. Ik heb er u nog nooit zóó aardig zien uitzien. Maar het is haast tijd voor de koets. Ik ben benieuwd of Juffrouw Smith Harry al gekleed heeft."

De deur werd geopend en eene fatsoenlijke vrouw van middelbare jaren trad binnen, met kleine Harry in meisjeskleeren aan de hand.

"Welk een lief meisje is hij!" zeide Eliza, hem om- en omdraaiende. "Wij willen hem Harriet noemen. Komt die naam niet juist van pas?"

Het kind stond zijne moeder in hare vreemde kleeding ernstig aan te zien, zweeg bot stil, maar slaakte nu en dan een zwaren zucht, en wierp dan tegelijk een schuinen blik naar haar.

"Kent Harry mama niet?" zeide Eliza, de handen naar hem uitstrekkende.

Het kind hield zich schichtig aan zijne geleidster vast.

"Kom nu, Eliza, wat wilt gij hem lokken, terwijl gij weet dat hij van u vandaan gehouden moet worden?"

"Ik weet dat het dwaas van mij is," antwoordde Eliza, "en toch kan ik het niet uitstaan, dat hij zich van mij afkeert. Maar kom--waar is mijn mantel? Hoe doet een man zijn mantel om, George?"

"Gij moet hem zóó dragen," antwoordde George, den mantel over zijne eigene schouders werpende.

"Zoo dan," zeide Eliza, zijne bewegingen nabootsende, "en ik moet stampen, en groote stappen nemen, en mijn best doen om brutaal te kijken."

"Geef u maar geen moeite," zeide George. "Er is nu en dan wel eens een bedeesd jonkman, en ik geloof dat het gemakkelijker voor u zal zijn die rol te spelen."

"En die handschoenen! Kijk eens," zeide Eliza, "ik verlies mijne handen er in."

"Ik raad u toch om ze zorgvuldig aan te houden," zeide George; "uw fijn smal pootje zou ons allen in gevaar kunnen brengen. Nu, Juffrouw Smith, reist gij in ons geleide en zijt onze tante--onthoud dat wel."

"Ik heb gehoord," zeide Juffrouw Smith, "dat er menschen zijn gekomen, die alle stoombootkapiteins hebben gewaarschuwd tegen een man en vrouw met eenen kleinen jongen."

"Zoo?" zeide George. "Welnu, als wij zulke lieden zien, kunnen wij het hun zeggen."

Een huurkoets kwam nu voor de deur, en de vriendelijke familie drong om hen heen om afscheid te nemen.

De vermommingen welke het gezelschap had aangenomen, waren volgens de wenken van Tom Loker gekozen; Juffrouw Smith, eene fatsoenlijke vrouw uit het etablissement in Canada, waarheen zij vloden, die gelukkig het meer wilde oversteken om daarheen terug te keeren, had bewilligd om zich als tante van den kleinen Harry voor te doen; en om deze aan haar te hechten, was hij de laatste twee dagen geheel bij haar gelaten, in welken tijd een overvloed van liefkoozingen, bij een onbeperkte toelaag van kruidkoekjes en kandijklontjes gevoegd, reeds eene zeer nauwe gehechtheid bij den jongeheer had doen ontstaan.

De koets reed naar de werf. De twee jongelieden--gelijk zij schenen--stapten de plank over en de boot op. Daar gaf Eliza galant den arm aan Juffrouw Smith, terwijl George nu voor de bagage zorgde.

George stond bij het kantoortje van een kapitein, om daar voor zijn gezelschap te betalen, toen hij twee mannen, die naast hem stonden, met elkander hoorde spreken.

"Ik heb op iedereen gelet, die aan boord kwam," zeide de een, "en ik weet wel dat zij niet op deze boot zijn."

Het was de stem van den klerk der boot. De andere, wien hij aansprak, was onze vroegere vriend Marks, die in zijn lofwaardigen ijver naar Sandusky was gekomen, zoekende wien hij zou mogen verslinden.

"Men zou de vrouw haast niet van eene blanke onderscheiden," zeide Marks. "De man is een lichte mulat. Hij heeft een brandmerk in eene van zijne handen."

De hand, waarmede George de plaatsbriefjes aannam, beefde eenigszins; maar hij keerde zich koelbloedig om, zag den spreker onverschillig in het gezicht, en ging op zijn gemak naar den anderen kant der boot, waar Eliza naar hem stond te wachten.

Juffrouw Smith had met kleine Harry de afzondering der dameskajuit opgezocht, waar de donkere schoonheid van het vermeende meisje vele vleiende aanmerkingen uitlokte.

Toen de klok geluid werd om van de Amerikaansche kust afscheid te nemen, had George het genoegen van Marks over de plank naar den wal te zien stappen, en hij verlichtte zijn hart met een langen zucht, toen de afstand tusschen hen het terugkeeren onmogelijk had gemaakt.

Het was een heerlijke dag. De blauwe golven van het meer Erie dansten flikkerend en vroolijk in het zonnelicht. Wie dacht er, toen George met zijnen schuwen makker aan de zijde, zoo kalm het dek der stoomboot op en neer wandelde, aan alles wat in zijnen boezem gloeide? Het geluk, dat hem scheen te naderen, kwam hem al te groot en schoon voor, om ooit werkelijkheid te worden, en ieder oogenblik van dien dag kwelde hem een heimelijke angst, dat er zich nog iets zou opdoen om het hem te ontrukken.

Doch de boot voer voort, de uren vlogen om, en eindelijk kwam de gezegende Engelsche kust duidelijk in het gezicht--de kust, welke door eene machtige tooverspreuk gewijd, met eene enkele aanraking elke helsche bezwering van slavernij vernietigt, onverschillig in welke taal zij is uitgesproken, of door welke nationale macht zij is bekrachtigd. George en zijne vrouw stonden gearmd naast elkander, toen de boot het stadje Amhertsberg in Canada naderde. Zijne ademhaling werd kort en zwaar, er kwam een nevel voor zijne oogen, stilzwijgend drukte hij het handje, dat bevend op zijnen arm lag. De klok luidde--de boot werd gestopt. Nauwelijks ziende wat hij deed, zocht George zijne bagage uit en verzamelde hij zijn klein gezelschap. Hij werd met de zijnen aan land gezet. Zij bleven stilstaan, tot de boot weder was afgevaren; en toen knielden man en vrouw met hun verwonderd kind in de armen, op den oever neder, en verhieven het hart tot God.

"Het was," gelijk een dichter zegt: "iets, dat geleek naar den overstap uit den dood in het leven, uit de windselen des grafs in het gewaad des hemels, uit de heerschappij der zonden en den strijd der hartstochten in de reine vrijheid eener gezaligde ziel, waar alle banden van dood en hel verbroken worden, en het sterfelijke de onsterfelijkheid aandoet, wanneer de genade de gouden poort heeft geopend en hare stem heeft gesproken: "Juich, uwe ziel is vrij!"

Het gezelschap werd door Juffrouw Smith naar de gastvrije woning van een braven zendeling gebracht, die door de christelijke liefde aldaar geplaatst was geworden tot een herder voor de zwervende ballingen, die gedurig op deze kust een vrijplaats komen zoeken.

Wie kan de zaligheid van dien eersten dag van vrijheid beschrijven? Is het _gevoel der vrijheid_ edeler en fijner, dan eenig ander dat de zinnen kan aandoen? Onbespied en zonder gevaar te spreken en te ademen, uit en in te gaan! Wie kan het gezegende beschrijven van die rust, welke op de peluw van den vrijen man nederdaalt, onder de wetten, die hem de rechten verzekeren, welke God den mensch gegeven heeft? Hoe schoon en lief was voor die moeder dat slapende kindergezichtje, haar nog dierbaarder gemaakt door de herinnering aan duizend gevaren! Hoe onmogelijk was het te slapen in het bezit van zulk een overmatig geluk! En toch bezaten deze twee geen voet gronds, geen dak dat zij het hunne konden noemen, en hadden zij alles verteerd tot hunnen laatsten dollar. Zij hadden niets meer dan de vogelen der lucht of de bloemen des velds--en toch konden zij niet slapen van blijdschap. O gij, die den mensch de vrijheid ontneemt, met welke woorden zult gij dat voor God verantwoorden?

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

DE OVERWINNING.

"Gode zij dank, die ons de overwinning geeft."

Hebben niet velen van ons wel eens op den vermoeienden levensweg gevoeld, hoeveel lichter het zijn zou te sterven dan te leven?

De martelaar, wanneer hij een dood van lichamelijke folteringen voor oogen ziet, vindt juist in het schrikkelijke van zijn lot een krachtig middel tot opwekking en versterking. Hij gevoelt eene opgewondenheid, een ijver, eene hoop, die hem het lijdensuur helpen doorstaan, dat het geboorte-uur der eeuwige rust en heerlijkheid zal wezen.

Maar voort te leven, dag aan dag te slijten in een lage, verachte, bittere, kwellende dienstbaarheid, waaronder elke zenuw verslapt en ontstemt, elk gevoelsvermogen langzamerhand verdoofd wordt--dat lange, verterende martelaarschap van het hart, dat langzame, dagelijksche wegbloeden van het innerlijke leven, droppel voor droppel en uur op uur--dit is de ware, doorzoekende proef van wat een mensch, hetzij man of vrouw, in zijn binnenste bezit.

Toen Tom tegenover zijnen woedenden meester stond en zijne dreigementen hoorde, en bij zich zelven dacht dat zijn uur gekomen was, klopte zijn hart hooger en moediger, en dacht hij dat hij martelingen, brandstapel, dat hij alles zou kunnen doorstaan, met het uitzicht op den hemel, die nog maar ééne schrede van hem verwijderd was; maar toen die woedende meester was heengegaan, en zijne opgewondenheid daalde, kwam de pijn in zijne gekneusde leden terug, kwam het gevoel van zijnen vernederden, verlaten, hopeloozen toestand terug; en hij sleet den dag treurig genoeg.

Lang voordat zijne wonden genezen waren, zette Legree hem weder aan het gewone veldwerk; en toen kwamen dag aan dag pijn en vermoeienis, verergerd door alle verongelijkingen en kwellingen, die de hatelijkheid van een laaghartig, boosaardig mensch kon uitdenken. Wie in _onze_ omstandigheden eene proef van pijn heeft gehad, zelfs met die verlichtingen, welke ons meestal ten deel vallen, moet wel weten, welk een wrevelig ongeduld daaruit gewoonlijk ontstaat. Tom verwonderde zich nu niet meer over de doorgaande norschheid zijner makkers; ja, hij vond zelfs de vreedzame, blijmoedige gemoedsgesteldheid, welke de gewoonte van zijn leven geweest was, zeer bemoeielijkt en gestoord door dezelfde kwellingen, die hen zoo onverdragelijk voor anderen maakten. Hij had zich met vrijen tijd gevleid om zijn Bijbel te lezen, maar hier was niets dat naar vrijen tijd geleek. In de drukte van het seizoen aarzelde Legree niet, om zijne arbeiders op Zondag eveneens te laten werken als door de week. Waarom zou hij niet? Hij kreeg dan meer katoen en won zijne weddenschap, en als hij er eenige arbeiders meer door versleet, kon hij andere koopen. In het eerst placht Tom bij het flikkeren van het vuur, een paar verzen in zijnen Bijbel te lezen, als hij van zijn dagwerk terug kwam; maar na de wreede behandeling, die hij ondergaan had, kwam hij doorgaans zoo afgemat naar huis toe, dat zijn hoofd duizelde en zijne oogen schemerden wanneer hij beproefde te lezen, en hij blijde was, als hij gelijk de anderen zijne pijnlijke leden op den grond kon uitstrekken.

Het is niet vreemd, dat het godsdienstige vertrouwen en de gemoedsrust, die hem tot nog toe hadden ondersteund, voor het slingeren zijner ziel bezweken. Het donkerste raadsel van dit raadselachtig leven stond gedurig voor zijnen geest: zielen met geweld verdorven, het kwaad zegepralende, en God zwijgende. Het duurde weken en maanden dat Tom in zijne ziel zoo in smart en duisternis worstelde. Hij dacht aan Miss Ophelia's brief, aan zijne vrienden in Kentucky, en bad God ernstig om hem redding te zenden; en dan zag hij dag aan dag uit, in de flauwe hoop dat hij iemand zien zou die gezonden was om hem los te koopen; en als er niemand kwam, deed hij weder moeite om in zijne ziel de bittere gedachte te smoren--dat het ijdel was God te dienen, en dat God hem vergeten had. Somtijds sprak hij Cassy; en somtijds, wanneer hij naar het huis werd geroepen, kon hij even de neerslachtige Emmeline zien, maar hij had weinig omgang met eene van beiden, en hij had ook eigenlijk geen tijd om met iemand om te gaan.

Op een avond zat hij geheel uitgeput en ternedergeslagen bij eenige half verbrande houten, waarop zijn onsmakelijk avondmaal braadde. Hij legde eenige droge rijsjes op het vuur, om zoo vast wat licht te krijgen, en haalde zijn Bijbel uit zijn zak. Daar waren al de gemerkte plaatsen, die zijne ziel zoo dikwijls verrukt hadden--woorden van aartsvaders en zieners, van dichters en wijzen, die van den vroegsten tijd af den mensch moed hadden ingesproken--stemmen uit die groote wolk van getuigen, welke ons op de levensbaan altijd omringt. Had het woord zijne kracht verloren, of waren het schemerende oog en het vermoeide gevoel niet meer vatbaar voor den troost der heilige bladen? Met een zwaren zucht stak hij het boek weder in zijnen zak. Een woeste lach wekte hem uit zijne dofheid. Hij zag op, Legree stond voor hem.

"Wel, oude jongen," zeide hij, "gij vindt dat uw godsdienst niet meer werkt, naar het schijnt. Ik dacht wel dat ik dat eindelijk in uw wolligen kroeskop zou krijgen."

Die wreede spot was erger dan honger, koude en naaktheid; Tom zweeg.

"Ge zijt een zot geweest," hernam Legree, "want ik had het goed met u voor, toen ik u kocht. Ge hadt het beter kunnen hebben dan Sambo of Quimbo, en een gemakkelijk leven; en in plaats van elke paar dagen geranseld te worden, hadt ge vrijheid kunnen hebben om den heer te spelen en de andere negers te ranselen; en ge hadt nu en dan eene goede verwarming van punch kunnen krijgen. Kom aan, denkt gij nu niet dat het beter is verstandig te worden? Smijt dat pak gewawel in het vuur, en kom tot mijne kerk over."

"Dat verhoede de Heere!" zeide Tom met vurigen ernst.

"Gij ziet wel dat de Heere u niet helpen zal. Als Hij dat gewild had, zou Hij wel gemaakt hebben dat ik u niet kreeg. Die godsdienst van u is alles een hoop leugenachtige bombast, Tom. Gij deedt beter u aan mij te houden. Ik ben iemand en kan iets doen."

"Neen, meester," antwoordde Tom, "ik blijf er bij. De Heere mag mij helpen of niet helpen; maar ik houd mij aan Hem vast en geloof Hem tot het laatste."

Wanneer een zware last de ziel zoo diep neerdrukt, als zij met mogelijkheid kan verduren, volgt er eene plotselinge, wanhopige inspanning van alle lichamelijke en zedelijke krachten om dien last af te werpen, en daarom is de zwaarste zielsangst dikwijls de voorbode van een terugkeer van moed en blijdschap. Zoo was het nu met Tom. De goddelooze smaad- en spotwoorden van zijnen meester drukten zijne reeds moedelooze ziel in de laagste diepte neder; en hoewel de hand des geloofs de eeuwige rots nog vasthield, was het alleen met de kracht der verstijfde wanhoop. Tom zat daar als geheel bedwelmd en versuft bij het vuur. Eensklaps scheen alles om hem heen te verdwijnen; eene verschijning rees voor hem op van Eenen met doornen gekroond en met bloedige geeselstriemen. Tom staarde met verbazing en ontzag op het verheven geduld van het gelaat; de oogen vol lijden en hemelsch medelijden straalden tot in zijn hart; zijne ziel ontwaakte, terwijl hij overstelpt van aandoening, de handen uitstrekte en op de knieën zonk; toen veranderde langzamerhand de verschijning: de scherpe doornen werden tot stralen eener glorie; met onuitsprekelijken luister zag hij datzelfde gelaat medelijdend naar hem nederbuigen, en hoorde hij eene stem zeggen: "Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in mijnen troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader in Zijnen troon."

Hoelang Tom daar lag, wist hij niet. Toen hij tot zich zelven kwam, was het vuur uitgegaan en waren zijne kleederen doornat van den kouden dauw; maar de schrikkelijke benauwdheid zijner ziel was voorbij, en in de vreugde, die hem vervulde, gevoelde hij geen honger, geen koude, geen vernedering, teleurstelling of ellende meer. Uit het diepste zijner ziel verzaakte hij in dat uur alle hoop in het tegenwoordige leven, en offerde hij zijn eigen wil als een onherroepelijk offer aan den Oneindige op. Tom zag op naar de stille, altijd levende sterren, zinnebeelden dier engelenscharen, die altijd op den mensch neerzien, en in de eenzaamheid van den nacht klonken de zegepralende woorden van een lied, dat hij in gelukkiger dagen dikwijls had gezongen, maar nooit met zulk een gevoel als thans:

"Deze aarde zal als sneeuw vergaan, De zon geen licht meer geven; Maar bij den God, die mij hier riep, Zal ik dan eeuwig leven.

"Als 't aardsche leven mij ontzinkt, De zinnen mij begeven, Dan wacht mij in het hemelhof Het eeuwig, zalig leven.

"En als ons daar tienduizend jaar Reeds tienmaal is gegeven, Dan wacht ons nog geen dag te min Van 't eeuwig, zalig leven."

Zij, die met de godsdienstige geschiedenis der slavenbevolking bekend zijn, weten dat verhalen van zulke verschijningen en gezichten zeer dikwijls voorkomen. Wij hebben eenige zulke verhalen van treffend aandoenlijken aard uit den eigen mond van hen gehoord, die aldus gesterkt en getroost waren. Zielkundigen spreken van een toestand, waarin de aandoeningen en voorstellingen van het gemoed zulk eene kracht en levendigheid bekomen, dat zij de uiterlijke zinnen aan zich dienstbaar maken en deze eene tastbare gedaante aan die innerlijke voorstellingen doen geven. Wie zal het bepalen, waartoe een alles doordringende Geest deze vatbaarheid van ons stoffelijk hulsel zal aanwenden, of door welke middelen Hij eene in wanhoop verzonkene ziel zal bemoedigen? Indien de arme, vergeten slaaf gelooft dat Jezus hem verschenen is en tot hem gesproken heeft, wie zal hem tegenspreken? Heeft Hij niet gezegd dat Hij door alle eeuwen heen gezonden was, om hen die gebroken zijn van harte te genezen en de verslagenen heen te zenden in vrijheid?

Toen de grauwe schemering van den dageraad de sluimerenden wekte om weder naar het veld te gaan, was er een onder die huiverende, met lompen bedekte ellendelingen, die met fieren tred voortstapte; want vaster dan de grond dien hij betrad was zijn krachtig geloof in eene almachtige eeuwige liefde. Ha, Legree, beproef al uw vermogen! Lichaamspijn en zieleleed, gebrek en mishandeling zullen slechts den overstap verhaasten, waardoor hij een koning en priester voor God zal worden.

Van dien tijd af omringde een onschendbaar gebied van vrede het nederige hart van den verdrukte; een altijd tegenwoordige Zaligmaker heiligde het tot een tempel. Voorbij was nu het bloeden van aardsche wonden--voorbij was het sidderen van hoop, vrees en verlangen--de menschelijke wil, lang bloedend worstelende, was nu geheel in den Goddelijken versmolten. Zoo kort scheen nu de nog overige levensreis--zoo nabij, zoo duidelijk zichtbaar scheen de eeuwige zaligheid--dat het zwaarste leed des levens op hem afstuitte, zonder hem te deren.

Iedereen merkte de verandering in zijn voorkomen op. Hij scheen zijne opgeruimdheid en vlugheid terug te krijgen, en eene kalmte te bezitten, die door geene beleediging of mishandeling kon gestoord worden.

"Wat duivel zit er in Tom?" zeide Legree tot Sambo. "Eene maand geleden was hij geheel melancholiek, en nu is hij zoo vroolijk als een krekel."

"Weet niet, meester. Misschien wil hij wegloopen."

"Dat zou ik hem wel eens willen zien probeeren," zeide Legree met een woesten grijnzenden lach. "Zouden we niet, Sambo?"

"Denk nog al, ha, ha!" antwoordde de zwarte pluimstrijker, gedienstig lachende. "He, wat een pret! Hem in de modder te zien steken, en door de struiken rennen, met de honden op het lijf. Ik dacht te barsten van lachen, toen we Molly vingen. Ik dacht dat zij haar geheel opengescheurd zouden hebben, eer we bij haar konden komen. Zij heeft nog de teekens van die grap."

"En die zal ze wel houden tot in haar graf, denk ik," zeide Legree. "Maar let nu goed op, Sambo, als de neger iets van dien aard voornemens is, laat hem dan in de val loopen."

"Laat mij maar begaan, meester," antwoordde Sambo, "ik zal hem wel beetnemen, ho, ho, ho!"

Dit werd gezegd toen Legree te paard stapte, om naar eene naburige stad te rijden. Toen hij dien avond terugkwam, viel het hem in om eens naar het kwartier te rijden en te zien of alles veilig was.

Het was helder maneschijn, de schaduwen van het geboomte teekenden zich met scherpe omtrekken op het gras, en er was eene stilte in de lucht, waarvan het storen bijna heiligschennis scheen te zijn. Legree was nog op eenigen afstand van het kwartier, toen hij eene stem hoorde zingen. Dit was daar iets zeer ongewoons, en hij bleef staan om te luisteren. Eene welluidende tenorstem zong:

"Ben ik van mijn plaats maar zeker, In de woning van mijn Heer, 'k Vrees dan voor geen lijdensbeker, 'k Ween dan geene tranen meer.

"Mag de wereld mij bestrijden, Helsche boosheid wonden slaan, Ik kan kampen, dulden, lijden, Satans woede wederstaan.

"Laten rampen me overstroomen, 'k Sta voor storm en golven pal, Als ik veilig maar mag komen Bij mijn God, mijn heil, mijn al."

"Zoo, zoo, denkt hij zoo?" zeide Legree bij zichzelven. "Die vervloekte methodisten-zangen! Hier, gij neger!" riep hij, plotseling op Tom toeschietende en met zijne karwats dreigende, "Hoe durft gij zoo'n geweld hier maken, als gij in bed moest wezen. Houd je zwarten smoel, en maak dat je wegkomt!"

"Ja, meester," antwoordde Tom, met vlugge bereidwilligheid opstaande om heen te gaan.

Legree werd woedend over Toms onverstoorbare kalmte, en op hem toerijdende, sloeg hij zoo hard hij kon op zijn hoofd en schouders los.

"Daar gij hond!" zeide hij. "Zie of ge nu nog zoo weltevreden zijt."

Maar de slagen vielen slechts op den uitwendigen mensch, en niet gelijk te voren op het hart. Tom bleef onderdanig staan, en toch kon Legree het niet voor zich zelven verbergen, dat hij zijne macht over zijnen gekochten slaaf, hoe dan ook, verloren had; en toen Tom in zijne hut verdween, en hij zijn paard wendde om heen te rijden, schoot er eensklaps eene van die flikkeringen door zijne ziel, die dikwijls den bliksem des gewetens in een donkeren, goddeloozen geest zenden. Hij begreep ten volle dat het God was die tusschen hem en zijn slachtoffer stond, en hij lasterde Hem. Die zwijgende, onderdanige man, die geene smaadwoorden, dreigementen of slagen konden ontrusten, welke eene stem in zijn binnenste, gelijk in vroegeren tijd zijn meester in de door den duivel bezeten ziel had gewekt, zeggende: "Wij, Jezus van Nazareth, wat hebben wij met U te doen? Zijt gij gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd?"