Chapter 39
Ja, Legree, die goudblonde lok was betooverd; ieder haartje daarin had de kracht om u schrik en wroeging aan te jagen en werd door een hoogere macht gebruikt om u de wreede handen te binden en te beletten den hulpelooze het uiterste van uwe boosheid te doen gevoelen.
"Hoort dan!" zeide Legree, met zijne voeten stampende en zijne honden fluitende; "wordt wakker en houdt mij gezelschap!" Maar de honden openden slechts even hunne slaperige oogen en lieten ze weder dichtvallen.
"Ik zal Sambo en Quimbo hier laten komen om te zingen en hunne helsche dansen te dansen, en die akelige gedachten weg te jagen," zeide Legree, zette zijn hoed op, ging naar de veranda en blies op een hoorn, waarmede hij gewoon was zijne zwarte opzichters te roepen.
Als hij in een goed humeur was, liet Legree deze twee heeren dikwijls in de huiskamer komen, en vermaakte zich, nadat hij hen met sterken drank had opgewonden, met hen te laten zingen, dansen of vechten, naarmate hij lust had.
Het was tusschen één en twee uren in den nacht, toen Cassy van haar liefderijk bezoek bij Tom terugkwam, en uit de huiskamer klonk haar een woest gezang, gegil en gejoel tegemoet, vermengd met het blaffen van honden en andere teekenen eener groote opschudding.
Zij ging naar het venster onder de veranda, en keek naar binnen. Legree en de twee drijvers, alle drie smoordronken, waren aan het zingen, schreeuwen en dansen, smeten de stoelen omver en maakten allerlei belachelijke en afschuwelijke grimassen tegen elkander.
Zij liet hare hand op de vensterbank rusten en beschouwde dit tooneel met strakke blikken. Er sprak eene geheele wereld van bittere zielesmart en verachting uit hare zwarte oogen, terwijl zij zoo staarde.
"Zou het zonde zijn, de wereld van zulk een ellendeling te bevrijden?" zeide zij bij zich zelve.
Zij keerde zich haastig om, ging eene achterdeur in, sloop naar boven en klopte aan Emmeline's kamer.
ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
EMMELINE EN CASSY
Cassy trad de kamer binnen en vond Emmeline, bleek van angst, in den versten hoek zitten. Toen zij binnenkwam sprong het meisje met schrik op; maar zoodra zij zag wie het was, snelde zij toe, en haar bij den arm vattende, zeide zij:
"O, Cassy, zijt gij het? Ik ben zoo blij dat gij komt. Ik was bang dat .... O, gij weet niet welk een schrikkelijk leven er den geheelen avond beneden is geweest."
"Dat zal ik toch wel kunnen weten," zeide Cassy droogjes. "Ik heb het dikwijls genoeg gehoord."
"O, Cassy, zeg mij toch! Zouden wij hier niet vandaan kunnen komen? Het kan mij niet schelen waarheen--in het moeras bij de slangen, ergens maar. _Kunnen_ wij niet _ergens_ hier vandaan komen?"
"Nergens dan in het graf," antwoordde Cassy.
"Hebt gij het ooit beproefd?"
"Ik heb het genoeg zien beproeven, en genoeg gezien wat daarvan komt," zeide Cassy.
"Ik zou wel in het moeras willen leven en bast van de boomen knagen. Ik ben niet bang voor slangen. Ik zou liever eene slang bij mij willen hebben dan hem," zeide Emmeline met drift.
"Er zijn al velen hier van uw gevoelen geweest," antwoordde Cassy. "Maar gij zoudt niet in het moeras kunnen blijven. Gij zoudt door de honden opgespoord en teruggebracht kunnen worden--en dan--dan...."
"Wat zou hij dan doen?" zeide het meisje, haar strak aanziende.
"Gij moest liever vragen wat hij dan _niet_ zoude doen," antwoordde Cassy. "Hij is lang genoeg bij de zeeroovers in de West-Indiën in de leer geweest. Gij zoudt niet veel meer slapen, als ik u de dingen vertelde, die ik gezien heb--dingen, die hij somtijds als grappen vertelt. Ik heb gillen gehoord, die ik weken lang niet uit mijne ooren kon krijgen. Er is eene plek, daar bij het kwartier, waar gij een zwart geblakerden boom kunt zien, en de grond nog geheel met asch bedekt; vraag maar wat daar gedaan is en zie of iemand het u zal willen zeggen."
"O, wat meent ge toch?"
"Ik wil het u niet zeggen. Ik heb een hekel om er aan te denken. En ik zeg u, de Heere alleen weet wat wij morgen zullen zien, als die arme man volhoudt zooals hij begonnen is."
"IJselijk!" zeide Emmeline, terwijl alle spoor van kleur hare wangen ontvlood. "O, Cassy, zeg mij toch wat ik doen zal."
"Wat ik gedaan heb. Doe het beste wat gij kunt, doe wat gij moet en haal dan uw hart op met haten en vloeken."
"Hij wilde mij brandewijn doen drinken," zeide Emmeline, "en ik heb daar zulk een afkeer van..."
"Drink maar liever," zeide Cassy. "Ik had er ook een afkeer van; en nu kan ik er niet buiten. Iemand moet iets hebben; men vindt alles zoo akelig niet meer, als men dat neemt."
"Moeder zeide mij altijd dat ik nooit zoo iets mocht proeven," zeide Emmeline.
"Moeder zeide u!" herhaalde Cassy, met bitteren nadruk op het woord moeder. "Waartoe dient het, dat moeders iets zeggen? Gij moet toch allen gekocht en betaald worden, en uwe ziel behoort aan wie u krijgt. Zoo gaat het. Ik zeg: drink brandewijn, en drink zooveel gij kunt; dat maakt de dingen lichter."
"O, Cassy, heb toch medelijden met mij!"
"Medelijden met u? Heb ik dat niet? Heb ik geene dochter? De hemel weet waar zij nu is, en van wien zij is. Zij zal den weg opgaan, denk ik, dien hare moeder voor haar gegaan is, en dien hare kinderen na haar op moeten. Er is geen einde aan den vloek, in eeuwigheid niet!"
"Ik wenschte dat ik nooit geboren was," zeide Emmeline, hare handen wringende.
"Dat is al een oude wensch bij mij," zeide Cassy. "Ik ben er aan gewoon om dat te wenschen. Ik zou sterven, als ik maar durfde," voegde zij er bij, in de duisternis uitziende met die stille, strakke wanhoop, welke de gewone uitdrukking van haar gelaat was, wanneer hare trekken door geene hartstochten in beweging werden gebracht.
"Het zou goddeloos zijn zich zelve om het leven te brengen," zeide Emmeline.
"Ik weet niet waarom. Niet goddeloozer dan de dingen, die wij dag aan dag doen, terwijl wij leven. Maar de zusters hebben mij dingen verteld, terwijl ik in het klooster was, die mij bang maken om te sterven. Als het dan maar ten einde met ons was, dan...."
Emmeline keerde zich om en verborg haar gezicht in hare handen.
Terwijl dit gesprek boven plaats had, was Legree beneden door den drank geheel bedwelmd, in slaap gevallen. Legree was niet gewoon zich dronken te drinken. Zijn grof en sterk gestel kon wel eene gedurige prikkeling verdragen, waaronder een zwakker spoedig zou zijn bezweken, en zijn trek daartoe was groot genoeg; maar voorzichtigheid weerhield hem meestal van zich in zulke mate aan dien trek over te geven, dat hij zijne bezinning geheel verloor.
Dezen avond echter had hij, zich koortsachtig inspannende om de beginselen van angst en wroeging, die bij hem waren ontwaakt, te verdooven, meer dan gewoonlijk gedronken; zoodat hij, toen hij zijne zwarte makkers had laten gaan, log op eene rustbank neerviel en weldra in slaap viel.
O, hoe durft de schuldige ziel de schimmenwereld van den slaap binnentreden?--dat land, welks schemerende grenzen zoo vreeselijk dicht bij het geheimzinnige tooneel der vergelding liggen! Legree droomde. In zijnen zwaren, koortsigen slaap stond er eene gesluierde gedaante naast hem, en lag een koude en zachte hand op hem. Hij dacht dat hij wel wist wie dat was; en eene huivering van ontzetting kroop door zijn gebeente, hoewel het gelaat gesluierd bleef. Toen dacht hij dat hij _dat haar_ om zijne vingers voelde kronkelen; en toen, dat dat om zijnen hals werd geslingerd, en al dichter en dichter klemde, tot hij geen adem meer kon halen--en toen dacht hij dat stemmen hem toefluisterden--een gefluister dat hem van angst deed verstijven. Toen verbeeldde hij zich, dat hij op den kant van een donkeren afgrond stond, zich vasthoudende en in doodsangst worstelende, terwijl donkere handen zich uitstrekten en hem over den rand trokken en Cassy kwam lachende achter hem en duwde hem voort. En toen rees die plechtige gesluierde gedaante weder op en schoof den sluier weg. Het was zijne moeder, en zij keerde zich van hem af, en hij viel al dieper en dieper, onder een verward gerucht van gillen en weeklachten en uitbarstingen van een duivelachtig gelach--en Legree ontwaakte.
De roode schemering van den dageraad vervulde het vertrek. De morgenster zag uit de heldere lucht, met haar plechtig, heilig oog van licht, op den man der zonde neder. O, welk een frischheid, welk eene statigheid en schoonheid heeft elke nieuwgeboren dag, alsof hij de gevoellooze en verstandlooze menschen toeriep: "Ziet, gij hebt nog weder een kans! Streeft naar de eeuwige heerlijkheid!" Er is geen spraak of taal, waarin die stem niet gehoord wordt; maar de verharde booswicht hoorde haar niet. Hij ontwaakte met een vloek en eene verwensching. Wat was voor hem het goud en purper, het dagelijksche wonderwerk van den morgen! Wat was voor hem de plechtige schoonheid van die ster, welke de Zoon Gods als zijn eigen zinnebeeld heeft geheiligd! Gelijk een redeloos dier zag hij haar, zonder haar op te merken; en strompelend opstaande, schonk hij zich een glas brandewijn in en dronk het half ledig.
"Ik heb een helschen nacht gehad," zeide hij tegen Cassy, die juist de deur inkwam.
"Gij zult er nog wel in overvloed krijgen van dezelfde soort," antwoordde zij droogjes.
"Wat meent ge daarmee, karonje?"
"Dat zult ge wel eens ondervinden," antwoordde Cassy even droog. "En nu, Simon heb ik u een raad te geven."
"Wat duivel zal die zijn?"
"Mijn raad is," zeide Cassy, terwijl zij bedaard begon het een en ander in de kamer in orde te zetten, "dat gij Tom met vrede laat."
"Wat gaat u dat aan?"
"Wat het mij aangaat? Ja, dat weet ik zeker niet. Als gij twaalfhonderd dollars voor een man wilt geven en hem onbruikbaar maken in het drukste van den tijd, alleen om uwe kwaadaardigheid te voldoen, is het zeker iets dat mij niet raakt. Ik heb voor hem gedaan wat ik kon."
"Zoo hebt gij dat? Wat hebt gij u met mijne zaken te bemoeien?"
"O geheel niet, dat is zeker. Ik heb u nu en dan eenige duizenden dollars bespaard, door op uwe arbeiders te passen--en dat is al de dank dien ik krijg. Als uw oogst lichter aan de markt komt dan een van anderen, zult gij uwe weddenschap niet verliezen, denk ik? Tompkins zal u niet uitlachen, denk ik, en gij zult maar zoetsappig uw geld betalen, niet waar? Mij dunkt ik zie het u al doen."
Legree had, gelijk vele andere planters, slechts eene eerzucht, om namelijk den zwaarsten oogst van het seizoen te hebben; en hij had juist op dit seizoen verscheidene weddenschappen gedaan, die in de naaste stad beslist moesten worden. Cassy had dus, met vrouwelijken tact, de eenige snaar geraakt die nog trillen kon.
"Welnu, ik zal het laten bij wat hij gekregen heeft," zeide Legree; "maar hij moet mij vergiffenis vragen en betere manieren beloven."
"Dat zal hij niet willen doen," zeide Cassy.
"Niet willen?"
"Neen."
"Ik zou wel eens willen weten waarom, Juffertje," zeide Legree met diepe minachting.
"Omdat hij wèl gedaan heeft en dat weet, en dus niet zal zeggen dat hij kwaad gedaan heeft."
"Wie duivel geeft er iets om wat hij weet? De neger zal zeggen wat ik verkies, of...."
"Of gij zult uwe weddenschap op den katoenoogst verliezen door hem juist in het dringendste van zijn werk uit het veld te houden."
"Maar hij zal het opgeven; hij moet wel. Weet ik niet wat negers zijn? Hij zal van morgen kruipen als een hond."
"Dat zal hij niet, Simon. Gij kent deze soort nog niet. Gij kunt hem doodmartelen; maar gij zult niet het eerste woord van eene schuldbekentenis uit hem krijgen."
"Dat zullen wij zien. Waar is hij?" zeide Legree naar buiten gaande.
"In het berghol van het machinehuis," hernam Cassy.
Hoewel Legree zoo stout sprak, voelde hij toch, terwijl hij naar de aangeduide plaats ging, zekeren schroom, die iets ongewoons bij hem was. Zijne akelige droomen van den vorigen nacht, met Cassy's voorzichtigen raad vereenigd, hadden een niet onbeduidenden indruk op hem gemaakt. Hij wilde dat niemand getuige zou zijn van zijne eerste ontmoeting met Tom, en nam zich voor, indien hij dezen niet door dreigementen tot onderwerping kon brengen, zijne wraak tot een meer gelegen tijd uit te stellen.
Het plechtige licht van den dageraad en de engelenglans der morgenster hadden ook door het venster geschenen van de ruwe schuur, waar Tom nog lag, en als op de stralen der ster nederdalende, waren hem de woorden toegezonden: "Ik ben de wortel van het geslacht Davids, de blinkende morgenster." De geheimzinnige waarschuwingen en welmeenende bedreiging van Cassy, wel verre van zijne ziel te ontmoedigen, hadden haar als met eene hemelsche roepstem opgewekt. Hij wist niet beter of het was de dag van zijnen dood, die daar aan den hemel begon te gloren, en zijn hart klopte van ernstige vreugde en verlangen, toen hij dacht dat al het wonderbare, waarover hij zoo dikwijls had gepeinsd--de groote witte troon met zijnen altijd schitterenden regenboog, de menigte met witte kleederen, en stemmen als vele wateren, de kronen, de palmen, de harpen--alles misschien voor zijne oogen geopenbaard zou worden, eer die zon weder onderging; en daarom hoorde hij zonder vreezen of beven de stem van zijnen vervolger, toen deze naderde.
"Wel, mijn jongen," zeide Legree met een verachtelijken schop, "hoe gaat het nu? Heb ik niet gezegd dat ik je een paar dingen zou leeren? Hoe bevalt je dat? Hoe is dat pak je bekomen, Tom? Niet geheel zoo spraakzaam meer als gisteravond? Ge zoudt nu een armen zondaar niet meer op een stukje preek kunnen onthalen, zoudt ge wel?"
Tom antwoordde niets.
"Sta op, gij beest!" zeide Legree, hem weder een schop gevende.
Dit was moeielijk voor iemand, die zoo gekneusd en flauw was, en terwijl Tom pogingen deed om te gehoorzamen, hief Legree een barbaarsch geschater aan.
"Wat maakt je zoo vlug van morgen, Tom? Misschien kou gevat verleden avond?"
Tom was nu overeind gekomen en stond rechtop en zonder het hoofd te buigen voor zijnen meester.
"Verduiveld, gij kunt het toch!" zeide Legree. "Ik geloof dat gij nog niet genoeg gehad hebt. Komaan nu, Tom, op uwe knieën en vraag mij vergiffenis voor uw brutaliteit van gisteravond."
Tom bewoog zich niet.
"Kniel, hond!" zeide Legree, hem een slag met zijne karwats gevende.
"Meester Legree," zeide Tom, "dat kan ik niet doen. Ik heb maar gedaan wat ik voor recht hield. Ik zal juist hetzelfde doen, als dat ooit weer wezen moet. Ik wil geen wreedheid doen, wat er ook gebeuren mag."
"Ja, maar gij weet niet wat er gebeuren kan, meester Tom. Gij denkt dat gij al iets gehad hebt. Ik zeg u, het is nog niets--nog niemendal. Hoe zou het u bevallen aan een boom te worden gebonden, met een langzaam vuurtje om u heen? Zou dat niet pleizierig wezen, zeg Tom?"
"Meester," antwoordde Tom, "Ik weet dat gij schrikkelijke dingen doen kunt; maar," en hierbij richtte hij zich nog meer op en vouwde zijne handen, "maar nadat gij het lichaam gedood hebt, kunt gij niets meer doen; o, er komt eene geheele _eeuwigheid_ naderhand!"
_Eeuwigheid_--dat woord deed de ziel van den zwarten man beven van blijdschap, terwijl hij het uitsprak--het deed ook de ziel des zondaars beven, alsof hem een schorpioen had gestoken. Legree knarste op zijne tanden, maar zijne woede hield hem stom; en Tom sprak als een vrij man, met een heldere en vroolijke stem:
"Meester Legree, daar gij mij gekocht heb, zal ik een trouw en gehoorzaam dienaar voor u zijn. Ik zal u al het werk mijner handen, al mijn tijd en al mijne kracht geven; maar mijne ziel wil ik aan geen sterfelijk mensch overgeven. Ik wil mij aan de Heere vasthouden en zijne geboden boven alles stellen, hetzij ik leve of sterve, daarvan kunt gij zeker zijn. Meester Legree, ik ben geen zier bevreesd om te sterven. Ik zou zelfs liever sterven. Gij moogt mij geeselen, mij uithongeren, mij verbranden--dat zal mij maar te spoediger brengen waar ik verlang te zijn."
"Ik zal u toch wel doen buigen, eer ik met u gedaan heb," zeide Legree woedend.
"Dat zult gij nooit doen. Ik zal hulp krijgen," antwoordde Tom.
"Wie duivel zal u dan helpen?" zeide Legree met smalende minachting.
"De Heere, de Almachtige!" antwoordde Tom.
"Daar dan, verdoemde kerel!" schreeuwde Legree, met een vuistslag, die Tom op den grond deed storten.
Een koude zachte hand werd op dit oogenblik op die
van Legree gelegd. Hij zag om--het was Cassy; maar die koude, zachte aanraking herinnerde hem zijn droom van den vorigen nacht, en deed tevens de tafereelen van vroegere, akelige nachtwaken voor hem oprijzen, met een gedeelte van den angst dien hij toen had gevoeld.
"Wilt gij dan een zot wezen?" zeide Cassy in het Fransch. "Laat hem met rust. Laat mij begaan om hem weer tot werken in staat te krijgen. Is het niet juist zooals ik u gezegd heb?"
Men zegt dat de aligator en de rhinoceros, hoewel in een kogelvormig harnas gekleed, zelfs ieder een plek hebben, waar zij kwetsbaar zijn; en woeste, roekelooze ongeloovigen en booswichten hebben doorgaans dit kwetsbare punt in eene bijgeloovige vrees.
Legree keerde zich om, en besloot de zaak vooreerst te laten rusten.
"Welnu, doe uw zin," zeide hij norsch tot Cassy.
"Hoor eens," vervolgde hij tot Tom, "ik zal het er nu bij laten, omdat het werk dringt en ik al mijne handen noodig heb; maar ik vergeet het nooit. Ik zal het u op rekening stellen, en mij op een of anderen tijd betaling verschaffen uit uwe zwarte huid; onthoud dat."
Daarmede ging Legree heen.
"Ga maar," zeide Cassy, hem dreigend aanziende. "Uwe rekening zal ook wel komen. Hoe gaat het u, arme man?"
"De Heere heeft zijn engel gezonden en voor ditmaal den muil van den leeuw gesloten," antwoordde Tom.
"Voor ditmaal zeker wel," zeide Cassy; "maar nu hebt gij zijn haat op u, die u dag aan dag volgen zal, u als een hond aan de keel zal hangen en uw bloed drop voor drop afzuigen. Ik ken den man!"
ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
VRIJHEID
"Onverschillig met welke plechtigheden hij op het altaar der slavernij mag gewijd zijn, op het oogenblik dat hij den heiligen Britschen grond aanraakt, zinken het altaar en de god te zamen in het stof, en hij staat daar verlost, herboren, ontslaafd, door den onweerstaanbaren geest der algemeene emancipatie."
Curran.
Wij moeten Tom voor een tijd in de handen van zijnen barbaarschen meester laten, terwijl wij de lotgevallen van George en zijne vrouw nagaan, die wij in eene hoeve aan den weg in handen van vrienden hebben gelaten.
Tom Loker lieten wij kermende en woelende in een voorbeeldig zindelijk kwaker-bed, onder de moederlijke zorgen van Tante Dorcas, die in hem zulk een handelbaar patiënt vond als een zieke bison zou wezen.
Verbeeld u eene rijzige, deftige vrouw, met een schrander uitzicht, wier helderwitte neteldoeksche muts de lokken van zilvergrijs haar beschaduwt, die glad langs een breed, effen voorhoofd zijn gestreken, dat zich boven een paar peinzende oogen welft; een sneeuwwitte halsdoek is met keurige netheid over hare borst geplooid; hare glanzige bruine zijden japon ritselt vreedzaam, terwijl zij in de kamer op en neer trippelt.
"De duivel!" zegt Tom Loker, en werpt met een grooten smak het dek van zich af.
"Ik moet u verzoeken, Thomas, om niet zulke taal te gebruiken," zegt Tante Dorcas, terwijl zij bedaard het dek weder terecht gaat leggen.
"Welnu, ik zal niet, grootje, als ik het laten kan," zegt Tom, "maar het is wel genoeg om iemand te doen vloeken, zoo verwenscht heet!"
Dorcas nam eene deken van het bed, legde het overige dek weder glad en stopte het in, tot Tom eenigszins naar een bakerkindje geleek. Dit gedaan hebbende, zeide zij:
"Ik wenschte, vriend, dat gij dat vloeken en zweren woudt nalaten en over uw levensgedrag eens denken."
"Voor wat duivel, zou ik daaraan denken," antwoordde Tom; "dat is wel het laatste, waar ik ooit lust heb om aan te denken--ik geef er den brui van!" En daarmede wentelde Tom zich om en bracht het dek weder in eene wanorde, die schrikkelijk was om aan te zien.
"Die kerel en die meid zullen wel hier wezen, denk ik?" zeide hij, na eene poos van stilte, op norschen toon.
"Dat zijn zij," zeide Dorcas.
"Zij mogen wel maken dat zij op het meer komen," zeide Tom. "Hoe gauwer hoe beter."
"Waarschijnlijk zullen zij dat doen," antwoordde Tante Dorcas, vreedzaam breiende.
"En hoor eens," zeide Tom, "wij hebben correspondenten te Sandusky, die voor ons op de booten passen. Het kan mij nu niet schelen of ik het zeg. Ik hoop dat zij zullen wegkomen, alleen tot spijt van Marks, dien vervloekten lafbek, die verdoemd mag zijn."
"Thomas, Thomas!" zeide Dorcas.
"Ik zeg u, grootje, als ge iemand al te vast dichtkurkt, moet hij barsten," zeide Tom. "Maar nu over die meid--zeg hun dat zij haar op eene of andere wijs moeten verkleeden, zoodat zij niet meer te kennen is. Haar signalement is naar Sandusky gezonden."
"Wij zullen op die zaak letten," zeide Dorcas met eigenaardige bedaardheid.
Daar wij hier van Tom Loker afscheid nemen, mogen wij nog wel vermelden dat hij, na drie weken in het kwakerhuis te hebben ziek gelegen aan eene rheumatische koorts, die hij zich met zijne andere onheilen op den hals had gehaald, als een eenigszins stiller en wijzer mensch van zijn bed opstond; en in plaats van weder aan het slaven-jagen te gaan, zich naar de nieuwe volksplantingen begaf, waar hij zijne talenten op eene betere wijs gebruikte tot het vangen van beren, wolven en andere boschbewoners, waardoor hij zich zelfs een grooten naam in het land maakte. Tom sprak altijd met veel achting van de kwakers.
"Aardige lui," placht hij te zeggen. "Zij wilden mij bekeeren, maar dat konden zij toch niet recht gedaan krijgen. Maar ik zal u wat zeggen, vreemdeling, om eene zieke op te lappen zijn ze knap. Zij maken bouillon en liflafjes van de allerbeste soort."
Daar Tom gewaarschuwd had dat er te Sandusky op de vluchtelingen zou gepast worden, achtte men het best hen te verdeelen. Jim en zijne oude moeder werden afzonderlijk voortgeholpen; en een paar, nachten later werden George en Eliza met hun kind naar Sandusky gereden en onder een gastvrij dak geherbergd, waar zij zich gereed zouden maken om hun laatsten tocht over het meer te doen.
Hun nacht was nu ver verloopen, en de morgenster der vrijheid rees voor hen op. Vrijheid! Electriseerend woord! Wat is zij? Is zij iets meer dan een naam, eene oratorische spreekwijs? Waarom, gij mannen en vrouwen van Amerika, klopt het hart u hooger bij dat woord, waarvoor uwe vaderen hun bloed hebben gestort, en uwe moeders, nog heldhaftiger, gewillig waren, dat hunne besten en edelsten zouden sterven?
Is er iets in dat woord heerlijk en dierbaar voor een volk, dat ook niet heerlijk en dierbaar voor een mensch zou zijn? Wat is de vrijheid van een volk anders, dan de vrijheid der personen die het uitmaken? Wat is de vrijheid voor den jonkman, die daar met zijne armen over zijne breede borst gekruist zit, met die tint van Afrikaansch bloed op zijne wangen, en dat donkere vuur in zijne oogen--wat is de vrijheid voor George Harris? Voor uwe vaderen was de vrijheid het recht van een volk om een volk te zijn. Voor hem is zij het recht van een man om een mensch en geen beest te zijn; het recht om de vrouw van zijn hart zijne vrouw te noemen en haar tegen losbandig geweld te beschermen; het recht om zijn kind te beschermen en op te voeden, het recht om een eigen huis, een eigen godsdienst, eene eigene ziel te hebben, niet onderworpen aan den wil van een ander. Al deze gedachten woelden in George's borst, terwijl hij peinzend zijn hoofd op zijne hand liet rusten, en naar zijne vrouw zag, terwijl zij bezig was hare ranke gestalte in de mannenkleederen te vermommen, waarin men had gemeend dat zij het veiligste zou kunnen vluchten.
"Nu moeten zij er aan," zeide zij, terwijl zij zich voor den spiegel plaatste en haren overvloed van zwarte, glanzige krullen losschudde.
"Zeg eens, het is haast jammer, George, niet waar?" vervolgde zij, schertsend een gedeelte van die lokken ophoudende. "Is het niet jammer dat alles er af moet?"
George glimlachte treurig en gaf geen antwoord.