De Negerhut

Chapter 38

Chapter 384,108 wordsPublic domain

"Juist zooals het u belieft," zeide hij, "maar als gij u niet verstandig gedraagt, zal ik de kinderen verkoopen en gij zult ze nooit wederzien." Hij zeide mij dat hij mij terstond had willen hebben, zoodra hij mij gezien had; en dat hij Henry had gelokt en in schulden geholpen, met opzet om hem te bewegen mij te verkoopen; en dat hij hem op eene andere vrouw verliefd had doen worden, en dat ik maar weten moest dat hij niet van mij zou afzien om wat kuurtjes en tranen, en zulke dingen.

"Ik gaf mij over, want mijne handen waren gebonden. Hij had mijne kinderen. Wanneer ik hem in iets wilde tegen zijn, sprak hij er telkens van om die te verkoopen en zoo maakte hij mij zoo onderdanig als hij begeerde. O, welk een leven was dat! Te blijven leven, hoewel ik mijn hart voelde breken, te blijven liefhebben, hoewel dit niets anders dan ellende was, en met lichaam en ziel gebonden te zijn aan iemand dien ik haatte! Ik placht gaarne voor Henry te lezen, te spelen en te zingen; maar alles wat ik voor deze deed was eene kwelling voor mij, en toch was ik bang om hem iets te weigeren. Hij was zeer hard en streng voor de kinderen. Eliza was een vreesachtig dingetje; maar Henry was even stoutmoedig en opvliegend als zijn vader, en had nooit door iemand bedwongen kunnen worden. Hij had dagelijks aanmerkingen op hem en ongenoegen met hem, en zoo had ik altijd ongenoegen, vrees en angst. Ik poogde het kind onderdaniger te maken--ik poogde hen van elkander af te houden, want ik was aan die kinderen gehecht als aan mijn leven; maar het baatte niet. Hij verkocht beide kinderen. Hij nam mij eens met zich uit rijden, en toen ik tehuis kwam, waren zij nergens te vinden. Hij zeide mij, dat hij hen verkocht had. Hij liet mij het geld zien, den prijs van hun bloed. Toen was het alsof alles mij begaf. Ik raasde en vloekte--ik vloekte God en de menschen; en voor een tijd geloof ik dat hij werkelijk bevreesd voor mij was. Maar hij gaf het zoo niet op. Hij zeide mij dat mijne kinderen wel verkocht waren, maar dat het van mij zou afhangen of ik hen ooit wederzag, en dat, als ik niet stil en onderdanig was, zij er voor lijden zouden. Nu, gij kunt alles met eene vrouw doen als gij hare kinderen hebt. Hij bracht mij tot onderwerping; hij deed mij vreedzaam zijn; hij vleide mij met de hoop, dat hij ze misschien zou terugkoopen, en zoo ging het een paar weken. Eens was ik uit wandelen en kwam de _calaboose_ voorbij. Ik zag een troep volk bij de deur en hoorde eene kinderstem--en eensklaps rukte mijn Henry zich los van een paar mannen, die hem vasthielden en kwam gillende naar mij toeloopen en vatte mij bij mijn kleed. Zij kwamen naar hem toe, schrikkelijk vloekende, en een man, wiens gezicht ik nooit vergeten zal, zeide hem dat hij er zoo niet zou afkomen; dat hij naar de _calaboose_ moest en eene les zou krijgen, die hij nooit vergeten zou. Ik wilde bidden en smeeken, maar zij lachten mij uit. De arme jongen gilde en zag mij aan en hield mij vast, totdat zij, om hem mede te krijgen, de helft van mijn kleed afscheurden; en zoo sleepten zij hem voort, terwijl hij gilde: "Moeder, moeder!" Een man, die daar stond, scheen medelijden met mij te hebben. Ik bood hem al het geld aan dat ik had, als hij tusschen beide wilde komen. Maar hij schudde zijn hoofd en zeide, de man had gezegd dat de jongen gedurig brutaal en ongehoorzaam was geweest, zoolang hij hem gehad had, en dat hij hem nu eens voorgoed zou afstraffen. Ik keerde mij om, liep heen, en met elken stap langs den geheelen weg dacht ik dat ik hem hoorde gillen. Ik kwam in huis en liep buiten adem naar de woonkamer, waar ik Butler vond. Ik zeide het hem en bad hem om er heen te gaan en tusschenbeide te komen. Hij lachte maar, en zeide dat de jongen kreeg wat hij verdiende. Hij moest gedrild worden, zeide hij, hoe eer hoe beter. En toen vroeg hij "wat ik verwachtte?"

"Het scheen dat er op dat oogenblik iets in mijn hoofd aan stukken sprong. Ik werd duizelig en woedend. Ik herinner mij dat ik een groot scherp mes op de tafel zag, ik herinner er mij iets van dat ik het greep en op hem aanvloog; en toen werd alles donker en wist ik niets meer--vele dagen lang.

"Toen ik tot mij zelve kwam, was ik in een knappe kamer, maar niet in de mijne. Een oude zwarte vrouw paste mij op; een dokter kwam naar mij zien en er werd goed voor mij gezorgd. Na eenigen tijd hoorde ik dat hij weggegaan was, en mij in dat huis had gelaten om verkocht te worden; en daarom zorgde men zoo voor mij.

"Ik dacht niet weer beter te worden en hoopte het ook niet; maar tot mijne spijt liep de koorts af en werd ik weder gezond. Toen dwongen zij mij alle dagen om mij aan te kleeden; en heeren plachten mij te komen zien, en hunne sigaar bij mij te staan rooken, en mij te bekijken en vragen te doen en over mijnen prijs te spreken. Ik was zoo somber en stil, dat geen van allen mij wilde hebben. Zij dreigden mij dat ik zou gegeeseld worden, als ik niet vroolijker was en mij aangenaam poogde te maken. Eindelijk kwam er eens een heer die Stuart heette. Hij scheen eenig gevoel voor mij te hebben. Hij zag dat ik iets schrikkelijks op het hart had, en kwam mij verscheidene malen alleen zien, en overreedde mij eindelijk om het hem te zeggen. Hij kocht mij ten laatste, en beloofde mij alles te doen wat hij kon om mijne kinderen terug te brengen. Hij ging naar het hotel, waar mijn Henry was; men zeide hem dat hij aan een planter aan de Paarl-rivier was verkocht; en dat was het laatste dat ik ooit van hem hoorde. Toen vroeg hij waar mijne dochter was; eene oude vrouw had haar bij zich. Hij bood eene ontzaglijke som voor haar, maar men wilde haar niet verkoopen. Butler ontdekte dat het voor mij was, dat hij haar hebben wilde, en zond mij eene boodschap dat ik haar nooit krijgen zou. Kapitein Stuart was zeer goed voor mij. Hij had een heerlijke plantage en bracht mij daarheen. In den loop van dat jaar kreeg ik een zoon. O, dat kind--hoe lief had ik het! Hoe volmaakt geleek dat wichtje naar mijnen armen Henry! Maar ik had mijn besluit genomen, ja,--dat had ik. Ik wilde nooit weder een kind laten opgroeien. Ik nam het wichtje in mijne armen, toen het twee weken oud was, en kuste het en schreide er over; en toen gaf ik het opium, en hield het vast aan mijne borst, terwijl het den doodsslaap insliep. Hoe treurde en jammerde ik er over! En wie dacht ooit anders of het was eene vergissing, dat ik het opium had gegeven? Maar dat is een van die weinige dingen, waarover ik nu blijde ben. Het spijt mij niet tot op dezen dag; hij is ten minste buiten leed. Wat beters dan de dood kon ik hem geven, het arme kind? Na eene poos kwam de cholera en kapitein Stuart stierf, en iedereen stierf die wenschte te blijven leven, en ik--hoewel ik op den rand van het graf kwam--ik bleef leven! Toen werd ik verkocht en ging van hand tot hand, tot ik verouderd en gerimpeld was en eene koortsziekte kreeg; en toen kocht mij die ellendeling en bracht mij hier--en hier ben ik!"

De vrouw zweeg. Zij had met woeste drift voortgesproken, somtijds alsof zij tot Tom het woord richtte, somtijds alsof zij eene alleenspraak hield. Zoo heftig en medesleepend was de kracht, waarmede zij sprak, dat Tom zelfs de pijn zijner wonden vergat, en zich op zijnen elleboog opbeurende, naar haar bleef staren, terwijl zij rusteloos op en neder stapte, zoodat hare lange zwarte lokken haar nazwierden.

"Gij zegt mij," zeide zij na eene korte poos van stilte, "dat er een God is--een God die alle dingen ziet. Misschien is het zoo. De zusters in het klooster plachten mij van een dag des oordeels te spreken, wanneer alles aan het licht zou komen. Of er dan ook wraak zou zijn?

"Zij denken dat het niets is wat wij lijden--niets wat onze kinderen lijden! Het is alles eene beuzeling. Maar ik heb toch langs de straten gegaan, terwijl het mij was, alsof ik jammer genoeg in het hart had om de geheele stad te doen zinken. Ik heb gewenscht dat de huizen op mij zouden vallen, en de grond zich onder mij zou openen. Ja, en op den dag des oordeels, dan zal ik voor God opstaan als een getuige tegen hen, die mij in het verderf gestort hebben met lichaam en ziel!

"Toen ik een kind was, dacht ik dat ik godsdienstig was; ik placht God lief te hebben en te bidden. Nu ben ik eene verloren ziel, vervolgd door duivelen die mij nacht en dag plagen. Zij drijven mij er gedurig toe aan, en op een of anderen tijd zal ik het doen!" zeide zij, hare vuist dichtknijpende, terwijl hare oogen flikkerden met een glans die aan krankzinnigheid deed denken. "Ik zal hem heenzenden waar hij behoort--en een korten weg ook--op een of anderen nacht, al zouden zij mij er levend om verbranden!"

Een woest geschater klonk door het eenzame gebouw en eindigde in een stuipachtig snikken. Zij wierp zich op den vloer en bleef daar liggen in een toestand, alsof zij eene vlaag van vallende ziekte had.

Doch weldra scheen die razernij te bedaren; zij stond op en scheen zich te bedenken.

"Kan ik nog iets voor u doen, arme man?" zeide zij, de plaats naderende waar Tom lag. "Zal ik u nog wat water geven?"

Er was toen zij dit zeide eene innemende, medelijdende zachtheid in hare stem en geheel haar voorkomen, die zonderling bij hare vroegere woestheid afstak.

Tom dronk het water en zag haar ernstig en beklagelijk aan.

"O, _Missis_, ik wenschte dat gij naar Hem woudt gaan, die u levend water kan geven."

"Naar Hem gaan! Waar is Hij? Wie is Hij?" zeide Cassy.

"Hij, van wien gij voor mij gelezen hebt--de Heere."

"Ik heb wel een schilderij van Hem gezien boven het altaar, toen ik nog een meisje was," zeide Cassy, terwijl hare donkere oogen eene treurig peinzende uitdrukking aannamen; "maar Hij is hier niet. Hier is niets dan zonde en eindeloos lange wanhoop! O!"

Zij legde hare hand op hare borst en haalde diep adem, alsof een zwaar gewicht daarop drukte.

Tom zag haar aan, alsof hij nog eens wilde spreken, maar zij sloot hem den mond met een gebiedenden wenk.

"Spreek maar niet meer, arme man. Ga slapen als gij kunt."

En nadat zij het water binnen zijn bereik had geplaatst en nog eenige beschikkingen voor zijn gemak gemaakt had, ging Cassy heen.

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

DE GEDACHTENISSEN

"Gering kunnen somtijds de dingen zijn die het hart het gewicht weder opladen, dat het voor altijd zou willen afwerpen, het kan een geluid zijn of eene bloem, de wind of de oceaan, die de wonde vernieuwt--de electrieke keten aanrakende, waarmede wij geheimzinnig gebonden zijn."

Childe Harolds Pilgrimage. Canto 4

De huiskamer in de woning van Legree was een groot, hol vertrek, met een wijden en hoogen schoorsteen. Eens was het met fraai en kostbaar papier behangen, dat nu verschoten, verscheurd en half vergaan aan den muur hing. De plaats had dien eigenaardigen, walgelijken en ongezonden reuk, door eene vereeniging van vochtigheid en vervuiling voortgebracht, dien men dikwijls in verwaarloosde oude huizen opmerkt. Het behangselpapier was hier en daar met bier- en wijnvlekken bespat en op andere plaatsen bedekt met lange opgetelde sommen, met krijt geschreven, alsof iemand zich zoo in het rekenen had willen oefenen. Onder den schoorsteen stond een komfoor vol brandende houtskolen; want hoewel het weder niet koud was, waren de avonden in die kille kamer altijd vochtig en huiverig, en bovendien had Legree iets noodig om zijne sigaar aan te steken en water voor punch te verhitten. De roode gloed van het kolenvuur maakte de afzichtelijke verwarring zichtbaar, die hier heerschte; zadels, toomen en allerlei wapentuig, karwatsen, overjassen en andere stukken kleeding lagen ordeloos hier en daar verspreid, en de honden waarvan wij vroeger gesproken hebben, hadden zich naar hun eigen zin en wil daartusschen gelegerd.

Legree maakte juist een glas punch voor zich gereed, en terwijl hij uit een gebarsten kan water opschonk, bromde hij bij zich zelven:

"Die duivelsche Sambo om zulk een haspelarij te maken tusschen mij en het nieuwe volk! Die kerel zal nu in geene week in staat zijn om te werken--en dat juist in het drukste van den tijd."

"Ja, dat is juist uwe manier," zeide eene stem achter zijnen stoel.

Het was Cassy, die onder zijne alleenspraak stil was aangekomen.

"Zoo, gij duivelin, zijt gij daar terug?"

"Ja, daar ben ik," zeide zij koel; "en ik kom ook om mijn eigen zin te hebben!"

"Dat liegt gij, slet! Ik zal mijn woord houden. Doe wat ik wil, of blijf in het kwartier en eet en werk met de anderen."

"Ik wil tienduizendmaal liever in het modderigste hol in het kwartier wezen," antwoordde de vrouw, "dan onder uwen paardepoot."

"Maar gij zijt toch onder mijnen paardepoot," zeide hij, zich met een woesten, grijnzenden lach naar haar omkeerende; "dat is een troost. Kom dus maar hier op mijne knie zitten, liefje, en luister naar rede," zeide hij, en vatte haar bij den arm.

"Pas op, Simon Legree!" zeide de vrouw met eene flikkering in haar oogen, zoo vol dreigende razernij, dat zij hem schrik moest aanjagen. "Gij zijt bang voor mij, Simon," vervolgde zij bedaard, "en gij hebt reden om dat te zijn. Maar pas op, want ik heb den duivel in mij."

Deze laatste woorden fluisterde zij sissend, vlak aan zijn oor.

"Blijf van mij af! Ik geloof het waarachtig ook!" zeide Legree, haar wegduwende en ongerust aanziende. "Maar toch, Cassy," vervolgde hij, "waarom kunt gij geene goede vrienden met mij wezen zooals ge placht te zijn?"

"Placht te zijn?" herhaalde zij bitter en bleef steken. De verstikkende aandoeningen, die in haar hart oprezen, deden haar zwijgen.

Cassy had altijd op Legree dien invloed bezeten, dien eene vrouw van een hartstochtelijk en krachtig karakter steeds over den ruwsten man kan uitoefenen; maar sedert eenigen tijd was zij onder het afschuwelijk juk harer dienstbaarheid steeds wreveliger en onrustiger geworden, en somtijds barstte hare opgepropte gramschap in eene vlaag van razende krankzinnigheid uit, en deze kwaal maakte haar in zekere mate geducht voor Legree, die voor krankzinnigen dat bijgeloovige afgrijzen koesterde, dat ruwen onkundigen menschen eigen is. Toen Legree Emmeline in huis bracht, waren al de vonken van Cassy's verstorven hart weder in vlam geschoten, en had zij voor het meisje partij getrokken. Daarop was een heftige twist tusschen haar en Legree gevolgd. Legree had in woede gezworen dat zij aan het veldwerk zou gezet worden, als zij zich niet stilhield. Cassy had daarop met trotsche minachting verklaard dat zij naar het veld wilde gaan; en nu had zij, gelijk wij beschreven hebben, een dag daar gewerkt, om te toonen hoe volkomen zij die bedreiging verachtte.

Legree was dien geheelen dag heimelijk ongerust geweest, want Cassy bezat een invloed op hem, waarvan hij zich niet kon bevrijden. Toen zij met hare mand naar de schaal kwam, had hij op eene inwilliging gehoopt, en haar op een halfverzoenenden, halfhoonenden toon aangesproken; en zij had met de bitterste verachting geantwoord.

De gruwelijke behandeling van den armen Tom had haar nog meer opgewonden, en zij was Legree naar het huis gevolgd, zonder eenig ander bepaald voornemen dan om hem zijne barbaarschheid te verwijten.

"Ik wensch alleen maar, Cassy," zeide Legree, "dat gij u ordelijk gedraagt."

"Gij moogt wel spreken van ordelijk gedragen. Wat hebt gij gedaan? Gij, die geen verstand genoeg hebt om u te weerhouden van een der beste arbeiders te bederven, midden in den druksten tijd, alleen om uw duivelachtige humeur."

"Ik ben zot geweest, dat is zoo, om tot zulk eene haspelarij aanleiding te geven," zeide Legree, "maar toen die kerel zijn wil tegen den mijnen zette, moest ik hem toch klein krijgen."

"Ik denk niet dat gij hem zult klein krijgen."

"Niet?" zeide Legree driftig opstaande. "Dat zou ik wel eens willen zien. Hij zou de eerste neger wezen die het ooit tegen mij uithield. Al zou ik al de beenderen in zijn lijf aan stuk moeten slaan, hij zal het opgeven!"

Juist op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam Sambo binnen. Hij naderde al buigende en met een papier in de hand.

"Wat is dat, gij rekel?" zeide Legree.

"Het is een tooverding, meester."

"Wat?"

"Zoo iets dat de negers van de tooverheksen krijgen. Dat maakt dat zij niet voelen als zij gegeeseld worden. Hij had het om zijnen hals gebonden met een zwart bandje."

Legree was, gelijk de meeste goddelooze en wreede menschen, bijgeloovig. Hij nam het papier aan en opende het met ongerustheid.

Er viel een zilveren dollar uit, en eene lange glanzige krul blond haar kronkelde zich, alsof zij een levend wezen was, om zijne vingers.

"Verdoemenis!" gilde hij, eensklaps opstuivende, stampte met zijne voeten op den grond, en trok woedend aan het haar, alsof het hem brandde. "Waar is dat vandaan gekomen? Neem het mij af! Verbrand het!" Gillende en schreeuwende rukte hij het zich van de vingers en wierp het in het komfoor.

"Waarom hebt gij mij dat gebracht?"

Sambo stond met een wijd geopenden mond, stom van verbazing; en Cassy, die het vertrek had willen verlaten, bleef staan en zag hem met bevreemding aan.

"Breng mij nooit meer van die duivelsche dingen," zeide Legree, Sambo, die haastig naar de deur week, met zijne vuist dreigende; en vervolgens raapte hij den dollar op en wierp hem door eene vensterruit naar buiten in de duisternis.

Sambo was blijde dat hij zoo weg kwam. Toen hij de deur uit was scheen Legree zich eenigszins over zijne ontsteltenis te schamen. Hij zette zich stuursch weder neer en begon met een barsch gezicht zijne punch te slurpen.

Cassy maakte zich gereed om onopgemerkt heen te gaan, en sloop weldra de deur uit, om den armen Tom te gaan bezoeken, gelijk wij reeds verhaald hebben.

En wat scheelde Legree? Wat was er in die eenvoudige haarlok, om dien barbaar, gemeenzaam met alles wat wreedheid kon heeten, zoodanig te doen ontstellen? Om deze vraag te beantwoorden, moeten wij den lezer iets van zijne vroegere geschiedenis verhalen. Hoe hard en verstokt de goddelooze man thans wezen mocht--er was toch een tijd geweest, toen hij aan de borst eener moeder werd gesust--met gebeden en vrome gezangen in zijne wieg werd gelegd--toen zijn thans met het teeken der zonde gebrandmerkt voorhoofd met het water van den heiligen doop werd besproeid. In zijne vroegste kindsheid had eene vrouw met blonde haren hem bij het gelui der sabbatklokken medegenomen, om God te loven en te bidden. Ver in Nieuw-Engeland heeft die moeder haar eenigen zoon opgevoed, met onvermoeide liefde en aanhoudende gebeden. Het kind van een hardvochtigen vader, aan wien die zachtzinnige vrouw een schat van onopgemerkte liefde had verkwist, had Legree de voetstappen van dien vader gevolgd. Woest, onhandelbaar en eigenzinnig, had hij al haar raad veracht en zich aan hare berispingen onttrokken; reeds vroeg had hij zich van haar losgerukt, om op zee fortuin te gaan zoeken. Na dien tijd was hij slechts een enkele maal tehuis gekomen, en toen had zijne moeder met het smachtende verlangen van een hart, dat iets moest liefhebben en niets anders had om lief te hebben, zich aan hem gehecht, en met vurige gebeden en smeekingen gepoogd hem van een leven van zonde af te trekken en om het eeuwige heil zijner ziel te doen denken.

Dat was voor Legree de dag der genade geweest. Toen hadden goede engelen hem geroepen. Toen had hij zich bijna laten overreden. Zijn hart werd innerlijk vermurwd--er ontstond een strijd in zijn binnenste--maar de zonde behaalde de overwinning, en met al de kracht van zijn ruw karakter smoorde hij de overtuiging van zijn geweten. Hij dronk en vloekte weder, werd woester en losbandiger dan ooit, en op een avond toen zijne moeder in den doodelijken angst harer wanhoop voor zijne voeten knielde, stiet hij haar van zich af, liet haar bewusteloos op den grond liggen, en vlood met woeste vloeken naar zijn schip. Toen Legree weder iets van zijne moeder vernam, was het op een avond terwijl hij met zijne woeste makkers zat te drinken. Een brief werd hem overgegeven. Hij opende dien en eene lok lang krullend haar viel er uit en kronkelde zich om zijne vingers. De brief zeide hem dat zijne moeder dood was, en dat zij hem stervende had vergeven en gezegend.

In het kwaad schuilt het geduchte vermogen eener gruwelijke tooverkunst, die de liefelijkste en heiligste dingen in schrikaanjagende spooksels doet veranderen. Die bleeke, liefderijke moeder--hare stervende gebeden en vergevende liefde--waren voor dat zondige hart slechts een vonnis van verdoemenis, dat eene vreeselijke verwachting van het oordeel medebracht. Legree verbrandde zoowel den brief als het haar, en toen hij beide in de vlam zag sissen en knetteren, deed de gedachte aan het eeuwige vuur hem sidderen. Hij beproefde die herinnering met drinken en woeste buitensporigheden te verdrijven; maar dikwijls in den nacht, welks plechtige stilte de schuldige ziel tot een gedwongen omgang met zichzelven veroordeelt, had hij die bleeke moeder voor zijn bed zien oprijzen, en het zachte klemmen van dat haar om zijne vingers gevoeld, tot het koude zweet hem van het gezicht droop en hij van angst uit zijn bed sprong. Gij, die u verwonderd hebt in hetzelfde Evangelie te hooren, dat God liefde is en dat God een verterend vuur is; ziet gij niet hoe, voor de aan het kwaad overgegeven ziel, de volmaakste liefde de verschrikkelijkste pijniging is, het vonnis en zegel der akeligste wanhoop?

"Voor den duivel!" zeide Legree bij zich zelven, terwijl hij zijn punch slurpte. "Waar heeft hij dat gekregen? Als het niet volmaakt geleek naar--ba! Ik dacht het vergeten te hebben. Het is verdoemd, alsof men nooit iets vergeten kan. Ik ben hier te eenzaam. Ik zal Em roepen. Zij haat mij--die meerkat. Maar dat kan mij niet schelen--ik zal haar toch laten komen."

Legree ging naar een ruim voorhuis, waarin de trap uitkwam, die eens een prachtige wenteltrap was geweest; maar thans was alles vervallen van vuil en overal stonden oude kisten en andere afzichtelijke dingen in den weg. De trap scheen in de duisternis op te stijgen--men kon niet weten waarheen. Het bleeke maanlicht scheen door de gebroken ruiten boven de deur; de lucht was hier kil en ongezond, als in een gewelf.

Legree bleef onder aan de trap staan en hoorde eene stem zingen. Dat gezang kwam hem in het akelige huis vreemd en spookachtig voor, misschien omdat zijn zenuwgestel reeds geschokt was. Luister, wat is het?

Een roerende stem zingt een lied, gewoon onder de slaven:

"Jammer, jammer zal er wezen Voor den rechterstoel van Christus, Jammer, jammer voor d'eeuwigheid."

"Die verwenschte meid!" zeide Legree; "ik zou haar wel willen worgen. Em! Em!" riep hij met zijne grove stem; maar alleen de spotachtige weergalm der muren gaf hem antwoord.

De aandoenlijke stem zong voort:

"Ouders en kinderen zullen daar scheiden! Ouders en kinderen zullen daar scheiden. Scheiden, scheiden voor d'eeuwigheid."

En luid en helder klonk door het ledige huis het refrein:

"Jammer, jammer zal er wezen Voor den rechterstoel van Christus, Jammer, jammer voor d'eeuwigheid."

Legree bleef staan. Hij zou zich geschaamd hebben om het iemand te zeggen; maar groote droppels zweet parelden op zijn voorhoofd en zijn hart klopte hoorbaar van angst. Hij dacht zelfs dat hij in eene kamer voor zich iets schemerend wits zag oprijzen, en sidderde bij de gedachte wat het zijn zou, als de gedaante zijner doode moeder eensklaps voor hem verscheen.

"Dat weet ik wel," zeide hij bij zich zelven, terwijl hij strompelend weder naar de huiskamer ging, "ik zal dien kerel voortaan met vrede laten. Wat had ik met zijn vervloekt papier noodig? Ik geloof waarachtig dat ik betooverd ben. Ik huiver en zweet tegelijk sedert dien tijd. Waar heeft hij dat haar vandaan gekregen? Het kan _dat_ toch niet geweest zijn. _Dat_ heb ik verbrand, dat weet ik. 't Zou wel grappig zijn, als haar uit den dood kon opstaan."